Conjunctuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Conjunctuur of fluctuatie is de verandering van het groeipercentage van de economie of de productie op de korte termijn. De gemiddelde groei over de lange termijn noemen we de trendmatige groei.

Fasen van de conjunctuur[bewerken]

Als de productiegroei vertraagt of zelfs negatief wordt dan spreekt men van een recessie. Als de productie lager is dan de productiecapaciteit van een land spreken we van laagconjunctuur. Als de productie groter is dan deze productiecapaciteit heerst een hoogconjunctuur. Op het eerste gezicht lijkt dit vreemd, de totale productie kan immers niet groter zijn dan de maximale productie. Maar omdat de productie wordt gemeten in geldeenheden, hebben prijsschommelingen ook effect op de nationale productie. Wanneer een land in een hoogconjunctuur is, ontstaat er bestedingsinflatie waardoor de prijzen, en dus de productie, stijgen. Hierdoor kan verhoogde groei leiden tot een oververhitting van de economie (overspanning), omdat de effectieve vraag groter is dan de productiecapaciteit van het land. Door onder andere bestedingsinflatie kan de hoogconjunctuur omslaan en begint de neergang naar een laagconjunctuur, een recessie. Het punt van omslaan heet crisis. Elk conjunctuurbeleid is erop gericht om tot bestedingsevenwicht te komen want daar ondervindt men niet de nadelige gevolgen, werkloosheid, van een laagconjunctuur en ook niet het gevaar, inflatie, dat een hoogconjunctuur met zich brengt. Een laag- of hoogconjunctuur gaat vaak samen met recessie en depressie.

Soorten conjunctuurbewegingen[bewerken]

Hoewel niet alle conjunctuurgolven algemeen worden aanvaard, zijn er verschillende conjunctuurgolven voorgesteld. Omdat zij zowel door kort- als langdurende factoren kunnen worden aangestuurd, zijn er langdurige en kortdurige golfbewegingen geidentificeerd:

Weergave conjunctuur[bewerken]

De conjunctuur wordt altijd grafisch weergegeven. Ze ziet er als volgt uit. De conjunctuur verloopt in golven omdat het een kortetermijnbeweging is. Maar op de lange termijn zien we een vaste trend. De Nederlandse conjunctuurgolf als afwijking ten opzichte van de trend wordt weergegeven door de conjunctuurindicator van De Nederlandsche Bank[1].

Conjunctuur.png

Oorzaken conjunctuurbewegingen[bewerken]

De conjunctuurbeweging wordt bepaald door de productie (aanbod) en de vraag naar goederen. Als deze veranderen, is er een beweging in de conjunctuur. Er zijn zowel externe als interne oorzaken die vraag en aanbod beïnvloeden. De externe oorzaken zijn niet economisch van aard, maar kunnen wel economische gevolgen met zich brengen en soms ook door economische motivatoren worden aangestuurd.

Externe economische factoren:

Interne economische factoren:

Conjunctuurbewegingen kunnen dan ook in verschillende landen verschillend aankomen. De duur van de golfbewegingen kan uiteenlopen evenals hun amplitude. Bovendien speelt de trendmatige groei mee. Wanneer deze hoog is, bijvoorbeeld in een opkomende markt, zal een uitbundiger en langduriger groei worden ervaren en uit de recessie zich slechts in een korte groeivertraging. Wanneer deze trend een kleine of negatieve groei vertoont (bijvoorbeeld in ontwikkelde markten of landen die door economische of niet-economische problemen geplaagd worden), zal de groei kleiner zijn en korter duren, en zijn de recessies dieper en langduriger. Langere golfbewegingen kunnen de kortere beinvloeden: wanneer een langdurige conjunctuurgolf zoals de Kondratieffgolf neergaand is, zullen in kortduriger conjunctuurgolven de recessies zwaarder en langer en de groei kleiner en korter zijn, terwijl in een opgaande Kondratieffgolf de groei uitbundiger en de recessie minder ernstig is.

Beleid van de overheid[bewerken]

Een belangrijke econoom die zich bezighield met conjunctuur is John Maynard Keynes. Hij stelde, in tegenstelling tot de klassieke economen zoals Adam Smith, dat een economie zich niet altijd vanzelf herstelt maar dat de overheid bij laagconjunctuur de koopkrachtstroom weer op gang moet brengen door bestedingsimpulsen in de economie, door bijvoorbeeld te investeren in grote publieke werken, of door de belastingen te verlagen. De monetaire autoriteiten kunnen door het laag houden van de rente ook bijdragen aan vermindering van de werkloosheid bij laagconjunctuur.

Overheden willen een zo stabiel mogelijke economie, zij willen zowel inflatie als werkloosheid tegengaan door fiscale en monetaire instrumenten in te zetten om de conjunctuur bij te sturen. Dit beleid dat dient om de nadelige gevolgen van inflatie en/of werkloosheid te bestrijden, heet anticyclisch overheidsbeleid. De maatregelen worden tegen de conjunctuur in genomen.

Fiscale instrumenten worden ingezet als de groei vertraagt, bv. door dalende consumptie. De hierdoor ontstane onderbesteding vermindert de kans op inflatie. Overheden kunnen dan de belastingen verlagen of de overheidsbestedingen verhogen waardoor de geaggregeerde vraag (macro-vraag) zal stijgen. Beide instrumenten zijn een onderdeel van het begrotingsbeleid van de overheid. De overheidsbegroting is een raming van alle overheidsinkomsten en -uitgaven voor het volgende jaar. De overheid kan de belastingen echter niet ver laten dalen omdat zij moet streven naar begrotingsevenwicht. In het stabiliteitspact tussen de Eurolanden is afgesproken dat het overheidstekort niet meer dan 3 procent van het bbp mag bedragen. Daarnaast mag de overheidsschuld niet meer dan 60% van het bbp zijn.

Monetaire instrumenten worden bepaald door de ECB die als primaire doelstelling prijsstabiliteit nastreeft, door het inflatiepeil op middellange termijn op 2% te houden. Als de inflatie stijgt in tijden van hoogconjunctuur kan de ECB de economie afremmen door de rente verhogen. De banken zullen dan een hogere rente moeten betalen voor het geleende geld bij de ECB en zelf hun rente verhogen om dit te compenseren. Als de nominale rente sterker stijgt dan de inflatie, dan stijgt de reële rente en wordt de economie afgeremd. Als de inflatie in tijden van laagconjunctuur daalt, kan de ECB de economie stimuleren door de rente te verlagen. Als de nominale rente sterker daalt dan de inflatie dan daalt de reële rente. De ECB kan ook repo's (repurchase agreement of transactie met wederverkoop) inzetten als monetair instrument om de liquiditeit van de banken op korte termijn te beïnvloeden. Bij laagconjunctuur bijvoorbeeld koopt de ECB bij een repo contant effecten van de banken en verkoopt tegelijk op termijn dezelfde effecten terug aan de banken. Zo wordt de liquiditeit van de banken tijdelijk beter en kunnen er meer kredieten worden verleend.

Fiscale instrumenten om bij hoogconjunctuur de economie af te remmen: belastingen verhogen, bestedingen verlagen. Monetaire instrumenten om bij hoogconjunctuur de economie af te remmen: intrest verhogen, repo's verkopen

Het Romer-Taylormodel[bewerken]

Het Romer-Taylormodel bestaat uit twee componenten: de geaggregeerde vraag (AV) en de inflatie. De AV bestaat uit vier onderdelen: consumptie van gezinnen (C), investeringen van bedrijven (I), overheidsbestedingen (O) en de netto-uitvoer (E-M). Om de AV-curve te kunnen tekenen, moeten we het verband kennen tussen de inflatie en het bbp. Daarvoor bekijken we eerst het verband tussen het bbp en de rente, dat negatief verloopt, en het verband tussen rente en inflatie dat een positief verloop kent. We kunnen dus concluderen dat het verband tussen inflatie en bbp negatief is. De curve vertoont dus een dalend verloop.

De inflatie is op korte termijn onveranderbaar omdat de lonen en prijzen op korte termijn niet snel kunnen worden aangepast. De curve verloopt horizontaal. Op lange termijn zal een verandering van het reële bbp een verandering in de inflatie veroorzaken waardoor de IA-lijn naar boven of naar beneden zal verschuiven.

Als we de AV-curve en de IA-lijn in één diagram plaatsen, krijgen we het AV-IA-diagram. Wanneer de AV-curve, de IA-lijn en het potentiële bbp samenvallen zitten we in een evenwichtssituatie. Het reële bbp valt samen met het potentiële bbp.

Wijzigingen in het AV-IA-diagram[bewerken]

Verschillende gebeurtenissen, reacties en evoluties hebben een invloed op de verschillende componenten van de geaggregeerde vraag. Zij kunnen deze vraag doen stijgen of dalen waardoor de AV-curve naar links of rechts verschuift. Door deze veranderingen zitten we niet meer in de evenwichtssituatie en valt het reële bbp niet langer samen met het potentiële.

Wanneer de geaggregeerde vraag stijgt en de AV-curve naar rechts verschuift, zal het reële bbp het potentiële overstijgen. In deze situatie wordt er meer gevraagd dan er wordt aangeboden en zullen de prijzen stijgen. De inflatie neemt toe en de IA-lijn verschuift naar boven.

Wanneer de geaggregeerde vraag daalt en de AV-curve dus naar links verschuift, wordt het reële bbp kleiner dan het potentiële bbp. Hier worden bedrijven geconfronteerd met een terugval. Zij zullen hun prijzen niet laten stijgen. De inflatie vertraagt en de IA-lijn daalt.

Bij een prijsdaling verschuift de IA-lijn naar beneden waardoor het reële bbp het potentiële overstijgt. De vraag is groter dan het aanbod zodat er een vraagoverschot ontstaat wat een opwaartse druk op de prijzen tot gevolg heeft. De inflatie zal toenemen en de IA-lijn maakt verschuift naar boven.

Door een stijging van de prijzen zal de inflatie stijgen, de IA-lijn verschuift naar boven waardoor het snijpunt links van de evenwichtssituatie komt te liggen. In deze situatie is de vraag laag en kent men een aanbodoverschot. Dit heeft tot gevolg dat de prijzen zullen zakken en de inflatie daalt. De IA-lijn maakt een neerwaartse beweging in de richting van het evenwicht.

Deze gebeurtenissen veroorzaken een kettingreactie van gevolgen.

Verbanden[bewerken]

- Wanneer de rente stijgt, brengen spaargelden meer op, gaat men meer geld op de spaarrekening storten en dus minder consumeren. - Wanneer de rentevoet stijgt, zijn leningen om te investeren duurder en gaat men minder investeren. - Wanneer de Europese intrestvoet stijgt, zijn Amerikaanse beleggers geneigd hun kapitaal in Europa te beleggen. De vraag naar euro's op de valutamarkt zal stijgen waardoor de wisselkoers van de euro zal stijgen ten opzichte van de USD met andere woorden de euro apprecieert ten opzichte van de USD. - Door een appreciatie van de euro wordt voor Amerikaanse afnemers importeren duurder en voor Europese afnemers wordt importeren vanuit de VS goedkoper. De Europese netto-export daalt. - Een stijging van de rente veroorzaakt een afname van de aggregate vraag en een daling van het reële bbp. - Hoe hoger de inflatie, hoe hoger de rente, hoe lager de aggregate vraag, hoe groter de daling van het reële bbp.

Zie ook[bewerken]