Universaliënstrijd

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Met universaliënstrijd wordt de eeuwige strijd met betrekking tot de status van algemene begrippen (universalia) bedoeld die een hoogtepunt beleefde in de Middeleeuwen. Hierbij kwamen vragen aan de orde als: 'Zijn het slechts namen die wij aan dingen geven, of bestaan ze onafhankelijk van ons denken en zijn, zijn het reëel bestaande dingen?'

De wortels van dit (filosofisch) conflict dat gedurende de middeleeuwen in de metafysica woedde en verscheidene eeuwen duurde, zijn terug te voeren op het verschil van opvattingen tussen Plato en Aristoteles. Zeer sterk samengevat leerde de rationalist en begripsrealist Plato dat de werkelijkheid slechts een afschijn was van de ("in de hemelen") werkelijk bestaande ideeën (universaliën). Omdat Plato leerde dat de ideeën een werkelijk bestaan leidden, noemt men hem ook wel begripsrealist. Elke eik is dus, om het zo te zeggen, een niet geheel volmaakte afspiegeling van de werkelijke ideale eik. Aristoteles, daarentegen, leerde dat alleen het individuele een werkelijk bestaan leidt. Alleen de afzonderlijke of individuele eiken bestaan echt en ons (algemene) begrip eik kan alleen ontstaan zijn doordat we van alle (werkelijk bestaande) individualiteit van die daadwerkelijk bestaande eiken abstraheren. (Zie ook de door Boëthius doorgegeven, op Aristoteles gebaseerde definitie van de mens en merk op dat mensen in de filosofie natuurlijk veel meer van belang zijn dan eiken.) Tegenover het Platonisch rationalisme en (klassieke) begripsrealisme stond het nominalisme. Het ging in de middeleeuwen dus om de begrippen opgevat als zijnden.

Merk overigens op dat het niet geheel toevallig is dat het rationalisme van Plato samenging met zijn universalisme of (begrips)realisme: iemand is een rationalist als hij kennis put uit zijn kennis van begrippen, en deze begrippen moeten dus minstens de schijn van waarheid of werkelijkheid hebben om binnen een filosofie die in wezen een zijnsleer was, [1] de waar- en werkelijkheid van het rationalistisch systeem aannemelijk te kunnen maken. Nadat het op het individuele gerichte denken van Aristoteles in de hoge middeleeuwen de overhand had gekregen, (zie ook: scholastiek) kreeg in de moderne tijd het rationalisme weer stevige impulsen (René Descartes, Baruch Spinoza, Leibniz), maar daar stond het niet meer tegenover nominalisme zoals in de middeleeuwen, maar eerder tegenover het empirisme. Deze verandering van tegenstellingen verliep min-of-meer simultaan met de opkomst van de epistemologie binnen de filosofie. Een van de meest uitgesproken vertegenwoordigers van het nominalisme in de middeleeuwen was Roscellinus van Compiègne, die stelde dat de universaliën slechts gearticuleerde luchtstoten (flatus vocis) waren.

Na de middeleeuwen is niet alleen het begrip rationalisme van betekenis veranderd (al was het slechts door de verandering van oppositie) ook het (aanvankelijk) platonische begrip realisme is van betekenis veranderd maar dan meteen ook volledig: in de moderne tijd noemt men Plato ook wel een idealist terwijl het moderne realisme diametraal tegenover het moderne idealisme geplaatst wordt.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Metafysica kwam toentertijd neer op zuivere ontologie)