Puberteit

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Voor het gelijknamige hoorspel, zie Puberteit (hoorspel).

De puberteit (of pubescentie) is de periode waarin meisjes en jongens zich tot volwassene ontwikkelen. Ze worden geslachtsrijp en ontwikkelen zich mentaal tot volwassenen. In het algemeen valt de puberteit tussen het tiende en achttiende levensjaar.

Woordbetekenis[bewerken]

Het woord "puberteit" is een afgeleide van het Latijnse woord "pubescere", dit betekent 'bedekt zijn met haar'. Deze definitie komt voort uit de ontwikkeling van haargroei in de schaamstreek, onder de oksels en op de benen. "Puberen" kan als werkwoord gebruikt worden voor de manier waarop jongeren zich ogenschijnlijk onvoorspelbaar gedragen en zich tegen het gezag van opvoeders verzetten.

Fysiologisch mechanisme[bewerken]

1 Follikelstimulerend hormoon - FSH
2 Luteïniserend hormoon - LH
3 Progesteron
4 Oestrogeen
5 Hypothalamus
6 Hypofyse
7 Ovarium (Eierstok)
8 Zwangerschap - hCG (Human chorionic gonadotropin)
9 Testosteron
10 Zaadbal
11 Positieve stimulus
12 Prolactine - PRL

Primair wordt de puberteit op gang gebracht door veranderingen in de hormoonspiegels in het bloed. Deze hormonen worden achtereenvolgens geproduceerd door de hypothalamus, hypofyse en de gonaden (eierstokken of zaadballen). Het samenspel van deze drie organen wordt de hypothalamische-hypofysaire-gonadale-as genoemd. Voor de puberteit is de productie van de hypofysaire en gonadale hormonen laag. Aan het begin van de puberteit valt de remming van het hormoon Gonadotropin-Releasing hormone (GnRH) in de hypothalamus weg. Als gevolg hierop worden in de hypofyse de gonadotrope hormonen FSH en LH aangemaakt.

Voor de puberteit is er al een cyclus aanwezig van GnRH productie, gevolgd door pulsaties van FSH en LH secretie. Een paar uur later volgt de secretie van testosteron en oestrogeen.[1] Vroeg en midden in de puberteit nemen de frequentie en hoeveelheden van FSH en LH secretie toe. Dit komt omdat de remming door middel van negatieve feedback afneemt (het eindproduct remt de productie van GnRH). Hierdoor worden de gonaden aangezet om testosteron of oestrogeen te maken. Bij meisjes stimuleert FSH de rijping van de eierstokken, functie van de granulosacellen (aanmaken geslachtshormonen) en secretie van oestradiol. LH zorgt voor de ovulatie, formatie van het gele lichaam (corpus luteum) en secretie van progesteron. In het begin zorgt oestradiol voor remming van FSH en LH, maar later zorgt het juist voor stimulatie. Hierdoor wordt de secretie van FSH en LH cyclisch. De hoeveelheid oestradiol neemt geleidelijk aan toe en zorgt voor rijping van de geslachtswegen en ontwikkeling van de borsten.

Bij jongens stimuleert LH de interstitiële cellen van de testikels om testosteron te maken. FSH stimuleert de aanmaak van spermatocyten in de aanwezigheid van testosteron. In de zaadballen wordt ook inhibine gemaakt in de Sertoli-cellen. Inhibine is een eiwit dat de secretie van FSH remt. Tijdens de puberteit stijgt de testosteronspiegel tot meer dan 20 keer zo hoog als prepubertaal. De testosteronspiegel hangt ook samen met de lichamelijke ontwikkeling en rijping van de botten.[2]

Tijdens de puberteit vindt een groeispurt plaats, deze kost veel energie. Uit onderzoek is gebleken dat zowel het leptinegehalte, als ook aanwezige glucose en vetzuren in het bloed invloed hebben op de overgang naar puberteit en mate van vruchtbaarheid nadat de vrouw volwassen is geworden. Wanneer één van deze drie niet in voldoende mate aanwezig is, zal de cyclus bij de vrouw niet (adequaat) plaatsvinden. [bron?]

Parallellen bij dieren[bewerken]

Bij varkens is gebleken dat aanwezigheid van soortgenoten daarnaast ook nog invloed heeft op de leeftijd waarop vruchtbaarheid bereikt wordt. Zeugen worden sneller vruchtbaar wanneer zij gehouden worden met een groter aantal soortgenoten (10 of meer zeugen). Kleinere groepen (2-3 zeugen) werden duidelijk later vruchtbaar dan de grotere groepen. Daarnaast verlaagt zowel bij varkens als bij koeien de aanwezigheid van een mannelijk dier de leeftijd van overgang naar puberteit. Hoewel dit fenomeen bij mensen nog weinig onderzocht is, is de kans groot dat een soortgelijk verschil te vinden is. [3]

Lichamelijke veranderingen[bewerken]

Tijdens de puberteit begint de productie van geslachtscellen en kan in principe voortplanting plaatsvinden. De secundaire geslachtskenmerken ontwikkelen zich. Een wetenschappenlijke beschrijving daarvan zijn de zogenaamde Tannerstadia.

Bij meisjes[bewerken]

De ontwikkeling van de borsten en schaamhaar

Het eerste teken van de puberteit bij meisjes is de toename in lengte. Meisjes worden echter niet vaak genoeg onderzocht om dit kenmerk op te pikken. Vandaar dat het eerste klinische kenmerk dat wordt gezien de borstontwikkeling is. Het begin van de borstontwikkeling wordt thelarche genoemd. Dit vindt meestal plaats tussen de leeftijd van 8 en 12 jaar. Deze ontwikkeling wordt voornamelijk gestimuleerd door oestrogenen uit de eierstokken. Andere hormonen spelen echter ook een rol. De grootte en vorm van de borsten wordt bepaald door genetische factoren en voeding. De kenmerken van de tannerstadia zijn echter bij alle meisjes aanwezig. In de eerste stadia neemt met name de diameter van het tepelhof (areola) toe. De diameter van de tepel zelf verandert nauwelijks. In stadia 4 en 5 neemt deze diameter pas toe. Waarschijnlijk gebeurt dit door de toename van oestrogeensecretie ten tijde van de menarche. De areolae worden ook donkerder en kunnen stijf worden.

Andere kenmerken van van oestrogeenactiviteit zijn het groter worden van de kleine en grote schaamlippen (labia minora en majora). Ook het slijmvlies, de mucosa, van de vagina verandert wat van kleur. De normaal gesproken rode kleur verandert in licht roze. Dit gebeurt door verhoorning van het epitheel van de vagina. Ook de lengte van de vagina neemt toe. Er vindt ook productie plaats van witte vaginale afscheiding voor de menarche. De menarche vindt meestal 2-2,5 jaar na de thelarche, tussen 9 en 16 jaar. Het ontstaan van een typische vrouwelijke vorm (brede heupen, relatief kleine taille) gebeurt ook onder invloed van oestrogenen. Minder duidelijke kenmerken van de vroege puberteit zijn het groter worden van de eierstokken, baarmoeder en clitoris.[4]

Ook de lichaamsbeharing ontwikkelt zich, met name het schaamhaar, in de oksels en op de benen. Dit gebeurt onder invloed van adrenerge en ovariële androgenen, voornamelijk het adrenerge hormoon dehydroepiandrosteron (DHEA).[5] De ontwikkeling van het schaamhaar begint met donzig, niet-gepigmenteerd haar dat op de labia groeit. Vervolgens wordt het haar dikker, donkerder en begint te krullen. Uiteindelijk wordt het volwassen qua structuur (sterk gepigmenteerd, gekruld), maar de verdeling is nog niet volledig volgens het volwassen patroon. Uiteindelijk ontstaat de typische structuur van een omgekeerde driehoek.

De ontwikkeling van de borsten en het schaamhaar vindt meestal tegelijkertijd plaats (wat betreft tannerstadia), maar er kunnen verschillen zijn tussen ontwikkeling van beide. Daarom wordt de stadiëring apart beoordeeld voor schaamhaar en borstgroei.

In het midden van de puberteit vindt de groeispurt plaats. De prepubertale groei is ongeveer 6-7 cm per jaar. In de puberteit neemt dit bij meisjes toe tot ongeveer 8,3 cm per jaar, bij een leeftijd van gemiddeld 11,5 jaar. Deze toename is bij meisjes minder snel dan bij jongens (10-15 cm per jaar). Bij deze groei speelt het groeihormoon een belangrijke rol. Dit hormoon wordt deels onder invloed van oestrogeen afgescheiden. Als gevolg hiervan komt insulin like growthfactor-I (IFG-I) vrij en zorgt voor lineaire lengtegroei. [5] Uiteindelijk zullen de groeischijven sluiten onder invloed van oestrogenen.[4] Gewichtstoename is ook lineair, maar loopt als het ware achter op de toename in lengte. [1]

Tijdens deze periode begint ook de menstruele cyclus, menarche. De menarche is vaak een jaar na het begin van de groeispurt en 2-2,5 jaar na thelarche. Dit tijdstip is echter individueel erg verschillend. Genetische factoren, voeding, lichaamsbeweging, overgewicht en chronische ziekte kunnen allen het moment van menarche beïnvloeden. Wel wordt gezien dat de leeftijd van menarche gemiddeld gezien aan het dalen is in ontwikkelde landen.[5] Dit ligt waarschijnlijk aan betere voeding en minder lichaamsbeweging.[1]

De menstruele cyclus is in de eerste twee jaar vaak anovulatoir. Dit betekent dat hoewel er een LH en FSH piek is, er geen eicel vrijkomt (en dus geen zwangerschap mogelijk is).

Tegen het einde van de puberteit vertraagt de groei en worden de laatste tannerstadia bereikt. 95% van alle pubers hebben dit stadium bereikt bij de leeftijd van 17-18 jaar.[6]

Bij jongens[bewerken]

De tannerstadia bij jongens.

Het eerste teken van de puberteit bij jongens is vaak het groter worden van de zaadballen. De lengte wordt groter dan 2,5 cm (de bijbal niet meegerekend), dit komt overeen met een volume van ongeveer 4 mL. De groei is voornamelijk te wijten aan de ontwikkeling van de zaadbuisjes. Dit gebeurt onder invloed van FSH. Een klein deel van de groei ontstaat door toename van Leydigcellen, onder invloed van LH. De huid van het scrotum wordt ook dunner en meer gepigmenteerd. Groei van de penis volgt pas na het groter worden van de testikels. In tannerstadium 3 vindt lengtegroei van de penis plaats. In het vierde stadium groeit de penis verder in de lengte en wordt ook dikker. De zaadballen nemen ook toe in volume. Vervolgens bereiken de zaadballen een volwassen volume (12-25 mL) en de penis een volwassen grootte (12-17 cm in lengte, 10-13 cm in omtrek)[1][7]

De groei van schaamhaar ontstaat door zowel adrenerge als testiculaire afscheiding van androgenen. Dit wordt apart gestadiëerd van de ontwikkeling van de geslachtsorganen. De ontwikkeling van schaamhaar begint meestal met donzig, ongepigmenteerd haar bij de basis van de penis. Het haar wordt hierna dikker en wordt donkerder. Het breidt zich uit in een driehoekige vorm. Uiteindelijk groeit het schaamhaar door naar de binnenkant van de benen en bij de meeste mannen door tot op de buik (meestal tot aan de navel).

Ook op andere plaatsen op het lichaam vindt haargroei plaats onder invloed van androgenen. Dit is meestal op het gezicht (baardgroei), oksels, benen. Bij sommige mannen vindt ook prominente haargroei op de borst, rug en billen plaats.

Op ongeveer 13-jarige leeftijd vindt de spermarche plaats. Op deze leeftijd zijn dan spermacellen te vinden in de ochtendurine. Dit komt meestal overeen met een tannerstadium van 3/4 van de genitaliën en 2-4 van schaamhaar. Aanwezigheid van spermacellen in de urine (spermaturie) komt met name in de vroege puberteit voor. In de latere fasen van de puberteit begint het optreden van ejaculaties. Orgasmes zijn hiervoor wel mogelijk, maar leiden niet tot ejaculatie. In deze fase is het optreden van een ejaculatie nodig om spermacellen in de urine te kunnen vinden. In het begin zijn de spermacellen meestal niet beweeglijk en blijven kort in leven. Ze zijn dus nog niet in staat om een eicel te kunnen bevruchten. Na een aantal maanden treedt er rijping op van de zaadcellen waardoor deze wel in staat zijn om een eicel te kunnen bevruchten.[7]

Een verandering die samengaat met een toegenomen productie van testosteron is de toename van het groeihormoon. Samen zorgen deze hormonen voor toename van de lichaamslengte. Prepubertaal bedraagt deze 4-6 cm per jaar en in de puberteit neemt dit toe tot wel 10-15 cm per jaar. Deze groei vindt plaats gedurende ongeveer 4 jaar. De groei stopt uiteindelijk door het sluiten van de groeischijven onder invloed van oestrogenen.[4]

Andere veranderingen die optreden onder invloed van testosteron zijn [7]:

  • Groei van de prostaat, zaadblaasjes en bijbal.
  • Vergroting van de larynx en dikker worden van de stembanden, met als gevolg het zwaarder worden van de stem.
  • Toegenomen spiermassa (onder invloed van testosteron) en toegenomen hematocriet
  • Verhoogd libido

Psychische veranderingen[bewerken]

Tijdens de puberteit ontstaat progressieve individualisatie en onafhankelijkheid van het gezin. In deze periode wordt de identiteit ontwikkeld, een carrière gekozen en individuele krachten en zwaktes bepaald. De ontwikkeling wordt vaak in drie fases verdeeld. De vroege puberteit is van ongeveer 10-13 jaar. Het midden van de puberteit is ongeveer 14-16. De late puberteit is ongeveer vanaf 17 jaar.

Vroege puberteit[bewerken]

De vroege puberteit wordt gekenmerkt door snelle groei en ontwikkeling van secundaire geslachtskenmerken. Het beeld van het eigen lichaam en zelfvertrouwen fluctueren heel erg. Verschillen in groei met vrienden kunnen groot zijn, zoals jongens die nog klein zijn en meisjes met nog geen borstontwikkeling of menarche. Er is ook een nieuwsgierigheid naar seksualiteit, maar jonge pubers voelen zich op hun gemak bij mensen van hetzelfde geslacht. Vriendschappen worden steeds belangrijker. In deze periode is het denken nog concreet en de gevolgen van hun handelingen en de toekomst kunnen niet makkelijk worden ingeschat. Plannen voor de toekomst zijn nog vaag en onrealistisch zoals een filmster of een grote popzanger worden.

Midden van puberteit[bewerken]

In deze periode neemt de snelheid van de lichamelijk groei af. Pubers voelen zich meer op hun gemak met hun lichaam. Er komen intense emoties voor en er zijn veel stemmingswisselingen. Sommige tieners kunnen relatief makkelijk door deze periode heen komen, terwijl anderen hier meer moeite mee hebben.

Op cognitief gebied begint de overgang van concreet naar abstract denken. Hiermee gaan gevoelens van onoverwinnelijkheid en grootheid gepaard. Er wordt gedacht dat de wereld veranderd kan worden door er slechts over te denken. Seksueel actieve tieners denken dat ze geen anticonceptie nodig hebben, omdat ze "toch niet zwanger kunnen raken". Met het begin van abstract denken beginnen tieners zich te zien zoals anderen hen zien. Hierdoor worden ze egocentrisch. Er wordt vaak geëxperimenteerd met het uiterlijk.

De seksualiteit neemt ook toe en er kunnen relaties ontstaan. Er wordt een begin gemaakt met experimenteren met seks. De relaties zijn vaak eenzijdig en narcistisch.

De standaard voor identificatie, gedrag, activiteiten, kleding, emotionele ondersteuning en medeleven wordt bepaald door de vriendengroep. Er vindt ook een toenemende worsteling plaats om onafhankelijkheid en autonomie. Dit is vaak een stressvolle tijd voor zowel de tieners als hun ouders.

Late puberteit[bewerken]

Tijdens de late puberteit neemt het egocentrisme af en wordt meer rekening gehouden met anderen. Sociale relaties verschuiven van de vriendengroep naar het individu. Relaties worden ook intiemer en serieuzer. In de derde klas van de middelbare school heeft 40% van de pubers seks gehad. Dit percentage stijgt naar ongeveer 60% na de vijfde klas.

Door het abstracte denken ontstaan realistische plannen voor de toekomst. Dit is een periode van idealisme. Adolescenten hebben vaak een uitgesproken concept van wat goed en slecht is.[2]

Verschil tussen puberteit bij jongens en meisjes[bewerken]

Hoewel de leeftijd waarop de puberteit begint per persoon verschilt, begint het bij meisjes gemiddeld 1 tot 2 jaar eerder dan bij jongens (de puberteit begint bij meisjes tussen de 9 en de 14 jaar en bij jongens van 10-17 jaar). Ook verloopt de ontwikkeling bij meisjes sneller.[8] Meisjes bereiken hun volwassen lengte en zijn geslachtsrijp na ongeveer vier jaar na het verschijnen van de eerste secundaire geslachtskenmerken. Jongens daarentegen, doen er zes jaar over en groeien relatief langzamer.

Bij mannen is testosteron, een androgeen, het belangrijkste hormoon. Testosteron zorgt voor vrijwel alle mannelijke secundaire geslachtskenmerken, maar een bijproduct ervan is oestradiol. Echter, de hoeveelheid neemt later en langzamer toe dan bij meisjes. Jongens zijn ongeveer 2 cm kleiner dan meisjes voor het begin van de puberteit, maar volwassen mannen zijn gemiddeld 13 cm langer dan vrouwen. Dit verschil ontstaat door het relatief late begin en langzame ontwikkeling van jongens. Dat wordt op zijn beurt weer veroorzaakt door de langzame toename van oestradiol.

Het belangrijkste hormoon bij de ontwikkeling van meisjes is oestradiol, een oestrogeen. Oestradiol zorgt voor de groei van de borsten en de baarmoeder. Het zorgt ook voor de groei van het lichaam in het algemeen. De hoeveelheid oestradiol neemt sneller toe en bereikt hogere concentraties dan bij jongens.

Peuterpuberteit[bewerken]

Naar analogie met de 'echte' puberteit spreekt men bij peuters soms ook van een 'peuterpuberteit' wanneer ze een fase bereiken dat ze zich bewust worden van hun eigen wil. Hierdoor wordt de peuter ongezeggelijker. Dit kan leiden tot het weigeren van medewerking (bijvoorbeeld niet in het winkelwagentje willen zitten) of het blijven vragen om iets dat hij of zij graag wil (en het desnoods zelf proberen te pakken), en uiteindelijk driftbuien.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b c d Styne D. Chapter 15. Puberty. In: Gardner DG, Shoback D, eds. Greenspan’s Basic & Clinical Endocrinology. 9th ed. New York: McGraw-Hill; 2011. http://www.accessmedicine.com/content.aspx?aID=8406778. Accessed July 26, 2013.
  2. a b Sass AE, Kaplan DW. Chapter 4. Adolescence. In: Hay, Jr. WW, Levin MJ, Deterding RR, Ross JJ, Sondheimer JM, eds. CURRENT Diagnosis & Treatment: Pediatrics. 21st ed. New York: McGraw-Hill; 2012. http://www.accessmedicine.com/content.aspx?aID=56809105. Accessed July 26, 2013.
  3. Pathways to Pregnancy and Parturition, Senger, P.L (2003). Ch. 6 (p.128-143)
  4. a b c Levin ER, Hammes SR. Chapter 40. Estrogens and Progestins. In: Brunton LL, Chabner BA, Knollmann BC, eds. Goodman & Gilman's The Pharmacological Basis of Therapeutics. 12th ed. New York: McGraw-Hill; 2011. http://www.accessmedicine.com/content.aspx?aID=16673417. Accessed July 27, 2013.
  5. a b c Hall JE. Chapter 347. The Female Reproductive System, Infertility, and Contraception. In: Longo DL, Fauci AS, Kasper DL, Hauser SL, Jameson JL, Loscalzo J, eds. Harrison's Principles of Internal Medicine. 18th ed. New York: McGraw-Hill; 2012. http://www.accessmedicine.com/content.aspx?aID=9141995. Accessed July 27, 2013.
  6. Marcell, AV Chapter 12 Adolescence. In: Kliegman: Nelson Textbook of Pediatrics, 18th ed. Saunders; 2007.
  7. a b c Molina PE. Chapter 8. Male Reproductive System. In: Molina PE, ed. Endocrine Physiology. 4th ed. New York: McGraw-Hill; 2013. http://www.accessmedicine.com/content.aspx?aID=57307916. Accessed July 26, 2013.
  8. Marshall (1986), blz. 176–7