Opwarming van de Aarde

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Grafiek 1: Gemiddelde temperatuur 1880-2012. Het gemiddelde van de periode 1951-1980 is als referentie genomen. De groene staven geven de onzekerheid aan.
Figuur 1: Regionale verdeling van de mondiale temperatuurverandering in de periode 1999-2008 ten opzichte van het gemiddelde van 1940-1980.
Grafiek 2: De concentratie CO2 is sinds de industriële revolutie sterk toegenomen.

De opwarming van de Aarde, in België ook klimaatopwarming genoemd, is de stijging van de wereldtemperatuur sinds de negentiende eeuw. De gemiddelde temperatuur van de Aardse atmosfeer op grondhoogte is in de periode 1880 tot 2012 met ongeveer 0,85 °C (0,65-1,06 °C) gestegen.[1] Deze opwarming leidt tot klimaatveranderingen.

Volgens de wetenschappelijke gemeenschap is het onomstreden dat gedurende de laatste decennia van de 20e eeuw de gemiddelde temperatuur op Aarde is toegenomen. Onder klimaatwetenschappers bestaat de consensus dat deze trend voor een groot deel wordt veroorzaakt door een stijging van de concentratie broeikasgassen in de atmosfeer en dat deze veroorzaakt wordt door menselijke activiteiten zoals het verbranden van fossiele brandstoffen, ontbossing en bepaalde industriële en agrarische activiteiten. Anno 2014 worden deze stellingen in het publieke debat door een meerderheid ondersteund. Het aantal wetenschappers dat denkt dat natuurlijke variatie belangrijker is, is beperkt.

Modelberekeningen, geëvalueerd in de rapporten van het IPCC, voorspellen dat de temperatuur op Aarde in 2100 met 1,6 °C (0,9-2,3 °C) gestegen zal zijn ten opzichte van de temperatuur tussen 1850 en 1900 wanneer een ambitieus programma tot het verminderen van de uitstoot van broeikasgassen geïmplementeerd wordt. Andere scenario's komen uit op temperatuurstijgingen tussen de 2,4 en 4,3 °C (1,7-5,4 °C) boven het pre-industriële niveau.[2]

Met name temperatuurstijgingen van meer dan 2 °C zouden grote veranderingen met zich meebrengen voor mens en milieu. Onder andere door zeespiegelstijging, toename van droogte- en hitteperioden, extreme neerslag.[3]

Aanwijzingen[bewerken]

Grafiek 3: Tussen 1900 en 2000 is de zeespiegel 18,5 centimeter gestegen.
Grafiek 4: Toename CO2 in de aardatmosfeer.

Er zijn een groot aantal onafhankelijke observaties vanuit verschillende wetenschapsgebieden, zoals de meteorologie, glaciologie, oceanografie en biologie, die bewijs geven voor de opwarming van de Aarde.

Uit de meteorologie blijkt dat de temperaturen boven land en boven de oceanen, gecorrigeerd voor effecten zoals het hitte-eilandeffect, systematisch oplopen.[4] De gemiddelde wereldtemperatuur is in de periode 1880-2012 opgelopen met 0,85 °C (0,65-1,06 °C), waarbij de opwarming sterker is boven land dan boven de oceanen.[5] Uit analyse van vele gletsjers volgt dezelfde historische opwarmingskromme van de Aarde als uit directe temperatuurmetingen.[6] In de oceaan is opwarming waargenomen van de eerste 700 m van de oceaan, en van de diepe oceaan. De temperatuur in de eerste 75 meter is met 0,11 °C (0,09-0,13 °C) gestegen.[1]

Figuur 2: Ten minste sinds 1970 komt er gemiddeld meer straling naar de Aarde, dan dat de Aarde uitzendt. De energie van deze straling wordt opgeslagen in verschillende onderdelen van het klimaatsysteem. Het grootste reservoir is de oceaan en dan vooral de bovenste 700 m.

Er is een toename gevonden van het voorkomen van enkele extreme weersomstandigheden. Er zijn meer uitzonderlijk warme dagen en minder uitzonderlijk koude dagen en het is erg waarschijnlijk dat menselijke invloed hier de hoofdoorzaak van is.[1] Bovendien zijn er vaker hittegolven en is de gemiddelde luchtvochtigheid toegenomen.[4][7] Het IPCC Fourth Assessment Report concludeerde dat menselijke activiteit waarschijnlijk (kans > 50%)[8] heeft geleid tot het vaker voorkomen van hevige regenbuien.[9]

Andere aanwijzingen zijn de (gedeeltelijke) afsmelting en terugtrekking van de meeste gletsjers,[4][10] het afsmelten van landijs bij de Zuidpool,[1][11] rond de Noordpool en van de ijskap op Groenland en de stijging van de zeespiegel.[4] Ook neemt men verzuring van de oceanen waar: de pH van water is met 0,1 afgenomen door toename van CO2 sinds het begin van de industriële revolutie, wat overeenkomt met een toename van 26% in waterstofionconcentratie,[1] vervroeging van de lente en verlenging van het groeiseizoen van zowel flora als fauna. De boomgrens in de bergen is verhoogd, leefgebieden van flora en fauna zijn verschoven naar hogergelegen gebieden en gebieden dichter bij de polen. Zo is bijvoorbeeld de samenstelling van korstmossen in Nederland veranderd naar een hogere percentage warmtelievende soorten.[12]

Daarnaast is er sprake van een energie-imbalans in de buitenste laag van de atmosfeer: er komt meer (stralings)energie binnen dan er wordt uitgezonden naar de ruimte, wat voor het overgrote deel wordt omgezet in warmte.[13]


Historische context[bewerken]

Grafiek 5: Temperatuur van de afgelopen 2000 jaar, zoals geschat uit verschillende proxies.
Nuvola single chevron right.svg Zie Klimaatverandering voor meer informatie over klimaatsveranderingen in het algemeen.

De temperatuur op Aarde wordt sinds halverwege de 19de eeuw systematisch gemeten.[14] Uit die gegevens blijkt dat de temperatuur op Aarde sinds 1880 significant stijgt.[15] Voor 1880 werden directe temperatuurmetingen niet systematisch uitgevoerd: door het gebrek aan technische hulpmiddelen en de beperkte geografische spreiding worden ze beschouwd als onnauwkeurig. Metingen van de historische aardtemperatuur worden daarom gedaan aan de hand van secundaire effecten zoals de jaarringen van bomen, de ontwikkeling van koraal en de resten van gassen in ijs op Antarctica. Deze afgeleide metingen, proxies genoemd, zijn minder nauwkeurig dan de moderne temperatuurmetingen, maar laten zien dat de temperatuur in het noordelijk halfrond ongekend hoog was gedurende de late 20e eeuw en begin 21e eeuw in vergelijking met ten minste de laatste 1.000 jaar (zie grafiek 5). Ook uitgesproken veranderingen zoals smeltende ijskappen en de terugtrekking van gletsjers over de hele wereld, lijken ongekend in vergelijking met ten minste de laatste 2.000 jaar.[16]

Op een schaal van tienduizenden jaren zijn er cycli van glacialen waar te nemen. Dit zijn relatief korte koude periode binnen een ijstijdvak, welke zich gemiddeld eens in de 10.000 tot 30.000 jaar voor doen. Gedurende een glaciaal is het gemiddeld zo'n 5 tot 8 graden kouder dan in een interglaciaal en is de CO2-concentratie substantieel lager (zie grafiek 2). De laatste glaciaal vond ruwweg 10.000 jaar geleden plaats. Nog verder in het verleden kijkend, zien we dat de gemiddelde Aardtemperatuur zowel substantieel lager als substantieel hoger is geweest dan de huidige waarden.

Mogelijke oorzaken[bewerken]

het IPCC concludeerde in het vierde rapport, dat in de loop van 2007 werd voltooid, dat de opwarming van de Aarde "onmiskenbaar" aan de gang is en dat "het zeer waarschijnlijk is dat" de dominante oorzaak menselijk handelen is.[9] Het panel noemde de toename van broeikasgassen en aerosolen, verandering in het landgebruik en de straling van de zon als de oorzaken van toename van energie in het klimaatsysteem. In haar opvolgende rapporten was het IPCC steeds stelliger over de mens als veroorzaker. In haar vijfde rapport schrijft ze:

Aanhalingsteken openen Human influence has been detected in warming of the atmosphere and the ocean, in changes in the global water cycle, in reductions in snow and ice, in global mean sea level rise, and in changes in some climate extremes. This evidence for human influence has grown since AR4. It is extremely likely that human influence has been the dominant cause of the observed warming since the mid-20th century.
(Menselijke invloed is ontdekt in de opwarming van de atmosfeer en de oceaan, in veranderingen in de globale waterkringloop, in de afname van sneeuw en ijs, in de wereldwijde gemiddelde zeespiegelstijging en in veranderingen in enkele klimaatextremen. Dit bewijs voor menselijke invloed is gegroeid sinds AR4. Het is zeer waarschijnlijk dat menselijke invloed de hoofdoorzaak is van de waargenomen opwarming sinds halverwege de 20e eeuw.)
— Werkgroep I van het 5e IPCC-rapport (2014)[1][a 1]
Aanhalingsteken sluiten

Invloed van de mens[bewerken]

Versterkt broeikaseffect[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Broeikaseffect voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Grafiek 6: Componenten van de stralingsforcering (de "oorzaken" van opwarming of afkoeling) in 2005.
Grafiek 7: Bijdrage van verschillende factoren aan de opwarming van de Aarde volgens modelberekeningen. De gemodelleerde (bruin) en gemeten (zwart) temperatuurverandering tussen 1900 en 1990 alsmede de bijdrage van verschillende factoren aan de modeltemperatuur worden weergegeven.

Het is zeer waarschijnlijk dat de opwarming vooral het gevolg is van een versterkt broeikaseffect veroorzaakt door broeikasgassen, waarvan de uitstoot sinds de industriële revolutie sterk is toegenomen. Voorbeelden van broeikasgassen zijn kooldioxide (CO2), methaan (CH4), lachgas (N2O) en CFK's. Deze broeikasgassen absorberen de warmtestraling van de Aarde en zenden die deels weer terug naar het aardoppervlak waardoor de Aarde meer energie vasthoudt. Dit komt overeen met metingen dat er meer energie de Aarde bereikt dan ze verlaat (grafiek 6). Deze onbalans wordt ook wel een positieve stralingsforcering genoemd en draagt bij aan de opwarming van de Aarde (grafiek 7). Als gevolg van dit versterkt broeikaseffect wordt de lagere atmosfeer en het aardoppervlak warmer en de hogere atmosfeer, de stratosfeer, kouder.[17] De concentraties broeikasgassen in de atmosfeer zijn de hoogste in minstens 800.000 jaar.[18]

De toename is grotendeels het gevolg van menselijk handelen: vooral verbranding van fossiele brandstoffen (inclusief de onbedoelde kolenbranden), productie van cement, maar ook door landbouw, veeteelt en verandering van landgebruik, vooral ontbossing dragen bij aan de verhogen van de concentraties broeikasgassen.

Van de belangrijkste door de mens uitgestoten broeikasgassen, blijft CO2 ook op lange termijn de grootste invloed hebben. Het merendeel wordt binnen enkele honderden jaren opgenomen door de oceanen en de biosfeer, maar ruwweg een kwart kan pas uit de atmosfeer verdwijnen door een aantal geologische processen, zoals verwering van gesteentes op Aarde en het begraven van sedimenten, processen met tijdschalen van tienduizenden jaren.[19][20]

Het idee van het broeikaseffect werd het eerst voorgesteld begin 19e eeuw en vijftig jaar later werd het inderdaad ontdekt.[21] In 1979 kwam men met een schatting over wat er gebeurt met de temperatuur van het Aardoppervlakte wanneer de CO2-concentratie wordt verdubbeld. Men kwam uit op een stijging van 3.0 ± 1.5 °C, wat redelijk goed overeenkomt met huidige schattingen. Dit getal wordt de klimaatgevoeligheid genoemd.[22]

Roet en deeltjes[bewerken]

Een andere antropogene forcering is de uitstoot van aerosolen. Dit zijn colloïdale deeltjes vaste stof of vloeistof in de lucht. Netto hebben deze deeltjes een afkoelend effect door verhoogde reflectie in de atmosfeer. Fijnstof en roet zijn voorbeelden van aerosolen uitgestoten door mensen. Aerosolen hebben een direct en indirect effect op het klimaat. Door hun reflecterende eigenschappen verhogen ze het vermogen van de atmosfeer om straling te weerkaatsen, ook wel de albedo genoemd. Dit leidt tot afkoeling. Daarnaast zijn sommige aerosolen, zoals sulfaten, condensatiekernen en zorgen ze voor verhoogde wolkvorming die ook langer kan aanhouden. De onzekerheid over beide effecten is substantieel zoals ook kan worden gezien in grafiek 6. Door de korte levenstijd van aerosolen in de atmosfeer is de verspreiding van aerosolen niet homogeen over de atmosfeer: er zijn veel lokale verschillen.

Roet zorgt juist voor een afname van de albedo en daarmee opwarming, doordat het terechtkomt op sneeuw.

De meeste deeltjes die onder deze categorie vallen, zijn na enkele weken tot enkele jaren weer uit de atmosfeer verdwenen. Hoe hoger de deeltjes zich in de atmosfeer bevinden, hoe langer het duurt voordat ze neerslaan.[23]

Invloed van de natuur[bewerken]

Grafiek 8: Elektromagnetische straling afkomstig van de zon (rood), het aantal zonnevlekken (blauw) en de zonnevlamactiviteit (groen) zoals gemeten tussen 1975 en 2005. Drie zonnecycli worden getoond, die elk elf jaar duren.

Volgens een statistische analyse over de temperatuursveranderingen gedurende de periode van 1500 tot 2000 is het voor 99% zeker dat de opwarming van de Aarde sinds 1880 niet het gevolg is van natuurlijke fluctuaties.[24]

Natuurlijke fluctuaties, in bijvoorbeeld de zonneactiviteit, kunnen de opwarming van de Aarde sinds 1900 niet verklaren.[25] Wanneer een grotere stralingsintensiteit van de Zon de belangrijkste drijver van de huidige temperatuurstijging zou zijn, zou zowel opwarming van de lage atmosfeer (de troposfeer) als de hogere atmosfeer (de stratosfeer) verwacht worden, maar er wordt slechts een stijging waargenomen in de troposfeer.[26] Dit is wel wat men verwacht bij een opwarming veroorzaakt door broeikasgassen. Sinds 1950 is het aantal zonnevlekken redelijk constant, en hoger dan in de twee eeuwen daarvoor. Deze zonnevlekken zijn een goede indicatie van de stralingsintensiteit van de Zon.[27] Ook directe metingen, die sinds 1978 gedaan worden, geven aan dat de stralingsintensiteit van de Zon niet is toegenomen, en dat toegenomen stralingsintensiteit dus een verklaring kan zijn van de versnelde opwarming sindsdien.[28][29] Het aantal zonnevlekken correleert sinds 1950 redelijk met temperatuurfluctuaties die bovenop de stijgende trend zichtbaar zijn, maar in de eerste helft van de 20ste eeuw is juist sprake van een anticorrelatie.[30][31]

Een andere hypothese over de invloed van de zon betreft de gevolgen van kosmische straling.[32] Volgens deze hypothese zouden door straling geïoniseerde deeltjes bijdragen aan de vorming van condensatiekernen, deeltjes die wolkvorming bevorderen. De activiteit van de zon bepaalt hoeveel kosmische straling er op de Aarde komt, en zou dus invloed hebben op de wolkvorming. Deze hypothese wordt op statistische gronden betwijfeld: slechts al je heel specifieke tijdreeksen neemt, bestaat er een verband tussen wolkvorming en kosmische straling.[30][31][33] De eerste resultaten van het CLOUD-project bevestigen deze uitspraken: kosmische straling heeft geen significant effect op de vorming van een belangrijke groep aerosolen die als nucleatiekernen dienen, maar de invloed op de vorming van andere aerosolen is nog niet uit te sluiten.[34]

Overige natuurlijke bijdragen aan temperatuurschommelingen, zoals vulkanisme en de Milanković-cycli werken voornamelijk op andere tijdschalen dan de opwarming van de Aarde. Hevige vulkaanuitbarstingen kunnen voor een afkoeling van de Aarde zorgen doordat aerosolen in de stratosfeer terecht komen en zonlicht blokkeren, waar ze zich maximaal een paar jaar bevinden. De stand van de Aarde ten opzichte van de zon varieert langzaam, wat over het algemeen een trage verandering van Aardse temperaturen veroorzaakt. De emissies van CO2 door vulkanen zijn veel lager dan antropogene emissies. Met antropogeen wordt bedoelt dat wat louter door menselijke handelen is gebeurd.[35]

Terugkoppelingen[bewerken]

Figuur 3: Een simpel diagram van een terugkoppeling. P heeft invloed op Q, en Q invloed op P. Een verandering in P kan zo indirect worden versterkt (positieve terugkoppeling) of verzwakt (negatieve terugkoppeling).

Het klimaatsysteem kent een aantal terugkoppelingen. Een positieve terugkoppeling, of meekoppeling, versterkt de initiële opwarming. Een negatieve terugkoppeling, of tegenkoppeling zorgt ervoor dat de initiële opwarming lager wordt. De concentratie broeikasgassen gecombineerd met het netto-effect van de terugkoppelingen bepaalt de klimaatgevoeligheid: hoeveel warmt de Aarde op bij een gegeven toename aan broeikasgassen

De sterkste terugkoppeling is de waterdampterugkoppeling: een positieve terugkoppeling. Voor elke graad temperatuurstijging kan lucht ongeveer 7% meer waterdamp bevatten. Het versterkte broeikaseffect door waterdamp is sterker dan de directe invloed van CO2.[35] Een andere positieve terugkoppeling is het smelten van sneeuw en ijs bij hogere temperaturen. Hierdoor neemt de albedo van de Aarde af, met als gevolg dat er minder zonnestraling gereflecteerd wordt.

Veranderingen in de wolkenbedekking van de Aarde leiden waarschijnlijk tot een versnelde opwarming.[36] Wolken hebben een dubbel effect op de energiebalans van de Aarde. Aan de ene kant zorgen ze ervoor dat het albedo van de Aarde toeneemt, en meer licht wordt teruggekaatst naar de ruimte, aan de andere kant zorgen ze ervoor dat warmte minder makkelijk kan ontsnappen. Hoe sterk beide effecten zijn hangt af van het wolktype en de hoogte van de wolken. De grootte van het effect is zeer onzeker (zie grafiek 6).[37]

Een belangrijke negatieve terugkoppeling komt voort uit de wet van Stefan-Boltzmann: bij een stijgende temperatuur zendt de Aarde meer straling uit. Op het moment is de koolstofcyclus een negatieve terugkoppeling voor de concentratie CO2: de oceanen en biomassa op het land nemen nu grote hoeveelheden CO2 op. Er zijn aanwijzingen dat dit minder zal worden met verdere temperatuurstijging en oceaanverzuring.[37]

Klimaatmodellen[bewerken]

Grafiek 9: verschillende RCP scenario's met projecties van concentraties CO2-equivalent, gebruikt door het IPCC in haar vijfde rapport. De namen van de projecties RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5 duiden op de stralingsforcering die in 2100 wordt verwacht.

klimaatmodellen die, behalve natuurlijke processen zoals de variabele instraling van zonlicht, ook de effecten van de toegenomen concentraties broeikasgassen en aerosolen in de atmosfeer op het klimaat betrekken, geven een temperatuurstijging aan op termijnen van tientallen tot honderden jaren. Gebaseerd op deze modellen wordt door het IPCC voor de komende twee decennia een temperatuurstijging van ongeveer 0,2 °C per decennium verwacht, in alle onderzochte emissiescenario's. Zelfs als de concentraties broeikasgassen en aerosolen gelijk blijft aan het niveau van 2000 neemt de temperatuur toe met ongeveer 0,1 °C per decennium. Na 2030 is de verwachte stijging afhankelijk van de hoeveelheid broeikasgasemissies. Bij een scenario waar vergaande mitigatie plaatsvindt komt de temperatuurstijging ten opzicht van de pre-industriële waarden in 2100 uit op 1,6 °C (0,9-2,3 °C). Bij een scenario met minder ambitieuze mitigatie wordt de opwarming geschat op 2,4 °C (1,7-3,2 °C). Twee scenario's geven een beeld over de opwarming van de Aarde zonder uitstootvermindering. Hierbij zal de temperatuur oplopen met 2,8 en 4,7 (2,0-5,4 °C) in 2100 ten opzichte van de pre-industriële waarden.[a 2][36] Onderzoekers van het MIT publiceerden in mei 2009 modeluitkomsten die wijzen op een temperatuurstijging van 5,1 °C (3,5-7,4 °C) ten opzichte van 1990. Een van de oorzaken van de hogere temperatuurstijgingen dan die van het IPCC zijn de hogere broeikasgasemissies in de MIT-scenario's.[38]

Op mondiale en continentale schaal worden waargenomen klimaatveranderingen, zoals veranderingen in neerslag en temperaturen, binnen redelijke onzekerheidsmarges gesimuleerd, maar op regionale schaal presteren de modellen minder goed. Om dit te verbeteren wordt vaak gebruik gemaakt van geneste modellen: modellen met een hogere resolutie worden in een model met een lagere resolutie gezet: de randen van dit model gebruiken dan de waarden (zoals luchtvochtigheid en temperatuur) uit het model met de lage resolutie.[39]

Volgens de gebruikte klimaatmodellen zou de troposfeer in de tropen sneller moeten opwarmen dan het aardoppervlak, maar dit blijkt niet uit alle waarnemingen. Men verwacht dat de oorzaak hiervan de lage kwaliteit van de waarnemingen is, maar meer onderzoek is nodig om dit duidelijk te maken.[40][41] Ook de recentere vertraging van de temperatuurstijgingen van de atmosfeer kan niet goed gesimuleerd worden door een groot percentage van de klimaatmodellen.

De grootste onzekerheid bij het opstellen van klimaatmodellen is de dynamica van bewolking, welke voor een belangrijk deel verantwoordelijk is voor de grote spreiding in uitkomsten tussen modellen. Andere punten van verbetering zijn de simulatie van de waterkringloop, en de koolstofcyclus op de lange termijn.[39][42]

Een aantal belangrijke factoren die op lange termijn het klimaat bepalen zijn de afstand van de Aarde tot de zon en de hoek die de rotatieas van de Aarde maakt met het vlak waarin de Aarde om de zon draait. Dit zijn mechanismes die afzonderlijk slechts kleine temperatuurschommelingen teweeg kunnen brengen, maar door positieve terugkoppelingen een groot effect op het klimaat kunnen hebben. In de jaren zeventig van de twintigste eeuw waren enkele wetenschappers ervan overtuigd dat er een volgende ijstijd naderde, maar de meerderheid voorspelde toen al een netto opwarming.[43]

Verwachte gevolgen[bewerken]

Klimatologische veranderingen[bewerken]

Door het stijgen van de gemiddelde temperatuur wordt verwacht dat een deel van de gletsjers, het (land)ijs op de polen en op Groenland gaat smelten, waardoor het zeeniveau stijgt. Een bijkomend gevolg van deze smeltende ijskappen is een afname van de albedo, het weerkaatsende effect van het ijs. Minder ijs betekent minder weerkaatsing - dus meer absorptie van zonlicht, wat een versterking van de temperatuurstijging teweegbrengt. Dat is de voornaamste reden dat de relatieve toename van de temperatuur aan de polen het hoogst is. Er wordt een zeespiegelstijging tussen de 26 en 82 centimeter verwacht in de periode 1981-2100 ten opzichte van de referentieperiode 1986-2005 (over de vorige eeuw geschat op 1 à 2 millimeter per jaar, 3 millimeter per jaar sinds 1992). De stijging van de zeespiegel wordt veroorzaakt door twee effecten: er komt smeltwater vanuit de ijskappen en de gletsers in de oceaan terecht en het water wordt warmer en zet uit daardoor.[36]

Wanneer de temperatuur toeneemt, neemt ook de verdamping van warm (zee)water toe, wat mondiaal gezien leidt tot meer neerslag. Bij de polen en in hoger gelegen gebieden valt die neerslag in de vorm van sneeuw, hetgeen de krimp van de ijskappen weer afremt.[36] Dit is een van de mechanismes achter de stijgende hoeveelheid zee-ijs bij Antarctica. In de effecten op de hoeveelheid neerslag zijn grote regionale verschillen: op sommige plaatsen zal het juist minder gaan regenen. Ook is het mogelijk dat de toename in verdamping van water groter is dan de toegenomen regen. Op een aantal plaatsen kan klimaatverandering leiden tot meer droogte, met als mogelijke gevolgen een toename in bosbranden en woestijnvorming. De kracht van de Golfstroom zal waarschijnlijk geleidelijk afnemen door de smeltende polen. Dit kan in een uiterst geval een daling van de temperatuur voor West-Europa betekenen. Het precieze verloop hiervan is echter allerminst zeker en de scenario's hierover geven dan ook verschillende uitkomsten. Het KNMI verwacht geen grote effecten op de golfstroom voor 2100, en geen afnemende temperaturen. Men verwacht dat over het algemeen extreme weersomstandigheden zullen toenemen, hoewel er over enkele grote onzekerheid heerst, zoals orkanen.

Veranderingen in het ecosysteem[bewerken]

Deze veranderingen zullen leiden tot aantasting van ecosystemen: klimaatverandering gaat samen met de verschuiving van klimaatzones naar hoger gelegen gebieden en richting het noorden. Soorten die in koudere gebieden beter gedijen zullen in aantal afnemen bij opwarming en soorten die warmere klimaten prefereren zullen in aantal toenemen. Wanneer de migratiesnelheid van soorten kleiner is dan de snelheid van de opwarming van de Aarde, kunnen soorten zich niet goed aanpassen aan de veranderingen. Biomen, specifieke geografische gebieden met karakteristieke soorten, zullen van plaats of van grootte veranderen.[44] Een groot deel van zowel soorten die op land leven als in het water, heeft een grotere kans op uitsterven, zeker wanneer de effecten van opwarming worden gecombineerd met andere impacts zoals habitat-veranderingen, overexploitatie, vervuiling en invasieve soorten.[45] Koraalriffen zijn erg kwetsbaar en zullen waarschijnlijk op grote schaal afsterven. Dit door een combinatie van stijgende temperaturen en als rechtstreeks gevolg van de toename van CO2 en de daarmee samenhangende verzuring van het zeewater.[46]

Gevolgen voor de mens[bewerken]

De productie van graan wordt beïnvloed door de opwarming van de Aarde. Op midden- en hoge hoogtegraad neemt de oogst bij een lage temperatuurstijgingen (1 of 2 °C) mogelijk toe, bij lage hoogtegraden zal de opbrengst afnemen bij elke temperatuurstijging.[47]

De opwarming van de Aarde zal in de 21ste eeuw voor miljoenen mensen negatieve gevolgen hebben, zoals overstromingen bij kusten, vermindering in de beschikbaarheid van drinkwater, toegenomen ondervoeding een impacts op de gezondheid. Hoewel de temperatuur het snelst zal stijgen in de polen vanwege de verandering van de albedo, wordt verwacht dat de ecologische en sociale gevolgen het grootst zullen zijn in de tropen. Deze gebieden kennen van nature namelijk weinig klimaatvariatie vanwege de zwakte van seizoenen, en kennen daardoor relatief een grote temperatuurstijging. Bovendien bevinden veel ontwikkelingslanden zich in deze gebieden, waardoor adaptatie niet altijd betaalbaar zal zijn.[48] De mondiale economische gevolgen van klimaatverandering zijn nog erg onzeker.[49] De voorspelde gevolgen bij een kleine temperatuurstijging met behulp van mitigatie (tussen de 0 en 2 °C) kunnen zowel een stijging als een daling van het mondiale BBP teweegbrengen. Als de Aarde meer dan 2,5 °C of 3 °C opwarmt wordt door een groot deel van het beschikbare onderzoek een daling van het BBP aangegeven.[50]

De landbouwproductiviteit gaat veranderen: een afname wordt verwacht in gebieden waar droogte door klimaatverandering toeneemt, zoals in het Midden-Oosten en India, en toename (bij matige klimaatverandering en mitigatie) in noordelijke gebieden door een verlenging van het groeiseizoen. Netto kan het positief of negatief uitvallen voor een lage temperatuurstijging, en wordt een afname verwacht bij hogere waarden (> 2 °C) van temperatuurstijging.[45]

Het smelten van verschillende gebieden heeft ook positieve effecten: er komen natuurlijke grondstoffen bij de polen vrij voor ontginning, zoals olie. De Noordwestelijke Doorvaart in Canada komt vrij, waardoor schepen aan de noordkant om het Amerikaanse continent kunnen varen.[51]

Effecten op de gezondheid[bewerken]

De veranderende hydrologische cyclus, zoals veranderingen in neerslag en het smelten van gletsjers, heeft invloed op de beschikbaarheid en kwaliteit van drinkwater. Het aantal mensen dat getroffen wordt door overstromingen zal kunnen toenemen van 13 miljoen naar een kleine 100 miljoen per jaar, door de stijging van de zeespiegel. Laagliggende eilandstaten zoals de Maldiven en Tuvalu lopen het risico om onbewoonbaar te raken.[52] Infectie-ziekten zoals malaria en knokkelkoorts kunnen vaker voor gaan komen, daardat hun vectoren een groter leefgebied krijgen. Er zal een toegenomen risico op sterfte en ziekte zijn door hitte, ondervoeding en bosbranden. In sommige landen zal de sterfte door koude afnemen. Mogelijk zorgt toegenomen schaarste door klimaatverandering voor een grotere kans op conflicten. Migratiestromingen kunnen ook beïnvloed worden door voorgenoemde effecten.[45]

Abrupte klimaatverandering[bewerken]

Enkele grote veranderingen in het klimaatsysteem zouden abrupt plaats kunnen vinden. Een voorbeeld hiervan is het ontsnappen van methaan uit permafrost of methaanhydraten uit de oceaan, wat als positieve terugkoppeling de temperatuurstijging zal versterken.[37][53] Over het algemeen is er nog veel onduidelijk over mechanismes die tot abrupte klimaatverandering kunnen leiden.[54] De waarschijnlijkheid van zulke veranderingen lijkt klein te zijn.[53][55] Bij sterkere opwarming is er een grotere kans op abrupte veranderingen.

Nederland en België[bewerken]

Grafiek 10: Gemiddelde temperatuur in De Bilt sinds 1706. Bron: KNMI
Grafiek 11: Een verandering van de voorjaarstemperatuur heeft een significante invloed op de gemiddelde datum van de vondst van het eerste kievitsei in Friesland.

Hoewel ontwikkelingslanden het meest kwetsbaar zijn, zullen ook Nederland en België te maken krijgen met de gevolgen van klimaatverandering. In Nederland verliep de opwarming sinds 1950 twee keer zo snel als het wereldwijde gemiddelde.[56] Naast hogere temperaturen en een stijgende zeespiegel zal Nederland te maken krijgen met nattere winters, hevigere hagel en onweer. Ook zal het aantal dagen met mist afnemen. Andere voorspelde veranderingen in het klimaat zijn afhankelijk van de verschillende scenario's die het KNMI hanteert: De G-scenario's (G van gematigd) gaan uit van 1,5 °C toename van de gemiddelde wereldtemperatuur in 2085 ten opzichte van 1990, en de W-scenario's (W van warm) van 3,5 °C. Klimaatmodellen zijn niet eenduidig over de windrichting in het toekomstig klimaat in Noordwest-Europa. Sommige voorzien een verandering van de overheersende windrichting. Daarmee is rekening gehouden in de GH en WH scenario's. In deze 'H'-scenario's zijn de zomers droger, en is de gemiddelde jaartemperatuur iets hoger.[57]

Gevolgen[bewerken]

Een toename van neerslag zal ook gevolgen hebben voor de rivieren. Rivieren in Nederland en België zullen mogelijk ’s winters meer en zomers juist minder water afvoeren.[58] Om schade door overstromingen te voorkomen wordt het ruimtegebruik daar op ingesteld. Verder heeft de stijging van de zeespiegel niet alleen gevolgen voor de kustbescherming, maar ook voor de landbouw (verzilting) en voor de Waddenzee. Positieve gevolgen zullen er ook zijn, zoals een toename van de landbouwproductie, door een verlengd groeiseizoen. Ook zal het aantal gunstige recreatiedagen toe kunnen nemen.[59]

Ecosystemen veranderen omdat door de veranderende externe omstandigheden bepaalde dier- en plantensoorten zich beter, of juist minder goed, kunnen handhaven. Een toename van uitheemse dier- en plantensoorten (exoten) valt te verwachten, voorbeelden hiervan zijn de eikenprocessierups en de wespenspin. Andere soorten uit zuidelijker streken rukken op en vestigen zich in Nederland, zoals de bijeneter, terwijl soorten die vroeger in Nederland overwinterden, zoals de bonte kraai, verdwijnen.[59]

Maatregelen[bewerken]

Er zijn verschillende mogelijkheden om de schade door de opwarming op Aarde te beperken. Men kan de oorzaak ervan aanpakken: mitigatie, of men kan zich aanpassen aan de gevolgen van de opwarming van de Aarde: adaptatie. Ook zijn mogelijkheden om grootschalig aan het klimaat te knutselen: geo-engineering.

Mitigatie[bewerken]

Mitigatie wordt gedefinieerd als een menselijke interventie om het vrijkomen van broeikasgassen uit bronnen te verminderen en de werking van zogenoemde putten te versterken. Met een put bedoelt men ieder proces, activiteit of mechanisme dat broeikasgassen, aerosolen, of wat daar aan voorafgaat, uit de atmosfeer haalt.[60] Voorbeelden van natuurlijke putten zijn de oceanen en bossen die door hun opname van warmte en CO2 als een natuurlijke hitte- en koolstofput kunnen dienen. De volgende maatregelen worden dus onder mitigatie geplaatst: het verminderen van energieverbruik door energiebesparende maatregelen te nemen, zoals het verminderen van consumptie en een verhoogde efficiëntie; gebruik te maken van minder milieubelastende vormen van energie, zoals duurzame energie en kernenergie; en door CO2 direct bij verbranding van fossiele brandstoffen of biobrandstoffen op te vangen en op te slaan.[61] Het is niet helemaal duidelijk wanneer het versterken van putten onder mitigatie, en wanneer dit onder geo-engineering valt.[60]

Broeikasgasemissies (gemeten in CO2-equivalenten) stegen gemiddeld 2,2% per jaar tussen 2000 en 2010, vergeleken met 1,3% per jaar in de periode 1970-2000.[62]

De kans op het overschrijden van verschillende temperatuurstijgingen voor verschillende CO2-concentraties.
De kans op het overschreiden van temperatuurstijgingen van 2, 3, 4 en 5 graden Celcius onder verschillende equivalente CO2-concentraties. De data zijn ruwe indicaties, gebaseerd op het Stern review [63]

Adaptatie[bewerken]

Een andere maatregel is adaptatie. Dit wordt gedefinieerd als: "het proces van aanpassen aan huidige of verwachte klimaatverandering". In menselijke systemen houdt dit in dat schade wordt beperkt, en dat voordelen kunnen worden uitgebuit. In natuurlijke systemen kunnen mensen de veranderingen faciliteren. Een gerelateerde term is de adaptatiecapaciteit: de mogelijkheid van systemen, organisaties, mensen en andere organismes om zich aan te passen aan de opwarming van de Aarde.[64] Deze adaptatiecapaciteit kan onder andere verhoogd worden door betere socio-economische omstandigheden.

Er bestaat een relatie tussen mitigatie en adaptatie. Sommige adaptatiemaatregelen, zoals het inzetten van ventilatoren om gebouwen te koelen, werken tegen mitigatie in. Bij andere maatregelen, zoals koude-warmteopslag waarbij huizen in de zomer worden gekoeld, en in de winter worden opgewarmd door water opgeslagen in de grond, werken mitigatie en adaptatie juist hand in hand.[65]

Geo-engineering[bewerken]

Geo-engineering, ook wel klimaat-engineering genoemd, is het opzettelijk grootschalig aanpassen van het klimaat.[66] Er zijn twee categorieën te onderscheiden: management van zonnestraling en verwijdering van CO2 uit de lucht. Voorbeelden van beiden zijn reflecterende sulfaatdeeltjes in de stratosfeer injecteren, en de Sahara vol planten met bomen, respectievelijk. In 2014 verscheen er een onderzoek naar een aantal veel genoemde methodes en concludeerde dat alle ofwel ineffectief waren, ofwel zeer grote bijwerkingen hebben en bij abrupt stoppen tot grotere opwarming zouden leiden dan in het geval dat er geen geo-engineering had plaatsgevonden.[67]

Internationale afspraken[bewerken]

In 1992 werd in Rio de Janeiro het "Raamverdrag Klimaatverandering"[68] van de Verenigde Naties gesloten, meestal genoemd het "Klimaatverdrag". De doelstelling hiervan is: "het stabiliseren van de concentratie broeikasgassen in de dampkring op een zodanig niveau, dat een gevaarlijke menselijke invloed op het klimaat wordt voorkomen." Nederland is een van de 177 landen die het Klimaatverdrag hebben goedgekeurd.

Tweegraden doelstelling[bewerken]

Het meest recente rapport van de IPCC stelt dat het wenselijk is, te zorgen dat de opwarming van de Aarde beperkt blijft tot maximaal 2 °C. Hierboven wordt de kans op ernstige problemen substantieel, zoals het smelten van de ijskap op Groenland, tekorten aan water voor honderden miljoenen en een aantasting van de mondiale voedselproductie. Om de kans dat de temperatuur meer dan 2 °C graden stijgt onder de 50% te houden, moet de CO2-equivalente concentraties (gemeten inclusief aerosolen) onder de 450 ppmv blijven.[69] In de huidige situatie compenseert de afkoelende werking van aerosolen ruwweg voor het opwarmend effect van andere broeikasgassen dan CO2, en zijn de CO2-concentratie en de CO2-equivalente concentratie ongeveer gelijk.

Twee rapporten, gepubliceerd in 2011 en 2012 door het VN-Milieuprogramma en de Internationaal Energieagentschap gaven aan dat inspanningen begin 21ste eeuw om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, mogelijk onvoldoende waren om het doel van 2 °C opwarming te halen.[70][71]

Kyotoprotocol[bewerken]

Figuur 4: Deelnemers (in groen) aan het Kyotoprotocol in 2009.

Het Kyotoprotocol werd in 1997 aangenomen als protocol bij het Klimaatverdrag. Industrielanden hebben afgesproken om de uitstoot van broeikasgassen in de periode 2008 - 2012 gemiddeld met vijf procent te verminderen ten opzichte van het niveau in 1990. Per land gelden andere verminderingspercentages. De vermindering geldt voor de broeikasgassen koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), lachgas (N2O) en een aantal fluorverbindingen zoals (HFK's, PFK's en zwavelhexafluoride).

Op 16 februari 2005 trad het Kyoto-protocol officieel in werking. De Verenigde Staten hebben het Kyoto-protocol wel ondertekend, maar niet geratificeerd, en hoefden zich er dus niet aan houden. Landen als China en India doen wel mee, maar het protocol heeft voor ontwikkelingslanden geen verplichting voor uitstootvermindering.

Na afloop van het Kyoto-protocol in 2012 hebben landen slechts niet-bindende afspraken gemaakt op emissies te verminderen. In mei 2007, in de aanloop naar de 33e jaarlijkse conferentie van de G8, onderschreven alle nationale academies van wetenschappen van de G8+5-landen dat landen gezamenlijk maatregelen moeten treffen tegen klimaatverandering.[72] In 2009 vond de Klimaatconferentie Kopenhagen 2009 plaats waar het Akkoord van Kopenhagen gesloten werd.[73] Men verwacht dat in 2015 weer bindende afspraken gemaakt worden bij de conferentie in Parijs.[74]

Beleid op continentaal en nationaal niveau[bewerken]

De Europese Unie heeft afgesproken de uitstoot met 20% te verminderen in 2020 ten opzicht van 1990. Een van de middelen die ze hiervoor gebruikt het is handelssysteem in uitstootrechten.[75]

Met de economische groei in opkomende economieën, zoals China en India bestaat er ook een toenemende vraag naar energie. Aangezien het merendeel van de energieproductie niet duurzaam is, zal de globale uitstoot van broeikasgassen toenemen ondanks dat andere landen verminderde CO2-uitstoot bewerkstelligen. Politiek gezien is de situatie ook zeer lastig doordat de uitstoot per hoofd van de bevolking in China nog altijd bijna twee keer zo laag ligt als in Nederland.[76]

Publiek bewustzijn[bewerken]

Figuur 5: Percentage van de mensen die denkt dat de opwarming van de Aarde alleen veroorzaakt wordt door menselijk handelen, per land. Van de onderzochte Europese landen, is het percentage in Nederland het laagst.

Het idee van een opwarmende Aarde verspreidde zich gedurende de jaren '80 richting het publiek domein. In 1981 had ongeveer een derde van de Amerikaanse bevolking gehoord over het broeikaseffect en had de New York Times voor het eerst een artikel over klimaatopwarming op haar eerste pagina. In 1988 nam het aantal artikelen in Amerikaanse kranten over klimaatopwarming met een factor tien toe in vergelijking met het jaar daarvoor.[77] De ingang van het Kyoto Protocol in 2005 bracht de opwarming van het klimaat naar een breder publieke debat. De film An Inconvenient Truth van Al Gore zorgde er in 2006 voor dat vrijwel iedere Amerikaan gehoord had over de opwarming van de Aarde.[78] Ondanks de toegenomen belangstelling in de Westerse wereld bleek in 2009 dat ongeveer een derde van de wereldbevolking zich niet bewust was van de opwarming van de Aarde. In 2009 dacht in Europa een groter percentage van de bevolking dat de opwarming van de Aarde veroorzaakt is door menselijk handelen, dan in de Verenigde Staten.[79] Volgens Gallup-polls over 2007 en 2011 ziet 42% van de wereldbevolking de opwarming van de Aarde als een persoonlijke bedreiging. In de VS en de EU was het percentage afgenomen, en in Zuid-Amerika toegenomen.[80] In 2014 blijkt uit onderzoek door Ipsos MORI dat in alle twintig onderzochte landen de meerderheid denkt dat de opwarming van de Aarde door menselijke activiteit wordt veroorzaakt en deze rampzalige gevolgen kan hebben voor het milieu.[81] In voornamelijk Engelstalige landen bleek de wetenschappelijke concensus het minst algemeen aanvaard te zijn.[82]

Controverse[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie het hoofdartikel Controverse over de opwarming van de Aarde voor meer informatie.
Figuur 6: Iets meer dan 97% van de klimaatwetenschappers die regelmatig publiceren zegt dat mensen de opwarming van de Aarde veroorzaken.

De controverse rond de opwarming van de aarde verwijst naar een verscheidenheid van geschillen, significant meer uitgesproken in de populaire media door enkele critici dan in de wetenschappelijke literatuur,[83][84] met betrekking tot de aard, oorzaken en gevolgen van opwarming van de aarde. De betwiste kwesties omvatten de oorzaken van de toegenomen mondiale gemiddelde luchttemperatuur, vooral sinds het midden van de 20e eeuw, of deze opwarmingstrend ongekend is of binnen de normale klimaatschommelingen valt, of de mensheid aanzienlijk heeft bijgedragen, en of de stijging geheel of gedeeltelijk een artefact is van slechte metingen. Andere geschillen hebben betrekking op schattingen van de klimaatgevoeligheid, voorspellingen van extra opwarming, en wat de gevolgen van de opwarming van de aarde zal zijn. Slechts een beperkt deel ervan is gepubliceerd in peer reviewed tijdschriften, zodat de wetenschappelijke waarde van de kritiek onduidelijk is.

Uit verschillende onderzoeken blijkt dat ongeveer 97% van de klimaatwetenschappers zegt dat het klimaat verandert en dat dit wordt veroorzaakt door invloed van de mens. De overige 3% publiceert gemiddeld minder en wordt als minder prominent beschouwd.[85][86] Het percentage met wetenschappers die zegt dat de huidige klimaatverandering wordt veroorzaakt door de mens lijkt gegroeid te zijn in de periode 1991-2011.[87]

Externe links[bewerken]

Literatuur[bewerken]

Overzichtsliteratuur[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. "Zeer waarschijnlijk" is gedefinieerd als een waarschijnlijkheid tussen de 95-100% op p. 2.
  2. Dit zijn de scenario's die overeenkomen met RCP2.6, RCP4.5, RCP6.0 en RCP8.5, zoals te zien is in grafiek 9

Referenties[bewerken]

  1. a b c d e f IPCC WG1 Summary for Policymakers, Observed Changes in the Climate System., in IPCC AR5 Climate Change 2013: The Physical Science Basis 2013.
  2. Fünfter Sachstandsbericht des IPCC Teilbericht 1 (Wissenschaftliche Grundlagen), 2013 Online, pdf
  3. IPCC WG2 Summary for Policymakers in Climate Change 2014: Impacts, Adaptation and Vulnerability
  4. a b c d (en) Kennedy, J.J., et al. (2010). How do we know the world has warmed? in: 2. Global Climate, in: State of the Climate in 2009. Bulletin of the American Meteorological Society 91 (7) .
  5. Michael P.B., O’Gorman, P. A. (2013). Land–Ocean Warming Contrast over a Wide Range of Climates: Convective Quasi-Equilibrium Theory and Idealized Simulations. Journal of Climate 26: 4000–4016 .
  6. Oerlemans, J. (2005). Extracting a climate signal from 169 glacier records.. Science 308: 675–677 .
  7. Solomon et al., Technical Summary: Table TS.4, p. 52, in IPCC AR4 WG1 2007
  8. Solomon et al., Technical Summary, Box TS.1: Treatment of Uncertainties in the Working Group I Assessment, in IPCC AR4 WG1 2007
  9. a b IPCC SYR Section 2. Causes of change in Summary for Policymakers, in IPCC AR4 SYR 2007.
  10. Cuffey, K.M. & Paterson, W.S.B., The physics of glaciers, 4th edition, Elsevier Amsterdam, 2010, p. 578-580
  11. A. J. Cook and D. G. Vaughan. Overview of areal changes of the ice shelves on the Antarctic Peninsula over the past 50 years. The Cryosphere Discussions 3 (2): 579-630 .
  12. Hoe groot zijn de huidige effecten van klimaatverandering?. Klimaatportaal (19 oktober 2007) Geraadpleegd op 10 juli 2014
  13. N.G. Loeb, J. M. Lyman, G.C. Johnson, R.P. Allan, D.R. Doelling, T. Wong, B.J. Soden & G.L. Stephens (2012). Observed changes in top-of-the-atmosphere radiation and upper-ocean heating consistent within uncertainty. Nature Geoscience 5: 110–113 .
  14. P. Brohan, J.J. Kennedy, I. Harris, S.F.B. Tett & P.D. Jones (2006). Uncertainty estimates in regional and global observed temperature changes: A new data set from 1850. Journal of geophysical research 111 (D12) .
  15. NASA Finds 2011 Ninth Warmest Year on Record National Aeronautics and Space Administration/Goddard Institute for Space Studies, 19 januari 2012
  16. Committee on Surface Temperature Reconstructions for the Last 2,000 Years, National Research Council. (2006) "Summary." Surface Temperature Reconstructions for the Last 2,000 Years. Washington, DC: The National Academies Press
  17. KNMI Broeikaseffect. KNMI (11 februari 2011) Geraadpleegd op 2 juli 2014
  18. D. Lüthi, M. Le Floch, B. Bereiter, T. Blunier, J. Barnola, U. Siegenthaler, D. Raynaud, (...) T.F. Stocker (2008). High-resolution carbon dioxide concentration record 650,000–800,000 years before present. Nature 453: 379-382 .
  19. D. Archer (2005). Fate of fossil fuel CO2 in geologic time. Journal of Geophysical Research 110 (C9): C09S05.1–6 .
  20. IPCC WG1 Chapter 6: Carbon and Other Biogeochemical Cycles in Climate Change 2013: The Physical Science Basis
  21. Weart S.R., The discovery of global warming, American Institute of Physics, 2008 ISBN 0-674-03189-X.
  22. Carbon Dioxide and Climate: A Scientific Assessment (1979). The National Academies Press ISBN 9780309119115
  23. D.J. Jacob, Introduction to Atmospheric Chemistry, Princeton University Press, 1999, “CHAPTER 8. AEROSOLS
  24. Lovejoy, S. (2014). Scaling fluctuation analysis and statistical hypothesis testing of anthropogenic warming. Climate Dynamics 42 (9-10): 2339-2351 .
  25. Lockwood, M. & Frohlich, C. (2007). Recent oppositely directed trends in solar climate forcings and the global mean surface air temperature. Proceedings of the Royal Society A 463: 2447-2460 .
  26. Hegerl et al., Chapter 9: Understanding and Attributing Climate Change, Frequently Asked Question 9.2: Can the Warming of the 20th century be Explained by Natural Variability?, in IPCC AR4 WG1 2007.
  27. de Jager, C. Versteegh, G.J.M. en van Dorland, R. (2006). Zongedreven klimaatveranderingen: een wetenschappelijke verkenning (WAB), KNMI & NIOZ.
  28. Krivova, N., and Solanki, S., Solar Total and Spectral Irradiance: Modelling and a possible impact on Climate Proc. ISCS 2003, ESA SP-535
  29. US NRC (2008). Understanding and responding to climate change: Highlights of National Academies Reports, 2008 edition, produced by the US National Research Council (US NRC) (National Academy of Sciences: Washington, D.C., USA)​.
  30. a b Draagt kosmische straling bij aan klimaatverandering?. Klimaatportaal (23 september 2011) Geraadpleegd op 8 juli 2014
  31. a b Schiermeier, Q. (2007). No solar hiding place for greenhouse sceptics. Nature 448 (7149): 8-9 .
  32. Marsh, N. D., and H. Svensmark (2003). Galactic cosmic ray and El Niño – Southern Oscillation trends in International Satellite Cloud Climatology Project D2 Low Cloud Properties. Journal of Geophysical Research 108 (D6): 6-11 .
  33. Sun, B., and R.S. Bradley (2004). Reply to comment by N.D. Marsh and H. Svensmark on “solar influences on cosmic rays and cloud formation: a reassessment”. Journal of Geophysical Research 109: 1-4 .
  34. CERN’s CLOUD experiment shines new light on climate change. CERN press office (6 oktober 2013) Geraadpleegd op 7 juli 2014
  35. a b IPCC WG1, Chapter 8: Anthropogenic and Natural Radiative Forcing in IPCC AR5 Climate Change 2013: The physcial Science Basis.
  36. a b c d IPCC WG1 Technical Summary in Climate Change 2013: The Physical Science Basis
  37. a b c Booth, B.. Climate feedbacks. Met Office (27 september 2013) Geraadpleegd op 15 maart 2014
  38. Sokolov et al. (2009). Probabilistic Forecast for Twenty-First-Century Climate Based on Uncertainties in Emissions (Without Policy) and Climate Parameters (inclusief Corrigendium). American Meteorological Society: Journal of Climate 22: 5175-5204 .
  39. a b IPCC WG1 Chapter 9: Evaluation of Climate Models. In: Climate Change 2013: The Physical Science Basis.
  40. Hoe bruikbaar zijn klimaatmodellen?. Klimaatportaal (17 oktober 2007)
  41. Santer, B.D., T.M.L. Wigley, C. Mears, F.J. Wentz, S.A. Klein, D.J. Seidel, K.E. Taylor, (...) G.A. Schmidt (2005). Amplification of Surface Temperature Trends and Variability in the Tropical Atmosphere, Science, 309, pp. 1551-1556.
  42. Pier, S.. Verstoorde wolken in een opwarmend klimaat. KNMI (22 oktober 2010)
  43. Peterson, T.C., Connolley, W.M. & Fleck, J. (2008). The Myth of the 1970s Global Cooling Scientific Consensus. Bulletin of the American Meteorological Society 89: 1325-1337 .
  44. IPCC WG2 Chapter 4: Ecosystem, their properties, goods and services in Climate Change 2007: Impacts, Adaptation and Vulnerability.
  45. a b c IPCC WG2 Technical Summary in Climate Change 2014: Impacts, Adaptation, and Vulnerability
  46. Eakin, C.M., Kleypas, J. & Hoegh-Guldberg O.. 1a. Global Climate Change and Coral Reefs: Rising Temperatures, Acidification and the Need for Resilient Reefs. International Coral Reef Initiative (2008)
  47. National Research Council. Climate Stabilization Targets: Emissions, Concentrations, and Impacts over Decades to Millennia. Washington, DC: The National Academies Press, 2011. Figuur 5.1
  48. Mora, C., Frazier A. G., Longman R. J., Dacks R. S., Walton M.M., Tong E.J., Sanchez J.J., (...) Giambelluca, T.W. (2013). The projected timing of climate departure from recent variability. Nature 502: 183–187 .
  49. Jamet, S. & Corfee-Morlot, J. (2009) Assessing the Impacts of Climate Change: A Literature Review. OECD Economics Department Working Papers 691. OECD.
  50. Jogalekar, A.. Climate change might open up Northwest Passage to shipping by the middle of the century. Scientific American (6 maart 2013) Geraadpleegd op 4 juli 2014
  51. Park, S.. Climate change and the risk of statelessness. United Nations High Commisioner for Refugees (2011)
  52. a b Clark, P.U., et al., Abrupt Climate Change. A Report by the U.S. Climate Change Science Program and the Subcommittee on Global Change Research, U.S. Geological Survey, Reston, Virginia, USA, pp. 1–7. Report website
  53. US National Research Council (2010). Advancing the Science of Climate Change: Report in Brief (National Academies Press: Washington, D.C., USA)​., p.3. PDF of Report
  54. IPCC WG1 Chapter 12: Long-term Climate Change: Projections, Commitments and Irreversibility, in Climate Change 2013: The Physical Science Basis.
  55. KNMI: De toestand van het klimaat in Nederland 2008.
  56. KNMI'14-klimaatscenario's: Scenario's samengevat. KNMI Geraadpleegd op 26 juni 2014
  57. Climat :: Impact op het weer. klimaat.be, de Belgische federale site voor een betrouwbare informatie over klimaatverandering Geraadpleegd op 8 juli 2014
  58. a b Ligtvoet,W., van Minnen, J.G. van Bree, L. & de Hollander, G. (2012). Effecten van klimaatverandering in Nederland: 2012 PBL
  59. a b IPCC WG1, Annex III: Glossary. In Climate Change 2013: The Physical Science Basis.
  60. O. Edenhofer et al. (ed.), IPCC, 2014: Summary for Policymakers. In: Climate Change 2014: Mitigation of Climate Change. Contribution of Working Group III to the Fifth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change. Cambridge University Press, Cambridge, United Kingdom and New York, NY, USA
  61. IPCC WG3, Summary for Policymakers, Trends in stocks and flows of greenhouse gases and their drivers, p.6, in Climate Change 2014: Mitigation of Climate Change.
  62. Nicholas Stern, Stern Review on the Economics of Climate Change, Cambridge University Press, Cambridge ISBN 9780521700801.
  63. IPCC WG2 Glossary In: Climate Change 2014: Impacts, Adaptation, and Vulnerability.
  64. Rijksoverheid (2011) 8. Relatie tussen adaptatie en mitigatie in Klimaatwijzer: GPS voor een klimaatwijze inrichting van Nederland
  65. Royal Society, Geoengineering the Climate: Science, Governance and Uncertainty (PDF), september 2009 ISBN 978-0-85403-773-5.
  66. David P. Keller, Ellias Y. Feng & Andreas Oschlies (2014). Potential climate engineering effectiveness and side effects during a high carbon dioxide-emission scenario. Nature Communications 5 .
  67. United Nations Framework Convention on Climate Change
  68. Australian government, Climate Change Authority (2014). Chapter 3: A global emissions budget for 2 degrees or less in Reducing Australia’s Greenhouse Gas Emissions— Targets and Progress Review final Report
  69. United Nations Environment Programme (UNEP), Bridging the Emissions Gap: A UNEP Synthesis Report, UNEP, Nairobi, Kenya, november 2011, “Executive Summary”, p. 8 ISBN 978-92-807-3229-0.
  70. International Energy Agency (IEA), World Energy Outlook 2011, IEA, Paris, France, 2012, “Executive Summary (English)”, p. 2
  71. Joint science academies’ statement on growth and responsibility: sustainability, energy efficiency and climate protection
  72. A brief history of climate change. BBC News (20 september 2013) Geraadpleegd op 16 maart 2014
  73. Collyns, D.. Lima talks should deliver first draft for 2015 climate deal, says Peru minister. The Guardian (31 januari 2014)
  74. The EU Emission Trading System. European Commission (2 juli 2014) Geraadpleegd op 7 juli 2014
  75. United Nations Millennium Development Goals Indicators.
  76. Weart S.R., The Discovery of Global Warming: The Public and Climate Change (cont.— since 1980). American Institute of Physics, februari 2014.
  77. The Science and Politics of Global Warming. Skeptoid #309, 8 mei 2012
  78. Pelham, B.W.. Awareness, Opinions About Global Warming Vary Worldwide. Gallup World (22 april 2009) Geraadpleegd op 7 juli 2014
  79. Pugliese, A.. Fewer Americans, Europeans View Global Warming as a Threat. Gallup World (20 april 2011) Geraadpleegd op 7 juli 2014
  80. Environment. Ipsos MORI, Global Trends 2014. Bekeken op 28 juli 2014
  81. Chris Mooney. The Strange Relationship Between Global Warming Denial and…Speaking English. MotherJones.com (22 juli 2014)
  82. Boykoff, M.; Boykoff, J. (2004). Balance as bias: global warming and the US prestige press.. Global Environmental Change Part A 14 (2): 125–136 .
  83. Oreskes, N.; Conway, E.. Merchants of Doubt: How a Handful of Scientists Obscured the Truth on Issues from Tobacco Smoke to Global Warming (first ed.). Bloomsbury Press. ISBN 978-1-59691-610-4.
  84. Anderegg, W.R.L., Prall, J.W., Harold, J. & Schneider, S.H. (2010). Expert credibility in climate change. Proceedings of the Natural Academy of Sciences of the U.S.A. 107 (27): 12107–9 .
  85. Doran, P.T., Zimmerman, M.K. (2009). Examining the Scientific Consensus on Climate Change. Eos, Transactions American Geophysical Union 30 (3) .
  86. Cook J., Nuccitelli, D., Green, S.A., Richardson M, Winkler, B., Painting, R., Way, Jacobs, P. & Skuce, A. (2013). Expert credibility in climate change. Environ. Res. Lett. 8 (2) .