Evolutie van de mens

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schema van menselijke evolutie

De evolutie van de mens, het proces waardoor de moderne mens is ontstaan uit eerder levende primaten, is onderwerp van studie van veel verschillende wetenschappelijk disciplines. Biologische antropologie, antropologie en genetica zijn hierbij de belangrijkste. Het begrip mens, in de context van de menselijke evolutie, verwijst naar het geslacht Homo. De studies over de menselijke evolutie gaan meestal ook over andere hominiden, zoals de Australopithecus.

Geschiedenis van de paleoantropologie[bewerken]

De moderne paleoantropologie begint in de negentiende eeuw met de ontdekking van de neanderthaler (het eponieme skelet werd in 1856 gevonden in Neanderthal (Westfalen, Duitsland), maar achteraf bezien waren er sinds 1830 op andere plaatsen ook al eerdere vondsten gedaan), en met materiaal van de zogenoemde grotmens. Enige tijd werd gedacht dat mensen gelijk zouden zijn aan sommige grote mensapen, maar het idee van de biologische evolutie van soorten was in het algemeen nog niet aanvaard. Dit gebeurde pas na de publicatie van Charles Darwins De oorsprong der soorten in 1859. Hoewel Darwin in zijn eerste boek niet inging op de evolutie van de mens en niet meer over dit onderwerp schreef dan "licht zal schijnen op de oorsprong van de mens en zijn geschiedenis", waren de gevolgen voor zijn tijdgenoten duidelijk. Discussies tussen Thomas Huxley en Richard Owen spitsten zich toe op de menselijke evolutie. Huxley gaf overtuigend aan de overeenkomsten en verschillen tussen mensen en apen in zijn boek Evidence as to Man's Place in Nature (Aanwijzingen voor de plaats van de mens in de natuur) uit 1863. In dat jaar publiceerde Darwin zijn eigen boek met als onderwerp The Descent of Man (De afstamming van de mens), dat toen al een bekende interpretatie van zijn theorie was. De interpretatie maakte de evolutietheorie zeer controversieel. Zelfs veel van Darwins aanhangers (zoals Alfred Russel Wallace en Charles Lyell) wezen het idee af dat mensen hun intelligentie en morele waarden door natuurlijke selectie hadden verkregen.

Sinds Linnaeus werden de grote mensapen vanwege uiterlijke overeenkomsten beschouwd als de nauwste verwanten van de mens. In de 19e eeuw werd verondersteld dat onze nauwst nog levende verwanten de chimpansees en gorilla's waren en werd tevens verondersteld op grond van de natuurlijke reeks apen, dat de mens en de Afrikaanse apen een gemeenschappelijke voorouder hadden. Ook geloofde men dat fossielen van deze voorouders uiteindelijk in Afrika gevonden zouden worden.

Pas in de jaren twintig van de twintigste eeuw werden fossielen van hominiden in Afrika gevonden. In 1924 beschreef Raymond Dart de Australopithecus africanus. Het type-exemplaar was het Taung-kind, een Australopithecuskind, dat hij had gevonden in een grote bak met fossielen uit de kalksteengroeve van Taung in Zuid-Afrika. De overblijfselen van het individu waren een wonderbaarlijk goed geconserveerde kleine schedel met een afdruk van de hersenen. Hoewel de hersenen klein waren (410 cm³), was de vorm anders dan bij chimpansees en gorilla's: ze waren rond en leken meer op de hersenen van de tegenwoordige mens. De schedel bevatte korte hoektanden en de plaatsing van de grote achterhoofdsholte (foramen magnum) was bewijs voor het lopen op twee benen. Al deze eigenschappen overtuigden Dart dat het Taung-kind een tweevoetige voorouder van de mens was, een tussenvorm tussen de apen en de mens. Maar pas na de vondst van meer vergelijkbare fossielen, 20 jaar later, werden Darts conclusies serieus genomen. De overheersende gedachte in die tijd was dat een groot brein eerder was ontstaan dan tweevoetigheid. Men dacht dat intelligentie van de moderne mens een voorwaarde was voor het op twee benen lopen (bipedalisme).

De soorten uit het geslacht Australopithecus worden nu beschouwd als de directe voorouders van het geslacht Homo, waartoe ook de moderne mens behoort. Zowel de soorten uit het geslacht Australopithecus als Homo sapiens zijn een deel van de familie Hominidae, maar nieuwe gegevens gaven aanleiding tot twijfel over de positie van de soort A. africanus als een directe voorouder van de moderne mens; het is misschien wel een uitgestorven neef. De soorten uit het geslacht Australopithecus werden oorspronkelijk ingedeeld als 'gracile' of 'robust'. De robuuste variëteit van Australopithecus is nu heringedeeld als Paranthropus. In de jaren dertig van de twintigste eeuw, toen het robuuste type voor het eerst werd beschreven, werd ook het geslacht Paranthropus gebruikt. Gedurende de jaren zestig van de twintigste eeuw werd de robuuste variëteit verplaatst naar Australopithecus. Nu is deze weer teruggeplaatst naar een apart geslacht.

Over het algemeen geldt dat de exacte relaties tussen de schaarse fossielen die worden gevonden sterk worden betwist en haast iedere nieuwe vondst wordt door verschillende groepen verschillend geïnterpreteerd. Niettemin is men het over de grote lijnen wel redelijk eens. Volledige fossiele vondsten zijn zeldzaam; meestal moet men het doen met enkele botfragmenten, zoals een dijbeen, een kaak of een kies.

Tijdlijn van de evolutie van de Homininae[bewerken]

Hominin species.png

Deze indeling staat wat betreft de tijd ter discussie.

Volgens een studie uit 2011, uitgevoerd door wetenschappers van de Universiteit van Montreal en de Universiteit van Boston, bevat het erfelijk materiaal van een baby ongeveer zestig nieuwe genmutaties.[1] Dit zou betekenen dat menselijke genen veel minder snel veranderen dan eerder werd aangenomen.

Wetenschappers gingen ervan uit dat mensen bij hun geboorte ongeveer 100 tot 200 mutaties zouden vertonen in hun DNA-materiaal. Op dit onderzoek komt veel kritiek binnen de wetenschap, omdat er slechts genmutaties van twee families in kaart zijn gebracht. Niettemin, als de bevindingen uit het onderzoek op grote schaal worden bevestigd, moet de ontwikkeling van hominide tot moderne mens veel langzamer verlopen zijn en de tijdslijn van de menselijke evolutie bijgesteld worden. Volgens Philip Awadalla voltrekt de evolutie van de mens zich slechts op een derde van de snelheid die vroeger door de wetenschap berekend was.[2]

Geschiedenis vóór het ontstaan van het geslacht Homo[bewerken]

In de evolutionaire geschiedenis van de primaten kan zo'n 60 miljoen jaar worden teruggegaan. De primaten vormen een van de oudste overlevende zoogdiergroepen. De meeste paleontologen denken dat de primaten een gemeenschappelijke voorouder hebben met de vleermuizen, een andere zeer oude lijn, en dat deze voorouder samen leefde met de laatste dinosauriërs gedurende het late Krijt.

Kladogram van de Hominidae

De oudst bekende primaten komen uit Noord-Amerika, maar ze kwamen ook wijdverspreid voor in Eurazië en Afrika gedurende de tropische omstandigheden in het Paleoceen en Eoceen. De primaten stierven met de komst van de tegenwoordige klimaten, die gekenmerkt werd door de vorming van het eerste Antarctische ijs in het vroege Oligoceen, bijna overal uit met uitzondering van Afrika en Zuid-Azië. Dit vond ongeveer 40 miljoen jaar geleden plaats. Uit deze overlevende tropische populatie kwamen alle levende primaten voort, te weten de:

Dit is het duidelijkst te zien in de Priaboniene en Rupeliene fossiele lagen van de Faium depressie (laagte) ten zuidwesten van Caïro.

De vroegst bekende smalneusaap is de Kamoyapithecus uit het Priabonien bij Eragaleit in de noordelijke Keniaanse Great Rift Valley. Deze vondst is 24 Ma jaar oud. De voorouders worden algemeen beschouwd als nauwe verwanten van de 35 Ma jaar oude in Faium gevonden fossielen van de geslachten Aegyptopithecus, Propliopithecus, en Parapithecus. Er zijn geen fossielen van de tussenliggende 11 miljoen jaar. Met behulp van de Noord-Afrikaanse fossielen kunnen er geen nauw verwante voorouders van de Zuid-Amerikaanse breedneusapen, waarvan de oudste fossielen dateren uit 30 Ma, geïdentificeerd worden. Mogelijk zijn het andere voorouders, die leefden in West-Afrika en ergens tijdens het Oligoceen verwikkeld raakten in de nog steeds mysterieuze trans-Atlantische wedren, waarbij primaten, boa constrictors, knaagdieren en Cichlidae uit Afrika in Zuid-Amerika terechtkwamen.

In het vroege Mioceen, na 22 Ma, wijzen vele soorten van aan het bos aangepaste primitieve smalneusapen in Oost-Afrika op een lange voorgeschiedenis van diversifiëring. Omdat de fossielen van 20 Ma ook fragmenten bevatten van de Victoriapithecus, de vroegst bekende Cercopithecoidea, worden de nauwst aan de nog levende apen en mensen verwante soorten zonder duidelijk bewijs gegroepeerd in de Hominoidea. In deze groep, die gaat tot 13 Ma, zijn de geslachten Proconsul, Rangwapithecus, Dendropithecus, Limnopithecus, Nacholapithecus, Equatorius, Nyanzapithecus, Afropithecus, Heliopithecus, en Kenyapithecus ondergebracht, die alle afkomstig zijn uit Oost-Afrika.

De aanwezigheid van fossiele vondsten van andere veralgemeende non-cercopitheciden uit het midden-Mioceen op plaatsen ver weg van de grotvondsten van Otavipithecus in Namibië, zoals Pieroloapithecus en Dryopithecus in Frankrijk, Spanje en Oostenrijk, bewijzen een grote verscheidenheid van vormen in Afrika en het Middellandse Zeegebied gedurende het relatieve warme en gelijkmatige klimaat in het vroege- en midden-Mioceen. De jongste (9 Ma) Miocene hominoïde de Oreopithecus is gevonden in een bruinkoollaag in Italië.

Moleculair onderzoek geeft aan dat de lijn van de gibbons (familie Hylobatidae) ontstond tussen 18 en 12 Ma en die van de orang-oetans (subfamilie Ponginae) ongeveer in 12 Ma. Er zijn geen fossielen die duidelijk de voorouders van de gibbons aangeven. Mogelijk behoorden die tot een tot nu toe onbekende Zuidoost-Aziatische hominoïde populatie. Fossiele proto-orang-oetans worden misschien vertegenwoordigd door de fossiele vondsten van de Ramapithecus in India en de Griphopithecus in Turkije, die ongeveer 10 Ma oud zijn.

Volgens moleculair onderzoek zouden tussen 8 en 4 Ma zich eerst de gorilla's en daarna de chimpansees (geslacht Pan) hebben afgesplitst van de lijn die naar de mens leidt. Er zijn geen fossiele resten van beide groepen gevonden, mogelijk doordat de botten in het regenwoud niet gefossiliseerd zijn. Homininae echter schijnen een van de zoogdiergroepen (alsook antilopen, hyena's, honden, varkens, olifanten en paarden) te zijn, die zich aangepast hebben aan het open grasland, dat ongeveer 8 Ma geleden ontstond door de toenemend seizoensgebonden klimaten. Hun fossielen zijn relatief welbekend. De vroegste zijn de

Het geslacht Homo[bewerken]

Evolutie van de mens tot 2 miljoen jaar geleden
Kaart van vroege menselijke migraties volgens de mitochondriale populatiegenetica (getallen geven het aantal millennia voor heden aan). De letters op de pijlen geven groepen mensen aan die tot dezelfde mitochondriale haplogroep behoren. Haplogroepen zijn een soort genetische indeling waarbij mensen worden ingedeeld op basis van de overeenkomstige variatie in hun mitochondriale DNA.

In de nu gehanteerde taxonomie is de mens (Homo sapiens) de enige nog overlevende soort van het geslacht Homo, hoewel er wel stemmen op zijn gegaan om de mens met de twee soorten chimpansees in één geslacht te plaatsen. Het nog steeds doorgaande onderzoek naar de wortels van de mens laat zien dat er andere, nu uitgestorven, soorten zijn geweest. Sommige van deze soorten zijn misschien de voorouders van de mens geweest, terwijl er waarschijnlijk vele soorten "neven" van ons zijn geweest, die verder afgesplitst zijn van onze ouderlijke lijn. Op dit moment is er nog geen overeenstemming tussen de onderzoekers welke van deze groepen beschouwd moeten worden als aparte soorten of als ondersoorten van een andere soort. Met name met de Amerikaanse onderzoekers, omdat dit kan leiden tot ondersoorten van de huidige mens en dus tot ras-"stempel". Europese wetenschappers zijn het in dit geval vaak niet eens met hun Amerikaanse collega's. In sommige gevallen is dit een gevolg van de schaarste aan fossielen, in andere gevallen van de geringe verschillen gebruikt voor de indeling (classificatie) van de soorten in het geslacht Homo.

Het Latijnse woord homo betekent "persoon" en is oorspronkelijk door Carolus Linnaeus gekozen in zijn classificatiesysteem. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar het artikel over de mens.

Gebruik van werktuigen[bewerken]

Het gebruik van werktuigen is niet alleen een teken van intelligentie, maar heeft mogelijk ook de evolutie van de mens beïnvloed. Gedurende de laatste 2 of 3 miljoen jaar is het menselijk brein driemaal zo groot geworden. Een brein vraagt veel energie en dat van de hedendaagse mens gebruikt ongeveer 20 watt (ongeveer 1675 kilojoule of 400 kilocalorie per dag), hetgeen overeenkomt met een vijfde van de totale menselijk energieconsumptie. Vroege hominoïden, zoals apen, waren hoofdzakelijk planteneters (vruchten, bladeren en wortels), nu en dan aangevuld met vlees, meestal aas. Vlees heeft een hogere voedingswaarde dan plantaardig voedsel, maar voor het jagen op grote dieren waren werktuigen zoals speren onontbeerlijk. Door het vervaardigen van deze werktuigen werd het brein groter en meer complex, waardoor er weer meer inventieve (vernieuwende) en efficiëntere werktuigen gemaakt konden worden. Wanneer precies begonnen werd met het maken van werktuigen is moeilijk aan te geven, omdat de meest primitieve werktuigen moeilijk te onderscheiden zijn van natuurlijk gevormde voorwerpen. Er is enig bewijs dat de australopithecinen (4 miljoen jaar geleden (4Ma)) gebroken beenderen als werktuig gebruikten, maar dit is nog aan discussie onderhevig.

Stenen werktuigen[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Stenen werktuigen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De oude steentijd begint ergens tussen 2 en 5 miljoen jaar geleden in Oost-Afrika, toen de eerste hominiden (Homo habilis) gereedschappen uit steen gingen maken. Dit waren kiezelsteenwerktuigen en bijlen, die gemaakt werden door ronde kiezelstenen doormidden te slaan. Het is echter buitengewoon moeilijk met zekerheid te zeggen of een losse steen ('zonder context') met een breukvlak en een scherpe kant het resultaat is van een bewuste bewerking of van een toevallige gebeurtenis; die beslissing wordt veel gemakkelijker door het vinden van grote aantallen van dergelijke stenen in lokale concentraties waar ze op andere, overigens vergelijkbare plaatsen ontbreken. De oudste vondsten zijn daarom altijd controversieel.

De periode van 700.000 – 300.000 jaar geleden is ook bekend als het Acheuléen, toen Homo ergaster (of erectus) grote stenen handbijlen maakte uit vuursteen en kwartsiet. In het begin waren deze werktuigen vrij grof gemaakt (Vroeg Acheuléen), maar in de latere periode verfijnd door meer kleine slagen aan de kanten van de steensplinters.

350.000 jaar geleden werd de meer verfijnde zogenoemde Levalloistechniek ontwikkeld. Hierbij werden door een serie van opeenvolgende slagen schrapers, snijwerktuigen, naalden en platte naalden gemaakt. 50.000 jaar geleden werden door de neanderthalers en de geïmmigreerde cro-magnonmensen steeds meer verfijnde en gespecialiseerde vuursteenwerktuigen gemaakt, zoals messen en klingen. In deze periode werd ook begonnen met het maken van werktuigen uit botten.

Ontwikkeling van taal[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook Taal#Oorsprong van de gesproken taal

Rondom de evolutionaire geschiedenis van de menselijke taal zijn nog veel vragen onbeantwoord. Taal laat geen fossielen achter en daarbij heeft de mensheid in haar geschiedenis tot voor kort weinig aandacht besteed aan de ontwikkeling van taal. Gesproken taal bestond immers al lang voordat bijvoorbeeld het schrift werd uitgevonden. De Oxford University bestudeert momenteel het zogenaamde FOXP2-gen. Dit specifieke onderzoek vond zijn oorsprong in het bestuderen van een 16-tal mensen uit één familie waarvan velen met een spraakgebrek. Hierbij hebben de wetenschappers succesvol het afwijkende FOXP2-gen geïsoleerd. Andere wetenschappers daarentegen zijn nog niet overtuigd dat er een verband bestaat tussen de eerste ontwikkeling van taal en mutatie in dit gen.

Wel of geen mutatie in dit specifieke gen, over het algemeen wordt aangenomen dat de ontwikkeling van taal samenhangt met de geleidelijke toename van de hersenmassa (en daarmee gepaarde intelligentie), of de ontwikkeling van een klein gebiedje in de hersenen (module) wat deze taken op zich neemt. De KNAW is eveneens bezig met een project dat de evolutie van taal bestudeert. Dit project loopt van januari 2007 tot december 2011.

Hybridisatie[bewerken]

Bij het ontstaan van de anatomisch moderne mens heeft vermenging met andere mensensoorten een rol gespeeld. De neanderthaler en de Homo denisova hebben een belangrijke bijdrage aan het menselijke DNA geleverd.[3][4] Zo heeft de mens 2,5% neanderthaler-DNA in zich, behalve de mensen die in Afrika, ten zuiden van de Sahara, afkomstig zijn, zij hebben geen neanderthalergenen. Aboriginals hebben ook 2,5% neanderthaler-DNA, maar ook nog 5% denisova-DNA.[5] Het afweersysteem van de huidige mensen is van hen grotendeels afkomstig. Hierdoor konden de moderne mensen met ziekten omgaan die niet in Afrika voorkwamen. Echter werden hierdoor de moderne mensen gevoeliger voor auto-immuunziekten, zoals mogelijkerwijs het Behçet-syndroom, een zeldzame en chronische inflammatoire aandoening.[6]

Bij de Afrikanen ten zuiden van de Sahara zijn eveneens DNA-sporen van een of meerdere archaïsche mensensoorten aangetroffen.[7] Welke rol dit DNA-materiaal bij de menselijke evolutie heeft gespeeld, is nog onduidelijk.

Deze vermenging wordt bevestigd door een hernieuwde analyse van een schedelfragment dat in 1965 gevonden is in Nigeria.[8] Hieruit blijkt dat deze schedel over zowel archaïsche als moderne kenmerken beschikt. Bovendien laat de ouderdom van 13.000 BP zien dat de moderne mens en archaïsche mensen nog zeer recent met elkaar omgingen.

Tabel met Homo-soorten[bewerken]

Over de dun gedrukte soorten is nog veel discussie over het feit of ze wel aparte soorten zijn.

soort periode
(Milj. jaren)
locatie lengte (cm) gewicht (kg) hersenvolume (cm³) als fossiel gevonden ontdekking / publicatie
H. habilis 2,5–1,5 Afrika 100–150 30–55 600 veel 1960/1964
H. rudolfensis 1,9 Kenia     750 2 schedels 1972/1986
H. georgicus 1,8–1,6 Georgië 150   600-680 weinig 1999/2002
H. ergaster 1,9–1,25 O. en Z. Afrika 190   700–850 veel 1975
H. erectus 2(1,25)–0,3 Afrika, Eurazië (Java, China, Kaukasus) 180 60 900–1100 veel 1891/1892
H. cepranensis 0,8? Italië     1200 1 schedelkap 1994/2003
H. antecessor 0,8–0,35 Spanje, Engeland 175 90 1000 3 plaatsen 1997
H. heidelbergensis 0,6–0,25 Europa, Afrika, China 180 60 1100–1400 veel 1908
H. neanderthalensis 0,23–0,03 Europa, W. Azië 160 55–70 (zwaar gebouwd) 1200-1700 veel (1829)/1864
H. rhodesiensis 0,3–0,12 Zambia     1300 zeer weinig 1921
Gawisschedel 0,5–0,25? Ethiopië       1 schedel 2006
H. sapiens sapiens 0,25–heden wereldwijd 140–190 55–80 1000–1850 leeft nog steeds —/1758
H. sapiens idaltu 0,16 Ethiopië     1450 3 schedels 1997/2003
H. floresiensis 0,10–0,012 Indonesië 100 25 400 1 schedel, botten van 7 individuen 2003/2004
H. denisova 0,20-0,029 Siberië (Altai-gebergte)  ?  ?  ? 1 vingerbotje meisje, maaltand van een volwassen man. Een teen van een jonge man. 2000/2008 en 2011

Een belangrijke vraag is hoe de laatste stadia van de evolutie van de mens, vanaf het ontstaan van H. habilis, zijn verlopen. Al geruime tijd is er een verhit debat aan de gang over de vraag of de moderne mens afstamt van

  • een kleine groep in Afrika die zich vrij kort geleden over de hele wereld heeft verspreid en daarbij andere vormen uit het geslacht Homo, vooral H. erectus, heeft verdrongen (bekend als de Out of Africa)

of van

  • een groep H. erectus, die zich veel eerder over de aarde heeft verspreid en door genetische uitwisseling toch één soort is blijven vormen (het zogenaamde multiregionale model).

Permanente evolutie[bewerken]

De evolutionaire ontwikkeling van de Homo sapiens is niet tot stilstand gekomen.[9] Natuurlijke omstandigheden, zoals het klimaat en geografische ligging vormen belangrijke evolutionaire factoren.

Volgens een studie van de Oxford University gepubliceerd in het tijdschrift Biology Letters hebben mensen in het noordelijke deel van de wereld grotere hersenen en ogen.[10] Dit heeft echter niets te maken met hun intelligentie. Het is enkel zodat ze om kunnen gaan met lange winters en minder zonlicht. De hersenen van noordelingen zijn groter omdat ze meer 'visieruimte' in hun hersenen nodig hebben. Zo kunnen zij omgaan met het weinige licht op hoge breedtegraden. Om diezelfde reden zijn ogen van noordelingen ook groter. Als je verder van de evenaar woont is er minder licht beschikbaar, waardoor mensen steeds grotere ogen moesten ontwikkelen. Hun hersenen hebben bovendien meer ruimte nodig voor de extra visuele input.

De Tibetaanse Hooglanders zijn van oorsprong Han-Chinezen geweest, maar wijken nu in enkele opzichten genetisch van deze af.[9][11] Zij hebben een gen dat het vermogen van de longen om zuurstof op te nemen verbeterd heeft. Dit is opmerkelijk. Wanneer het lichaam geconfronteerd wordt met een milieu met een lage zuurstofconcentratie, reageert deze normaliter door het vormen van meer rode bloedcellen, waarin zich hemoglobine bevindt dat de zuurstof bindt. Met uitzondering van de Tibetaanse hooglandbewoners hebben andere hoge landvolkeren, bijvoorbeeld de inwoners van het Andesgebergte in Zuid-Amerika, een blijvend verhoogde hemoglobinewaarde. Opmerkelijk is dat het bloed van het Tibetaanse hooglandvolk even weinig hemoglobine bevat als dat van mensen die op zeeniveau leven. Dit kenmerk wordt gestuurd door een gen dat EPAS1+ wordt genoemd. De onderzoekers vonden een speciale variant van deze erfelijke factor bij slechts negen percent van de Han-Chinezen. Daartegenover werd bij 87 percent van Tibetaanse volk dit gen aangetroffen. Een aanwijzing voor het feit dat werkelijk dit gen de oorzaak van dit mechanisme is: als een Han-Chinees van het vlakke land naar de bergen reist, stijgt zijn hemoglobinewaarde. Hij reageert dus op de gebruikelijke manier op grote hoogten.

Deze reactie van het lichaam op grote hoogten is echter verbonden aan vele grote nadelen: door een verhoogd aantal rode bloedcellen wordt het bloed dikker. De vaten slibben sneller dicht. Daardoor neemt het risico op cardiovasculaire ziekten en trombose enorm toe. Ook komt de doorbloeding van de placenta van zwangere vrouwen in gedrang, zodat het ongeboren leven te weinig voeding krijgt. Kinderen komen dan ook vaak met een te laag gewicht ter wereld. De Tibetaanse bevolking heeft dus een voor hun gunstige oplossing voor dit probleem gevonden. Wellicht zorgt het betreffende gen voor een beter transport van zuurstof.

Deze aanpassing vond zeer snel plaats. Rond 2750 voor Christus vestigden zich Han-Chinezen op de Tibetaanse hoogvlakte. Hieruit is het Tibetaanse volk ontstaan met een eigen cultuur en een genetische aanpassing aan het leven op grote hoogten.

Ook andere onderzoeken laten zien dat de moderne mens zich sinds 40.000 jaar geleden genetisch snel aan het veranderen is.[9] Een proces dat na de introductie van de landbouw aan het versnellen is.[12] De Amerikaanse antropologen Henry Harpending en John Hawks vergeleken 270 mensen van vier verschillende etnische groepen: Chinezen, Japanners, de Noord-Europeanen en bewoners uit Afrika, te weten Nigeria (Yoruba).[13][14] Minstens 7 procent van de genen zijn in de laatste 5000 jaar veranderd. Zo heeft de mogelijkheid om ook als volwassenen lactose te kunnen verteren zich tussen de 10.000 en 6.000 jaar geleden verspreid. Lactose moet na consumptie in de dunne darm gesplitst worden door het enzym lactase in kleinere suikers, glucose en galactose. Het lichaam kan namelijk alleen deze kleinere suikers opnemen en als energiebron gebruiken. Op het moment dat het enzym lactase ontbreekt of onvoldoende aanwezig is, wordt lactose niet gesplitst en kan het lichaam deze niet opnemen. De lactose komt terecht in de dikke darm waar het gaat gisten en kan leiden tot verschijnselen als overmatige gas- en zuurproductie, opgeblazen gevoel, winderigheid en diarree. In dat geval spreken we van lactose-intolerantie. Nu kan er bij circa 95 % van alle mensen zowel uit Noordelijk Duitsland als bij de Massai deze genetische aanpassing worden geconstateerd. In Zuid-Europa, Azië en ook Afrika ligt het percentage lactose-intolerantie beduidend hoger. Deze snelle evolutionaire aanpassing had te maken met de opkomst van veeteelt. Melk en andere melkproducten konden gegeten worden, waardoor een extra voedselbron aangeboord werd. Deze genetische aanpassing hield in dat de betreffende mensen een hogere overlevings- en voortplantingskans hadden.

Bij de menselijke evolutie speelt ook de aanpassing aan ziekten een rol. Sikkelcelanemie is hiervan een opvallend goed voorbeeld.[9] Sikkelcelanemie en sikkelcelziekte zijn recessieve erfelijke aandoeningen, waarbij het hemoglobine abnormaal is. Deze afwijking, ziekte komt vooral voor in etnische groepen uit landen waar malaria heerst. Degenen met de heterozygote afwijking hebben evolutionair gezien een grotere overlevingskans in malariagebieden. Dit komt doordat de malariaparasiet zich in bloedcellen met hemoglobine S minder makkelijk kan handhaven. In normale bloedcellen kan deze parasiet zich wel vermenigvuldigen. In die gebieden is deze afwijking een voordeel. Onduidelijk is hoe snel deze aanpassing heeft plaatsgevonden. Dat het voorkomen van sikkelcelanemie niet verdwenen is daar waar de malaria uitgeroeid is, heeft wellicht te maken met de menselijke zorg, cultuur. Mensen met deze afwijking blijven in leven en kunnen zich voortplanten. Ook hier zie je dat de evolutionaire selectie een rol gaat spelen: Het aantal mensen met sikkelcelanemie neemt af, wanneer malaria niet meer endemisch is. In de Verenigde Staten, waar malaria bijna niet voorkomt, lijden circa 0,25% van de Afro-Amerikanen aan deze erfelijke ziekte. In West-Afrika heeft circa 4% van de bevolking de sikkelcelziekte.

Ook de huidskleur toont aan dat de mens zich aan zijn omgeving heeft aangepast, maar dat hij door zijn cultuur in zijn eigen evolutie ook een actieve rol speelt.[9][15] De donkere huidskleur is evolutionair gezien voordelig geweest. Het biedt een betere bescherming tegen de zon dan een lichte huid. Daarom hebben mensen met een donkere huidskleur in gebieden waar de zon veel scheen een voordeel ten opzichte van mensen met een lichtere huidskleur. Hierdoor werd in de loop van de tijd een donkere huidskleur uiteindelijk een erfelijke eigenschap binnen een bepaalde bevolkingsgroep. Maar het is nadelig in die geografische gebieden waar het minder licht is. Vitamine D wordt in de huid gevormd onder invloed van zonlicht Een donkere huid maakt minder vitamine D aan. Een tekort kan de botvorming verstoren. In de VS bij de gekleurde inwoners bestaat er veelal een chronisch tekort aan vitamine D. Deze moet aangevuld worden door onder andere medicijnen, vitamine D-(ver)rijk(t) voedsel. Door achter de oorzaak van verschillende botziekten ten gevolge van vitamine D-deficiëntie te komen heeft de mens vele nadelige kanten van het hebben van een donkere huid kunnen oplossen. Wederom een culturele aanpassing met evolutionaire gevolgen: stabilisatie.

De invloed van de cultuur zien we vooral bij de genetische kenmerken de kleur van de ogen en bleke huidskleur.[16] Bij een ander onderzoek onderzochten de wetenschappers intensief het menselijke genoom. Op meer dan 300 plaatsen in het erfelijke bezit zijn binnen een zeer korte tijd veranderingen opgetreden. Één van deze recente mutaties betreft de genen die bij de Noord-Europeanen een bleke huid en de blauwe ogen veroorzaken. Dat deze eigenschappen zich konden doorzetten heeft wellicht te maken gehad met de partnerkeuze: het werd wellicht als aantrekkelijk ervaren.[14]

Ook urbanisatie is een selectieve evolutiefactor die geleid heeft tot genetische veranderingen bij de moderne mens. Een nieuw onderzoek van Barnes et al. toont aan dat in die gebieden met een lange geschiedenis van stedelijke nederzettingen bij de huidige inwoners vaker de genetische variant aangetroffen wordt die weerstand biedt tegen besmetting door tuberculose en lepra.[17]

Volgens Cochran en Harpending gaan de mensen ten gevolge van de enorme bevolkingsgroei en veranderende levensomstandigheden genetisch gezien meer en meer van elkaar afwijken.[12] Pas als de bevolkingsgroei en de leefsituatie stabiliseren zal deze ontwikkeling gestopt worden.

Bekende onderzoekers naar de evolutie van de mens[bewerken]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. (en) Awadalla P. M. et al.’’Variation in genome-wide mutation rates within and between human families.’’ In: Nature Genetics 2011 Juni 12; 43(7):712-4.
  2. (nl) Rijnvis, Dennis, Mens evolueert langzamer dan gedacht. In. Nu.nl. 13 juni 2011. Bezocht op 12 oktober 2011.
  3. (en) Marshall, Michael: (16 juni 2011) Breeding with Neanderthals helped humans go global. In: New Scientist. nr. 2817. Bezocht 19 juli 2011.
  4. (de) Weber, Nina(2011):Erbgutforschung: Sex mit Frühmenschen stärkte Immunabwehr unserer Vorfahren. In: Spiegel-Online. 27 augustus 2011. Bezocht 28 augustus 2011.
  5. (nl) Neanderthalerinvasie. De Standaard (3 mei 2012) Geraadpleegd op 15 februari 2013
  6. (en) The Guardian (2011): The downside of sex with Neanderthals. In: The Guardian, 9 september 2011. Bezocht 9 september 2011.
  7. (de) wbr/dapd (2011): Erbgut-Spuren: Frühmenschen in Afrika paarten sich mit archaischen Vettern In: Spiegel Online. 6 september 2011. Bezocht 6 september 2011
  8. (en) Harvati, Katarina et ak. (2011): The Later Stone Age Calvaria from Iwo Eleru, Nigeria: Morphology and Chronology . In: PLoS ONE 6(9): e24024. doi:10.1371/journal.pone.0024024. Bezocht 19 september 2011.
  9. a b c d e Herveille, A, (2011).Biologische aanpassingen van de Homo sapiens : interactie tussen culturele en biologische adaptatie. In: Ik heb een man geboren: JHWH. En ze baarde ook zijn broer: Abel: Waarom zijn mensensoorten uitgestorven?
  10. (de) cib/dapd (2011)Anpassung an Lichtverhältnisse: Nordlichter haben größere Gehirne. In: Spiegel Online. 27 juli 2011. Bezocht op 3 augustus 2011.
  11. Storz, Jay F., (2 juli 2010) : Genes for High Altitudes. In: Science 2 Juli 2010: 329(5987), pp. 40 – 41 . DOI: 10.1126/science.1192481
  12. a b (en) Roach, John. (2007): Human Evolution Speeding Up, Study Says. In: National Geographic News. 11 december 2007
  13. Blech, Jörg: Im Bann der Steinzeit. In: Der Spiegel 6/2009
  14. a b Cochran, Gregory; Harpending, Henry: The 10,000 Year Explosion: How Civilization Accelerated Human Evolution. Basic Books, Perseus Book Group. New York, 2009.
  15. Aloia, John F, Chen, Ding-Geng en Chen, Henian: The 25(OH)D/PTH Threshold in Black Women. In: Journal of Clinical Endocrinology & Metabolism, doi:10.1210/jc.2010-0610
  16. Jablonski, Nina G.; Jablonski, George; Chaplin, (2000)The evolution of human skin coloration. Journal of human evolution 39 (1): 57–106. doi:10.1006/jhev.2000.0403. PMID 10896812.
  17. Barnes, Ian et al. Ancient urbanisation predicts genetic resistance to tuberculosi. In: Evolution International journal of organic evolution. 17 augustus 2010. DOI: 10.1111/j.1558-5646.2010.01132.x
Voorlopers en oude verwanten van de mens
Fossiel voorkomen Geslacht(engroep) Soorten
7 - 4,4 Ma Hominini Sahelanthropus tchadensis · Praeanthropus tugenensis · Ardipithecus
4,3 - 2 Ma (Aus)
2,5 - 1 Ma (Par)
Australopithecus & Paranthropus Australopithecus: A. anamensis · A. afarensis · A. bahrelghazali · A. africanus · A. garhi · A. sediba · Paranthropus: P. aethiopicus · P. boisei · P. robustus
3,5 Ma (Ken)
tot heden
(H. sapiens)
Kenyanthropus & Homo Kenyanthropus: Kenyanthropus platyops · Homo: H. antecessor · H. cepranensis · H. denisova · Homo erectus (H. erectus · Javamens · Pekingmens) · H. ergaster · H. floresiensis · H. gautengensis · H. georgicus · H. habilis · H. heidelbergensis · H. helmei · H. neanderthalensis · H. rhodesiensis · H. rudolfensis · Homo sapiens (Cro-magnonmens · H. s. idaltu · H. s. sapiens) · Red Deer Cave-mensen