Bandrecorder

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Dit artikel gaat over de voorloper van de cassetterecorder. Voor papierbandrecorders, zie Chart recorder.
Een AEG magnetophon 75 uit de tweede helft van de jaren vijftig van de 20e eeuw
Een bandrecorder (Akai GX-4000D; een eenmotorig deck, geproduceerd tussen 1978 en 1984, voorzien van praktisch onverslijtbare glas-ferriet (GX-koppen))

De bandrecorder, ook wel bandopnemer of magnetofoon genoemd, was de voorloper van de cassetterecorder. Een bandrecorder bestaat uit twee grote spoelen met een magnetische band die met een constante snelheid langs een schrijf- en leeskop wordt geleid.

Geschiedenis[bewerken]

Dat door middel van magnetisme geluid kan worden opgenomen op ijzerdraad is reeds sinds 1898 bekend, toen de Deen Valdemar Poulsen (1869-1942) de telegrafoon construeerde om telefoongesprekken op te nemen. De geluidskwaliteit is echter abominabel. Enige verbetering wordt bereikt door het in 1927 ontdekte principe van de voormagnetisatie van de geluidsdrager. Een echte doorbraak betekent het in 1935 door de Duitse firma AEG op de Funkausstellung (de Duitse tegenhanger van de latere Nederlandse Firato) in Berlijn getoonde prototype van de Magnetophon, dat gebruikmaakt van een door de Duitse firma IG Farben (BASF) ontwikkelde acetaatband (een soort plastic) met magneetlaag om geluid vast te leggen: de eerste bruikbare bandrecorder, vooralsnog voor professionele doeleinden. De Magnetophon kwam in 1935 op de markt. De Magnetophon betekent ook een enorme stap voorwaarts ten opzichte van de tot dan toe gebruikelijke praktijk van geluidsopnames op wasplaten, hoewel de techniek voorlopig tot Duitsland beperkt blijft.

John T. Mullin (1913-1999), die in 1943 als officier van het Amerikaanse leger in Engeland is gestationeerd, is verbaasd over de geluidskwaliteit van nachtelijke Duitse radio-uitzendingen van muziek van Strauss en Lehar door volledig orkest, zonder de gebruikelijke vervorming eigen aan schellakplaten, en denkt aanvankelijk aan live programma's, hoewel hij dat niet met het late uur kan rijmen. Later begrijpt hij, dat het bandopnames van de Magnetophon zijn geweest. In 1945, deel uitmakend van het bezettingsleger in Duitsland, slaagt hij erin, een tweetal recorders in onderdelen en spoelen met geluidsband als "souvenir" naar Amerika te zenden. Het zijn deze recorders waarmee hij in 1947 de radioshows van Bing Crosby produceert, die voorheen op platen werden opgenomen. Aangezien de Magnetophons door het intensieve gebruik vermoeidheidsverschijnselen beginnen te vertonen en de geluidsbanden door herhaaldelijke montage aan vervanging toe zijn, heeft Mullin dringend behoefte aan reserverecorders en nieuwe geluidsbanden. Inmiddels is de firma Ampex, zich niet bekommerend om patenten daar die door de Amerikanen zijn geconfisqueerd, bezig met de ontwikkeling van een recorder op basis van de door Mullin meegenomen Magnetophons en de 3M Company (van de later bekende Scotch-tape) met het maken van geluidsband gelijkwaardig aan de BASF-banden. Ampex slaagt daar aanvankelijk ten dele in: hun recorder kan alleen weergeven en de banden van 3M halen niet de kwaliteit van die van BASF, maar uiteindelijk lukt het beide bedrijven toch om volwaardige alternatieven te produceren. Dat is het begin van de "tape industry" in Amerika. Enige jaren later is het de firma Ampex die de eerste videorecorder ontwikkelt.

Thuisgebruik[bewerken]

Intussen komt wereldwijd de productie van recorders voor thuisgebruik op gang. De consument kon kiezen uit een hele reeks modellen van bekende fabrikanten van radiotoestellen als Philips en Grundig. De oorspronkelijke bandsnelheid van de Magnetophon, 76 cm/sec voor de hoogste kwaliteit, is hier niet nodig, de meeste recorders hebben snelheden van 4¾, 9½ en 19 cm/sec, gecombineerde opname-/weergavekoppen en één motor, die zowel het bandtransport als het snel heen- en terugspoelen moet verzorgen. De band kan in meerdere sporen worden beschreven; eerst in halfspoortechniek, rond 1960 ook in 4 spoor. Er komen stereoapparaten op de markt, er kunnen trucopnames worden gemaakt zoals duoplay (sound with sound) en multiplay (sound on sound) zodat één persoon met zichzelf een duo of een combo kan vormen. Maar er zijn ook recorders voor hen die nog hogere eisen stellen, zoals de Revox van de firma Studer, fabrikant van studiorecorders, die evenals de professionele modellen drie motoren bezitten en gescheiden opname- en weergavekoppen voor nabandcontrole en echo-opnamen.

Met name de A-77 van Revox, in 4 verschillende versies geproduceerd tussen ca. 1967 en 1977, is een uiterst populaire, robuust gebouwde machine die zowel in huiskamers als in semi-professionele omgeving werd gebruikt. Halverwege de jaren zestig verschijnen de eerste Japanse bandrecorders in de winkels, waarvan de mechanisch zeer betrouwbare Akai wel de populairste is. Sony en Teac zijn goede tweede en derde.

Een aantal recorders heeft, naast de hierboven genoemde bandsnelheden, de mogelijkheid tot het gebruik van de semi-professionele bandsnelheid van 38 cm/s. De jaren zestig en zeventig zijn de hoogtijdagen van de bandrecorder, inmiddels meestal taperecorder genoemd.

Technische verbeteringen[bewerken]

De band zelf wordt steeds dunner, zodat er meer band op dezelfde spoel kan.

Benaming Dikte Lengte op
spoel van 18 cm
Speelduur per kant Toepassing
19 cm/s 9,5 cm/s 4,75 cm/s
standaardband 50 μm 360 m 32 min studio (grotere dikte, kleinere rek en lagere doordruk)
langspeelband 35 μm 540 m 95 min bij de consument het populairst
doubleplayband 25 μm 720 m 126 min
tripleplay 18 μm 1080 m 190 min afgeraden
quadrupleplayband 12 μm 60 min compact cassette

Het gebruik van tripleplay banden wordt door de meeste fabrikanten van bandrecorders afgeraden vanwege de verhoogde kans op rek of breuk of gewoon omdat het loopwerk van veel recorders niet goed overweg kan met de dunne tripleplayband. Vooral snelspoelen moet dan ook met deze banden voorkomen zien te worden.

N.B.: 1 μm = 0,001 mm = één miljoenste meter

Cassetterecorder[bewerken]

In 1963 introduceert Philips de cassetterecorder. De kwaliteit van geluidsopnamen met cassetterecorders blijft door de lage snelheid van 4¾ cm/sec aanvankelijk ver achter bij die van bandrecorders, maar wordt door het ontwikkelen van speciale bandsoorten, zoals chroomdioxidebandjes en door ruisonderdrukking steeds beter en ten slotte gelijkwaardig aan die van de bandrecorder, die daardoor in de loop van de jaren tachtig vrijwel geheel uit beeld verdwijnt bij de thuisgebruiker. De prijs van een goede bandrecorder (destijds rond de ƒ 500,-) en de prijs van de banden afgezet tegen de aanschafprijs van een gelijkwaardig cassettedeck en de prijs van cassettetapes kan daar geen debet aan zijn geweest; vermoedelijk is door de industrie ingespeeld op het gebruiksgemak van de bandcassette. Het duurt echter nog tot 1994 voordat met de productie van de laatste consumentenrecorder, de Teac X-2000R, wordt gestopt. De prijs van dit toestel is dan inmiddels al gestegen tot ver over de ƒ 4000,-- (1800 euro). De productie van studiorecorders blijft daarna nog ruim 10 jaar in gang. De Tascam BR-20 wordt nog tot 2006 geproduceerd. De firma Otari uit Japan kan nog steeds nieuwe analoge 2-spoors studiorecorders leveren. Voor studio-opnames blijft de bandrecorder ook na de jaren tachtig echter de aangewezen apparatuur. Ook tegenwoordig nu zijn nog vele professionele analoge taperecorders operationeel ook al is de trend inmiddels digitaal en wordt tape veelal vervangen wordt door andere (digitale) opslagmedia.

Toekomst[bewerken]

Ondanks de komst van de compact cassette bleef de bandrecorder in gebruik. Op dit moment (2008) zijn bij een groot aantal liefhebbers, met name radiomakers maar ook bij thuisgebruikers, nog steeds één of meerdere bandrecorders in gebruik. Deels is dat om praktische redenen (het mixen en handmatig synchroniseren van geluidsopnames is met analoge media eenvoudiger dan met digitale media) en deels is dat uit nostalgische overwegingen; het gebruik van een bandrecorder, brengt een zekere 'charme' met zich mee die niet aanwezig is bij digitale media. Door technische onvolkomenheden en slijtage van de geluidsdrager kunnen analoge (band)opnamen een specifieke klank hebben die door sommigen als 'warm' wordt omschreven. Bij digitale opnames kan die klank ook toegevoegd worden (bijvoorbeeld om een 'nostalgische' sfeer te creëren).

Dat de verwachting is dat het gebruik van de bandrecorders in de professionele sector niet op korte termijn op zal houden blijkt onder meer uit het feit dat in Oosterhout (NB) begin 2006 een bestaande fabrikant van magnetische media (RMGI) de productie van bandrecorderbanden nieuw op zich genomen heeft. Het gaat hierbij om de productie van de volledige lijn van het vroegere BASF/EMTEC dat enkele jaren geleden met de productie heeft moeten stoppen. De firma Quantegy uit de Verenigde Staten, die ca. 10 jaar geleden de productielijn van Ampex heeft overgenomen, heeft in februari 2007 te kennen gegeven te gaan stoppen met het produceren van tapes. De firma ATR Magnetics uit de Verenigde Staten is daarentegen begonnen met het produceren van analoge tapes. Begin 2009 komt het bericht dat Quantegy overweegt om toch enkele bandsoorten opnieuw in productie te nemen. Mocht dit gaan gebeuren dan zijn ATR, RMG en Quantegy de drie enige leveranciers van open reel tape. Met name in opnamestudio's wordt nog altijd veel met tape opgenomen.

Al meer dan tien jaar wordt (eerst bij respectievelijk de NOS en het NOB, en tegenwoordig bij het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid) gewerkt aan het digitaliseren van het enorme audio-archief dat bestaat uit honderdduizenden uren aan bandopnamen van radio-uitzendingen, muziek en geluidseffecten. Analoge geluidsbanden, maar ook de verouderde digitale DAT-cassettes, worden als wav-bestand op een server gezet, eventueel nadat beschadigde banden eerst gerepareerd en/of gerestaureerd zijn. In Vlaanderen gebeurt een gelijkaardige operatie, die vanaf 2014 zal worden voortgezet onder de vleugels van het VIAA.

Bandsnelheden, spoorindelingen en toepassingen[bewerken]

  • 76 cm/s halfspoor stereo en multi-track (professionele grammofoonplaat- en cd-opnamen)
  • 38 cm/s halfspoor stereo (radioprogrammaopnamen bij het NOB)
  • 19 cm/s halfspoor mono (spraakopnamen bij het NOB)
  • 19 cm/s half- en kwartspoor stereo (muziekopnamen voor huiskamergebruik)
  • 9½ cm/s kwartspoor stereo (muziekopnamen voor huiskamergebruik)
  • 4¾ cm/s kwartspoor mono en stereo (spraakopnamen voor huiskamergebruik)
  • 4¾ cm/s kwartspoor stereo (cassettebandjes)

Recorder Tracks.jpg

Haspeltypen[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Over John Mullin in: Billboard, 18 november 1972, p. 56 e.v.