Inkomensverdeling

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Onder de inkomensverdeling wordt de verdeling van het nationaal inkomen over personen of huishoudens verstaan. De primaire inkomensverdeling gaat over de verdeling van de primaire inkomens, dit zijn de inkomens uit arbeid en vermogen. Bij de secundaire inkomensverdeling wordt de primaire inkomensverdeling gecorrigeerd door belastingen en sociale uitkeringen. Er kan ook nog sprake zijn van een tertiaire inkomensverdeling waarbij er rekening gehouden wordt met subsidies en prijsaanpassingen gerelateerd aan het inkomen.

Meetinstrumenten[bewerken]

Wanneer men de inkomstenverdeling of inkomstenongelijkheid wil meten bestaan er verschillende meetmethodes.

De mediaan[bewerken]

De mediaan is het inkomen waarvan men kan stellen dat er evenveel mensen minder en meer verdienen als dat inkomen. Meestal wordt de mediaan vergeleken met het gemiddelde inkomen. De mate waarin de mediaan afwijkt van het gemiddelde geeft aan hoe scheef de verdeling zit. Voor België was de inkomensmediaan 2.023 € en het inkomensgemiddelde 2.492 € (cijfers voor 2006) .[1] Dit geeft aan dat er aanzienlijk meer mensen een inkomen hebben onder het gemiddelde inkomen.

Gini-coëfficiënt en de Lorenz-kurve[bewerken]

Lorenz kurve Belgische inkomens (2005)

De gini-coëfficiënt is het internationaal meest toegepaste meetinstrument om de (ongelijke) verdeling van de inkomsten te meten. Er bestaan diverse lijsten van landen en regio’s met deze coëfficiënten. De meest gekende zijn de lijsten van de United Nations Development Programme, de World Bank en Eurostat. Hieruit blijkt dat de meer ontwikkelde landen een gelijkmatiger inkomensverdeling hebben dan de armere landen. De Lorenz-kurve plaatst het cumulatief procent van de inkomens tegenover het cumulatief procent van de gezinnen. De Lorenz-kurve geeft in feite een preciezer beeld waar de ongelijkheid te situeren is.[2]

Palma cijfer[bewerken]

Het Palma cijfer, genoemd naar Gabriel Palma, concentreert zich op het inkomensvolume van de 40 % laagste inkomens tegenover het volume van de 10% hoogste inkomens. Het idee hierachter is dat de 50 % die ertussen zit ongeveer altijd 50 % van het totale inkomen verdient. Het verschil tussen de armste 40 % en de rijkste 10 % geven aan hoe gelijkmatig het globale inkomen verdeeld is. Voorstanders van deze methode geven aan dat dit cijfer zeer gemakkelijk te interpreteren is.[3]

Aantal mensen in armoede[bewerken]

Een ander cijfer dat mag genoemd worden is de verhouding tussen mensen die in armoede leven op de totale bevolking. De gini-coëfficiënt en de palma geven enkel de ongelijkheid aan tussen alle inkomens. Twee landen kunnen een vrijwel gelijke gini-index hebben maar de inkomens in het ene land kunnen 10 maal lager liggen dan in het andere land. Om een genuanceerder beeld te hebben op de inkomens is dit cijfer ook een belangrijk gegeven. Het is echter geen cijfer dat de inkomensongelijkheid aangeeft. In deze context kan ook de Alkire Foster methode genoemd worden die het begrip ‘armoede’ multidimensionaal benaderd. [N 1]

Oorzaken van inkomensongelijkheid[bewerken]

Het inkomen komt uit de eerste plaats uit arbeid en vermogen. Vooreerst moet je toegang hebben tot de arbeidsmarkt of moet je vermogen hebben om het te laten renderen. Een deel van de bevolking komt hier niet toe en moet het bijgevolg stellen met een vervangingsinkomen dat doorgaans (zeer) laag is. Mensen die met een leefloon moeten rondkomen hebben een inkomen als alleenstaande van 817,36 € per maand[4] in België en 912,79 € per maand[5] in Nederland. Het inkomen uit arbeid is sterk afhankelijk van de job die uitgeoefend wordt. Het minimumloon dat een werkgever moet betalen voor een voltijdse baan is 1.501,82 € [6] in België en 1.485,60 € per maand in Nederland. (cijfers 2014 ) Mensen die een uitkering ontvangen mogen maar een beperkt eigen vermogen hebben en hebben dus geen inkomens uit vermogen. Inkomens uit arbeid kunnen hoog oplopen. Het gemiddeld maandloon (2012) bedroeg in Vlaanderen 3.196 € [7] en in Nederland 2.883 € [8]. Bepaalde jobs worden overgewaardeerd doordat er een schaarste is op de arbeidsmarkt. Dit is bijvoorbeeld het geval voor hoogopgeleide profielen. De toplonen van CEO’s stegen de laatste jaren enorm. Zo verdient een Amerikaanse CEO driehonderd maal meer dan het gemiddelde loon in zijn bedrijf.[9] Ook in Europa kwamen de exuberante lonen van CEO’s vaak in het nieuws. We kunnen besluiten dat het inkomen uit arbeid zeer ongelijk is.

Ook het inkomen uit vermogen zorgt voor een scheeftrekking van de inkomensverdeling. Je kan eenvoudig stellen dat enkel de hoge inkomens mogelijkheid hebben om een inkomen uit vermogen te genereren. Mensen met een laag inkomen dienen hun inkomen aan te wenden voor hun – soms enkel levensnoodzakelijke - behoeftes. Wie inkomen uit vermogen ontvangt vergroot zijn vermogen, het is een zelfversterkend effect.

Taak van de overheid[bewerken]

Vele economen zijn het eens dat de overheid een corrigerende rol heeft in de verdeling van het inkomen. De overheid kan dit op diverse manieren doen :

Directe belastingen op loon[bewerken]

De directe belastingen die de overheid op het loon van een werknemer of een zelfstandige of op de winst van een bedrijf heft is progressief. Dit betekent dat de hoogste inkomens een hogere gemiddelde aanslagvoet hebben dan de lage inkomens. Vooreerst wordt er in België een deel van het loon beschouwd als belastingvrij. Dit is de eerste 7.350 € van het jaarinkomen/persoon voor 2015.[10] Vervolgens loopt het belastingtarief op van 25 % tot 50 % voor de schijf boven de 37.750 €/jaar. In Nederland kent men eveneens een progressieve heffing van 36,5 % tot 52 % voor de schijf boven de 57.585 €/jaar [11] Ook in de andere geïndustrialiseerde landen kent men een gelijkaardig belastingsysteem. Landen waarbij de inkomensverdeling van primaire en secundaire inkomens gekend zijn tonen aan dat directe belastingen een corrigerend effect hebben. Zo ligt de gini-coëfficiënt van de primaire inkomens in de OESO-landen op 0,41 en van de secundaire inkomens op 0,30.[12]

Sociale uitkeringen voor de laagste inkomens[bewerken]

Personen die geen of een te laag inkomen hebben kunnen veelal aanspraak maken op een sociale uitkering. De meest gekende uitkeringen zijn de werkloosheidsuitkering, de uitkeringen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid en de pensioenen. Personen die geen toegang hebben tot sociale voorzieningen ontvangen een leefloon.

Subsidies die inkomen gerelateerd zijn[bewerken]

De overheid voorziet ook in subsidies voor allerhande activiteiten : verbouwingen, milieuvriendelijke investeringen, schooltoelages, stookoliepremies, … Als deze inkomen gerelateerd zijn kunnen deze ook beschouwd worden als corrigerende ingrepen ten aanzien van de inkomensongelijkheid.

Evolutie[bewerken]

Verschillende studies en economen tonen aan dat de inkomensverdeling in de geïndustrialiseerde wereld steeds ongelijker wordt. Enerzijds kan men stellen dat de discrepantie tussen de Aziatische landen en de Westerse landen kleiner wordt omdat de lonen in Azië sneller stijgen.[13] Anderzijds stijgt de ongelijkheid in de Westerse landen sinds 1980. De stijging is vrijwel algemeen : Volgens de OESO is er enkel een stabilisatie in België, Frankrijk en Hongarije en een daling in Griekenland en Turkije.[14] De Franse econoomThomas Piketty geeft aan dat het mondiale kapitalisme automatisch leidt tot meer ongelijkheid. Het is de taak van de overheid om corrigerende maatregelen te treffen. Paul De Grauwe geeft aan dat deze correcties van de overheid echter niet ongelimiteerd kunnen getroffen worden : Ze kunnen de efficiëntie van de werkende klasse beperken en te veel sociale correcties kunnen maatschappelijk als oneerlijk beschouwd worden. In dit geval spreekt men van ‘moral hazard’.[15]

Referenties[bewerken]

Voetnoten[bewerken]

  1. Sabina Alkire en James Foster ontwikkelden een nieuwe methode om multidimensionaal te gaan bepalen wie in armoede leeft in een bepaalde regio of land. Hiermee houden ze niet enkel rekening met het beschikbare inkomen maar met de mogelijkheid om toegang te hebben tot onderwijs, gezondheidszorg, werk, veiligheid, …

Referenties[bewerken]

  1. (nl) Decoster, André, economie, blz 437, Universitaire Pers Leuven, Leuven, 2010, 911 blz ISBN 978 90 5867 797 6. 780. Geraadpleegd op 20/12/2014.
  2. (nl) Decoster, André, economie, blz 440-441, Universitaire Pers Leuven, Leuven, 2010, 911 blz ISBN 978 90 5867 797 6. 780. Geraadpleegd op 20/12/2014.
  3. (en) Inequality all about tails palma, gini and post-2015 , verslag van een conferentie door de Wereldbank
  4. (nl) website Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting : leefloon Geraadpleegd op 31/12/ 2014
  5. (nl) bijstandsnorm in Nederland Geraadpleegd op 31/12/ 2014
  6. (nl) website Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting : minimumloon Geraadpleegd op 31/12/ 2014
  7. (nl) cijfers van de federale overheidsdienst Economie Geraadpleegd op 31/12/ 2014
  8. (nl) gemiddeld inkomen van de werkzame beroepsbevolking Nederland Geraadpleegd op 31/12/ 2014
  9. (nl) De Grauwe, Paul, De limieten van de markt : de slinger tussen overheid en kapitalisme, blz 130, Lannoo, Tielt, 2014, 236 blz ISBN 978 94 014 1 391 6. 780. Geraadpleegd op 31/12/2014.
  10. (nl) website ministerie van Financiën (België) (PDF) Geraadpleegd op 31/12/ 2014
  11. gegevens Nederlandse belastingsdienst
  12. An Overwiew of Growing Income Inequalities in OECD Countries: Main Findings, verslag van de OESO, blz 36
  13. (nl) De Grauwe, Paul, De limieten van de markt : de slinger tussen overheid en kapitalisme, blz 68-69, Lannoo, Tielt, 2014, 236 blz ISBN 978 94 014 1 391 6. 780. Geraadpleegd op 31/12/2014.
  14. An Overwiew of Growing Income Inequalities in OECD Countries: Main Findings, verslag van de OESO, blz 24
  15. (nl) De Grauwe, Paul, De limieten van de markt : de slinger tussen overheid en kapitalisme, hoofdstuk 8, Lannoo, Tielt, 2014, 236 blz ISBN 978 94 014 1 391 6. 780. Geraadpleegd op 31/12/2014.

Zie ook[bewerken]