Creatieve destructie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het GE Building in het Rockefeller Center.
Foster en Kaplan betrokken creatieve vernietiging op de S&P 500. Van de 500 bedrijven die er vanaf 1957 op stonden, waren er in 1997 nog maar 74 over. Een van de meest succesvolle daarvan was General Electric dat het principe van creatieve vernietiging intern toepaste.

Creatieve destructie of creatieve vernietiging (creative destruction) is een proces van voortdurende innovatie, waarbij succesvolle toepassingen van nieuwe technieken de oude vernietigen. De term is afkomstig van Sombart, een marxistisch econoom. Sombart baseerde zich op de theorieën van Marx. Het concept is later vooral geadopteerd door marktgerichte neoliberale economen.

Het is tegenwoordig echter vooral bekend in de betekenis die Schumpeter er aan heeft gegeven. Hij hield technische innovatie voor de enige werkelijke bron van economische groei. Succesvolle innovatie verschaft tijdelijke marktmacht en surpluswinst, die de winsten en marktaandelen van op voorgaande technieken gevestigde bedrijven aantast. Zodra ook dit gemeengoed wordt, rest nog slechts normale winst, de normale vergoeding voor het aangewende kapitaal.

In een nooit eindigend proces van opkomst en ondergang worden oude bedrijven vernietigd door nieuwe. Daar technische innovatie volgens Schumpeter de enige manier is waardoor de welvaart kan toenemen, ziet hij niets in maatregelen waarbij ongericht geld in de economie wordt gepompt om groei te bevorderen. Ondanks de groei dacht Schumpeter dat het proces uiteindelijk niet vol te houden was. Niet alleen zou het kapitalisme de overbodige instituties vernietigen, maar ook die noodzakelijk zijn voor haar voortbestaan, vergelijkbaar met de feodale maatschappij die ook zichzelf ondergroef.

S&P 500[bewerken]

Foster en Kaplan betrokken creatieve vernietiging op de S&P 500. De eerste S&P index begon in 1923 en betrof 90 grote Amerikaanse bedrijven. De bedrijven op deze oorspronkelijke lijst bleven daar gemiddeld 65 jaar op staan. In 1998 was dit bij de uitgebreide S&P 500 nog maar 10 jaar. Van de 500 bedrijven die er bij het begin van de S&P 500 in 1957 op stonden, waren er in 1997 nog maar 74 over. Van die 74 presteerden er over die periode slechts 12 beter dan de index zelf. Slechts 2 bedrijven maakten geen deel uit van een industrietak die zelf beter presteerde dan de index. Dit waren General Electric en Johnson & Johnson.

Literatuur[bewerken]

  • Foster, R.N.; Kaplan, S. (2001): Creative Destruction. Why Companies That Are Built to Last Underperform the Market—And How to Successfully Transform Them, Currency.