Britse Rijk

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Geschiedenis van de Britse Eilanden

Stonehenge Closeup.jpg



Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis
Portaal  Portaalicoon  Verenigd Koninkrijk

Het Britse Rijk was het grootste imperium aller tijden. Het Rijk omvatte op zijn hoogtepunt, kort na de Eerste Wereldoorlog, een bevolking van 458 miljoen mensen, een kwart van de toenmalige wereldbevolking. Met zijn bijna 31 miljoen km² strekte het zich uit over ongeveer een kwart van het landoppervlak. Aan het hoofd van het Britse Rijk stond de koning van Groot-Brittannië.

Het Britse Rijk werd samengevoegd tijdens 300 jaar uitbreiding door middel van handel, kolonisatie en annexatie. Het Rijk omvatte gebieden op elk continent en in elke oceaan. Tussen 1890 en 1910 bereikte het zijn hoogtepunt qua macht, en rond 1921 qua oppervlakte.

Het Rijk vergemakkelijkte de verspreiding van Britse technologie, handel, regeringsvormen en de Engelse taal in de wereld. Imperialistische overheersing hielp de Britse economische groei, en maakte van het land de invloedrijkste natie ter wereld. In het moederland werd ondertussen de parlementaire democratische structuur verder ontwikkeld.

De overheerste kolonies kregen het Engels als taal en een Brits bestuursapparaat opgelegd. Tijdens de dekolonisatie probeerde het Verenigd Koninkrijk van deze landen democratieën te maken, met wisselend succes. Bijna alle vroegere Britse kolonies hebben zich nadien aangesloten bij het Britse Gemenebest, de organisatie die de culturele erfenis van het Rijk beheert.

Het Britse koloniale beleid werd bepaald door Britse handelsbelangen. Terwijl sommige landen hun eigen economie uitbouwden, dienden andere gebieden enkel om grondstoffen op te brengen. Het Rijk werd bijeengehouden door een handige politiek volgens de aloude principes van het verdelen en heersen, gecombineerd met het afhankelijk houden van de koloniale economieën van investeringen en materialen uit het moederland. Deze strategieën zorgden echter voor interculturele conflicten (in Ierland, India, Zimbabwe, Soedan, Oeganda, Irak, Guyana, Fiji, ... ) en economische problemen die nog altijd voelbaar zijn.

Het Britse Rijk in 1921.
Animatie die de groei en het verval van het Britse Rijk laat zien.

Engels kolonialisme[bewerken]

Koningin Elizabeth I, gekroond in 1558.

Expansie in de Britse Eilanden en Frankrijk[bewerken]

Na de overwinning door Willem de Veroveraar in 1066 werd Engeland geregeerd door een vorst die ook aanzienlijke bezittingen in het westen van Frankrijk had. Dit leidde tot inmenging in Franse binnenlandse aangelegenheden en zelfs tot een Honderdjarige Oorlog, van het midden van de 14e tot het midden van de 15e eeuw, omdat de koning van Engeland zich opwierp als koning van Frankrijk. Tegen het einde van de 14e eeuw was de buitenlandse handel, oorspronkelijk gebaseerd op uitvoer van wol naar Europa, uitgegroeid tot een hoeksteen van het nationale beleid. Pas in 1558 zou de Engelse kroon haar laatste bezitting op het vasteland van Frankrijk, Calais, kwijtraken. De Kanaaleilanden voor de Franse kust zijn altijd Engels, respectievelijk Brits kroondomein gebleven.

De Middeleeuwen kenmerkten het begin van de Engelse politieke uitbreiding op de Britse Eilanden, te beginnen bij de overwinning van Wales (1282) en Ierland (1169). Een Engelse triomf in Schotland in 1296 werd ongedaan gemaakt tijdens de Slag om Bannockburn in 1314. In 1603 kwam er een personele unie tussen de koninkrijken Engeland en Schotland. In 1707 ontstond het Verenigd Koninkrijk.

Begin van Britse overzeese handel[bewerken]

Onder koning Hendrik VII van Engeland, die van 1485 tot 1509 regeerde, werd het overzeese handelssysteem van Engeland opgebouwd, dat later zou uitgroeien tot het overzeese koloniale Britse Rijk. Hendrik bouwde ook het eerste droogdok, in Portsmouth, en verbeterde de kleine Engelse marine.

Hendrik VIII en de Royal Navy[bewerken]

De zeemacht, die opgericht was onder Hendrik VII, werd uitgebreid onder Hendrik VIII van Engeland. Hij verdrievoudigde het aantal oorlogsschepen, en bouwde de eerste grote schepen met zware langeafstandskanonnen. Hij bouwde een netwerk van vuurtorens en bakens die kustvaart vergemakkelijkten, en bouwde verschillende nieuwe dokken.

Onder Elizabeth I[bewerken]

Tijdens de regeerperiode van Elizabeth I van Engeland, koningin van 1558 tot 1603, zeilde Sir Francis Drake de wereld rond tussen 1577 en 1580, als tweede na de Portugees Ferdinand Magellaan. Hij legde ergens in Californië aan, en stichtte Nova Albion (Nieuw Engeland), hoewel dit stuk land niet werd gekoloniseerd. Humphrey Gilbert volgde, bereikte Newfoundland in 1583 en claimde het eiland voor Engeland, maar stichtte geen kolonie. Sir Walter Raleigh stichtte in 1585 de eerste kolonie op Roanoke Island in het huidige North Carolina (V.S.), mede wegens felle conflicten met de inheemse bevolking bliezen de Engelsen het volgende jaar al weer de aftocht. In 1587 probeerde Walter Raleigh er opnieuw een kolonie, bij een eerstvolgend bezoek daar van Raleigh vier jaar later bleken alle kolonisten raadselachtig verdwenen te zijn.

De Stuarts[bewerken]

De Spaans-Engelse Oorlog (1585-1604) brak uit vanwege godsdienstige tegenstellingen tussen het protestantse Engeland en het katholieke Spanje, dat toen op het hoogtepunt van zijn macht was en al een groot koloniaal rijk had. De overwinning op de Spaanse Armada in 1588 zette Engeland op de kaart als maritieme mogendheid. Tijdens het bewind van Elizabeth I werden echter nog geen blijvende successen geboekt met het stichten van koloniën. Pas in 1604 sloot koning Jacobus I van Engeland het Verdrag van Londen, waardoor de vijandelijkheden met Spanje beëindigd werden. De eerste permanente Engelse nederzetting buiten Europa werd in 1607 opgericht in Jamestown, in Virginia. In 1707 werden de parlementen van Engeland en Schotland verenigd in Londen als het parlement van Groot-Brittannië.

Kolonisatie van het Amerikaanse continent[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook Britse kolonisatie van Noord-Amerika

Het Britse Rijk begon serieuze vormen aan te nemen vanaf het begin van de 17e eeuw, met 13 koloniën in Noord-Amerika, die later de Verenigde Staten zouden vormen. Ook in Canada bezat Engeland gebieden, en in de Caraïben werden veel eilanden en eilandjes zoals Jamaica en Barbados gekoloniseerd.

Na de Engels-Nederlandse Oorlogen en de kroning van de Nederlandse stadhouder Willem III van Oranje tot tevens koning Willem III van Engeland (1688) was de koloniale concurrent van Engeland, de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden grotendeels uit de weg geruimd. Engeland kon Nieuw-Amsterdam bemachtigen, en de Amerikaanse kolonies werden steeds meer naar het westen uitgebreid. Tijdens de Zevenjarige Oorlog konden de Britten de Fransen overwinnen, en konden Nieuw-Frankrijk in 1760 bemachtigen. Hierna hadden de Britten controle over bijna heel Noord-Amerika, met uitzondering van Québec.

De kolonisatie van Australië volgde vanaf 1788, en Nieuw-Zeeland kwam onder de Britse kroon in 1840. Deze landen trokken enorme aantallen kolonisten aan, en de oorspronkelijke bevolking werd verdrongen. Door oorlogen en ziekten die voor de aankomst van de kolonisten niet voorkwamen, stierf op sommige plaatsen 60-70% van de oorspronkelijke bewoners. Zowel Australië als Nieuw-Zeeland werden zelf-regerende kolonies, en later dominions van het Britse Rijk.

Vrije handel en het "informele rijk"[bewerken]

Het oude Britse koloniale systeem begon achteruit te gaan vanaf de 18e eeuw na een lange periode van Whig Party-dominantie in de Britse politiek. Het Rijk werd minder belangrijk geacht, en werd dus ook minder onderhouden. Toen het thuisland ook nog eens belastingen invoerde in zijn Amerikaanse kolonies scheurden deze zich af in de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog (1775-1783).

De onafhankelijkheid van de kolonies wordt vaak het einde van het eerste Britse Rijk genoemd. Na deze eerste periode van kolonialisme verschoof de aandacht naar Azië en later Afrika. Het verlies van de Verenigde Staten toonde trouwens aan dat kolonies op economisch vlak niet altijd zo'n zegen waren. Groot-Brittannië had nog altijd een monopolie op de handel met zijn ex-kolonies, maar hoefde niet meer te betalen voor de verdediging en het bestuur van deze gebieden.

Mercantilisme, de bescherming van de economie door de staat die de eerste periode van koloniale expansie kenmerkte (bijvoorbeeld de Engelse Scheepvaartwetten) werd langzaamaan vervangen door het economische liberalisme ontwikkeld door Adam Smith en opvolgers zoals Richard Cobden.

De lessen die Groot-Brittannië had geleerd na het verlies van de Verenigde Staten, dat zelfs ex-kolonies nog altijd op economisch vlak erg waardevol zijn, droeg bij tot het toekennen van een eigen regering aan Canada en Australië (zie dominion) tussen 1840 en 1860. De bewoners van deze gebieden, die meestal van Europese afkomst waren, werden gezien als voorposten van het moederland. Ierland werd anders behandeld, en werd geïntegreerd in het Verenigd Koninkrijk in 1801.

Tijdens deze periode roeiden de Britten ook de slavenhandel uit (vanaf 1807), en ze begonnen dit principe aan andere landen op te dringen. Tegen 1850 had het Verenigd Koninkrijk de slavenhandel grotendeels opgeruimd. Slavernij zelf werd in de Britse kolonies afgeschaft in 1834, hoewel gedwongen arbeid en de slechte omstandigheden die daarbij gepaard gingen officieus bleven bestaan tot 1920.

Het einde van het oude koloniale systeem en slavernij werd aangevuld met het aannemen van de vrije handel, waardoor oude wetten zoals de Engelse Scheepvaartwetten in de jaren 1840 werden afgeschaft.

Sommigen beweren dat de opkomst van de vrije handel enkel de Britse economische belangen diende, en niet voortkwam uit oprechte overtuigingen. Het Verenigd Koninkrijk was dan ook veel meer geneigd om vrije handel op te dringen aan andere landen, dan deze toe te passen op zijn eigen markten. Na de val van Napoleon in 1815 was het Verenigd Koninkrijk de succesvolste internationale macht. De Industriële revolutie zorgde voor een ongeëvenaarde economische positie, terwijl de zeeën gedomineerd werden door de Royal Navy. Terwijl rivaliserende machten werden afgeleid door zaken op het vasteland kon het geïsoleerde Verenigd Koninkrijk zich volledig toeleggen op het uitbreiden van zijn economische en politieke invloed door de tactiek van het informele rijk, gebaseerd op vrije handel en strategische inmengingen.

Tussen het Congres van Wenen van 1815 en de Frans-Duitse Oorlog van 1870 was het Verenigd Koninkrijk de enige volledig geïndustrialiseerde macht in de wereld. Zijn industrie produceerde meer dan 30% van de totale wereldproductie. Als de fabriek van de wereld kon het Verenigd Koninkrijk producten zo goedkoop fabriceren, dat ze in het buitenland vaak goedkoper waren dan de producten uit dat land zelf.

Britse Rijk in 1897

Imperialisme in Azië[bewerken]

De overwinning van de Britse Oost-Indische Compagnie in de Slag bij Plassey in 1757 opende het gebied Bengalen aan de Britse regering. Rond 1800 regeerde de Compagnie ongeveer heel India. Na de Muiterij van Sepoy in 1857 werden de gebieden in 1858 rechtstreeks onder de Britse kroon gebracht. Koningin Victoria werd in 1876 ook tot Keizerin van India uitgeroepen.

Ceylon (nu Sri Lanka), een vroegere Nederlandse kolonie, werd opgeëist door de Britten. Birma werd eveneens toegevoegd aan het Britse Rijk. Ook Maleisië, en vanaf 1841, na de Eerste Opiumoorlog, Hongkong werden Britse gebieden.

Britse interesse in China werd opgewekt aan het einde van de 18e eeuw, toen het Verenigd Koninkrijk een grote importeur van thee werd. Deze handel zorgde voor een bilateraal handelstekort, dat het Verenigd Koninkrijk trachtte op te lossen door opium van India naar China te exporteren, hoewel de Chinezen hiertegen protesteerden. Dit leidde tot de Opiumoorlogen, waarin het Verenigd Koninkrijk China twee zware nederlagen toebracht.

Na de Opiumoorlogen had het Verenigd Koninkrijk een complexe relatie met China. Het land had Hongkong geannexeerd, en de meeste handel met China was geregeld door verdragen. Daarom was het Verenigd Koninkrijk dan ook gesteld op het behouden van de Chinese staat, aangezien het verdwijnen van China gebiedsuitbreiding door andere landen zou toestaan.

Anderzijds was het Verenigd Koninkrijk ook tegen een te sterke Chinese staat, die zijn verdragen met het moederland zou kunnen veranderen of opzeggen. Soms hielpen de Britten dus de Chinese leiders opstanden te onderdrukken, en soms voerden ze oorlogen met dezelfde leiders.

Ineenstorting van de Pax Britannica[bewerken]

Het Verenigd Koninkrijk was het eerste geïndustrialiseerde land ter wereld, en bezat enorme gebieden als afzetmarkten of als leveranciers voor goedkope ruwe grondstoffen. Deze situatie begon echter om te slaan tijdens de 19e eeuw, toen andere landen eveneens begonnen te industrialiseren. Tegen 1870 had de Britse industrie voor het eerst echte concurrenten.

Industrialisatie verliep snel in Duitsland, België en de Verenigde Staten, waardoor ze de oude Britse en Franse kapitalisten konden overschaduwen. De Duitse textielfabrieken en metaalindustrie waren bijvoorbeeld in 1870 geavanceerder dan hun Britse tegenhangers.

Hoewel banken, verzekeringen en transportindustrie de Britse economie op peil konden houden, was haar aandeel van een kwart in 1880 teruggevallen tot een zesde in 1913. Het Verenigd Koninkrijk was niet alleen de markt aan het verliezen in nieuwe geïndustrialiseerde landen, maar begon ook zijn alleenrecht op handel met India, China, Latijns-Amerika en de Afrikaanse kusten te verliezen.

Tijdens de depressie van 1873 tot 1896 leed de Britse economie zwaar, waardoor de regering gedwongen werd om haar eigen industrie te promoten. Het land gaf de vrije handel, een Britse uitvinding, op.

Het Verenigd Koninkrijk en het nieuwe imperialisme[bewerken]

Benjamin Disraeli en Koningin Victoria.

De ideologie van de Europese koloniale expansie tussen 1870 en de Eerste Wereldoorlog wordt vaak het nieuwe imperialisme genoemd. De periode wordt gekenmerkt door een nooit eerder gezien streven naar een rijk omwille van een rijk, agressieve wedijver naar overzeese gebieden, en het ontwaken van gedachten over raciale superioriteit.

Tijdens deze periode voegden de Europese landen zo'n 23 miljoen km² toe aan hun koloniale bezittingen. Afrika werd het doelwit van deze nieuwe imperialistische golf. Ook in andere gebieden, zoals Zuidoost-Azië en Oost-Azië, begon een race naar nieuw gebied, waar ook de Verenigde Staten en Japan een rol begonnen te spelen.

De Britse intrede in dit nieuwe tijdperk wordt meestal geplaatst in 1875, toen de conservatieve regering van Benjamin Disraeli de aandelen in het Suezkanaal overnam van de Egyptische leiders om haar eigen belangen in deze strategische waterweg veilig te stellen. Engels-Franse financiële controle over Egypte eindigde in 1882, toen Egypte een Britse kolonie werd.

Het Verenigd Koninkrijk nam ook Cyprus in, uit angst voor zuidwaartse Russische uitbreiding. Cyprus zou een basis worden tegen een mogelijke Russische aanval op het Ottomaanse Rijk, die tijdens de Krimoorlog van 1854 tot 1856 al had plaatsgevonden. Als voorzorgsmaatregel viel het Verenigd Koninkrijk eveneens Afghanistan binnen, hoewel het gebied na drie bloederige en onsuccesvolle oorlogen nog altijd niet was overwonnen, voornamelijk dankzij Russische steun. Tijdens de Eerste Engels-Afghaanse Oorlog werd een volledig Brits leger in de pan gehakt door Pashtun-stammen gesteund door Rusland, toen de troepen terugtrokken uit Kaboel in 1842. De Tweede Engels-Afghaanse Oorlog leidde tot de Britse verliezen bij Maiwand in 1880, de bezetting van Kaboel, en de Britse terugtrekking naar India. Dit strategische spel eindigde met de Britse veldtocht in Tibet van 1903 tot 1904 die veel slachtoffers eiste. De Derde Engels-Afghaanse Oorlog van 1919 deed de Britten zich permanent terugtrekken uit de nieuwe Afghaanse staat.

Op hetzelfde moment begonnen Britse machtige industriële lobby's en regeringsleiders, later geïdentificeerd door Joseph Chamberlain, een zo groot mogelijk rijk als een voorwaarde voor Britse overleving te zien. Moderne historici zien het Britse nieuwe imperialisme dan ook als een effect van de verminderende Britse invloed in de wereld, in plaats van de sterkte ervan.

Het Verenigd Koninkrijk en zijn stormloop op Afrika[bewerken]

Cecil Rhodes ijverde voor een rijk van Kaap tot Caïro.

In 1875 waren de twee belangrijkste Europese bezittingen in Afrika Algerije en de Kaapkolonie. Tegen 1914 waren enkel Ethiopië (zonder Eritrea) en Liberia geen kolonies. De overgang van een informeel rijk van economische dominantie naar rechtstreekse controle nam de vorm aan van een stormloop naar gebied.

De Franse, Belgische en Portugese activiteit in het Congobekken bedreigde de geordende doordringing tot tropisch Afrika. Het Congres van Berlijn (1878) trachtte een regeling te vinden tussen de grootmachten, om effectieve bezetting van een gebied te zien als een criteria voor internationale erkenning van een territoriale aanspraak.

De Britse bezetting van Egypte in 1882 leidde tot het zoeken naar controle over de gehele Nijlvallei, wat weer leidde tot het naasten van het aangrenzende Soedan van 1896-1898. Dit leidde tot een confrontatie met het Franse leger bij Fashoda, in september 1898.

In 1899 begon het Verenigd Koninkrijk aan een volledige overname van Zuid-Afrika. Dit begon met de annexatie van de Kaapkolonie, die daarvoor een Nederlandse kolonie was. Vanaf 1880 tot uiteindelijk in 1902 was het Verenigd Koninkrijk verwikkeld in verschillende oorlogen met de aanpalende boerenrepublieken Transvaal en Oranje Vrijstaat. Deze conflicten staan bekend als de Boerenoorlogen.

De nieuwe Britse gebieden in zuid- en oost-Afrika zetten Cecil Rhodes en Alfred Milner aan om te ijveren voor een rijk van Kaap tot Caïro. Duits-Oost-Afrika verijdelde dit echter, tot de uitbraak van de Eerste Wereldoorlog.

Tussen 1885 en 1914 had het Verenigd Koninkrijk zo'n 30% van de Afrikaanse bevolking onder zich, tegenover 15% voor Frankrijk, 9% voor Duitsland, 7% voor België en 1% voor Italië.

Zelfbestuur in blanke kolonies[bewerken]

Het Britse Rijk begon zichzelf vanaf 1887 al om te vormen in het moderne Britse Gemenebest, wanneer na de Canadese Confederatie het nieuwe Canada, de nieuw opgerichte Unie van Zuid-Afrika, Australië en Nieuw-Zeeland een status van dominion verkregen.

De buitenlandse zaken van de dominions werden nog steeds door het Verenigd Koninkrijk bepaald. De Britse oorlogsverklaring aan het begin van de Eerste Wereldoorlog gold dan ook voor alle dominions. Deze dominions hadden echter een aanzienlijke vrijheid op vlak van buitenlandse zaken wanneer dit niet expliciet in conflict kwam met Britse belangen.

Op het vlak van verdediging bleek de oorspronkelijke regeling met de dominions onwerkbaar. Het was oorspronkelijk beslist dat ook de dominions zouden bijdragen aan één enkel militair apparaat. Toen het Verenigd Koninkrijk echter tegenover een nieuwe Duitse vloot kwam te staan, vanaf 1900, werd in 1909 besloten dat de dominions hun eigen vloten moesten hebben.

De impact van de Eerste Wereldoorlog[bewerken]

De nasleep van de Eerste Wereldoorlog bracht het Britse Rijk zijn laatste gebiedsuitbreiding, toen het land mandaatgebieden kreeg van de Volkerenbond in Palestina en Irak na de ineenstorting van het Ottomaanse Rijk. De vroegere Duitse kolonies Duits-Oost-Afrika, Duits-Zuidwest-Afrika en Nieuw-Guinea kwamen ook onder Brits bestuur te staan, via de dominions. Voormalig Duits Zuidwest-Afrika werd geregeerd door Zuid-Afrika, en Nieuw-Guinea door Australië. De Britse bezettingszone in Duitsland maakte geen deel uit van het Rijk.

Hoewel het Verenigd Koninkrijk de oorlog beëindigde als een van de overwinnaars, en hoewel de oppervlakte ervan aanzienlijk was uitgebreid, ondermijnden de zware kosten van de oorlog tegelijkertijd het onderhoud van dit enorme rijk. De Britten hadden enorme verliezen geleden, zowel qua manschappen als qua economische middelen, en de verre kolonies in Azië en Afrika raakten onderbemand. Nationalisme kwam de kop opsteken in zowel oude als nieuwe gebieden, en veel kleurlingen wilden wraak nemen voor de discriminatie die ze hadden moeten ondergaan tijdens hun dienst voor het Rijk.

Tijdens de jaren 1920 veranderde de status van de dominions enorm. Hoewel de dominions geen formele stem hadden gehad in de oorlogsverklaring van 1914, werd elk dominion apart opgenomen in de Vrede van Versailles, die onderhandeld was door een Britse delegatie. In 1922 leidde de aarzeling van de dominions om deel te nemen aan een militaire operatie tegen Turkije tot een compromis.

Volledige onafhankelijkheid van de dominions werd geregeld in 1931, met het Statuut van Westminster. Elk dominion was vanaf nu gelijk in status met het Verenigd Koninkrijk zelf, zowel qua legislatieve materie als internationale relaties. Canada was het eerste dominion dat een internationaal verdrag onafhankelijk afsloot, in 1923. Australië volgde in 1940.

De Ierse Vrijstaat, dat een dominion werd in 1921, scheidde zijn formele grondwettelijke band met de kroon in 1937, waarmee de Ierse Republiek was geboren. Het land trad officieel uit het Gemenebest in 1949. Egypte, dat formeel onafhankelijk was vanaf 1922, maar omwille van een verdrag en een partiële bezetting tot 1956 toch gebonden bleef aan het Verenigd Koninkrijk, beëindigde ook alle grondwettelijke banden met het Verenigd Koninkrijk. Irak, dat een Brits protectoraat werd in 1922, werd eveneens compleet onafhankelijk in 1932.

Dekolonisatie[bewerken]

M.K. Gandhi was een leider van de Indiase onafhankelijkheidsbeweging.

Na de Tweede Wereldoorlog was het Britse Rijk vooral geconcentreerd op zaken die zich dichter bij huis afspeelden. Daarom was het Rijk niet voorbereid op de opkomst van anti-koloniale nationalistische bewegingen in zijn kolonies. Eerst India, en later kolonies in de rest van Azië en Afrika begonnen hun onafhankelijkheid te eisen. Na enkele rampzalige pogingen om de kolonies te behouden besloot men uiteindelijk dat het Britse Rijk zou worden omgevormd tot het hedendaagse Britse Gemenebest.

De economische crisis van 1947 deed de linkse regering van Clement Attlee haar standpunt over de Britse werelddominantie herzien. Het land aanvaardde het strategische overwicht van de Verenigde Staten en begon een nogal vreemde relatie met West-Europa, die nog altijd niet is opgelost.

De Britse oorlogsverklaring aan Duitsland in 1939 was niet bindend voor de dominions, buiten Australië, die het Statuut van Westminster nog niet aanvaard hadden. De andere dominions verklaarden op zichzelf de oorlog, behalve Ierland, dat het jaar daarvoor alle Britse troepen van zijn gebied had laten terugtrekken, en dat besloot om neutraal te blijven, wat het de hele oorlog deed.

De Tweede Wereldoorlog verzwakte de commerciële en financiële leidingspositie van het Verenigd Koninkrijk, en versterkte de afhankelijkheid van het land van zijn dominions en de Verenigde Staten. De Australische eerste minister John Curtin besloot bijvoorbeeld om in 1942 de Australische troepen die bestemd waren voor de verdediging van de Britse kolonie Birma terug te trekken en in te zetten om zijn eigen land te verdedigen. Dit was een teken aan de wand dat de dominions niet langer hun eigen belangen zouden onderschikken aan die van het moederland.

Na de oorlog, in 1951, sloten Australië en Nieuw-Zeeland het ANZUS-verdrag met de Verenigde Staten, dat bleef gelden tot 1985. De handelsbanden tussen het Verenigd Koninkrijk en de dominions begonnen te verzwakken nadat het land een lid werd van de Europese Gemeenschap in 1973.

In de Caraïben, Afrika, Azië en de Grote Oceaan kwam de dekolonisatie toen op gang, aangezien het Verenigd Koninkrijk geen conflict met de nationalistische bewegingen kon of wilde aangaan. De vernederende Suezcrisis in 1956, waarin de Verenigde Staten Engels-Franse inmenging in Egypte afkapte, toonde de verzwakte positie van het Verenigd Koninkrijk.

De onafhankelijkheid van India in 1947 betekende het einde van een 40 jaar durende nationalistische strijd. Het land deelde zich uiteindelijk wel in India en Pakistan, nadat burgeroorlogen honderdduizenden levens hadden gekost. Het aanvaarden van India als een republiek in 1949 wordt gezien als het begin van het moderne Gemenebest.

Birma werd onafhankelijk buiten het Gemenebest in 1948, Ceylon (1948) en Maleisië (1957) binnen. Het Britse Palestijnse mandaat werd beëindigd in 1957, en een guerrillaoorlog van Griekse nationalisten dwong de Britten Cyprus onafhankelijk te maken in 1960.

Dekolonisatie van de Britse gebieden in Afrika.

Het Britse Rijk stortte in een enorm tempo ineen in Afrika, waardoor veel landen slecht voorbereid waren op de uitdagingen van onafhankelijkheid. Ghana's onafhankelijkheid in 1957 werd gevolgd door die van Nigeria (1960), Sierra Leone en Tanganyika (1961), Oeganda (1962), Kenia en Zanzibar (1963), Gambia (1965), Botswana en Lesotho (1966), en Swaziland (1968).

Britse terugtrekking uit de zuidelijke en oostelijke delen van Afrika werd bemoeilijkt door de blanke bevolking in die landen. Onafhankelijkheidsbewegingen in Kenia hadden al het leven gekost aan tientallen blanke grondbezitters. Blanke dominantie in Zuid-Afrika leidde uiteindelijk tot de apartheid, vanaf 1948 ook in wettelijke gedaante. Protesten hiertegen leidden in 1961 tot het uittreden van Zuid-Afrika uit het Gemenebest; in 1994, dus in het jaar van de eerste multi-raciale verkiezingen na de afschaffing van de apartheid, werd het weer lid.

De door blanken gedomineerde Federatie van Rhodesië en Nyasaland werd beëindigd door de onafhankelijkheid van Malawi en Zambia in 1964. Zuid-Rhodesië verklaarde zich in 1965 eenzijdig onafhankelijk als Rhodesië met een blank minderheidsregime, om daarmee een zwart meerderheidsbewind te voorkomen. Steun van de Zuid-Afrikaanse regering hield het Rhodesische regime staande tot 1979, toen het overging in het hedendaagse Zimbabwe.

Het grootste deel van de Britse Caraïbische gebieden werd apart afhankelijk na het uiteenvallen van de West-Indische Federatie (1958-1962): Jamaica en Trinidad en Tobago (1962) werden gevolgd door Barbados (1966) en de kleinere eilanden van de oostelijke Caraïben (1970-1990). Britse afhankelijke gebieden ondergingen een gelijkaardig dekolonisatie-proces. Aan het einde van de Britse 99 jaar durende leen van de 'New Territories' bij Hongkong, werden die samen met Hongkong teruggegeven aan China in 1997.

Omvang[bewerken]

Op het hoogtepunt van zijn omvang in 1921 bestond het Britse Rijk uit de volgende gebieden: (in vet gedrukt thans (2013) nog Britse overzeese gebieden)

Afrika[bewerken]

Amerika en de Atlantische Oceaan[bewerken]

Antarctica[bewerken]

Azië[bewerken]

Europa[bewerken]

Grote Oceaan[bewerken]

Britse gebieden verloren vóór 1921[bewerken]