Antieke filosofie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Filosofie
Banner-philosophy.png
Geschiedenis van de filosofie
Westerse filosofie Presocratische filosofie
Antieke filosofie
Middeleeuwse filosofie
Renaissancefilosofie
Moderne filosofie
Hedendaagse filosofie
Oosterse filosofie Hindoeïsme
Chinese filosofie
Japanse filosofie
Confucianisme
Taoïsme
Boeddhisme
Zoroastrisme
Arabische filosofie
Indische filosofie
Religieuze filosofie Christelijke filosofie
Joodse filosofie
Islamitische filosofie
Categorie filosofie Boeken
Filosofen
Stromingen
Portaal  Portaalicoon  Filosofie

Antieke filosofie ofwel klassieke filosofie is meestal de aanduiding voor de filosofie van de klassieke Griekse en enkele Romeinse filosofen. Deze begint in de zesde eeuw v. Chr. en loopt door tot de vijfde eeuw n.Chr. en kan, enigszins schematisch, worden verdeeld in drie periodes: de presocratische of wordingsperiode (zesde eeuw - vijfde eeuw v. Chr.), de bloeitijd (vijfde - vierde eeuw v. Chr.) en een post-klassieke periode (derde eeuw voor - vijfde eeuw na Chr.).

In de oudheid omvatte filosofie ook onderwerpen die later zijn afgesplitst als aparte wetenschappen, zoals natuurkunde, psychologie, biologie, kosmogonie, etc. Aanvankelijk hielden de Griekse filosofen zich vooral bezig met de vraag naar het ont- en bestaan van de wereld, waarbij de grote stap was dat men afstand nam van de traditionele mythen die dit onderwerp ook behandelden. Met de Sofisten en Socrates krijgt de filosofie een sociaal aspect, en komen vragen over menselijk gedrag in de belangstelling. Met Plato neemt de metafysica een hoge vlucht, maar hij incorporeert in zekere zin al het voorafgaande, en bereidt voor hetgeen na hem komt. Zijn filosofie is één reusachtig bouwwerk waarbinnen alles met elkaar samenhangt, al houdt hij zich bezig met natuurfilosofie, met de vraag wat kennis is, wat liefde is, en hoe een samenleving eruit moet zien. Bij Aristoteles scheiden verschillende disciplines zich af, omdat voor hem niet alles met alles samenhangt. Hij is ook de uitvinder van de logica. De hellenistische filosofie houdt zich vervolgens bezig met taalfilosofie en logica (de Stoïcijnen), en grijpt voor haar natuurverklaringen deels terug op de filosofen van vóór Socrates' tijd, maar meer en meer komt de vraag op de voorgrond naar het menselijk geluk, hoe innerlijke rust te bereiken is. Met het Neoplatonisme doet een mystiek element zijn intrede.

De Atheense school van Rafaël Santi, waarop tal van Griekse filosofen staan afgebeeld

De presocratische periode[bewerken]

Vroege Griekse filosofen hebben mogelijk kennis gehad van ideeën uit andere culturen (bijvoorbeeld Thales' voorspelling van de zonsverduistering in 585 voor Chr. kan geïnspireerd zijn door de Babyloniërs). De Griekse denkers voegden echter een element toe, waardoor hun denken verschilde van dat van anderen: voor het eerst treffen we in hun geschriften namelijk iets meer aan dan dogmatische beweringen over ontstaan en opbouw van de wereld, namelijk beredeneerde argumenten voor verschillende wereldbeelden, verklaringen waarom iets niet alleen zo is, maar ook waarom het vreemd zou zijn indien het anders zou zijn. Volgens Thales bijvoorbeeld drijft de aarde op water; dat verklaart niet alleen het zich voordoen van aardbevingen, maar maakt deze tot onvermijdelijke verschijnselen.

De methode die deze vroege Griekse filosofen hanteerden bij het opstellen van hun antwoorden was even belangrijk als de vragen (Waar komt alles vandaan, Waar gaat alles naar toe? Waarvan is alles gemaakt?) die zij zich stelden. De presocratische filosofen gebruikten de waarneming samen met de rede om de aard van de wereld om hen heen te verklaren. En hoewel latere filosofen uitvoerig hebben gedebatteerd over de relatieve waarde van beide, hebben ze zich na 2500 jaar fundamenteel verenigd in het gebruik van de methode die het eerst gebruikt werd door de presocraten.

Een problemen bij het preciseren van de ideeën van de presocraten is de gebrekkige overlevering van hun werken. We beschikken slechts over tekstfragmenten, samen met citaten en samenvattingen bij latere filosofen en schrijvers.

De Ionische natuurfilosofen[bewerken]

Op gezag van Aristoteles[1] laten wij doorgaans de Griekse filosofie beginnen met Thales van Milete (±585 v.Chr.), voor wie water het oerprincipe zou zijn. Anaximander (610-546 v.Chr.) evenwel is de eerste van wie we enigszins weten wat voor soort 'wereldverklaring' hij ontworpen heeft. Tevens is hij de eerste Griekse filosoof van wie een letterlijk citaat tot ons is gekomen.

Hij ging in zijn kosmogonie niet uit van één van de vier traditionele elementen (aarde, water, vuur of lucht), maar veronderstelde, speculatief, het apeiron (het onbeperkte), iets onuitputtelijks waaruit onze kosmos zich heeft gevormd. In dit apeiron ontstaat een warm-vochtige substantie, waar een vuur-achtige substantie zich omheen legt. Dit genereert spanningen: het vuur zorgt ervoor dat het binnenste deel harder wordt, en anderzijds ontstaan uitwasemingen, die de omhullende vuurkorst doen barsten. Verschillende stroken vuur worden dan weggeslingerd, en komen elk op verschillende afstand terecht. Hieromheen vormen zich weer uitwasemingen, waarin enkele gaten zitten. Door deze gaten zien wij dat vuur, en dat is feitelijk hetgeen wij de zon, maan en sterren noemen. In het midden van het zo gevormde heelal blijft de harde aarde op zijn plek, mogelijk omdat de aarde zich hier op zo groot mogelijke afstand van het vuur bevindt. Deze ontwikkeling wordt weer teruggedraaid; de zee droogt uit, het vuur krijgt de overhand, en een terugkeer naar het apeiron lijkt plaats te vinden, waarna de cyclus weer opnieuw kan beginnen.

Deze tegengestelde krachten die elkaar bestrijden en om beurten de overhand krijgen, worden in de woorden van Anaximander als onrecht en wraak aangeduid. (Dit is het woordelijk overgeleverde citaat.) Hij gebruikt dus, in onze terminologie, morele termen om de werking van 'natuurwetten' aan te duiden.

Volgens Anaximenes (2e helft 6e eeuw v.Chr.) was lucht het oerprincipe, waaruit middels verdunning en verdichting alles tot stand is gekomen.

Herakleitos[bewerken]

Van Herakleitos (±540 - ±480 v.Chr.) zijn zo'n 125 fragmenten overgeleverd. Hij is niet slechts natuurfilosoof, maar laat zich ook uit over menselijke zaken, bijvoorbeeld: De grenzen van de ziel kan men niet vinden, zo onuitputtelijk is ze. Alles wat bestaat en gedaan kan worden is een uitdrukking van de 'eenheid der tegendelen'. Met andere woorden, tegendelen komen overal voor: De weg omhoog is de weg omlaag; Begin en einde vallen samen op de omtrek van een cirkel. Voor zijn tijdgenoten heeft hij weinig waardering, getuige bijvoorbeeld zijn sneer richting Pythagoras: Geleerdheid leert nog niet begrip te hebben, anders had zij dat wel aan Pythagoras bijgebracht.

De Pythagoreeërs[bewerken]

Pythagoras (±580 - ±490 v.Chr.) was de stichter van een religieus getinte leefgemeenschap in Zuid-Italië. Voor wat betreft zijn filosofie geldt dat wij niet goed in staat zijn te onderscheiden tussen wat zijn opvattingen waren, en wat lateren, zoals Philolaus, (± 450 v.Chr.) aan hem toeschreven: aanvankelijk heerste er geheimhouding omtrent de leer.

De pythagoreeërs zijn degenen geweest die het idee van een onsterfelijke ziel hebben geïntroduceerd in de Griekse filosofie: hun zielsverhuizing impliceert dat een ziel achtereenvolgens in verschillende levende wezens huist. De pythagoreeërs hadden verder veel belangstelling voor getallen, niet alleen wiskundig, maar ook 'filosofisch': het universum is op een 'getalsmatige' manier tot stand gekomen: eerst was er eenheid (1), toen kwam er een deling (2), etc. Maar ook nu nog 'is' alles een getal; rechtvaardigheid bijvoorbeeld 'is' 4. Hierbij heeft mogelijk hun ontdekking van de oorsprong van het verschil in toonhoogte een rol gespeeld: een snaar die 2x zo lang is brengt altijd een toon van een octaaf lager voort. Een octaaf 'is' dus kennelijk een getalsmatige verhouding. (Deze opvatting, die het wezen van de bestaande werkelijkheid terugbrengt tot getallen (of getalsverhoudingen), vertoont verwantschap met de berichten van Aristoteles over Plato's identificatie van zijn Ideeën met getallen; zie Plato's Ongeschreven leer.)

Xenophanes[bewerken]

De dichter Xenophanes (±570 - 475 v.Chr.) bestreed de traditionele voorstelling van de (al te menselijke) Goden, zoals te vinden in de Ilias en Odyssee van Homerus, die bekend waren in heel de Grieks sprekende wereld. Er bestaat volgens Xenophanes wel een God, maar deze lijkt in niets op de mens. Verder kan, volgens hem, de menselijke kennis geen aanspraak maken op volstrekte zekerheid.

De Eleaten[bewerken]

Parmenides van Elea (Zuid-Italië, toen Magna Graecia geheten) heeft een buitengewoon grote invloed gehad, vanwege zijn (puur theoretisch gefundeerde) postulaat dat niets kan ontstaan of vergaan. Filosofen na hem zullen dan ook ter verklaring van de wereld alleen het samen- of uiteengaan van elementen aannemen, en niet nieuwe elementen laten ontstaan. Zijn opvatting dat alleen over hetgeen altijd is filosofisch gesproken kan worden, heeft Plato en Aristoteles beïnvloed.

Zeno is de man van de bekende paradoxen, waaraan ten grondslag ligt dat men alles kwantitatief kan beschouwen, en die stammen uit een tijd dat het idee, dat de som van een oneindig aantal deeltjes eindig is, onvoorstelbaar was. Plato suggereert dat Zeno's paradoxen dienden ter ondersteuning van Parmenides' these dat alles één is, en onbeweeglijk: Zeno zou dan aantonen dat beweging en veelheid cognitief problematisch zijn. Hiermee zou Zeno een plaats in de geschiedenis van de filosofie krijgen als Eleaat. Helemaal zeker is dit evenwel niet.

Anaxagoras[bewerken]

Anaxagoras (± 500 - 428 v.Chr.), geboren in Ionië, is naar Athene verhuisd en heeft daar, zoals men zegt, 'de filosofie geïntroduceerd'. Hij stond in contact met onder anderen Pericles. Zijn filosofische uitgangspunt is dat alles met alles vermengd is, behalve de 'geest' (Nous) die volledig zuiver is. Alles is dus mengsel, maar het overheersende bestanddeel bepaalt als hoedanig wij iets beschouwen. Aanvankelijk bestond er een oermassa, waarin geen enkel element overwoog. Het is de 'geest' geweest die hierin een werveling veroorzaakt heeft, waardoor er scheiding ontstond, en ons heelal met de elementen aarde, lucht, ether etc. ontstond.

Empedocles[bewerken]

Empedocles (± 485 - 425 v.Chr.) is een tot de verbeelding sprekende figuur. Op Sicilië, waar hij geboren is, stond hij voornamelijk bekend als geneesheer annex wonderdoener, en bekend is de legende van zijn vrijwillige dood door de sprong in de Etna (vgl. Hölderlins Der Tod des Empedokles). Als filosoof kennen wij hem door zijn opvatting van de vier elementen: water, aarde, vuur, licht, waaruit alles bestaat. Door wederzijdse aantrekking en afstoting (liefde en haat) van deze elementen ontstaat en vergaat beurtelings de wereld zoals wij die kennen. Net als Pythagoras geloofde hij in zielsverhuizing.

Atomisten[bewerken]

Het is, gegeven de beschikbaarheid van onze bronnen, niet mogelijk de bijdrage van Leucippus (± 450 v.Chr.)te onderscheiden van die van Democritus (± 460 - 375 v.Chr.). Samen gelden zij als de eerste 'atomisten', dat wil zeggen volgens hen bestaat alles in de wereld uit onzichtbare deeltjes, atomen (het Griekse woord atomos betekent ondeelbaar).

De Sofisten[bewerken]

Van Protagoras (± 490 - 420 v.Chr.), de beroemdste sofist[2], is de relativistische uitspraak: De mens is maat van alle dingen. Van de dingen die zijn wat ze zijn en van de dingen die niet zijn wat ze niet zijn.. Deze nogal duistere en voor vele verklaringen vatbare uitspraak is waarschijnlijk gericht tegen de pretentie van de natuurfilosofen op een boven-persoonlijke waarheid en/of benadrukt de subjectiviteit van oordelen. Het optreden van de sofisten maakte bij het (jonge) Atheense publiek ook in algemene zin anti-traditionele gevoelens los. De sofisten benadrukten in hun onderwijs het maatschappelijk optreden, met name het spreken in het openbaar. Zodoende is iemand als Gorgias (± 480 - 399 v.Chr.) eerder als redenaar dan als sofist de geschiedenis in kunnen gaan.

De bloeitijd van de antieke filosofie[bewerken]

De nu volgende periode speelt zich af te Athene, culminerend in de Akademeia van Plato en het Lykeion van Aristoteles en de daar ontstane werken.

Socrates[bewerken]

Socrates (470 - 399 v.Chr.) is een wat problematische figuur: zijn roem dankt hij aan zijn dood (veroordeeld tot het drinken van de gifbeker) en aan Plato, die hem als belangrijkste spreker op laat treden in zijn dialogen. Zelf heeft Socrates niets geschreven. Vast staat dat hij een betwist figuur in Athene was, en door veel tijdgenoten werd hij als één van de sofisten beschouwd. Maar ongetwijfeld heeft hij stimulerend gewerkt op de intellectuele ontwikkeling van Plato en anderen. In de latere klassieke filosofie wordt zijn naam door bijna alle stromingen gebruikt om de volmaakte wijze aan te duiden. Het is niet mogelijk definitief vast te stellen wat Socrates' opvattingen waren; bijna alles wat aan Socrates wordt toegeschreven, is terug te voeren op hetgeen Plato hem laat zeggen. Meningen verschillen in hoeverre Plato hier de historische Socrates aan het woord laat, of dat deze Socrates slechts Plato's opvattingen verwoordt.

Plato[bewerken]

Plato

Plato's werk (428 - 347 v.Chr.), dat in zijn geheel is overgeleverd, kenmerkt zich door een ongekende rijkdom, creativiteit en variëteit. Er is een ontwikkeling in te onderkennen, van de eerste zogeheten aporetische dialogen (dat wil zeggen die slechts vragen opwerpen maar geen enkel antwoord als afdoende erkennen), via klassieke werken als het Symposium, de Staat en de Phaedrus, die stelligere opvattingen weergeven (onder andere de onsterfelijkheid van de ziel en het bestaan van de zogenaamde Ideeën [3] (eeuwige, immateriële, transcendente voorbeelden, waarvan al het bestaande in onze wereld slechts een afbeelding is, en door deelname waaraan de dingen om ons heen pas zijn wat ze zijn, en waarnaar alles streeft als naar zijn vervolmaking.), naar latere werken als de Theaetetus en de Sofist, waarin Plato zich bezighoudt met ons kenproces, en die een zeer kritische houding vertonen, ook t.a.v. de problemen verbonden aan het bestaan van de Ideeën.

Plato is niet alleen filosoof, maar ook schrijver. Dat maakt dat de lezing van elk van zijn werken op zich een stimulerende activiteit kan zijn. Het verklaart tevens waarom zijn gehele werk is overgeleverd, en waarom hij zo'n ongehoorde invloed heeft kunnen uitoefenen op de hele verdere filosofie.

Aristoteles[bewerken]

Aristoteles (384 - 322 v.Chr.) was een leerling van Plato. Van hem zijn slechts die werken overgeleverd welke bedoeld waren voor onderwijs & onderzoek binnen een kleine kring. De stijl waarin deze werken geschreven zijn is dan ook minder 'literair' dan die van Plato, maar kenmerkt zich veelal door een soort telegram- of notitie-stijl. Aristoteles deed veel onderzoek (bijvoorbeeld op het gebied van de biologie, de staatkunde en de literatuur), en betrok veelal alle hem bekende eerdere opvattingen over een onderwerp in zijn eigen onderzoek. Hij is de uitvinder van de logica (een inventarisatie van geldige redeneringen, los van hun inhoud), een discipline die voor hem geen deel uitmaakt van de filosofie maar eraan voorafgaat. Zijn categorieënleer, de uiteenrafeling van de betekenissen van het Griekse werkwoord 'zijn' is gebaseerd op Plato's Sofist. Dit laatste is een goed voorbeeld van hoezeer Aristoteles voortbouwt op Plato's werk, zonder dat hij dit evenwel altijd erkent.

Voor het in kaart brengen van de wereld gebruikt hij de concepten vorm[4] en materie: alles om ons heen bestaat uit deze twee elementen. Hierbij is de vorm het wezenlijke, datgene waarnaar een voorwerp benoemd wordt. (Als de materie van een deur hout is, duiden we dit voorwerp aan als deur, niet als hout.) De dynamiek in zijn teleologische wereldbeeld wordt gevangen middels zijn concepten actualiteit en potentialiteit: het hout is actueel geen deur maar potentieel wel. Het teleologische zit hem hierin, dat (bijvoorbeeld) een eikel als doel (Gr. telos) heeft eik te worden.

De hellenistische filosofie[bewerken]

Epicurisme[bewerken]

Epicurus

Anders dan bij de andere hellenistische stromingen, is de inhoud van het Epicurisme goeddeels bepaald door zijn stichter Epicurus (341 - 270 v.C.). Hij heeft talloze werken geschreven over de wereld en de natuur, paradoxalerwijs in de overtuiging dat het hierbij niet om de waarheid gaat, maar om het effect dat deze opvattingen kunnen uitoefenen op mensen. De filosofie heeft uiteindelijk als enig doel het menselijk geluk. Epicurus grijpt in zijn fysica terug op de atomisten, met dit verschil dat er bij hem sprake is van een clinamen: een onvoorspelbare zijwaartse beweging binnen de (reguliere) verticale beweging van de atomen, die op menselijk niveau correspondeert met de vrije wil, en algemener met de onvoorspelbaarheid van het bestaan. De beweging van de atomen door de lege ruimte heeft geen doel, er zit geen plan of hogere doelstelling achter waaraan men dient te gehoorzamen.

Afwezigheid van vrees en pijn garanderen ons geluk. Goed en kwaad meet het Epicurisme dan ook af aan gewaarwordingen van genot en pijn. Hierbij is het veelal goed om af te zien van een klein genot, omdat te voorzien is dat het later gevolgd zal worden door onbehagen of wroeging. Het toppunt dat in deze te bereiken is, is de ataraxia: de toestand waarin we niet verstoord worden door enige angst of pijn, een toestand van innerlijke onverstoorbaarheid. De mens staat dan nog wel open voor de geneugten van de vriendschap.

In tegenstelling tot de Stoïcijnen ried Epicurus aan om zich terug te trekken uit het openbare leven (leef in het verborgene), een opvatting die, onder anderen via Cicero, bijgedragen heeft aan een zekere impopulariteit van het Epicurisme. Hierbij werd het dan voorgesteld alsof het een oppervlakkige genotsleer betof (de traditionele 'levensgenieter'). Deze voorstelling weer maakte het Epicurisme verdacht bij Christelijke filosofen, die een filosofie die het leven doelloos acht en geen voorzienigheid erkent, natuurlijk verdacht en verderfelijk moesten vinden.

Na Epicurus is de Romeinse dichter Lucretius (98 - 55 v.Chr.) de bekendste Epicurist. Hij heeft in zijn De Rerum Natura de leer van Epicurus op zeer bevlogen en tegelijkertijd gedetailleerde wijze uiteengezet. Hij poogt de menselijke angsten te bestrijden, met name de angst voor de Goden en voor de dood. In Epicurus' materialistische wereldbeeld is de dood slechts het ophouden van het leven, er is verder niets te vrezen. De Goden zijn er wel, maar bemoeien zich niet ons. Lucretius' positie binnen de Romeinse cultuur is uniek: hij schrijft als mens, niet als Romein; patriottisme komt men bij hem niet tegen. Hij is één van de grootste Latijnse dichters.

Stoïcisme[bewerken]

Chrysippus

Van de compromisloze oude Stoa hebben wij slechts fragmenten over. Toch is het mogelijk deze leer, waarvan Zeno van Citium (333 - 262 v.Chr.) de stichter is, goeddeels te reconstrueren. Volgens de Stoïcijnen is alles materie (niet alleen de rede en de ziel, maar ook bijvoorbeeld eigenschappen). Dit op grond van hun criterium dat alleen lichamen invloed kunnen uitoefenen en ondergaan. De Stoa zoekt niet naar een waarheid 'achter' de verschijnselen, zoals Plato met zijn Ideeënleer, maar ziet de verschijnselen als onze enige mogelijkheid tot kennis. Over de vraag of deze bron tot betrouwbare kennis gemaakt kan worden, heeft Chrysippus (280 - 206 v.Chr.), de tweede vader van de Stoa, lange disucssies gevoerd met de scepticus Carneades.

De Stoa stelt als doel het bereiken van de apatheia, de toestand waarin men niet meer door emoties (pathè) wordt gestoord[5]. Hierbij is het 'alles of niets': men kan niet half op weg zijn naar deze toestand. Slechts de Stoïsche wijze heeft deze toestand bereikt. Het vergt een intellectualistische houding: emoties zijn namelijk volgens Chrysippus niet anders dan onjuiste oordelen. Het is bijvoorbeeld slechts het onjuiste oordeel dat men in een bepaalde situatie toe moet geven aan verdriet, die maakt dat we verdrietig worden, niet die situatie zelf. Deze heeft men niet in de hand, en is deterministisch bepaald: er vindt een eeuwige wederkeer plaats van onze kosmos.

Paneatius (185 - 112 v.Chr.), die de Stoa in Rome heeft geïntroduceerd, vormt samen met Posidonius (135 - 51 v.Chr.) de midden-Stoa, die wat humaner trekken vertoont. Zo is volgens Posidonius de emotie geen verkeerd oordeel meer, maar een zelfstandig bestaand iets in onze ziel.

De grootste invloed evenwel op het Europa vanaf de Renaissance heeft de latere Stoa uitgeoefend, deels omdat daarvan werken in hun geheel tot ons gekomen zijn, deels omdat hier de theoretische aspecten op de achtergrond treden ten gunste van de ethiek. De bekendste vertegenwoordiger hiervan is de Romein Seneca (3 v.Chr. - 65 n.Chr.). Diens filosofie is zeer persoonlijk en getuigt van een groot inzicht in mensen. Hij is stoïcijn, maar niet dogmatisch: veel van de theoretische filosofische discussies vindt hij maar haarkloverij; waar het om gaat is de levensfilosofie, de filosofie die een mens beter kan maken. 'Beter' in de zin van nuttiger voor de mensheid, maar ook vrijer en onafhankelijker als individu. Middels zijn flitsende stijl scherpt hij zijn inzichten in. Op grond van zijn levenservaring (hij is op jeugdige leeftijd zwaar ziek geweest, hij is verbannen geweest, heeft jaren aan het hof van Nero gewerkt) kan hij - schijnbaar moeiteloos - raadgevingen voor tal van situaties aanbieden.

Een andere vertegenwoordiger van de latere Stoa is Epictetus (50-130 n.Chr.), die het verschil benadrukt tussen zaken in onze macht (opvattingen, verlangens), en zaken buiten onze macht (reputatie, gezondheid): verwarring tussen deze twee categorieën is de bron van frustratie.

Scepticisme[bewerken]

Carneades

Een andere manier om tot gemoedsrust te komen was die welke gepropageerd werd door Pyrrho (± 365-275 voor Chr.). Door onder alle omstandigheden ons oordeel op te schorten (epochè) en te erkennen dat men niets zeker kan weten, komt een innerlijke rust tot stand.

Een andere tak van het antieke scepticisme is die van Carneades (219 - 128 v.Chr.). Hij bestreed de opvatting dat de mens de waarheid kan kennen. Voor het dagelijks leven heeft men voldoende aan waarschijnlijkheden. Daarmee wordt een afgeleide, praktische, waarschijnlijkheid bedoeld, die tot stand komt op grond van combinaties van eerder ontvangen zintuiglijke indrukken. Hij bedoelt niet dat de relatie van onze indrukken met de daaraan ten grondslag liggende voorwerpen waarschijnlijk zou zijn.

Een derde bekende scepticus was Aenesidemus (1e eeuw voor Chr.). Men schrijft aan hem de zogenaamde tien tropen toe: de argumenten tegen de betrouwbaarheid van de zintuiglijke waarneming, alsmede acht tropen gericht tegen de causaliteit.

Sextus Empiricus (2e eeuw n.Chr.) is onze belangrijkste, zij het wat wijdlopige, bron voor de kennis van het antieke scepticisme. Een andere bron is het werk van Cicero (106 - 43 v.Chr.). Zijn verdiensten op het gebied van de filosofie liggen voornamelijk op het terrein der popularisering. Hij heeft delen van de Griekse filosofie bij de Romeinen geïntroduceerd, waarbij hij Latijnse termen heeft ingevoerd als qualitas. Als filosoof beweert hij aanhanger van de (sceptische) Nieuwe Academie te zijn, maar soms neigt hij tot de Stoa, en soms ook zegt hij dat alle filosofische stromingen, met uitzondering van het Epicurisme, zich slechts onderscheiden door terminologie. Hij ziet een filosofische opleiding als een goede scholing voor een redenaar en politicus, dus als een soort 'algemene ontwikkeling'.

De socratische scholen[bewerken]

Van minder belang zijn de zogenaamde socratische scholen (Megarici, Cynici en Cyrenaeici). Kenmerkend voor hen lijkt het ontkennen van alle verheven filosofische (metafysische, wetenschappelijke, ethische) pretenties. Bekendst van hen allen is de cynicus Diogenes (404 - 323 v.Chr.), maar deze dankt zijn bekendheid vooral aan de anekdoten omtrent zijn gedrag (onder andere zijn leven in een ton). De naam van de megariker Diodoros is verbonden met het zogenaamde meester-argument, betreffende het begrip mogelijk in relatie tot verleden en toekomstige gebeurtenissen [6].

Het neoplatonisme[bewerken]

  • Plotinus (204 - 270 n.Chr.)

Plotinus zag zichzelf als exegeet van Plato, zonder de ambitie een eigen filosofie te hebben. Maar in zijn interpretatie van Plato zijn onmiskenbaar vele elementen ontleend aan Aristoteles en de filosofen na hem. Hiermee stond hij in een lange traditie, toch laat men met hem het Neoplatonisme beginnen, vanwege de kwaliteit van zijn werk. Dit werk, de 'Enneaden', is moeilijk toegankelijk, maar wie er in doordringt treft mooie beelden aan waarmee hij zijn abstracte metafysica onder woorden tracht te brengen. Voor hem is de kosmos een eeuwigdurende emanatie vanuit het hoogste principe (Het Ene), naar de Geest ('Nous'), via de Ziel naar de Materie. Hierbij geldt, dat hoe verder verwijderd van het 'Ene', des te minder 'niveau' of kracht. Een en ander is evenwel niet temporeel op te vatten, maar slechts als een weergave van de structuur van onze wereld. Ook op psychologisch, individueel niveau vinden we deze onderverdeling terug: de mens kan er naar streven terug te keren tot het Ene. Hierin vindt de mens zijn hoogste verwerkelijking. Deze staat kan slechts bereikt worden na langdurige filosofische studie, en is niet iets blijvends voor de mens. Verder was Plotinus een uitgesproken tegenstander van de gnosis.

Proclus (± 410 - 485 na Chr.) is de systematicus binnen het Neoplatonisme. Zijn werk is daardoor veel 'droger' dan dat van Plotinus, maar studie van zijn Elementen der theologie heeft een waarde voor de kennis van het levende Neoplatonisme vergelijkbaar met die van de studie van de anatomie voor de kennis van het levende lichaam [7]. Zijn wijze van filosoferen middels stellingen en hun bewijs zal in de middeleeuwen nagevolgd worden, en vinden we nog terug bij Spinoza.

Overgang naar de Middeleeuwen[bewerken]

Boëthius is een zeer opmerkelijk figuur, doordat hij met zijn Consolatio Philosophiae (Vertroosting van de Filosofie) een zuiver klassiek filosofisch werk heeft geschreven, met zijn Latijnse vertalingen van Griekse filosofische werken tegemoet kwam aan een behoefte van zijn tijd, maar tegelijk ook Christelijk-theologische werken heeft geproduceerd, bijvoorbeeld De Trinitate (Over de Drie-Eenheid). Zijn werk is zeer veel gelezen in de middeleeuwen. Tegenwoordig wordt vooral nog zijn prachtige Consolatio gelezen en vertaald. Dit geschrift kwam tot stand in de periode dat hij gevangen zat, en is geschreven om zichzelf te troosten voor zijn droeve lot. Hiertoe voert vrouwe Philosophia een gesprek met hem, dat kan gelden als de finale paukenslag der antieke filosofie.

Literatuur[bewerken]

  • Klaus Held: Trefpunt Plato (Ned. vertaling door Tineke Davids). Dit boek geeft een helder overzicht van de klassieke filosofie. Het is zeer goed leesbaar, en trekt de behandelde stof vaak in een breder verband, waarbij aangegeven wordt hoe de klassieke filosofie aanzet is geweest voor latere opvattingen. Zeer stimulerend.

Voetnoten[bewerken]

  1. Metafysica, A, III, 983 b. Hierbij dient opgemerkt, dat Aristoteles dit zegt, omdat voor hem 'natuurkunde' deel is van de filosofie. Als men ons begrip van filosofie hanteert, zou men Thales eerder de eerste wetenschapper kunnen noemen, en Parmenides pas de eerste filosoof. Deze stelde namelijk de vraag naar de mogelijkheid van de validiteit van de verklaringen van de Ionische natuurfilosofen. (Hoe is het mogelijk dat iets dat ooit oerstof was, later iets anders is?)
  2. Ons woord sofist in zijn negatieve betekenis van iemand die scherpzinnige drogredenen of schijngronden aanvoert (Van Dale) gaat terug op de negatieve schildering die Plato van de Sofisten gaf, als retorici die ieder standpunt verdedigden naargelang ze ervoor betaald werden. Zie ook de naam die Aristoteles gaf aan zijn werk over drogredenen: Sofistische weerleggingen. De sofistiek wordt normaliter niet als een filosofische stroming in de eigenlijke zin van het woord beschouwd, maar als een overgangsfase naar de opleving van de filosofie in Athene. Vergelijk de opmerking van R.J. Hankinson n.a.v. Gorgias' Helena (op blz. 513 van de Cambridge History of Hellenistic Philosophy): It is not serious philosophy, but it raises serious philosophical points. Het streven sofistische redeneringen te weerleggen is zowel voor Plato als voor Aristoteles een belangrijke inspiratiebron geweest.
  3. Van het Griekse woord idea, dat aanblik, vorm betekent. Plato gebruikt hiervoor ook het woord eidos (vorm). Ons woord idee heeft zijn betekenis gekregen doordat binnen het Neo-Platonisme Plato's Ideeën gezien werden als gedachten van een Godheid.
  4. Voor vorm gebruikt Arisoteles zowel morfè als eidos, dit laatste dus hetzelfde woord dat Plato gebruikt voor zijn Ideeën; verschil is dat deze vorm immanent is en niet transcendent. Dat onze indeling trouwens schematischer is dan de historische werkelijkheid, blijkt ook hieruit dat bijvoorbeeld Democritus zijn 'atomen' ook als vormen aanduidde (Gr. atomoi ideai, ondeelbare vormen).
  5. Het Griekse apatheia heeft hier dus niet de negatieve connotatie van het Nederlandse woord apathie. Vergelijk trouwens het gebruik van het Nederlandse epicurisch in de zin van: genotzuchtig, weelderig, wellustig, zwelgend (van Dale), of ook zoals ons woord stoïcijns veelal in negatieve zin gebruikt wordt.
  6. Zie voor verdere uitleg: http://plato.stanford.edu/entries/dialectical-school/#5 (engels)
  7. E.R. Dodds, Introduction to: Proclus The Elements of Theology
Wikibooks Wikibooks heeft een studieboek over dit onderwerp: Antieke filosofie.