Sofistiek

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De sofistiek was een filosofische stroming uit de Griekse oudheid. Een sofist is een vertegenwoordiger van de beweging der sofisten, leraren in de filosofie en retorica. Het Griekse woord σοφιστης; sophistés, kan het best vertaald worden als geleerde of deskundige.

Aan de sofisten komt de eer toe om als eersten de wetten van het denken te hebben gesystematiseerd (logica). Zij waren ook de voorlopers van de socratische dialectiek en van aristotelische logica. Latere sofisten waren meer op materieel succes uit en benadrukten het belang van retoriek als de kunst van de overtuiging in de politiek, in de rechtszaal of in andere discussies. Tegen deze praktijk nam Socrates stelling, want waarheid kon volgens hem niet afhankelijk zijn van degene die het overtuigendst op gevoelens inpraatte en met alle mogelijke middelen zijn gelijk probeerde te halen. Op die manier werd een slechte zaak immers als goed voorgesteld. Vooral onder invloed van de dialogen van Plato kregen de sofisten een kwalijke reputatie, en werd sofistiek verbonden met een manier van redeneren waarbij drogredenen werden gebruikt (sofismen).

Geschiedenis[bewerken]

In het Athene van de 2e helft van de 5e eeuw v.Chr. werd de term gebruikt voor (meestal rondreizende) "beroepsdenkers" die hun encyclopedische vakkennis inzake wiskunde, literatuur, filosofie en vooral ook welsprekendheid, praktische staatkunde en recht, tegen (hoge) betaling dienstbaar maakten aan de opleiding van de rijpere jeugd uit de gegoede middenklasse. Hun bedoeling was hun leerlingen door middel van onderwijs op het vlak van kennisleer en welsprekendheid op te leiden tot bekwame mensen die een leidende rol zouden kunnen spelen in de gedemocratiseerde maatschappij en in staat waren het woord te nemen in de volksvergadering (Grieks: ekklèsia). De sofisten kwamen uit vrijwel alle gebieden van de Griekse wereld en doceerden in bijna alle steden.

De opkomst en uitbouw van de democratische staatsvorm (onder meer te Athene) schiep de behoefte aan degelijke voorbereiding op het politieke leven en stelde andere en hogere eisen aan het (hoger) onderwijs. De economische voorspoed in de vijfde eeuw v.Chr. vergrootte ook de vraag naar dergelijk onderwijs. Met de opleiding die de sofisten verstrekten gingen echter technieken en kunstgrepen gepaard, die niet zozeer dienden om Waarheid en Recht te doen zegevieren, maar om in alle omstandigheden het eigen gelijk te halen. Dit kwam hen op felle kritiek van Socrates te staan. Impliciet erkenden de sofisten met hun stellingname geen objectieve waarheid buiten de taal.

Op filosofisch vlak braken zij met alle voorgangers, "die toch niets anders hadden gedaan dan kibbelen en tegengestelde theorieën verspreiden...". Die conclusie leidde hen tot relativering van de traditionele waarden en tot verregaand scepticisme en materialisme. Normen van goed en kwaad werden gemeten aan de belangen van de individuele mens, en het natuurrecht werd gesteld tegenover het door de gemeenschap vastgestelde recht. Ook de doorbreking van het isolement van de Griekse stadstaten na de Perzische oorlogen, leidde ertoe dat men meer oog kreeg voor de relatieve waarde van plaatselijke gewoonten en wetten. De sofisten pretendeerden niet dat ze tegenstellingen konden oplossen, maar gebruikten deze juist als uitgangspunt voor hun dialectiek, waarmee de vaardigheid tot argumenteren kon worden beoefend. Het was daarbij de kunst de zwakste bewering toch te laten winnen.

De combinatie van het ter discussie stellen van gewoonten en wetten en het stelselmatig zoeken naar tegenstellingen leidde ertoe dat de sofisten steeds meer als een bedreiging voor de bestaande orde werden beschouwd. Het is daarom begrijpelijk dat in 432 v.C. een wet werd aangenomen tegen o.a. de asebeia van de sofisten.

Zodoende kreeg het woord sofist, vooral in conservatieve en aristocratische kringen, een bijbetekenis van drogredenaar, iemand die recht praat wat krom is. Een sofisme wordt dan een synoniem van drogreden. Een weerslag van deze conservatieve afkeuring op dit soort sofisten vindt men vaak bij Aristophanes, en zelfs specifiek in zijn blijspel Wolken. Isocrates en Plato rekenden de sofistiek door zijn relativisme uitdrukkelijk niet tot de filosofie. Dit hield ook verband met het feit dat sofisten geld aannamen voor hun onderwijs en daardoor al bij voorbaat in een afhankelijke positie kwamen, waardoor objectieve filosofie niet mogelijk was.

In de Romeinse keizertijd heeft de sofistiek een andere betekenis gekregen. Welsprekendheid en opleiding van de jeugd bleven belangrijke elementen, maar de filosofie verdween naar de achtergrond. Om onderscheid te maken met de sofistiek uit de 5e eeuw v. Chr., introduceerde Flavius Philostratus reeds in de 3e eeuw de term tweede sofistiek.

Belangrijkste vertegenwoordigers[bewerken]