Opwarming van de Aarde

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Opwarming van de aarde)
Ga naar: navigatie, zoeken
Warning icon.svg De neutraliteit van dit artikel wordt betwist.
Zie de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie.
Grafiek 1: Gemiddelde temperatuur 1856-2007
Figuur 1: Regionale verdeling van de mondiale temperatuurverandering in de periode 1999-2008 ten opzichte van 1940-1980
Grafiek 2: De concentratie CO2 is sinds de industriële revolutie sterk toegenomen.
Grafiek 3: Elektromagnetische straling afkomstig van de zon (rood), het aantal zonnevlekken (blauw) en de zonnevlamactiviteit (groen) zoals gemeten gedurende de drie meest recente zonnecycli, die elk elf jaar duren.
Grafiek 4: Tussen 1900 en 2000 is de zeespiegel 18,5 cm gestegen.
Grafiek 5: Toename CO2 in de aardatmosfeer

De opwarming van de Aarde is de stijging van de gemiddelde temperatuur die op de Aarde wordt waargenomen. De gemiddelde wereldtemperatuur is in de periode 1880 tot 2012 met ongeveer 0,85 °C (0.65-1.06 °C) gestegen.[1] In Nederland verliep de opwarming sinds 1950 twee keer zo snel.[2] Het is volgens het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) zeer waarschijnlijk dat deze temperatuurstijging voornamelijk een gevolg is van de klimaatverandering veroorzaakt door menselijke activiteiten: door het verbranden van fossiele brandstoffen, ontbossing en bepaalde industriële en agrarische activiteiten stijgt de concentratie aan broeikasgassen in de aardatmosfeer. Modelberekeningen voorspellen dat de temperatuur op Aarde tussen 1990 en 2100 met 1,1 tot 6,4 °C stijgt. Met name temperatuurstijgingen van meer dan 2 °C zouden grote veranderingen met zich meebrengen voor mens en milieu, door zeespiegelstijging, toename van droogte- en hitteperioden, extreme neerslag en andere effecten.[3] In de wetenschappelijke literatuur is er een sterke consensus dat de temperaturen op Aarde zijn toegenomen in de afgelopen decennia en dat de trend vooral wordt veroorzaakt door de mens veroorzaakte uitstoot van broeikasgassen. Een beperkt aantal wetenschappers betwist de conclusies of de prognoses van het IPCC[4] geheel of op bepaalde punten.[5][6]

Aanwijzingen[bewerken]

Er zijn een groot aantal onafhankelijke observaties vanuit verschillende wetenschapsgebieden, zoals de meteorologie, glaciologie, oceanografie en biologie, die bewijs geven voor de opwarming van de aarde.

Uit de meteorologie blijkt dat de temperaturen boven land en boven de oceanen, gecorrigeerd voor effecten zoals het hitte-eilandeffect systematisch oplopen.[7] De gemiddelde wereldtemperatuur is in de periode 1880-2012 opgelopen met 0,85 °C (0.65-1.06 °C), waarbij de opwarming sterker is boven land dan boven de oceanen.[8] Uit analyse van vele gletsjers volgt dezelfde historische opwarmingskromme van de Aarde als uit directe temperatuursmetingen.[9] In de oceaan is opwarming waargenomen van de eerste 700 m van de oceaan, en van de diepe oceaan. De temperatuur in de eerste 75 meter is met 0.11 °C (0.09-0.13 °C) gestegen.[1]

Er is een toename gevonden van extreem weer. Er zijn meer uitzonderlijk warme dagen en minder uitzonderlijk koude dagen, en het is erg waarschijnlijk dat menselijke invloed hier de hoofdoorzaak van is.[1] Bovendien zijn er vaker hittegolven en is de gemiddelde luchtvochtigheid toegenomen.[7][10] Het IPCC Fourth Assessment Report concludeerde dat menselijke activiteit waarschijnlijk (kans > 50%)[11] heeft geleid tot het vaker voorkomen van hevige regenbuien.[12]

Andere aanwijzingen zijn de (gedeeltelijke) afsmelting en terugtrekking van de meeste gletsjers,[7][13] het afsmelten van landijs bij de Zuidpool,[1][14][15] rond de Noordpool en van de ijskap op Groenland, de stijging van de zeespiegel.[7] Ook neemt men verzuring van de oceanen waar: de pH van water is met 0.1 afgenomen door toename van CO2 sinds het begin van de industriële revolutie, wat overeen komt met een toename van 26% in waterstofionconcentratie,[1] vervroeging van de lente en verlenging van het groeiseizoen van zowel flora als fauna. De boomgrens in de bergen is verhoogd, leefgebieden van flora en fauna zijn verschoven naar hogergelegen gebieden en gebieden dichter bij de polen. Zo is bijvoorbeeld de samenstelling van korstmossen in Nederland veranderd naar een hogere percentage warmtelievende soorten.[16]

Daarnaast is er een energie-imbalans aan de bovenkant van de atmosfeer waar te nemen met satellieten: er komt meer (stralings)energie binnen dan er wordt uitgezonden naar de ruimte, die voor het overgrote deel wordt omgezet in warmte.[17]

Poolijs op 1 januari 1990
Poolijs op 1 januari 1999

Het bovenstaande filmpje (links) en de beide afbeeldingen laten de ontwikkeling van het ijs zien op de Noordpool. Door seizoensinvloeden verandert het ijsoppervlak voortdurend: in de winter neemt het ijsoppervlak toe en in de zomer smelt een groot deel weer weg. De trend is dat het ijsoppervlak in de zomer steeds kleiner wordt. Van jaar op jaar kunnen zich echter grote fluctuaties voordoen. Zo was in augustus 2013 de Arctische ijskap flink groter dan in augustus 2012.

IPCC-rapporten[bewerken]

Om de recente wetenschappelijke consensus over klimaatveranderingen in kaart te brengen heeft de Verenigde Naties het IPCC ingesteld. Het IPCC heeft de opdracht om de huidige wetenschappelijke, technische en sociaal-economische kennis aangaande de opwarming van de Aarde te beoordelen en samen te vatten. Om de vijf à zes jaar rapporteert ze haar bevindingen. Daarin staan alle door het IPCC als relevant beschouwde, dat wil zeggen in aan collegiale toetsing onderworpen wetenschappelijke tijdschriften verschenen,[bron?] artikelen. In het vierde rapport dat in de loop van 2007 werd voltooid, stelt het IPCC dat de opwarming van de Aarde "onmiskenbaar" aan de gang is en dat "het zeer waarschijnlijk is dat" het een antropogene oorzaak heeft.[3] In het vijfde rapport staat:

Aanhalingsteken openen

Human influence has been detected in warming of the atmosphere and the ocean, in changes in the global water cycle, in reductions in snow and ice, in global mean sea level rise, and in changes in some climate extremes. This evidence for human influence has grown since AR4. It is extremely likely that human influence has been the dominant cause of the observed warming since the mid-20th century.

(Menselijke invloed is waargenomen in de opwarming van de atmosfeer en de oceaan, in veranderingen in de globale waterkringloop, in de afname van sneeuw en ijs, in de wereldwijde gemiddelde zeespiegelstijging en in veranderingen in enkele klimaatextremen. Dit bewijs voor menselijke invloed is gegroeid sinds AR4. Het is extreem waarschijnlijk dat menselijke invloed de hoofdoorzaak is van de waargenomen opwarming sinds halverwege de 20e eeuw.)
— Werkgroep I van het 5e IPCC-rapport (2014)[1]
Aanhalingsteken sluiten

In mei 2007, in de aanloop naar de 33e jaarlijkse conferentie van de G8, onderschreven alle nationale academies van wetenschappen van de G8+5-landen dat landen gezamenlijk maatregelen moeten treffen tegen klimaatverandering.[18] Al in 1979 kwamen Jule Charney en medewerkers in een rapport voor de Amerikaanse National Academy of Sciences tot de conclusie dat verdubbeling van het CO2-gehalte van de atmosfeer tot een temperatuurstijging van 3,0 ± 1,5 °C zou leiden.[19]

Het is ingewikkeld om de precieze temperatuurverandering vast te stellen. Voor 1860 werden temperatuurmetingen niet systematisch uitgevoerd en deze zijn vanwege het gebrek aan technische hulpmiddelen en de beperkte geografische spreiding onnauwkeurig. Metingen van de historische aardtemperatuur worden daarom gedaan aan de hand van secundaire effecten, zoals de jaarringen van bomen, de ontwikkeling van koraal en de resten van gassen in ijs op Antarctica. Deze afgeleide metingen zijn echter onnauwkeuriger dan de moderne temperatuurmetingen, maar laten zien dat de temperatuur in het noordelijk halfrond ongekend hoog was gedurende de late 20e eeuw in vergelijking met ten minste de laatste 1.000 jaar. Ook uitgesproken veranderingen zoals smeltende ijskappen en de terugtrekking van gletsjers over de hele wereld, lijken ongekend in vergelijking met ten minste de laatste 2.000 jaar.[20] Het is wel duidelijk dat in de afgelopen 100 jaar de gemiddelde temperatuur met zo'n 0,74 °C is toegenomen.[3]

Mogelijke oorzaken[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Klimaatverandering voor meer informatie over klimaatsveranderingen in het verleden.
Nuvola single chevron right.svg Zie Broeikaseffect voor meer informatie over de fysische oorzaken van de opwarming van de Aarde.
Grafiek 6: Verandering in de stralingsforcering (bijdrage aan het broeikaseffect) tussen 1750 en 2005
Grafiek 7: Bijdrage van verschillende factoren aan de opwarming van de Aarde volgens modelberekeningen. De gemodelleerde (bruin) en gemeten (zwart) temperatuurverandering tussen 1900 en 1990 alsmede de bijdrage van verschillende factoren aan de modeltemperatuur worden weergegeven.

Invloed van de mens[bewerken]

Het IPCC concludeert in zijn rapport van 2007 dat de opwarming sinds de industriële revolutie vooral het gevolg is van de uitstoot van broeikasgassen zoals kooldioxide (CO2), methaan (CH4), distikstofmonoxide N2O en chloorfluorkoolstofverbindingen (CFK's). Antropogene componenten zouden een groot deel uitmaken van de stralingsforcering, de verandering van de stralingsbalans (figuur 6) en bijdragen aan de opwarming van de Aarde (figuur 7). De concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer zijn momenteel de hoogste in minstens 650.000 jaar. De toename is grotendeels het gevolg van menselijk handelen; vooral verbranding van fossiele brandstoffen (inclusief de onbedoelde kolenbranden in China en India), productie van cement, maar ook door landbouw, veeteelt en verandering van landgebruik, vooral ontbossing. Er zijn ook andere bijdragen aan de temperatuurschommelingen, zoals vulkanisme en de Milanković-cycli maar deze zijn relatief (zeer) klein of slechts relevant op lange termijn.[3] De emissies van CO2 door vulkanen zijn veel lager dan antropogene emissies.[21] Met antropogeen wordt bedoelt dat wat louter door menselijke handelen is gebeurd.

Een andere antropogene forcering is de uitstoot van aerosolen. Dit zijn colloïdale deeltjes vaste stof of vloeistof in de lucht. Netto hebben deze deeltjes een afkoelend effect door verhoogde reflectie in de atmosfeer. Fijnstof en roet zijn voorbeelden van aerosolen uitgestoten door mensen. Ze hebben een direct en indirect effect op het klimaat. Door hun reflecterende eigenschappen verhogen ze het albedo van de atmosfeer, wat tot afkoeling leidt. Daarnaast zijn sommige aerosolen, zoals sulfaten condensatiekernen en zorgen ze voor verhoogde workvorming die ook langer kan aanhouden. De onzekerheid over beide effecten is substantieel, zoals ook kan worden gezien in de grafiek 'Bijdrage van verschillende factoren aan de opwarming van de Aarde'. Door de korte levenstijd van aerosolen in de atmosfeer is de verspreiding van aerosolen niet homogeen over de atmosfeer: er zijn veel lokale verschillen.

Volgens een statistische analyse over de temperatuursveranderingen gedurende de periode van 1500 tot 2000 is het voor 99% zeker dat de opwarming van de Aarde sinds 1880 niet het gevolg is van natuurlijke fluctuaties.[22]

Invloed van de natuur[bewerken]

Natuurlijke fluctuaties, in bijvoorbeeld de zonne-activiteit, kunnen de opwarming van de aarde sinds 1900 niet verklaren.[23][24] Bij een grotere zonne-intensiteit zou zowel opwarming van de lage atmosfeer (de troposfeer) als de hogere atmosfeer (de stratosfeer) verwacht worden, maar er wordt slechts een stijging waargenomen in de troposfeer.[25] Dit is wel wat men verwacht bij een opwarming veroorzaakt door broeikasgassen. De afgelopen halve eeuw kende een verhoogd aantal zonnevlekken, die een goede indicatie zijn van zonne-activiteit.[26] Sinds het begin van de directe metingen in 1978 is de zonne-activiteit niet toegenomen, en hierin kan dus geen verklaring gevonden worden van de versnelde opwarming in afgelopen 30 jaar.[27][28][29] Het aantal zonnevlekken correleert sinds 1950 redelijk met temperatuurfluctuaties, maar in de eerste helft van de 20ste eeuw is juist sprake van een anticorrelatie.[30][31]

Een andere hypothese over de invloed van de zon betreft de gevolgen van kosmische straling.[32][33] Volgens deze hypothese zouden door straling geioniseerde deeltjes bijdragen aan de vorming van condensatiekernen, deeltjes die wolkvorming bevorderen. De activiteit van de zon bepaalt hoeveel kosmische straling er op de aarde komt, en zou dus invloed hebben op de wolkvorming. Deze hypothese wordt op statistische gronden betwijfeld, slechts al je heel specifieke tijdreeksen neemt, bestaat er een verband.[30][31][34][35] De eerste resultaten van het CLOUD-project bevestigen deze uitspraken: kosmische straling heeft geen significant effect op de vorming van een belangrijke groep aerosolen die als nucleatiekernen dienen, maar de invloed op de vorming van andere aerosolen is nog niet uit te sluiten.[36]

Terugkoppelingen[bewerken]

Figuur 2: Een simpel diagram van een terugkoppeling. P heeft invloed op Q, en Q invloed op P. Een verandering in P kan zo indirect worden versterkt (positieve terugkoppeling) of verzwakt (negatieve terugkoppeling).

Het klimaatsysteem kent een aantal terugkoppelingen, of feedbacks. Een positieve terugkoppeling, of meekoppeling, versterkt de initiële opwarming. Een negatieve terugkoppeling, of tegenkoppeling zorgt ervoor dat de initiële opwarming lager wordt. De CO2-concentratie gecombineerd met het netto-effect van de terugkoppelingen bepaalt de klimaatgevoeligheid: hoeveel warmt de aarde op bij een gegeven toename aan CO2.

De belangrijkste feedback is de waterdampfeedback: een positieve feedback. Voor elke graad temperatuurstijging kan lucht ongeveer 7% meer waterdamp bevatten. Het versterkte broeikaseffect door waterdamp is sterker dan de directe invloed van CO2.[37] Een andere positieve feedback is het smelten van sneeuw en ijs bij hogere temperaturen. Hierdoor neemt de albedo van de aarde af, met als gevolg dat er minder zonnestraling gereflecteerd wordt. Veranderingen in de wolkenbedekking van de aarde leiden waarschijnlijk tot een versnelde opwarming.[38]

Er bestaat nog veel onzekerheid over de Arctische methaanfeedback: bij een stijgende temperatuur zouden grote hoeveelheden methaan in korte tijd kunnen ontsnappen uit de ontdooiende permafrost, die dan tot een abrupte temperatuurstijging zouden leiden.[39] Ook over mogelijke ontsnapping van methaan uit de diepe oceaan bestaat veel onzekerheid.[38]

Een belangrijke negatieve feedback komt voort uit de wet van Stefan-Boltzmann: bij een stijgende temperatuur zendt de aarde meer straling uit. Op het moment is de koolstofcyclus een negatieve feedback: de oceanen en biomassa op het land nemen nu grote hoeveelheden CO2 op. Er zijn aanwijzingen dat dit minder zal worden met verdere temperatuurstijging.[38]

Klimaatmodellen[bewerken]

Klimaatmodellen zijn modellen die klimatologische veranderingen in kaart brengen. Deze modellen worden gebruikt om beter vast te stellen wat het klimaat gedurende een historische periode was en om nauwkeurige voorspellingen te kunnen doen over het toekomstige klimaat. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van verscheidenheid aan bekende empirische gegevens.

Een aantal belangrijke factoren die op lange termijn het klimaat bepalen zijn de afstand van de aarde tot de zon en de hoek die de rotatieas van de Aarde maakt met het vlak waarin de aarde om de zon draait. Het model dat deze relaties beschrijft is opgesteld door de Servische wiskundige Milutin Milankovitch. Volgens een berekening van de Milankovitchcycli zou de gemiddelde temperatuur op Aarde al geruime tijd moeten dalen omdat het huidige interglaciaal afloopt en er een volgende ijstijd aanbreekt.[40] Als je alleen de theorie van Milankovitch meeneemt zou de gemiddelde temperatuur op Aarde al over ongeveer 6.000 tot 10.000 jaar een nieuw minimum kunnen bereiken. In de jaren zeventig waren enkele wetenschappers er van overtuigd dat er een volgende ijstijd naderde, maar de meerderheid voorspelde toen al een netto opwarming.[41]

De modellen die behalve de Milankovitchcycli ook de effecten van de toegenomen concentraties van broeikasgassen in de atmosfeer op het klimaat betrekken geven een temperatuurstijging in plaats van een temperatuurdaling aan. Gebaseerd op deze modellen wordt door het IPCC voor de komende twee decennia een temperatuurstijging van ongeveer 0,2 °C per decennium verwacht, voor alle onderzochte emissiescenario's. Zelfs als de concentraties broeikasgassen en aerosolen gelijk blijft aan het niveau van 2000 neemt de temperatuur toe met ongeveer 0,1 °C per decennium. Na 2030 is de verwachte stijging afhankelijk van de hoeveelheid broeikasgasemissies. Bij een scenario waarbij de emissies laag worden ingeschat[42] komt de temperatuurstijging in 2100 uit op 1,8 °C [1,1-2,9 °C] ten opzichte van 1990. De andere door de IPCC ontwikkelde scenario's komen op 2,4 tot 4,0 °C [1,4-6,4 °C] in 2100. Deze scenario's houden geen rekening met effectief beleid om de emissies terug te dringen.[3] Onderzoekers van het MIT publiceerden in mei 2009 een artikel met modeluitkomsten die wijzen op een temperatuurstijging van 5,2 °C [3,5-7,4 °C] ten opzichte van 1990. Een van de oorzaken van de hogere temperatuurstijgingen dan die van het IPCC zijn de hogere broeikasgasemissies in de MIT scenario's.[43]

Op mondiale en continentale schaal worden waargenomen klimaatveranderingen binnen redelijke onzekerheidsmarges gesimuleerd, maar op regionale schaal presteren de modellen veel minder goed. Om dit te verbeteren wordt vaak gebruik gemaakt van geneste modellen: modellen met een hogere resolutie worden in een model met een hogere resolutie gezet: de randen van dit model gebruiken dan de waarden (zoals luchtvochtigheid en temperatuur) uit het model met de lage resolutie.

Volgens de gebruikte klimaatmodellen zou de troposfeer in de tropen sneller moeten opwarmen dan het aardoppervlak, maar dit is niet conform de waarnemingen. Het is niet duidelijk of dit verschil wordt veroorzaakt door de modellen of door de waarnemingen.[44][45]

Bij het maken van vaststellingen buiten het bereik van de klimaatmodellen moet voorzichtigheid betracht worden. De wiskundige David Orrell en statisticus Leonard Smith schreven over de moeilijkheid om nauwkeurige voorspellingen te doen op grond van computermodellen. Ze wijzen erop dat het niet a priori (van tevoren) vast te stellen is of de uitkomsten van klimaatmodellen buiten het geobserveerde bereik juist zijn.[46][47] De grootste problemen bij het opstellen van klimaatmodellen doen zich voor bij het simuleren van de waterkringloop, de rol van waterdamp als broeikasgas en de bewolking.[48][49][50]

Verwachte gevolgen[bewerken]

Het IPCC verwacht dat door het versterkte broeikaseffect het (land)ijs op de polen en op Groenland smelt, waardoor het zeeniveau stijgt. Een bijkomend gevolg van deze smeltende ijskappen is een afname van het albedo, het weerkaatsende effect van het ijs. Minder ijs betekent minder weerkaatsing - dus meer absorptie van zonlicht, wat een versterking van de temperatuurstijging teweegbrengt. Dat is de voornaamste reden dat de relatieve toename van de temperatuur aan de polen het hoogst is.

Als de temperatuur toeneemt, neemt ook de verdamping van warm (zee)water toe, wat mondiaal gezien leidt tot meer neerslag. Bij de polen en in hoger gelegen gebieden valt die neerslag in de vorm van sneeuw, hetgeen de krimp van de ijskappen weer afremt.[bron?] Ook kan er op de ene plaats meer neerslag vallen en op de andere juist meer verdamping optreden. De temperatuurschommelingen zullen zich uiten in stijgingen en dalingen die niet noodzakelijkerwijs in één gebied plaatsvinden. Zo kan het smeltende Noordpoolijs leiden tot een lager zoutgehalte in de Noordzee. Zout water is zwaarder dan zoet water waardoor de warme Golfstroom niet meer door het Kanaal de Noordzee bereikt, wat voor West-Europa een daling van de temperatuur kan betekenen. Het precieze verloop hiervan is echter allerminst zeker en de scenario's hierover geven dan ook verschillende uitkomsten. Het KNMI verwacht geen grote effecten op de golfstroom voor 2100. Het gaat uit van een gemiddelde temperatuurstijging in 2100 tussen de 1,8 en de 4,6 °C in de winter en de 1,7 en 5,6 °C in de zomer ten opzichte van 1990.

De energiebalans van de inkomende en uitgaande straling van de aarde wordt verder bepaald door het gemiddelde percentage van het oppervlak waarboven het bewolkt is. Meer wolken zorgen voor minder ingestraalde warmte, maar ook minder uitgestraalde warmte. Dit effect van de wolken, (een andere vorm van albedo dan bij ijs), zorgt voor veel onzekerheid in het effect van extra broeikasgassen op de temperatuur: volgens sommige modellen wordt de opwarming door wolken gedempt, volgens andere juist extra versterkt. Deze onzekerheid is ook te zien in de figuur 6.

Hoewel de temperatuur het snelst zal stijgen in de polen vanwege de verandering van het albedo, wordt verwacht dat de ecologische en sociale gevolgen het grootst zullen zijn in de tropen. Deze gebieden kennen van nature namelijk weinig klimaatvariatie vanwege de zwakte van seizoenen, en kennen daardoor relatief een grote temperatuurstijging. Bovendien bevinden veel ontwikkelingslanden zich in deze gebieden, waardoor adaptatie niet altijd betaalbaar zal zijn.[51] In 2005 voorspelde het UNEP daarom dat tegen het jaar 2010 er 50 miljoen klimaatvluchtelingen zouden zijn. Deze voorspelling is niet uitgekomen.[52][53] De meeste geïndustrialiseerde landen hebben tot op heden de schade ten gevolge van de klimaatverandering nog kunnen beperken. In de komende 50 à 100 jaar verwacht men de volgende verschijnselen te zien optreden:[54]

  • Een zeespiegelstijging tussen de 26 en 82 cm in de periode 1981-2100 ten opzichte van de referentieperiode 1986-2005 (over de vorige eeuw geschat op 1 à 2 mm per jaar, 3 mm per jaar sinds 1992). Het aantal mensen dat getroffen wordt door overstromingen zal dan toenemen van 13 naar 94 miljoen per jaar.
  • Het terugtrekken van gletsjers;
  • Verandering in landbouwproductiviteit: een afname wordt verwacht in gebieden waar droogte door klimaatverandering toeneemt, zoals in het Midden-Oosten en India, en toename (bij matige klimaatverandering en mitigatie) in noordelijke gebieden door een verlenging van het groeiseizoen. Netto wordt een afname verwacht.[55]
  • Toename van extreme weersomstandigheden en verandering van neerslagpatronen.
  • Klimaatverandering kan op een aantal plaatsen leiden tot meer droogte, wat kan leiden tot meer bosbranden en woestijnvorming.
  • Zoetwatertekort: een groot gedeelte van de wereldbevolking leeft in landen waar een tekort is aan schoon drinkwater. Klimaatverandering kan waterschaarste in diverse regio's, zoals het Midden-Oosten, de Sahel en Australië, groter maken; Voor andere gebieden kan er een gunstig effect optreden: in sommige klimaatscenario's wordt in Noord-Afrika een toename van neerslag voorspeld.
  • Verspreiding van infectie-ziekten zoals malaria en knokkelkoorts, en toegenomen ziektes door hitte, ondervoeding en bosbranden;[55]
  • Aantasting van ecosystemen: klimaatverandering gaat samen met de verschuiving van klimaatzones. De biodiversiteit op Aarde verandert: soorten die in koudere gebieden beter gedijen zullen in aantal afnemen bij opwarming en soorten die warmere klimaten prefereren zullen in aantal afnemen bij afkoeling. Biomen, specifieke geografische gebieden met karakteristieke soorten, zullen van plaats of van grootte veranderen.[56] Een groot deel van zowel soorten die op land leven als in het water, heeft een grotere kans op uitsterven, zeker wanneer dit wordt gecombineerd met andere impacten zoals habitat-veranderingen, over-exploitatie, vervuiling en invasieve soorten.[55]
  • Vernietiging van koraalrif, door een combinatie van stijgende temperaturen en als rechtstreeks gevolg van de toename van CO2 en de daarmee samenhangende verzuring van het zeewater[57]

Het smelten van verschillende gebieden heeft mogelijke positieve effecten: er komen natuurlijke grondstoffen bij de polen vrij voor ontginning, zoals olie. De Noordwestelijke Doorvaart in Canada komt in de toekomst vrij, waardoor schepen aan de noordkant om het Amerikaanse continent kunnen varen. De verwachte gemiddelde toename van neerslag kan zowel negatieve als positieve gevolgen voor de leefomgeving tot gevolg hebben.

Nederland en België[bewerken]

Grafiek 8: Gemiddelde temperatuur in De Bilt sinds 1706. Bron: KNMI
Grafiek 9:Een verandering van de voorjaarstemperatuur heeft een significante invloed op de gemiddelde datum van de vondst van het eerste kievitsei in Friesland.

Hoewel ontwikkelingslanden het meest kwetsbaar zijn, zullen ook Nederland en België te maken krijgen met de gevolgen van klimaatverandering. Het KNMI heeft in 2006 vier klimaatscenario's opgesteld. De G-scenario's (G van gematigd) gaan uit van 1 °C toename van de gemiddelde temperatuur in 2050 ten opzichte van 1990, en de W-scenario's (W van warm) van 2 °C. Klimaatmodellen zijn niet eenduidig over de windrichting in het toekomstig klimaat in noordwest Europa. Sommige voorzien een verandering van de overheersende windrichting. Daarmee is rekening gehouden in de G+ en W+ scenario's. In deze '+'-scenario's zijn de winters natter en de zomers droger.[58]

Een toename van neerslag zal ook gevolgen hebben voor de rivieren. De Rijn kan veranderen van een smeltwaterrivier in een regenrivier met hogere piekafvoeren. Deze rivier zal dan ’s winters meer en zomers juist minder water afvoeren. Om schade te voorkomen moet het ruimtegebruik daarop worden afgestemd. Verder heeft de stijging van de zeespiegel niet alleen gevolgen voor de kustbescherming, maar ook voor de landbouw (verzilting) en voor de Waddenzee.

Schade door klimaatverandering[bewerken]

De schade door de gevolgen van de klimaatverandering komt voor rekening van de slachtoffers en de schadeverzekeraars.[59] De kosten van de uitgekeerde vergoedingen zijn met 6 tot 22 procent gestegen over de periode van 1987. Na analyse van de beschikbare schadegegevens over de periode van 1987 tot 2008 blijkt er een duidelijke correlatie te bestaan tussen de veroorzaakte schade en de extreme weersomstandigheden die zich voorgedaan hebben. Het gaat met name om schade ten gevolge van zware hoosbuien tijdens de zomerperioden. Socio-economische omstandigheden, zoals bouwen in overstromingsgebieden, hebben ook bijgedragen aan de verhoogde vergoedingen. Verzekeraars hebben premies verhoogd om de kosten op te vangen.[60] Steeds vaker wordt er korting gegevan aan duurzame initiatieven.[61]

Veranderingen van het ecosysteem[bewerken]

Ecosystemen veranderen omdat door de veranderende externe omstandigheden bepaalde dier- en plantensoorten zich beter, of juist minder goed, kunnen handhaven. Een toename van uitheemse dier- en plantensoorten (exoten) valt te verwachten, voorbeelden hiervan zijn de Nijlgans, de eikenprocessierups en de wespspin. Andere soorten uit zuidelijker streken rukken op en vestigen zich in Nederland, zoals de bijeneter, terwijl soorten die vroeger in Nederland overwinterden, zoals de bonte kraai, verdwijnen.

Maatregelen[bewerken]

De maatregelen die genomen kunnen worden tegen schade door de opwarming van de Aarde vallen in drie categoriëen uiteen: mitigatie, het verminderen van uitstoot van broeikasgassen, adaptatie en geo-engineering.

Mitigatie[bewerken]

Mitigatie wordt door het IPCC gedefiniëerd als een menselijke interventie om de bronnen van broeikasgassen te verminderen en de natuurlijke putten te versterken. En put is het omgekeerde van een bron: iets waarin broeikasgassen verdwijnen. Voorbeelden zijn de oceaan en bossen.[62] Dit kan gedaan worden door energie te besparen, de energie-efficiëntie te verhogen, meer gebruik te maken van duurzame of nucleairee energie-bronnen. Het is niet helemaal duidelijk wanneer het versterken van putten onder mitigatie, en wanneer dit onder geo-engineering valt.[62]

Adaptatie[bewerken]

Een andere maatregel is adaptatie. Het IPCC definieert dit als: "het proces van aanpassen aan huidige of verwachte klimaatverandering". In menselijke systemen houdt dit in dat schade wordt beperkt, en dat voordelen kunnen worden uitgebuit. In natuurlijke systemen kunnen mensen de veranderingen faciliteren.[63] Een gerelateerde term is de adaptatie-capaciteit: de mogelijkheid van systemen, organisaties, mensen en andere organismes om zich aan te passen aan de opwarming van de Aarde.[63]

Geo-engineering[bewerken]

Geo-engineering, ook wel klimaat-engineering genoemd, is het opzettelijk grootschalig aanpassen van het klimaat.[64] Er zijn twee categoriëen te onderscheiden: management van zonnestraling en verwijdering van CO2 uit de lucht. Voorbeelden van beiden zijn reflecterende sulfaatdeeltjes in de stratosfeer injecteren, en de Sahara volplanten met bomen, respectievelijk. In 2014 verscheen er een onderzoek naar een aantal veel genoemde methodes en concludeerde dat ze allen ofwel ineffectief waren, ofwel zeer grote bijwerkingen hebben en bij abrupt stoppen tot grotere opwarming zouden leiden dan in het geval dat er geen geo-engineering had plaatsgevonden.[65]

Internationale afspraken[bewerken]

2-graden doelstelling[bewerken]

Figuur 3: Deelnemers (in groen) aan het Kyotoprotocol in 2009.

Het meest recente rapport van de IPCC stelt dat het wenselijk is, te zorgen dat de opwarming van de Aarde beperkt blijft tot maximaal 2 °C. Hierboven kunnen ernstige problemen ontstaan, zoals het smelten van de ijskap op Groenland, tekorten aan water voor miljarden en een aantasting van de mondiale voedselproductie. Om de tweegradendoelstelling te behalen moet de uitstoot van broeikasgassen in 2050 teruggebracht worden tot 15% van de huidige uitstoot. Landen in Afrika, die een lage uitstoot hebben, maar wel met de consequenties zitten, pleiten juist voor een grotere afname.[66]

In 1992 werd in Rio de Janeiro het "Raamverdrag Klimaatverandering"[67] van de Verenigde Naties gesloten, meestal genoemd het "Klimaatverdrag". De doelstelling hiervan is: "het stabiliseren van de concentratie broeikasgassen in de dampkring op een zodanig niveau, dat een gevaarlijke menselijke invloed op het klimaat wordt voorkomen." Nederland is een van de 177 landen die het Klimaatverdrag hebben goedgekeurd.

Kyotoprotocol[bewerken]

Het Kyotoprotocol werd in 1997 aangenomen als protocol bij het Klimaatverdrag. Industrielanden hebben afgesproken om de uitstoot van broeikasgassen in de periode 2008 - 2012 gemiddeld met vijf procent te verminderen ten opzichte van het niveau in 1990. Per land gelden andere verminderingspercentages. De vermindering geldt voor de broeikasgassen kooldioxide (CO2),methaan (CH4), distikstofoxide (N2O) en een aantal fluorverbindingen zoals (HFK's, PFK's en SF6).

Op 16 februari 2005 om 05:00 GMT (90 dagen na de ondertekening door Rusland) is het Kyoto-protocol officieel in werking getreden. Dit betekent voor Nederland dat het verplicht was om, in de periode 2008 - 2012, 6 procent minder broeikasgassen uit te stoten ten opzichte van 1990. Voor België geldt een verminderingsverplichting van 7,5 procent.

De Verenigde Staten hebben het Kyoto-protocol wel ondertekend, maar niet geratificeerd, en hoefden zich er dus niet aan houden. Landen als China en India doen wel mee, maar het protocol heeft voor ontwikkelingslanden geen verplichting voor uitstootvermindering.

Zelfs als vergaande uitstootverminderingen plaatsvinden zal het klimaat toch blijven veranderen. Naast uitstootverminderingsbeleid is er daarom ook adaptatiebeleid nodig. De Europese Unie heeft in maart 2007 afgesproken de uitstoot met 20% te verminderen in 2020, en mogelijk met 30% als andere landen, zoals de VS, meedoen. Eind 2006 hebben de Verenigde Staten publiekelijk erkend ook te zullen moeten gaan werken aan het minder belasten van het milieu en het minder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen. Waarschijnlijk heeft de documentaire An Inconvenient Truth van Al Gore bijgedragen aan de toename van het klimaatbewustzijn van de samenleving.

Na het Kyotoprotocol[bewerken]

Na het Kyoto-protocol is er geen nieuw bindend verdrag in werking getreden om emissies te verminderen. In december 2007 werd in het kader van het Klimaatverdrag een conferentie[68] gehouden over het klimaat in Bali, Indonesië. In 2009 vond de Klimaatconferentie Kopenhagen 2009 plaats waar het Akkoord van Kopenhagen gesloten werd.[69] Volgende conferenties vonden plaats in Cancún, Durban, Doha en Warschau. In 2014 zal ze plaatsvinden in Lima, en in 2015 in Parijs. Sommige partijen willen dat er weer bindende afspraken gemaakt worden bij de conferentie in Parijs.[70]

Effectiviteit[bewerken]

Door een gemiddelde levensduur van bestaande kolen-, gas-, en olie-centrales van 33 tot 38 jaar zullen deze energiecentrales de komende decennia waarschijnlijk blijven bijdragen aan CO2-uitstoot en klimaatverandering.[71] Dezelfde inertia geldt voor de globale op olie gebaseerde transport sector. In Amerika is er nauwelijks belasting op benzine, waardoor benzine veel goedkoper is dan in Europa en Japan, en er vrijwel uitsluitend grote onzuinige auto's geproduceerd zijn en zullen blijven rijden. De omschakeling naar kleine of zuinige auto's is een traag proces.

Economische groei in opkomende economieën, zoals China en India, zal het effect van maatregelen in ernstige mate tegenwerken. Door de toegenomen vraag naar energie in deze landen neemt ook de uitstoot van broeikasgassen toe. Bovendien zijn bestaande en nieuwe energiecentrales hoofdzakelijk kolencentrales, die een hogere uitstoot hebben dan centrales die werken op bijvoorbeeld gas of kernenergie. Politiek gezien is de situatie ook zeer lastig doordat de uitstoot per hoofd van de bevolking in China nog altijd bijna twee keer zo laag ligt als in Nederland.[72] Daartegenover staat dat de meeste centrales in Noord-Amerika, Europa en Japan aan het einde van hun levenscylus en dus aan vervanging toe zijn.

Bij afwezigheid van beleidsmaatregelen over het (verdere) gebruik van oude technologieën, en doordat koolstof in veel gevallen nog steeds de goedkoopste brandstof is, blijkt het voor energie-bedrijven economisch gunstiger te zijn om oude installaties te behouden in plaats van nieuwe efficiënte installaties te bouwen. Dit is vaak het geval in derde wereldlanden maar sinds de nucleaire crisis worden de wetten in Europa ook soepeler toegepast. Noorwegen heeft enkele klimaatbeleidsmaatregelen genomen door CO2-belastingen te heffen, waardoor het economisch gezien gunstiger is om CO2 op te vangen en in de diepe ondergrond op te slaan, zoals gebeurt in het Sleipnerveld.

Controverse[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie het hoofdartikel Controverse over de opwarming van de Aarde voor meer informatie.
Figuur 4: Iets meer dan 97% van de klimaatwetenschappers die regelmatig publiceren zegt dat mensen de opwarming van de aarde veroorzaken.

De controverse rond de opwarming van de aarde verwijst naar een verscheidenheid van geschillen, significant meer uitgesproken in de populaire media door enkele spraakmakende critici dan in de wetenschappelijke literatuur,[73][74] met betrekking tot de aard, oorzaken en gevolgen van opwarming van de aarde. De betwiste kwesties omvatten de oorzaken van de toegenomen mondiale gemiddelde luchttemperatuur, vooral sinds het midden van de 20e eeuw, of deze opwarmingstrend ongekend is of binnen de normale klimaatschommelingen valt, of de mensheid aanzienlijk heeft bijgedragen, en of de stijging geheel of gedeeltelijk een artefact is van slechte metingen. Andere geschillen hebben betrekking op schattingen van de klimaatgevoeligheid, voorspellingen van extra opwarming, en wat de gevolgen van de opwarming van de aarde zal zijn. Slechts een beperkt deel ervan is gepubliceerd in peer reviewed tijdschriften, zodat de wetenschappelijke waarde van de kritiek onduidelijk is.

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat ongeveer 97% van de klimaatwetenschappers zegt dat het klimaat verandert en dat dit wordt veroorzaakt door invloed van de mens. De overige 3% publiceert gemiddeld minder en wordt als minder prominent beschouwd.[75][76] Uit het onderzoek van Cook et al. bleek dat de consensus in de periode 1991-2011 langzaam toenam.[77]

Externe links[bewerken]

Literatuur[bewerken]

Overzichtsliteratuur

Referenties

  1. a b c d e f IPCC, Climate Change 2013: The Physical Science Basis - Summary for Policymakers, Observed Changes in the Climate System., in IPCC AR5 WG1 2013. "Extreem waarschijnlijk" is gedefinieerd als een waarschijnlijkheid tussen de 95-100% op p. 2.
  2. KNMI: De toestand van het klimaat in Nederland 2008.
  3. a b c d e IPCC (2007). Fourth Assessment Report
  4. Zie bijvoorbeeld: "A Comparison of Tropical Temperature Trends with Model Predictions," International Journal of Climatology (December 2007), US Senate Committee on Environment and Public Works over de consensus over klimaatverandering, Open Letter to the Secretary-General of the United Nations, 13 december 2007 gepubliceerd in de National Post.
  5. Zie bijvoorbeeld: "Antarctic buffers sea level rise ", over toename van de dikte van de ijskap op de zuidpool.
  6. World Climate Report by Patrick J. Michaels
  7. a b c d (en) Kennedy, J.J., et al. (2010). How do we know the world has warmed? in: 2. Global Climate, in: State of the Climate in 2009. Bull.Amer.Meteor.Soc. 91 (7) .
  8. Michael P.B., O’Gorman, P. A. (2013). Land–Ocean Warming Contrast over a Wide Range of Climates: Convective Quasi-Equilibrium Theory and Idealized Simulations. Journal of Climate 26: 4000–4016 .
  9. Oerlemans, J. (2005). Extracting a climate signal from 169 glacier records.. Science 308: 675–677 .
  10. Solomon et al, Technical Summary: Table TS.4, p.52, in IPCC AR4 WG1 2007
  11. Solomon et al, "Technical Summary", Box TS.1: Treatment of Uncertainties in the Working Group I Assessment, http://www.ipcc.ch/publications_and_data/ar4/wg1/en/ts.html, Box TS.1: Treatment of Uncertainties in the Working Group I Assessment, in IPCC AR4 WG1 2007
  12. IPCC, Summary for Policymakers, http://www.ipcc.ch/publications_and_data/ar4/syr/en/spm.html op Sec. 2. Causes of change, p. 5, in IPCC AR4 SYR 2007.
  13. Cuffey, K.M. & Paterson, W.S.B., The physics of glaciers, 4th edition, Elsevier Amsterdam 2010, pagina 578-580
  14. National Snow and Ice Data Center. Larsen B Ice Shelf Collapses in Antarctica. The Cryosphere, Where the World is Frozen (March 21, 2002) Geraadpleegd op November 5, 2009
  15. A. J. Cook and D. G. Vaughan. Overview of areal changes of the ice shelves on the Antarctic Peninsula over the past 50 years. The Cryosphere Discussions 3 (2): 579-630 . DOI:10.5194/tcd-3-579-2009.
  16. Hoe groot zijn de huidige effecten van klimaatverandering?. Klimaatportaal (19 oktober 2007)
  17. Norman G. Loeb, J. M. Lyman, G. C. Johnson, R. P. Allan, D. R. Doelling, T. Wong, B. J. Soden & G. L. Stephens (2012). Observed changes in top-of-the-atmosphere radiation and upper-ocean heating consistent within uncertainty Nature Geoscience 5, pp. 110–113. doi:10.1038/ngeo1375
  18. Joint science academies’ statement on growth and responsibility: sustainability, energy efficiency and climate protection
  19. Carbon Dioxide and Climate: A Scientific Assessment (1979). The National Academies Press ISBN: 9780309119115
  20. Committee on Surface Temperature Reconstructions for the Last 2,000 Years, National Research Council. (2006) "Summary." Surface Temperature Reconstructions for the Last 2,000 Years. Washington, DC: The National Academies Press
  21. IPCC Third Assessment Report "Climate Change 2001: The Scientific Basis" p. 189
  22. (en) Lovejoy, S. Scaling fluctuation analysis and statistical hypothesis testing of anthropogenic warming Climate Dynamics (2013): 1-13. DOI 10.1007/s00382-014-2128-2
  23. Stevens, M.J. & North, G.R. (1996). Detection of the Climate Response to the Solar Cycle. Journal of the Atmospheric Sciences 53: 2594–2608 .
  24. Lockwood, M. and Frohlich, C. (2007). Recent oppositely directed trends in solar climate forcings and the global mean surface air temperature, Proc. R. Soc. A., doi:10.1098/rspa.2007.1880.
  25. Hegerl et al., Chapter 9: Understanding and Attributing Climate Change, Frequently Asked Question 9.2: Can the Warming of the 20th century be Explained by Natural Variability?, in IPCC AR4 WG1 2007.
  26. (nl) C. de Jager, G.J.M. Versteegh en R. van Dorland (2006). Zongedreven klimaatveranderingen: een wetenschappelijke verkenning (WAB), KNMI & NIOZ.
  27. Krivova, N., and Solanki, S., “Solar Total and Spectral Irradiance: Modelling and a possible impact on Climate” Proc. ISCS 2003, ESA SP-535, http://www.mps.mpg.de/dokumente/publikationen/solanki/r47.pdf
  28. http://stephenschneider.stanford.edu/Publications/PDF_Papers/shaviv-veizer-03.pdf
  29. US NRC (2008). Understanding and responding to climate change: Highlights of National Academies Reports, 2008 edition, produced by the US National Research Council (US NRC) (National Academy of Sciences: Washington, D.C., USA)​.
  30. a b Draagt kosmische straling bij aan klimaatverandering?. Klimaatportaal (23 maart 2011) Geraadpleegd op 13 september 2014
  31. a b No solar hiding place for greenhouse sceptics. Nature (2007-07-09) Geraadpleegd op 2007-07-09
  32. Marsh, N. D., and H. Svensmark, Low cloud properties influenced by cosmic rays, Phys. Rev. Lett., 85, pp. 5004-5007, 2000.
  33. Marsh, N. D., and H. Svensmark, Galactic cosmic ray and El Niño – Southern Oscillation trends in International Satellite Cloud Climatology Project D2 Low Cloud Properties, J. Geophys. Res., 108, D6, 4195, doi:10.1029/2001JD001264, 2003.
  34. Sun, B., and R.S. Bradley (2004). Reply to comment by N.D. Marsh and H. Svensmark on “solar influences on cosmic rays and cloud formation: a reassessment” J. Geophys. Res. 109, D14206, doi:10.1029/2003JD004479.
  35. Influence of Solar Activity Cycles on Earth’s Climate. Marsh, Svensmark en Christianses, 2005
  36. (en) CERN’s CLOUD experiment shines new light on climate change. CERN press office (6 oktober 2013)
  37. IPCC, Climate Change 2013: Chapter 8: Anthropogenic and Natural Radiative Forcing, pp. 666-667 in IPCC AR5 WG1 2013.
  38. a b c (en) Booth, Ben. Climate feedbacks. Met Office (27 september 2013) Geraadpleegd op 15 maart 2014
  39. (en) Ahmed, Nafeez. Seven facts you need to know about the Arctic methane timebomb. The guardian (5 augustus 2013) Geraadpleegd op 15 maart 2014 en de referenties in het artikel
  40. J. Imbrie & J.Z. Imbrie Modeling the Climatic Response to Orbital Variations Science
  41. Peterson, T.C., Connolley, W.M. & Fleck, J. (2008). The Myth of the 1970s Global Cooling Scientific Consensus. Bulletin of the American Meteorological Society 89 .
  42. (en) Het B1-scenario: een wereld met een hoog milieubewustzijn en intensieve internationale samenwerking gericht op duurzame ontwikkeling.
  43. MIT News Climate change odds much worse than thought - New analysis shows warming could be double previous estimates.
  44. Klimaatportaal: Hoe bruikbaar zijn klimaatmodellen?
  45. Santer, B.D., T.M.L. Wigley, C. Mears, F.J. Wentz, S.A. Klein, D.J. Seidel, K.E. Taylor, P. W. Thorne, M.F. Wehner, P.J. Gleckler, J.S. Boyle, W.D. Collins, K.W. Dixon, C. Doutriaux, M. Free, Q. Fu, J.E. Hansen, G.S. Jones, R. Ruedy, T.R. Karl, J.R. Lanzante, G.A. Meehl, V. Ramaswamy, G. Russell, G.A. Schmidt (2005). Amplification of Surface Temperature Trends and Variability in the Tropical Atmosphere, Science, 309, pp. 1551-1556.
  46. Apollo's Arrow: The Science of Prediction and the Future of Everything - David Orrell, Harper's Collins (Canada) 2007 ISBN: 978-0002007405
  47. Leonard A. Smith (2002). What we might learn from climate forecasts, PNAS, 99, pp. 2487-2492.
  48. National Science Foundation The Big Question WILL CLOUDS SPEED OR SLOW GLOBAL WARMING?
  49. Siebesma, Pier. Verstoorde wolken in een opwarmend klimaat. KNMI (22 oktober 2010)
  50. TU Delft Wolken, de X-factor in klimaatonderzoek
  51. Mora, C., Frazier A. G., Longman R. J., Dacks R. S., Walton M.M., Tong E.J., Sanchez J.J., Kaiser L.R., Stender Y.O., Anderson J. M., Ambrosino C.M., Fernandez-Silva I., Giuseffi, L.M. & Giambelluca, T.W. (2013). The projected timing of climate departure from recent variability. Nature 502, 183–187.
  52. Axel Bojanowski. UN Embarrassed by Forecast on Climate Refugees. Spiegel Online International Geraadpleegd op 21 april 2011
  53. Gavin Atkins. What happened to the climate refugees?. Asian Correspondent Geraadpleegd op 21 april 2011
  54. (en) Thomas F. Stocker, Qin Dahe, Gian-Kasper Plattner, Technical Summary in Climate Change 2013: The Physical Science Basis. Contribution of Working Group I to the Fifth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change, IPCC, Cambridge, 2013
  55. a b c (en) Christopher Field, Vicente Barros, Katharine Mach, Michael Mastrandrea, Technical Summary in Climate Change 2014: Impacts, Adaptation, and Vulnerability. Contribution of Working Group II to the Fifth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change, IPCC, Cambridge, 2014
  56. IPCC-rapport 2007, Werkgroep II, Hoofdstuk 4.
  57. C.M. Eakin, J. Kleypas, O. Hoegh-Guldberg. 1a. Global Climate Change and Coral Reefs: Rising Temperatures, Acidification and the Need for Resilient Reefs. International Coral Reef Initiative (2008)
  58. KNMI '06 klimaatscenario's
  59. Koopman, Paul. Klimaatverandering zorgt voor meer schade. Verbond van Verzekeraars (21 juli 2010)
  60. Verzekeraars wijten premiestijging aan klimaatverandering. Wegwijs (7 augustus 2012)
  61. Verbond van verzekeraars (2011). Klimaat vraagt om assertieve verzekeraar in Verzekerd! 1.
  62. a b IPCC, 2013: Annex III: Glossary [Planton, S. (ed.)]. In: Climate Change 2013: The Physical Science Basis. Contribution of Working Group I to the Fifth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change [Stocker, T.F., D. Qin, G.-K. Plattner, M. Tignor, S.K. Allen, J. Boschung, A. Nauels, Y. Xia, V. Bex and P.M. Midgley (eds.)]. Cambridge University Press, Cambridge, United Kingdom and New York, NY, USA.
  63. a b IPCC, 2014: Glossary [Agard, J. (ed.)]. In: Climate Change 2014: Impacts, Adaptation, and Vulnerability. Contribution of Working Group II to the Fifth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change [Joern Birkmann, Maximiliano Campos, Carolina Dubeux, Yukihiro Nojiri, Lennart Olsson, Balgis Osman-Elasha, Mark Pelling, Michael Prather, Marta Rivera-Ferre, Oliver C. Ruppel, Asbury Sallenger, Kirk Smith, Asuncion St. Clair]. Cambridge University Press, Cambridge, United Kingdom and New York, NY, USA.
  64. Royal Society, Geoengineering the Climate: Science, Governance and Uncertainty (PDF), september 2009 ISBN 978-0-85403-773-5. Geraadpleegd op 2014-14-04.
  65. David P. Keller, Ellias Y. Feng & Andreas Oschlies (2014). Potential climate engineering effectiveness and side effects during a high carbon dioxide-emission scenario. Nature Communications 5 .
  66. (en) Munang, Richard. Africa and climate change: What's at stake?. Al Jazeera (21 september 2013) Geraadpleegd op 16 maart 2014
  67. United Nations Framework Convention on Climate Change
  68. Een Conference of Parties (CoP)
  69. A brief history of climate change. BBC News (20 september 2013) Geraadpleegd op 16 maart 2014
  70. Collyns, Dan. Lima talks should deliver first draft for 2015 climate deal, says Peru minister. The Guardian (31 januari 2014)
  71. Steven J. Davis, Ken Caldeira, H. Damon Matthews (2010) 'Future CO2 Emissions and Climate Change from Existing Energy Infrastructure', Science, 10 September 2010
  72. United Nations Millennium Development Goals Indicators.
  73. Boykoff, M.; Boykoff, J. (2004). Balance as bias: global warming and the US prestige press . Global Environmental Change Part A 14 (2): 125–136. doi:10.1016/j.gloenvcha.2003.10.001
  74. Oreskes, Naomi; Conway, Erik. Merchants of Doubt: How a Handful of Scientists Obscured the Truth on Issues from Tobacco Smoke to Global Warming (first ed.). Bloomsbury Press. ISBN 978-1-59691-610-4.
  75. Anderegg, W.R.L., Prall, J.W., Harold, J. & Schneider, S.H. (2010). Expert credibility in climate change. Proceedings of the Natural Academy of Sciences of the U.S.A. 107 (27): 12107–9 .
  76. Doran, P.T., Zimmerman, M.K. (2009). Examining the Scientific Consensus on Climate Change. Eos, Transactions American Geophysical Union 30 (3) .
  77. Cook J., Nuccitelli, D., Green, S.A., Richardson M, Winkler, B., Painting, R., Way, Jacobs, P. & Skuce, A. (2013). Expert credibility in climate change. Environ. Res. Lett. 8 (2) .