Ideeënleer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Plato-raphael.jpg
Onderwerpen gerelateerd aan
Plato
Plato's jeugdjaren
Werken
Ideeënleer
Platonische liefde
Plato en Griekse religie
Plato's theologie
Plato's staatkunde
Plato-commentaren
Akademeia
Anamnese
Maieutiek
Hermeneutiek
Platonisme / Neoplatonisme
Allegorieën en metaforen
Atlantis
Allegorie van de grot
Het verhaal van Er
Ring van Gyges

De Ideeënleer is het bekendste onderdeel van de filosofie van de Griekse wijsgeer Plato, en behelst de aanname dat er eeuwige, slechts met het verstand waarneembare Ideeën bestaan. Deze Ideeën vervullen een functie in Plato's metafysica/ontologie, kennistheorie en ethiek.

Het woord 'Idee'[bewerken]

Het woord Idee in deze context is direct afkomstig van het Griekse woord idea, dat 'gestalte', 'aanblik' betekent, en bij Plato maar weinig met het Nederlandse woord idee te maken heeft. Al is het woord 'Ideeënleer' dus misleidend, de term is ingeburgerd. Dit komt omdat latere platonisten de Ideeën interpreteerden als zijnde aanwezig in een goddelijke geest. Via die weg kon het Griekse idea in de moderne westerse talen de betekenis krijgen van 'opvatting in iemands geest', 'idee'.

Plato gebruikt ook het woord eidos (vorm) voor zijn Ideeën; in het Engels spreekt men dan ook wel van de Theory of Forms, om zo de misleidende relatie met het woord 'idee' te vermijden.

Metafysica/Ontologie[bewerken]

Van de Ideeën zegt Plato dat ze 'waarlijk zijn', bestaan. Hiermee wil hij o.a. uitdrukken dat ze eeuwig bestaan, en nooit veranderen. Dit in tegenstelling tot de voorwerpen om ons heen; omdat deze aan voortdurende verandering onderhevig zijn, is de term 'worden' hier meer van toepassing. Ze danken hun - afgeleide - 'bestaan' aan de Ideeën: Plato drukt dit uit door te zeggen dat deze voorwerpen 'deelhebben aan' een Idee. De Idee heeft dan de functie van oerbeeld. In de Timaeus brengt de demiurg, de 'goddelijke ambachtsman', het universum tot stand door de aanwezige, ongeordende, 'materie' te vormen naar het beeld van de Ideeën. Ideeën hebben een absoluut bestaan; de Idee van de cirkel bestaat eerder dan alle afbeeldingen ervan om ons heen.

Niet alleen voorwerpen maar ook eigenschappen zijn voor hun 'bestaan' afhankelijk van de Ideeën: een handeling is rechtvaardig, omdat ze deel heeft aan de Idee Rechtvaardigheid. Als die handeling ook moedig is, heeft ze ook deel aan de Idee Moed. In dit geval heeft de Idee de functie van grondbegrip.

Schematische uitleg van Plato's ideeënleer

Men categoriseert de Ideeënleer wel als een Twee-werelden theorie. Er is bij Plato een duidelijk niveauverschil tussen de wereld der Ideeën en de wereld om ons heen. Soms wekt Plato ook de indruk dat deze laatste slechts schijn is; wij leven slechts te midden van afbeeldingen (zie: Allegorie van de grot).

Kennistheorie[bewerken]

In de Staat zegt Plato dat alleen filosofen kennis hebben van de Ideeën, en dat we alleen in dit geval van eigenlijke kennis kunnen spreken. De andere mensen hebben niet meer dan doxa (mening/opvatting). Dit is gerelateerd aan het feit dat zij niet verder komen dan hetgeen zintuiglijk waarneembaar is. Plato legt de link tussen kennis en Idee omdat voor hem echte kennis gepaard moet gaan met onveranderlijke en onvergankelijke voorwerpen van kennis. De voorwerpen om ons heen zijn veranderlijk en vergankelijk, en kunnen daardoor geen voorwerp van kennis zijn.

Anamnese en Ideeën[bewerken]

Toch is duidelijk dat ook andere mensen een tafel van een stoel weten te onderscheiden, en ook enige notie hebben van wat rechtvaardig is en wat niet. Kennelijk heeft iedereen dus wel enige notie van (sommige) Ideeën.

Dit strookt met de anamnese zoals Plato die uiteenzet in de Meno en de Phaedo: onze ziel is eeuwig, bestond dus ook al vóór onze geboorte, en heeft in die, niet aan het lichaam gebonden toestand kennis gehad van de Ideeën. Als de ziel ons lichaam binnentreedt, is het ons lichaam dat deze kennis wegdrukt, omdat het kenvermogen van ziel verstoord wordt door het geweld van de zintuiglijke indrukken. De mens bezit evenwel het vermogen deze prenatale kennis weer op te roepen, zich weer te herinneren (Gr. anamnèsis = herinnering). In de Meno maakt Plato dit aanschouwelijk door een niet wiskundig onderlegde slaaf een wiskundig probleem te laten oplossen, uitsluitend door het stellen van enkele vragen. Dit gebeurt in een kennistheoretische context, nl. als antwoord op het dilemma hoe wij überhaupt iets kunnen leren kennen: op het moment dat we die kennis gaan zoeken, weten we immers nog niet wat het is dat we zoeken. Plato's antwoord is dat we ons op een bepaald moment iets 'herinneren', en dan weten we weer dat dat de gezochte kennis is.

In de Phaedo wordt de anamnese duidelijk gekoppeld aan het bestaan van de Ideeën. Maar hier is de 'trigger' tot de herinnering het waarnemen van mooie voorwerpen om ons heen: deze waarnemingen roepen herinneringen op aan de zuivere schoonheid die onze ziel vroeger aanschouwd heeft.

Ideeën als universalia[bewerken]

De Idee heeft in de functie van gemeenschappelijk kenmerk, soortbegrip, een rijk voortleven gekend: de eeuwenlange discussie tussen realisten en nominalisten; zie universalia.

Ethiek[bewerken]

Door hun zuiverheid kunnen sommige Ideeën ook dienen als ideaalbeelden. De Idee Rechtvaardigheid bijvoorbeeld staat voor de perfecte rechtvaardigheid. Deze moet nagestreefd worden. Daarvoor is dus kennis nodig, maar heeft men die, dan kan men handelingen op aarde er altijd aan afmeten. Daarom moeten in de Staat de bestuurders filosofen zijn, want alleen zij beschikken over deze kennis. Maar ook op niet-politiek gebied geldt dat kennis nodig is om te weten wat rechtvaardig (etc.) gedrag is. Daarmee treedt Plato in de voetsporen van Socrates, voor wie ook gold dat deugd een vorm van kennis is.

De Idee van het Goede[bewerken]

In de Staat vormen de Ideeën een hiërarchie, met als hoogste de Idee van het Goede. In de wereld der Ideeën is deze wat op aarde de zon is: zowel bestaansgrond voor de andere Ideeën, als ook de reden dat onze ziel deze kan kennen; ze worden als het ware belicht door de Idee van het Goede. Deze Idee te aanschouwen is het ultieme doel van al ons filosofisch streven. Nergens anders in zijn werk noemt Plato deze Idee, maar door latere platonisten is ze centraal gesteld (in een meer mystiek kader). Ook is ze wel geïdentificeerd met een monotheïstische god zoals in het latere jodendom, christendom en de islam. Dit is latere interpretatie en kan niet in Plato's werk worden gelezen, al gebruikt Plato wel de meest verheven termen waar hij het over de Idee van het Goede heeft.

Ontstaan van de Ideeënleer[bewerken]

De absoluutheid en perfectie van hetgeen niet zichtbaar is, heeft Plato naar alle waarschijnlijkheid aan de wiskunde ontleend. Alle door ons getekende driehoeken zijn slechts nabootsingen van de theoretische, perfecte driehoek. Hij heeft dit principe uitgebreid tot andere domeinen, zoals de ethische begrippen. Daar waar Socrates op zoek was naar definities van deze begrippen, zonder daarbij tot een definitief antwoord te komen, vervullen bij Plato de Ideeën de rol van wat wij de 'kern', de 'essentie' zouden noemen. Het tegenwoordig zijn van de Ideeën 'in' de zintuiglijk waarneembare voorwerpen moest verklaren waarom wij van bomen zeggen dat ze 'boom' zijn, en niet (bijvoorbeeld) plant, en een rechtvaardige daad als zodanig kunnen herkennen.

De absoluutheid van de Ideeën moest ook een tegenargument vormen tegen allerlei contemporain relativisme. Daar waar Sofisten verkondigden dat begrippen als 'rechtvaardigheid' subjectief konden worden ingevuld, wilde Plato aantonen dat er een vaststaande, onbetwijfelbare rechtvaardigheid (etc.) bestond.

Filosofische problemen[bewerken]

In zijn latere werk, onder meer in het eerste deel van de Parmenides, gaat Plato zelf in op een aantal vragen die zijn eigen Ideeënleer volgens hem oproept. Bijvoorbeeld: hoe gaat dat 'deelhebben aan' precies in zijn werk? Bevindt een Idee zich in haar geheel in elk voorwerp? Of splitst een Idee zich op? Met andere woorden: de relatie tussen de twee werelden is problematisch.

Aristoteles wees Plato's Ideeën af, maar gebruikte wel hetzelfde Griekse woord — eidos — ter aanduiding van de 'kern' ('essentie') van een voorwerp. Hij stelde dat alle voorwerpen om ons heen zijn samengesteld uit materie en vorm, waarbij de vorm het bepalende element is. Het verschil met Plato is dus dat deze 'vorm' niet meer een los bestaan leidt, niet meer transcendent is, maar uitsluitend 'in' de voorwerpen is, immanent is.