Talgklier

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
1 = Haar
2 = Opperhuid
3 = Talg
4 = Haarzakje
5 = Talgklier

De talgklieren, smeerklieren[1] of glandulae sebiparae[2] zijn in de huid van zoogdieren gelegen exocriene klieren. Deze klieren produceren talg.

Ligging en opbouw[bewerken]

Talgklieren liggen in de dermis (lederhuid), verspreid over het hele lichaam behalve op de voetzolen en aan de binnenkant van de handen. De meeste en actieve talgklieren komen voor op het hoofd: op de boven-, zij- en achterkant en nek en in de T-zone van het gezicht (voorhoofd, neus en kin). Bij ieder haartje op de huid bevinden zich een tot vijf talgklieren. De talg die door het kliertje wordt gemaakt wordt afgezet in de porie waar de haar door naar buiten groeit. Via deze porie komt het op huid en haar terecht. Op de niet behaarde huid zijn de talgklieren niet verbonden met een haarzakje, maar geven ze hun product direct naar buiten af. Dit komt voor op de oogleden, de tepelhof (bij zowel vrouw als man), op de kleine schaamlippen en op het binnenblad van de voorhuid. Ook in het lippenrood kunnen deze klieren voorkomen, en zichtbaar zijn als plekjes van Fordyce. Aan de rand van de oogleden komt een bijzonder soort talgklier voor, de klieren van Meibom, die er voor zorgen dat het oogvocht minder snel verdampt.

Werking en functie[bewerken]

De wanden van talgklieren bevatten een kiemlaag welke steeds nieuwe cellen aan de binnenkant van de klier aanmaakt. Deze cellen maken inwendig talg aan. Op een zeker moment barst de cel en stroomt de talg naar buiten, ook de resten van de cel worden onderdeel van het talg. Het talg wordt samen met het zweet over huid en haar verdeeld.

Talg houdt het haar en de opperhuid vettig. Dit beschermt de huid tegen uitdroging en maakt de huid beter waterafstotend. Daarnaast verhoogt het de weerstand tegen ziekteverwekkers, schimmels en irriterende stoffen.

De productie van talg hangt van verschillende factoren af:

Talgklieren worden geremd en verschrompelen onder invloed van vitamine-A zuur achtige medicijnen, zoals isotretinoïne.

Bij de geboorte zijn talgklieren al actief, maar in de maanden na de geboorte worden ze wat minder actief en dat blijft zo bij kinderen tot aan de puberteit. In de puberteit worden de talgklieren groter en actiever onder invloed van de toegenomen hormoonproductie (androgenen). Daardoor is de huid juist in die periode extra gevoelig voor het ontstaan van acne. De talgproductie blijft relatief hoog tijdens de geslachtsrijpe periode. Daarna neemt de talgproductie af, bij mannen heel geleidelijk en bij vrouwen vrij abrupt bij de overgang waardoor relatief veel oudere vrouwen last van een droge huid hebben.

Zie ook[bewerken]

Naamgeving[bewerken]

De Latijnse naam voor de talgklieren, de glandulae sebiparae [2][3][4] is samengesteld uit sebum ('talg'[5]) en het werkwoord parare ('bereiden'[5]). Het bijvoeglijk naamwoord sebiparae betekent dan ook talgbereidend.[6] De Latijnse naam van de talklieren in de recentste officiële nomenclatuur[7] (Terminologia Anatomica) luidt echter glandulae sebaceae. Het bijvoegelijk naam woord sebaceae in glandulae sebaceae betekent letterlijk uit talg bestaand/gemaakt [2][6] in plaats van het bedoelde woord talgbereidend.[2][6] Een begrip als glandulae sebaceae laat zich dan ook vertalen als uit talg gemaakte klieren [2] in plaats van het bedoelde begrip talgbereidende klieren.[2]

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. Brongersma, L.D. (1941). De huid en de huidspieren. In J.E.W. Ihle (Red.), Leerboek der vergelijkende ontleedkunde van de vertebraten. Deel I. (2de druk). (pp. 27-94 ) Utrecht: N.A. A. Oosthoek’s Uitgevers Mij.
  2. a b c d e f Hyrtl, J. (1880). Onomatologia Anatomica. Geschichte und Kritik der anatomischen Sprache der Gegenwart. Wien: Wilhelm Braumüller. K.K. Hof- und Unversitätsbuchhändler.
  3. Kossmann, R. (1895). Die gynäcologische Anatomie und ihre zu Basel festgestellte Nomenclatur. Monatsschrift für Geburtshülfe und Gynaekologie, 2 (6), 447-472.
  4. Triepel, H. (1910). Nomina Anatomica. Mit Unterstützung von Fachphilologen. Wiesbaden: Verlag J.F. Bergmann.
  5. a b Wageningen, J. van & Muller, F. (1921). Latijnsch woordenboek. (3de druk). Groningen/Den Haag: J.B. Wolters’ Uitgevers-Maatschappij
  6. a b c Triepel, H. (1910). Die anatomischen Namen. Ihre Ableitung und Aussprache. Mit einem Anhang: Biographische Notizen.(Dritte Auflage). Wiesbaden: Verlag J.F. Bergmann.
  7. Federative Committee on Anatomical Terminology (FCAT) (1998). Terminologia Anatomica. Stuttgart: Thieme