Analogie (biologie)
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
De vleugels van een pterosauriër (1), vleermuis (2) en vogel (3) zijn analoog: ze dienen dezelfde functie en zijn gelijkend in structuur, maar zijn elk afzonderlijk ontwikkeld.
In de biologie beschouwt men twee structuren als onderling analoog als die dezelfde of gelijkende functie dienen, maar evolutionair gezien afzonderlijk tot stand zijn gekomen. Er is dan sprake van convergente evolutie.
Het idee van analogie staat lijnrecht tegenover homologie: twee structuren hebben een gezamenlijke afkomst en hoofdstructuur. Soms behouden homologe structuren de oorspronkelijke functie en soms ontwikkelt zich (dankzij verschillen in milieu) een volledig nieuwe (bijvoorbeeld de vleugels van vogels tegenover de voorpoten van zoogdieren).