Toegevoegde waarde (economie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De toegevoegde waarde is een begrip uit de economische wetenschappen. Bedoeld wordt het verschil tussen de marktwaarde van productie en de daarvoor ingekochte grondstoffen. Het is dus gelijk aan de omzet minus het aankoopbedrag (niet gelijk aan omzet minus de kosten, dit is winst). De toegevoegde waarde drukt de essentie van produceren uit, namelijk het toevoegen van waarde aan een goed.

Deze grootheid wordt gebruikt om het binnenlands product van een land te berekenen: de waarde van de productie in bedrijven en bij de overheid.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen de bruto toegevoegde waarde en de netto toegevoegde waarde.
Tijdens het productieproces verbruiken bedrijven niet alleen grondstoffen die ze van anderen inkopen, maar ook eigen kapitaalgoederen zoals machines en gebouwen. Deze kapitaalgoederen verouderen en moeten na verloop van tijd vervangen worden. Deze waardevermindering wordt afschrijving genoemd. Ieder jaar leggen bedrijven een deel van de toegevoegde waarde opzij om na verloop van tijd kapitaalgoederen te kunnen vervangen. Het vervangen van kapitaalgoederen noemt men vervangingsinvesteringen.

  • De bruto toegevoegde waarde is de toegevoegde waarde inclusief de bedragen die opzij worden gezet voor vervangingsinvesteringen;
  • De netto toegevoegde waarde is de toegevoegde waarde exclusief de bedragen die opzij worden gezet voor vervangingsinvesteringen


De toegevoegde waarde kan via een eenvoudig rekenvoorbeeld geïllustreerd worden:

  1. Een boer verbouwt graan, koopt daarvoor geen goederen in en verkoopt het graan aan een molenaar voor € 75. Omdat de boer niets heeft aangekocht, is de toegevoegde waarde gelijk aan de waarde die aan het zaaigoed werd toegevoegd, namelijk € 75.
  2. De molenaar verwerkt het graan tot meel en verkoopt dat aan een bakker voor € 225. De verkoopprijs van de molenaar is dus € 225, maar de waarde die tijdens het productieproces aan het graan werd toegevoegd is € 150. De molenaar kocht het graan immers voor € 75.
  3. De bakker maakt van het meel vervolgens brood, dat hij aan de supermarkt verkoopt voor € 400. De toegevoegde waarde is dus € 175.
  4. De supermarkt verkoopt ten slotte het brood voor € 500, waardoor de toegevoegde waarde € 100 bedraagt.
De totale toegevoegde waarde van dit proces is dus € 500,- want € 75 + € 150 + € 175 + € 100 = € 500
                           Boer            Molenaar        Bakker          Supermarkt
Verkoop                         75,-            225,-           400,-           500,-
Inkoop                           0,-            75,-            225,-           400,-
Toegevoegde waarde              75,-            150,-           175,-           100,-