Leerlooien

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Leerlooierij in Marokko
Leerlooier aan het werk
Video van leerlooierij in Fez

Leerlooien is een werkwijze om van de huid van dieren leer te maken voor kleding, schoeisel of andere toepassingen. Door het looien worden de eiwitten in de huid onoplosbaar gemaakt. Hydrolyseerbare polymeren van galluszuur zijn de nu meest gebruikte looistoffen. Andere looistoffen zijn gehydreerde derivaten van flavanolen en anthocyanidinen, de zogenaamde catechinen.

De HH. Crispijn en Crispinianus zijn de beschermheiligen van de schoenmakers en leerlooiers.

Traditioneel leerlooien[bewerken]

Als eerste werden de huiden van het dier gevild. Een runderhuid weegt ongeveer 30 kg. Bij het villen bleven resten vlees op de huid achter. Was het leer bedoeld als materiaal voor schoeisel, dan werden de huiden eerst onthaard. Ze werden daartoe geweekt in kalkrijk water en daarna gesmart door ze over het smartblok te hangen om te broeien. Daarna werden de haren er af geschraapt. Op de binnenkant van de huid zaten er nog veel grote resten vlees aan die huid. Die resten werden er met een scherp mes afgesneden. Dat noemt men vlezen. De vlezer stond hierbij diep gebogen over een iets bolle stenen tafel.

Als bijproduct van het vlezen ontstond het lijmvlees. Dit werd verwerkt tot dierlijke lijm.

Als het vlezen gebeurd was, begon het eigenlijke looiproces. In een looierij stonden kuipen, ook wel laven genoemd, die half in de grond gegraven werden. Deze werden gemaakt van eikenhout. Nadat de kuipen met run, ook eek genoemd, gevuld waren, werden de huiden erin gehangen. Wanneer deze eruit kwamen en gedroogd waren, konden ze niet meer bederven. De huiden bleven lange tijd in de kuipen.

Voordat de huiden droog waren, werden ze eerst nog gekrabd, geschuurd en gewalst. Dit was allemaal ter afwerking. Het schuren en krabben zorgden ervoor dat het leer ging glanzen. Door het walsen werd het leer platter en gladder. Wanneer deze stappen doorlopen waren was het leer zo goed als klaar.

Technische ontwikkeling van het looien[bewerken]

Reeds vanaf 1700 vond er wetenschappelijk onderzoek naar het leerlooien plaats. Naast het traditionele looimiddel run, uit eikenschors bereid, werden uit de koloniën ook nieuwe plantaardige looistoffen geïntroduceerd, zoals mimosa (1822) en quebracho (1867). Deze versnelden niet alleen het looiproces, maar waren vaak ook goedkoper dan de eikenschors die schaars aan het worden was. Omstreeks 1840 verschenen de eerste eenvoudige machines, zoals beweegbare looikuipen. Dit betrof de methode van Durio, waarbij in plaats van kuipen ronddraaiende vaten (walkvaten) werden gebruikt. Er werden geconcentreerde looiextracten toegevoegd en de temperatuur werd op 40 oC gehouden. Aldus versnelde het looiproces. De walkvaten werden eind 19e eeuw op grote schaal ingevoerd.

Naast plantaardige werden ook minerale looistoffen gebruikt, met name aluin en andere aluminiumzouten.

Tussen 1884 en 1893 werden door de Amerikanen Shulz en Dennis de eerste synthetische looistoffen ontwikkeld op basis van chroom (bijvoorbeeld: natrium- en kaliumbichromaat). Voor de vervaardiging van glacéleer werden ook eierdooiers gebruikt. Omstreeks 1903 werd de chroomlooiing in Nederland ingevoerd. Omstreeks 1950 hadden de synthetische looimiddelen de plantaardige goeddeels verdrongen. Aanvankelijk werden de driewaardige chroomzouten uit natriumbichromaat vervaardigd op de looierij zelf, waartoe dit gereduceerd moest morden in een zuur milieu. Hiertoe werden stoffen als natriumsulfiet, natriumthiosulfaat, natriumbisulfiet, zwaveldioxide, glucose en organische afvalproducten gebruikt. Sedert 1912 werden de synthetische looistoffen door de chemische industrie op de markt gebracht.

De industrialisering van het looiproces had omstreeks 1900 plaats. Voordien werd het leerlooien vooral ambachtelijk bedreven. In 1915 werden er in Nederland niettemin nog 497 leerlooierijen en stoom-lederfabrieken geteld, waarvan 389 (78%) in Noord-Brabant. De meeste hiervan waren ambachtelijk en mogelijk toen al kwijnend.

Ondertussen begonnen andere materialen, zoals kunststoffen, met het gebruik van leder te concurreren. Voorts ontwikkelde zich geleidelijk een leerlooierij-industrie in lage-lonenlanden. Veel leerlooierij-activiteit verdween naar deze landen. Toen in de jaren '70 van de 20e eeuw de milieu-eisen werden aangescherpt konden slechts de modernste grootschalige bedrijven overleven.

Afwerking van het leder[bewerken]

Na het looien wordt het leder afgewerkt. De methode van afwerking verschilt afhankelijk van de soort leder. Naast persen en invetten, bleken en drogen wordt ook gelakt en geperst. Verder behoren soms het splitten en het nalooien tot de bewerkingen. De klassieke methode bestond onder meer uit oliën met traan en persen met een wals. Overleer werd gerekt en ingesmeerd met een mengsel van traan en rundvet, waardoor het waterafstotend werd.

Ook de lederbewerking was aan ontwikkelingen onderhevig. Om te beginnen moest chroomgelooid leder geneutraliseerd worden met borax of natriumwaterstofcarbonaat. Vanaf omstreeks 1850 werden synthetische kleurstoffen ontwikkeld en in 1907 kwamen enzymatische beitsen op de markt, waardoor het onhygiënische gebruik van hondenuitwerpselen en vogelmest overbodig werd. Er worden tegenwoordig vaak ook bestrijdingsmiddelen aan het leder toegevoegd, die bacteriegroei tegengaan of schimmelwerend zijn.

Soorten leder[bewerken]

Niet al het leer was uiteindelijk hetzelfde. Van de zeer mooie huiden wordt meubelleder gemaakt. Veel leer werd gebruikt voor het maken van schoenen. Van rundsleder dat gelooid werd als zoolleder werden de zolen en binnenzolen gemaakt. Van mooi kalfsleder en fijn rundsleder werden de schachten (het bovendeel van de schoen) gemaakt. Door de verschillende wijzen van looien bereikte men verschillende soorten leder. Door toevoeging van chemicaliën bepaalt men ook de technische eigenschappen die het leder later zal hebben.

Men onderscheidt drie soorten leder:

  • Vetleer, wordt bereid door de gedroogde huid in te smeren met traan en rundvet, en vervolgens te bewerken met koperrood. Hierbij wordt de huid zwart. De vleeszijde wordt geblanceerd en vervolgens gekrispeld, wat het soepel slaan met behulp van een stuk gegroefd hout is. Vetleer is geschikt voor laarzen en werkschoenen.
  • Grauwleer, wordt bereid door de vleeszijde te blanceren en te zuiveren met traan, waarna het geschikt is voor bruine schoenen.
  • Overleer, wordt bereid door de gelooide huiden op te spannen en gedurende twee weken in vers stromend water te houden. Hierna werden de huiden gedurende een week gekalkt in een kalkkuip, en daarna werden ze ontkalkt in vuil water. Vervolgens werden de huiden geschaafd en daarna nog bewerkt in een kuip. Hierna werd het leer benut voor schoenen of zadels.

Leerlooierijen[bewerken]

In Nederland waren er veel leerlooierijen in Noord-Brabant. Ze ontstonden daar door gunstige natuurlijke omstandigheden, zoals de aanwezigheid van zuiver stromend water en voldoende eikenschors en huiden. Aanvankelijk bracht de armoede de boeren ertoe om nevenwerkzaamheden te verrichten, waar leerlooien toe behoorde. Later ontstonden er leerlooierijen op industriële basis, vooral in Dongen maar ook in vele andere plaatsen. Op basis hiervan ontstond dan weer een uitgebreide schoenenindustrie, die vooral bekend is van de Langstraat. In Nederlands Leder en Schoenen Museum in Waalwijk wordt deze geschiedenis in woord en beeld levendig gehouden gecompleteerd met een historische looierij en schoenfabriek. De weinige overgebleven leerlooierijen zijn sterk geautomatiseerd en maken ook veel meer gebruik van chemische hulpstoffen dan bij het traditionele proces.

Landen die tegenwoordig bekend zijn om hun lederlooierijen zijn o.a: Italië, Spanje, Engeland, Frankrijk, Turkije, Marokko, India en Pakistan. China is een grote opkomende producent. In landen als India, Pakistan en China wordt onder zeer bedenkelijke condities gewerkt waar het milieu en de arbeidskrachten zeer onder lijden. In Europa worden de looierijen zeer streng gecontroleerd op onder meer milieueisen, wat wel een duurder product tot gevolg heeft.

Zie ook[bewerken]