Culturele antropologie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
LA2-NSRW-1-0085.jpg

Culturele antropologie (ook volkenkunde, etnologie, sociale antropologie of sociaal-culturele antropologie genoemd) is de wetenschap die het sociale gedrag, de economische structuur en de religie van volken en bevolkingsgroepen bestudeert. Het is een van de vier onderdelen van de antropologie.

Complexiteit van cultuur[bewerken]

De culturele antropologie is een relatief jonge tak van wetenschap, die zich niettemin al sterk ontwikkeld heeft. Waar men in de 19e eeuw door het kolonialisme geïnspireerd werd om verschillende bevolkingsgroepen onder te brengen in verschillende culturen, is de hedendaagse culturele antropologie de wetenschap die bij uitstek de onderlinge samenhang van verschillende culturen bestudeert.

Cultuur is ingewikkelder gebleken dan aanvankelijk werd gedacht. Niet alleen zijn culturen flexibel en veranderlijk, er zijn ook geen duidelijke scheidslijnen tussen verschillende culturen aan te wijzen. Antropologen die zich veel met het cultuurbegrip en de invloed van cultuur hebben beziggehouden zijn Arjun Appadurai en Pierre Bourdieu.

Onderverdeling[bewerken]

In de culturele antropologie werden in de 20e eeuw culturen geordend van "minst" naar "meest" beschaafd. Dit kwam naar voren in begrippen als beschavingspeil en trap van beschaving. Hierbij was de hoogste trede gereserveerd voor de Europese en Noord-Amerikaanse beschaving, de laagste trede voor geïsoleerd levende stammen (aangeduid als inboorlingen, wilden of primitieven). Het begrip beschaving was in de belevingswereld van die tijd op zich al inherent aan een "hogere" cultuur.

Deze etnocentrische visie stemde overeen met de opdracht vanuit de koloniserende, Westerse mogendheden om (Europese) 'beschaving' te brengen naar de lagere, mindere culturen. De 'superioriteit' van de 'Europese beschaving' werd beschouwd als een geldige legitimatie voor Europese suprematie. De verschillende trappen van beschaving werden in deze negentiende-eeuwse, evolutionistische cultuuropvatting - naar analogie van Darwins evolutietheorie - beschouwd als stadia in een lineair evolutieproces.

Precies zoals de aarde via selectieprocessen ('Survival of the Fittest', waarbij 'fittest' niet 'fitste' betekent, maar 'meest geschikte') haar huidige diversiteit aan levensvormen heeft ontwikkeld, zo zou de mens - in een proces van wellicht enkele miljoenen jaren - stapsgewijs steeds 'hogere' vormen van cultuur hebben bereikt. Alle samenlevingen zouden min of meer dezelfde ontwikkelingsfasen in eenzelfde, lineaire tijdslijn doorlopen, waarbij sommige nog aan het begin zouden staan, terwijl andere al hoogontwikkeld waren. Een tijdlang werd binnen de fysische antropologie geloofd, dat de schedelvorm en -inhoud een maatstaf zou kunnen zijn voor ras, land van herkomst, intelligentie en een indeling op de schaal van 'ontwikkeling'. Het opmeten van schedels (craniometrie) was dan ook lange tijd intensief beoefend door fysisch antropologen, totdat onomstotelijk vaststond dat het veronderstelde verband totaal afwezig was.

Een revolutionaire ontdekking binnen de culturele antropologie is geweest, dat culturen doorgaans niet in splendid isolation bestaan, maar vrijwel altijd in contact staan met andere culturen, waar ideeën en goederen mee worden uitgewisseld. De ontdekking was 'revolutionair' omdat voorheen culturen nog steeds werden bestudeerd als 'human zoos without history': in plaats van leeuwen in een kooi waren het mensen en culturen in 'perfect geïsoleerde gebieden'. Interferentie door een 'antropoloog te velde' was eigenlijk uit den boze, want het zou de objectiviteit van de wetenschap tenietdoen. Cultureel-antropologische wetenschap wilde zo het als ideaal beschouwde model van de natuurwetenschappen toepassen op mensen: in een laboratoriumopstelling diende een herhaalbaar, meetbaar experiment te worden uitgevoerd met een grootst mogelijke objectiviteit. Daar de mens echter niet leeft in een laboratorium, en zich vrijwel nooit exact hetzelfde gedraagt in soortgelijke omstandigheden, moest er gezocht worden naar passender theoretische kaders, zonder het streven naar objectiviteit geheel tekort te doen. De erkenning dat volledige objectiviteit binnen de sociale wetenschappen een illusie is, en er beter gesproken kan worden van intersubjectiviteit, is een grote stap in de goede richting geweest.

Tegenwoordig is de culturele antropologie veel meer dan de bestudering van 'andersheid'. Ook de eigen cultuur kan bestudeerd worden en 'exotische' culturen zijn in de eigen omgeving aanwezig en hebben zich daarmee in meerdere of minder mate vermengd. De hedendaagse culturele antropologie bestudeert veelal de interactie tussen deze culturen, alsook de taal-, cultuur-, sociale en economische problemen die daarbij kunnen ontstaan. Culturele antropologie beslist zelf niet hoe het moet, maar kan wel nuttige, waardevolle inzichten verschaffen in hoe men binnen een bepaalde cultuur omgaat met een specifiek probleem, waar dat raakvlakken heeft met de omringende culturen, en hoe daartussen gecommuniceerd zou kunnen worden: cultuurbegrip, -verduidelijking, -vertaling, en bemiddeling.

Literatuur[bewerken]

  • Eugeen Roosens, Sociale en culturele antropologie, Acco, 1984, ISBN 90-334-1097-4
  • FOX, Robin, Kinship and marriage: an anthropological perspective. Cambridge etc.: Cambridge University Press, 1983 . 266p.
  • STONE, Linda, Kinship and Gender. An Introduction. Westview Press, 1997.
  • BARNARD, Alan en Anthony GOOD, Research Practices in the Study of Kinship. ASA Research Methods in Social Anthropology 2, 1984.
  • HOLY, Ladislav, Anthropological perspectives on kinship. London/Chicago: Pluto Press, 1996.
  • PARKIN, Robert, Kinship. An Introduction to Basic Concepts. Blackwell Publishers, 1995.
  • T.Dekker, H. Roodenburg [et al.], Volkscultuur. Een inleiding in de Nederlandse etnologie. Sun 2000.

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]