Trans-Atlantische slavenhandel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De trans-Atlantische slavenhandel was de handel in slaven uit Afrika naar Amerika. Het is de grootste gedwongen migratie uit de geschiedenis en daarmee door de Verenigde Naties verklaard tot misdaad tegen de menselijkheid. Het was de middenpassage van de driehoekshandel en speelde zich af tussen 1525 en 1867, waarbij het hoogtepunt lag in de achttiende eeuw en de eerste helft van de negentiende eeuw.

De Atlantische slavenhandel ontstond niet uit het niets. Gedurende de vijftiende en zestiende eeuw ontstonden zowel de behoefte aan deze gedwongen arbeid als de voorwaarden om deze grootste deportatie van mensen uit de geschiedenis mogelijk te maken. De behoefte ontstond door de groeiende welvaart in Europa waardoor de consumptie van luxegoederen begon te stijgen. Dit vergde de productiefactoren land, arbeid en kapitaal. Hierbij golden de nodige beperkende factoren waardoor de productie niet in Europa met behulp van vrije arbeid uitgevoerd werd. Onder meer belangrijke verbeteringen op het gebied van scheepsbouw en zeevaartkunde maakte het mogelijk om deze beperkingen op te heffen.

In de late vijftiende eeuw en de zestiende eeuw betrof het enkele duizenden slaven per jaar. Het was echter de behoefte aan arbeid op de suiker- en tabaksplantages in Amerika die de trans-Atlantische slavenhandel deed aanzwellen tot grote proporties. Omstreeks het midden van de zeventiende eeuw, toen de suikerteelt in het Caribisch gebied goed tot ontwikkeling kwam, nam deze handel explosief toe. Tegen 1700 werden er al 50.000 slaven per jaar getransporteerd.

De gevolgen waren enorm. De opbrengsten brachten Europa een verhoogde welvaart en een manier om de handelsbalans met Azië beter in evenwicht te krijgen. Dit ging echter gepaard met grote menselijke tragedies. In de loop der eeuwen werden zo'n 25 miljoen mensen tot slaaf gemaakt. Velen stierven al voor zij verkocht konden worden voor transport, maar tussen de 11 en 14 miljoen werden verscheept naar Amerika, waarvan zo'n 15% kwam te overlijden tijdens de reis, een sterftecijfer dat in die tijd courant was, ook voor de Europese bemanning [1]. Niet alleen stierven miljoenen onderweg en op de plantages, maar er was ook een sterk ontwrichtend effect op de samenlevingen in Afrika.

Land[bewerken]

Het klimaat in Europa was voor de teelt van een aantal gewassen minder goed geschikt. Het tropische en subtropische Afrika voldeed om deze reden beter, maar het binnenland was met zijn tropisch bossen en parasieten lange tijd moeilijk begaanbaar, terwijl rivieren als de Kongo en de Niger voor zeeschepen moeilijk of niet begaanbaar waren. Op de rand van de woestijn waar landbouw mogelijk was, waren al staten aanwezig die te sterk waren om te koloniseren.

Een goed alternatief hiervoor waren aanvankelijk de Atlantische eilanden en later de Nieuwe Wereld. De Azteken en de Inca's waren hier de belangrijkste beschavingen. Het hart van de eerste lag in Mexico, maar de culturele invloed reikte tot aan de Mississippi. Het rijk van de Inca's strekte van het zuiden van Colombia tot het noorden van Chili en Argentinië. In deze goed georganiseerde delen van Amerika konden de Spanjaarden het gezag snel overnemen. In de gebieden daarbuiten, waar geen sprake was geweest van een centraal bestuur, was dit een veel moeizamer proces. Dit was het geval bij de Maya's in Yucatán, maar ook in Brazilië en Noord-Amerika.

Arbeid[bewerken]

Voor de grootschalige mechanisering van de industriële revolutie was men vooral aangewezen op menselijke arbeid. Het was echter vooraf geen uitgemaakte zaak dat dit slaven zouden zijn en dat deze slaven uit Afrika zouden komen.

Aanvankelijk haalde men de arbeidskrachten uit de lokale bevolking. In het gebied van de Azteken en de Inca's kon men gebruikmaken van het bestaande systeem om grote aantallen arbeidskrachten te werven en was het niet nodig om over te gaan op slavernij. Dit zou ook niet hebben gestrookt met het streven om deze bevolking te christianiseren. De Portugezen probeerden aanvankelijk wel gebruik te maken van de lokale bevolking, maar deze had weinig ervaring met landbouw en met het ontbreken van een centraal gezag bleek men daardoor niet in staat om voldoende arbeidskrachten aan te wenden. Ook was de bevolking in de hun toegewezen gebieden te klein om de plantage-economie te ondersteunen.

Daar kwam bij dat de lokale bevolking onbekend was met een aantal ziektes die een zeer verwoestend effect teweegbrachten. In de Oude Wereld waren deze veelal overgebracht door contact met gedomesticeerde kuddedieren. Ook daar had dit vele slachtoffers geëist, maar was door de eeuwen heen een bepaalde mate van immuniteit opgebouwd. Amerika kreeg nu in korte tijd te maken met een heel scala van deze ziektes, waarbij de bevolking ook nog eens een kleinere genetische variatie had. Minstens 50% en mogelijk 90% van de lokale bevolking verloor tussen 1492 en 1650 het leven, waarmee dit met de veertiende-eeuwse epidemieën in Eurazië de grootste bevolkingsramp in de geschiedenis is geweest.

Vanuit Europa was het moeilijk om arbeidskrachten richting de Nieuwe Wereld te krijgen, wat meerdere oorzaken had. Allereerst was de economische groei met minder dan 0,25% per jaar naar de huidige maatstaven weliswaar laag, maar lag aanmerkelijk hoger dan voorgaande periodes. Er was daardoor in Europa zelf een grote vraag naar arbeidskrachten waarvan het aanbod nog relatief laag was door de grote hongersnood en de Zwarte Dood van de veertiende eeuw. Zeker Portugal kon met nog geen miljoen inwoners ternauwernood zijn rijk beheersen, laat staan dat het voldoende arbeidskrachten kon leveren. Hoewel Spanje ruim zeven miljoen inwoners had, had dit een Europees rijk te verdedigen, wat steeds meer soldaten vroeg. De kansen in Europa en de gevaren van de Nieuwe Wereld maakten het, ondanks de aanwezigheid van edele metalen, dan ook weinig aantrekkelijk voor de arme bevolking om weg te trekken.

Bij onvoldoende aanbod aan vrije arbeid ging men over tot slavernij.

Slavernij[bewerken]

Zolang arbeid schaarser was dan land stimuleerde dit lijfeigenschap en slavernij. Dit was het geval tijdens de Vroege Middeleeuwen in Europa. Slaven zouden het goedkoopst zijn uit Europa, wat eerder ook het geval was geweest met de Slavische volkeren. Deze werden onder meer gebruikt door Venetië op Kreta en Cyprus om met behulp vanuit Syrië overgenomen technieken suikerrietplantages te exploiteren. De opkomst van het Ottomaanse Rijk blokkeerde echter de Slavische bronnen.

In West-Europa verdween de slavernij grotendeels gedurende de Middeleeuwen, mede door de christianisering en economische oorzaken. Rond de Middellandse Zee was dit niet het geval. Met de Arabische veroveringen was hier zelfs een toename van de slavenhandel te zien. Ook in de rest van Afrika gold dat arbeid schaars was en dat rijkdom werd afgemeten aan het aantal mensen dat men onder zich had. De slavenhandel in Afrika vond dan ook al zeker duizend jaar plaats voordat de Europeanen zich hiermee inlieten. Tot dan was deze echter van bescheiden omvang.

Men ging vrijwel niet over tot het tot slaaf maken van leden uit de eigen samenleving en in Europa werden de meeste staten te krachtig om daar op grote schaal slaven vandaan te kunnen halen. Dit gold niet voor Afrika, waar bepaalde volken andere samenlevingen makkelijker konden overheersen en tot slaaf maken. De Europeanen sloten dan ook aan bij een al zeker zes eeuwen bestaand netwerk van slavenhandel door moslimhandelaren.

Kapitaal[bewerken]

De hoge kosten van de aankoop van de slaven, de overtocht en het beteugelen van opstanden werden aanvankelijk gefinancierd met de eerste bron van inkomsten uit de Nieuwe Wereld, de goud- en zilvermijnen. In een later stadium werden hiervoor ook de inkomsten van de plantages voor gebruikt.

Opstanden[bewerken]

Slavenopstanden waren er zowel in Afrika, tijdens de reis en in Amerika. Waarschijnlijk had zo'n 10% van de reizen te maken met opstanden. Vooral op reizen uit Opper-Guinee (Senegambia, Sierra Leone en de Ivoorkust) lag het aantal opstanden hoog, zodat deze kust een relatief gering deel uitmaakte van het totaal.

In de Nieuwe Wereld waren er veel opstanden, zoals de slavenopstanden in Berbice in 1763 en door Tula op Curaçao in 1795. Over het algemeen werden deze echter neergeslagen. Alleen de Haïtiaanse Revolutie van 1791 tot 1804 was succesvol in het verdrijven van de slavenhouders. Daarnaast liepen veel slaven weg om vervolgens Marron-gemeenschappen te starten.

Moraliteit[bewerken]

De Brevísima relación uit 1552 van Las Casas. Dit werk werd in 1578 ontdekt in de Nederlanden en nog datzelfde jaar vertaald als vorm van propaganda om de Opstand te rechtvaardigen. Het versterkte de negatieve beeldvorming van de Spanjaarden, ook doordat het was geschreven door een Spaanse geestelijke. In Den spiegel der Spaensche tijrannije uit 1620 zijn gravures van De Bry toegevoegd die de Zwarte legende versterkten.

Bovenstaande zaken doen voorkomen alsof hier slechts zakelijke overwegingen speelden. Er was echter wel degelijk een besef dat men hier inging tegen menselijke waarden en normen. Motieven als winstbejag en het verzwakken van de vijand bracht dit besef echter op de achtergrond. Zo ontmoedigde de Rooms-katholieke Kerk aanvankelijk het tot slaaf maken, maar gaf met de Romanus Pontifex uit 1455 toestemming om niet-christenen tot slaaf te maken als missionaire activiteit.
De behandeling van de indianen in de Nieuwe Wereld zorgde in Spanje voor kritische geluiden, vooral door het werk van priester Las Casas die werd gesteund door de invloedrijke Cisneros. Las Casas keerde zich vooral tegen het systeem van encomienda en speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van de Nieuwe Wetten, Las Nuevas Leyes de las Indias. In 1542 werd daarmee de uitbuiting van indianen aan banden gelegd, hoewel dit het gebruik niet volledig kon uitbannen. Het kon ook niet voorkomen dat slaven op grote schaal uit Afrika werden gehaald.

In tegenstelling tot de mediterrane landen was slavernij in de Republiek, Engeland en Frankrijk vrijwel afwezig. Het was ondenkbaar dat grote groepen slaven verkocht zouden worden in Amsterdam, Londen of Nantes zoals wel gebeurd in Lissabon en Cadiz. Maar hoewel vrijheid een belangrijk begrip was in de Republiek en het misbruik van de indianen door de Spanjaarden als propaganda werd gebruikt, zagen de Nederlanders, maar ook de Engelsen en Fransen, er geen probleem in om buiten Europa in slaven te handelen en deze in te zetten op plantages.

Afschaffing[bewerken]

De weerstand tegen slavernij groeide gedurende de eeuwen en vooral in Engeland werd het abolitionisme een grote beweging. De Quakers waren de eersten die zich tegen de slavernij keerden omdat het onchristelijk zou zijn. Onder invloed van de Verlichting en het idee van de rechten van de mens breidde de beweging zich uit.

De Denen verboden de slavenhandel 1803, gevolgd door de Britten met de Slave Trade Act van 25 maart 1807. In 1808 werd er in de Verenigde Staten een verbod ingevoerd op de invoer van nieuwe slaven uit Afrika (Act Prohibiting Importation of Slaves). Verkoop van binnen de VS geboren slaven zou nog een halve eeuw lang mogelijk blijven.

Na het Engelse verbod op de slavenhandel bleef de trans-Atlantische slavenhandel toch nog enkele tientallen jaren voortduren, als een soort sluikhandel, waarbij Brazilië de belangrijkste bestemming was. Pas toen de Britse marine in het midden van de negentiende eeuw deze sluikhandel met scherpere patrouilles ging bestrijden, kwam hieraan geleidelijk een einde.

De Britse minister van buitenlandse zaken Lord Castlereagh onderhandelde in de marge van het Congres van Wenen van 1815 met gevolmachtigden van Portugal en Spanje over deze kwestie. Dit leidde tot een verdrag met Portugal waarin werd afgesproken dat geen enkele Portugese onderdaan nog slaven zou kopen langs de West-Afrikaanse kust ten noorden van de evenaar. In ruil daarvoor schold Groot-Brittannië Portugal een schuld van 600.000 pond kwijt, het restant van een in 1809 door de Portugese regering afgesloten lening. In 1833 schafte Engeland de slavernij officieel met een Slavery Abolition Act af.

Een aantal landen volgde, vaak onder Britse druk, maar daar waar het economische belang van slavernij nog groot was, bestond er grote weerstand. In de Verenigde Staten zelfs zo groot dat het tot de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-65) leidde. Door de mechanisering nam de schaarste van arbeid echter af, terwijl slavenopstanden een dusdanige kostenpost konden vormen dat slavernij duurder werd dan betaalde arbeid. In Afrika was slavernij juist gegroeid nadat de trans-Atlantische slavenhandel tot een einde was gekomen. Ironisch genoeg maakte de daaropvolgende prijsdaling slavernij betaalbaar in Afrika.

Aantallen en bestemmingen[bewerken]

Schattingen van aantallen[2]
Atlantic slavetrade estimates.png

1) 1525 Eerste rechtstreekse slavenreis tussen Afrika en Amerika
2) 1560 Doorlopende slavenhandel van Brazilië begint
3) 1641 Begin van de uitvoer van suiker uit de Oost-Caraïben
4) 1655 De Engelsen veroveren Jamaica
5) 1695 Goud ontdekt in Minas Gerais (Brazilië)
5) 1697 De Fransen verkrijgen Saint-Domingue (Haïti) in het Verdrag van Rijswijk
6) 1756 Begin van de Zevenjarige Oorlog
7) 1776 Begin van de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog
8) 1789 Spaanse koloniale havens worden opengesteld voor slavenhandel
8) 1791 Begin van de Haïtiaanse Revolutie
9) 1808 Afschaffing van de slavenhandel in het VK en de VS
10) 1830 Anglo-Braziliaans antislavenhandelsverdrag
11) 1850 Brazilië onderdrukt slavenhandel
12) 1867 Laatste trans-Atlantische slavenreis arriveert in Amerika

Spanje/
Uruguay
Portugal/
Brazilië
Engeland Republiek Verenigde Staten Frankrijk Denemarken/
Baltische staten
Totaal
1501-1525 6363 7000 0 0 0 0 0 13.363
1526-1550 25.375 25.387 0 0 0 0 0 50.763
1551-1575 28.167 31.089 1685 0 0 66 0 61.007
1576-1600 60.056 90.715 237 1365 0 0 0 152.373
1601-1625 83.496 267.519 0 1829 0 0 0 352.843
1626-1650 44.313 201.609 33.695 31.729 824 1827 1053 315.050
1651-1675 12.601 244.793 122.367 100.526 0 7125 653 488.064
1676-1700 5860 297.272 272.200 85.847 3327 29.484 25.685 719.674
1701-1725 0 474.447 410.597 73.816 3277 120.939 5833 1.088.909
1726-1750 0 536.696 554.042 83.095 34.004 259.095 4793 1.471.725
1751-1775 4239 528.693 832.047 132.330 84.580 325.918 17.508 1.925.314
1776-1800 6415 673.167 748.612 40.773 67.443 433.061 39.199 2.008.670
1801-1825 168.087 1.160.601 283.959 2669 109.545 135.815 16.316 1.876.992
1826-1850 400.728 1.299.969 0 357 1850 68.074 0 1.770.979
1851-1866 215.824 9309 0 0 476 0 0 225.609
Totaal 1.061.524 5.848.265 3.259.440 554.336 305.326 1.381.404 111.041 12.521.336

Veelal Afrikaanse slavenjagers wisten zo in de loop der eeuwen zo'n 25 miljoen mensen tot slaaf te maken. Velen stierven al voor zij verkocht konden worden voor transport, maar tussen de 11 en 14 miljoen werden verscheept naar Amerika. De grootste aantallen gingen naar Brazilië en de Caraïben, elk zo'n 40%, terwijl zo'n 5% in de Verenigde Staten terechtkwam.

Gemiddeld kwam zo'n 15% van de slaven te overlijden tijdens de reis, maar dit kon sterk verschillen. Hoewel slaven niet goedkoop waren en het dus voor de slavenhandelaren lonend was om deze levend aan de overkant te krijgen, stierven er toch beduidend meer dan bemanningsleden en normale passagiers op vergelijkbare reizen.

Tot 1600 verliet ongeveer een kwart van de slaven Afrika via de Atlantische slavenhandel, terwijl de rest het continent verliet via de Sahara en de havens aan de Rode Zee. Daarna werd de route via de Atlantische Oceaan groter dan die van Noord- en Oost-Afrika. Rond 1700 waren slaven zelfs het voornaamste exportproduct van Afrika.

De Portugezen leerden al vroeg de winden en zeestromen te gebruiken, volta do mar genoemd. Zowel op het noordelijk als het zuidelijk halfrond bevindt zich een gyre, een hoofdcirculatie of kringloop van zeestromen. Bij Brazilië ligt de Zuid-Atlantische gyre waardoor de route naar Angola een gunstige was. Het overgrote deel van de slaven voor Brazilië kwam dan ook daar vandaan, maar ook uit Zuidoost-Afrika en de Baai van Benin werden slaven gehaald.
Slaven bestemd voor het Caraïbisch gebied en Noord-Amerika werden vooral via de Noord-Atlantische gyre gehaald uit West-Afrika, vooral uit de baaien van Benin en Biafra en de Goudkust.

Schattingen[bewerken]

Het werk van Curtin uit 1969 heeft een belangrijke aanzet gegeven om tot een goede schatting te komen van het aantal slaven dat de overtocht maakte. Door vele wetenschappers, onder wie Lovejoy in 1982, is dit gedurende de jaren verfijnd. Het werk van vele van hen is verzameld in Voyages: The Trans-Atlantic Slave Trade Database van de Emory-universiteit. Deze database bevat ondertussen bijna 35.000 slavenreizen.

Schattingen van aantallen
Periode Curtin[3] Periode Lovejoy[4]
1451-1600 274.000 1451-1600 367.000
1601-1700 1.341.000 1601-1700 1.868.000
1701-1810 6.051.700 1701-1800 6.133.000
1811-1870 1.898.400 1801-1900 3.330.000
Totaal 9.566.100 Totaal 11.698.000

Gevolgen[bewerken]

Hoewel slavenhandel in Afrika al bestond voordat de Europeanen zich hierin mengden, was de schaal waarop dit plaatsvond daarna aanmerkelijk groter. Waar de eerdere aantallen niet onaanzienlijk waren, was de demografische invloed beperkt en veranderden samenlevingen er niet wezenlijk door. Dit veranderde met de Atlantische slavenhandel. Politiek was de invloed ook groot. Het bracht een militarisering van de Afrikaanse samenlevingen op gang die leidde tot staatsvorming waarbij agressieve staten als Ashanti en Dahomey in het voordeel waren. Economisch stimuleerde het kortetermijnoplossingen, terwijl het op sociaal vlak tot verdeling leidde, waarbij men tot op heden weet welke voorouders slavenjagers waren.

De Atlantische slavenhandel had ook tot gevolg dat de interne slavenhandel in Afrika dusdanig toenam dat er schattingen zijn dat er mogelijk evenveel slaven in Afrika waren als in Amerika.

In Amerika vervingen de slaven de lokale bevolking die bezweek aan de voor hen onbekende ziektes. Tot de negentiende eeuw had Brazilië de grootste slavenbevolking, waarna deze positie werd overgenomen door de Verenigde Staten.

Geschiedenis[bewerken]

In 1415 veroverden de Portugezen in het verlengde van de Reconquista het rijke Ceuta. Dit was het eindpunt van handelskaravanen vanuit West-Afrika en na de verovering droogde deze bron op, waarna men besloot de handel zelf over te nemen. De handel in slaven begon in 1444, maar was aanvankelijk ondergeschikt aan hun voornaamste handelswaar uit Afrika, goud.

Slaven werden in Portugal gebruikt voor huishoudelijke taken en in de zuidelijke havensteden van Portugal maakten zij uiteindelijk tot 15% uit van de totale bevolking. In andere Portugese en Spaanse havensteden kon dit tot 10% zijn. Daarnaast namen de Portugezen deel aan de handel langs de Afrikaanse kust om goud te kunnen financieren.

Atlantische eilanden[bewerken]

In deze situatie kwam verandering toen de Portugezen in 1455 suikerrietplantages gingen exploiteren op Madeira. Hierdoor veranderde de behoefte aan slaven die nu ingezet werden op deze plantages. Aanvankelijk werden deze slaven nog gehaald uit vooral Senegambia en de Goudkust.

Dat veranderde toen ook op Sao Tomé en Principe suikerplantages werden geëxploiteerd en de Portugezen een bondgenootschap sloten met het Koninkrijk Kongo. De samenlevingen die werden aangetroffen in Afrika bleken te krachtig om te koloniseren, zodat de zoektocht naar meer gronden voor suikerplantages een van de drijfveren was om naar steeds westelijker eilanden te zoeken.

Nieuwe Wereld[bewerken]

In de Nieuwe Wereld werd het plantagesysteem gekopieerd van de Atlantische eilanden, maar dan op veel grotere schaal. Zo ontstond in de Nieuwe Wereld een plantage-economie met aan het hoofd rijke Europese eigenaren uit de suikerindustrie die veel slaven en suikervelden bezaten. Daaronder bevonden zich de planters die zich geen suikermolen konden veroorloven. Arme boeren zoals in Europa waren er vrijwel niet. Voor deze groep waren er slechts administratieve posities en specifieke functies in de suikermolens. Het merendeel van de bevolking bestond uit de slaven die het zware werk verrichtten. Aanvankelijk werden hier de geaccultureerde en gechristianiseerde slaven (negros ladinos) van het Iberisch Schiereiland gebruikt, maar al snel haalde men deze rechtstreeks uit Afrika (negros bocales).

Spanje kon door het Verdrag van Tordesillas uit 1494 zelf geen nederzettingen stichten in Afrika en verleende Portugal in 1595 dan ook een exclusieve asiento.

Brazilië[bewerken]

In 1500 werd Brazilië ontdekt door Portugal en volgens het Verdrag van Tordesillas kwam het gebied ook aan dat land toe. De rijkdommen die de handel met de Specerijeilanden en India bracht, maakte dat kolonisatie van Brazilië de eerste decennia geen prioriteit kreeg. Hier kwam verandering in toen de Fransen en Britten zich in het gebied begonnen te vestigen. Daarop zette Portugal dan toch de kolonisatie in gang en om deze te financieren maakte men gebruik van de beproefde methode van suikerplantages. De eerste kwamen er rond 1550 en al snel lag de productiviteit hier hoger dan die op de Atlantische eilanden. Vanaf 1560 was er een continue slavenhandel op Brazilië.

In ruil voor steun gaf Álvaro I van Kongo de Portugezen het recht om zich ten zuiden van zijn koninkrijk te vestigen. In 1576 werd daar Luanda gesticht en vanaf dan zouden de meeste slaven die naar Amerika verscheept werden uit Angola komen.

Waar de Portugezen de slaven aanvoerden, lag het transport van suiker naar Europa in handen van de Nederlanders. Antwerpen werd zo het centrum van de Europese suikermarkt. Daar kwam verandering in door de Tachtigjarige Oorlog waarin de Nederlanders tegenover de Spanjaarden kwamen te staan. Dit had niet direct gevolgen voor de verhoudingen met Portugal, maar in 1580 werd Portugal na de slag bij Alcântara bij Spanje gevoegd. De oorlog met Spanje en Portugal zorgde ook dat Nederland verstoken bleef van de profijtelijke specerijenhandel. Dit was een stimulans om de vaart uit te breiden buiten Europa en een eeuw na de Portugezen vonden de Nederlanders de route naar Azië.

Zij kwamen daardoor al snel in botsing met de Portugezen. Naar aanleiding hiervan werd de facto een Portugees-Nederlandse oorlog gevoerd als een wereldwijde uitbreiding van de Tachtigjarige Oorlog. In de strijd tegen de Spanjaarden en de Portugezen werd in het begin gebruikgemaakt van de kaapvaart. Dit was de voornaamste inkomstenbron van de West-Indische Compagnie (WIC) vlak na de oprichting in 1621. Daarna werd het Groot Desseyn ontwikkeld, het grote plan. De Portugese suikerhandel vanuit Brazilië moest ondermijnd worden door de slavenhandel over te nemen. Met de verovering van de Zilvervloot in 1628 was er voldoende geld beschikbaar. Tussen 1630 en 1634 werd Recife met een groot deel van de Braziliaanse kust veroverd, dit werd Nederlands-Brazilië. In 1637 werd het eilandje Elmina bij de Goudkust veroverd, het grote Portugese slavenhandelbolwerk. De eeuwen erna zou dit fort één van de centra van de slavenhandel van de WIC vormen. In 1641 werd ook Luanda veroverd op de Portugezen. Rond 1700 bezat de WIC een twaalftal forten aan de West-Afrikaanse kust.

Hierna begon de Nederlandse slavenhandel grote vormen aan te nemen. Om de suikerproductie in stand te houden, konden veel Portugese plantagehouders hun plantage behouden. Vanuit Nederlands-Brazilië werden echter veel technieken naar de rest van Amerika overgebracht, waarmee een einde kwam aan het Braziliaanse suikermonopolie. Dit maakte de weg vrij voor de totstandkoming van Franse en Engelse koloniën in Amerika. Vanaf 1640 begon de slavenhandel met Brazilië in te zakken en werd de handel verlegd naar de Spaanse koloniën in Amerika. Aanvankelijk vervoerden Nederlandse handelaren slaven naar Buenos Aires en Rio de la Plata in het huidige Argentinië, later werd ook het Caribische gebied doel van de slavenhandel.

In 1654 werd Brazilië heroverd door Portugal waarna de suikerrietteelt overgebracht werd naar het Caribisch gebied, waardoor Brazilië zijn monopolie verloor en een economische neergang inzette. Dit had zijn effect op het aantal slaven dat naar Brazilië werd gebracht tot in 1695 goud werd ontdekt in Minas Gerais. Dit deed de slavenhandel sterk toenemen.

Caraïben[bewerken]

Na de Portugeze herovering van Brazilië werd het in 1634 veroverde Curaçao het Nederlandse verzamelpunt voor slaven. Na de Engelse verovering van Jamaica in 1655 werd dit een belangrijke doorvoermarkt van slaven voor de Spaanse kolonies. In de Caraïben waren aanvankelijk vooral tabaksplantages te vinden, maar later werd de suikerplantage vergelijkbaar in grootte met die in Brazilië. Vanaf 1641 werd hiervandaan suiker geëxporteerd naar Europa.

Er werden nieuwe afnemers gevonden in de Engelsen en Fransen die tabak verbouwden op de door hen veroverde eilanden in de Caraïben en in Virginia. Tot ongeveer 1660 waren de Fransen en Engelsen afhankelijk van de Nederlanders om deze koloniën te ontwikkelen en te voorzien van slaven, maar met hun toenemende rol in Azië groeide ook hun rol in de slavenhandel. De Engelse oorlogen waarbij de Fransen de Engelsen bijstonden, maakten een einde aan de Nederlandse hegemonie en aan het einde van de zeventiende eeuw hadden de Engelsen en Fransen een aanzienlijk deel in de Atlantische slavenhandel.

De Engelsen waren al sinds 1562 betrokken bij de slavenhandel waarbij John Hawkins een pioniersrol speelde. Vanaf 1672 had de Royal African Company een monopolie op de slavenhandel, maar verloor deze in 1698. Daarna nam in de achttiende eeuw de slavenhandel enorm toe. Er waren jaren dat er meer dan honderdduizend slaven werden vervoerd. Frankrijk en Engeland namen echter de positie over van de Republiek, zoals dat ook ging met de overige handel. De Fransen gebruikten hiervoor vooral Saint-Domingue dat zij in 1697 verkregen met het Verdrag van Rijswijk.

Internationaal jaar[bewerken]

De Verenigde Naties (VN) heeft in een verklaring het jaar 2011 uitgeroepen tot het 'Internationaal jaar voor mensen van Afrikaanse afkomst'. Hiermee wil de VN aandacht schenken aan de Afrikaanse diaspora. Ook wil de VN met de Verklaring lidstaten dwingen tot zelfonderzoek betreffende de Verklaring en het Actieplan van Durban (DDPA). Hiertoe werd besloten op de VN Wereld Conferentie tegen Racisme (WCAR) in Durban (Zuid-Afrika) in 2001. Op die conferentie werden de trans-Atlantische slavenhandel en de slavernij tot misdaden tegen de menselijkheid verklaard.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • Curtin, P.D. (1969): Atlantic Slave Trade. A Census, University of Wisconsin Press,
  • Emmer, P.C. (2000): De Nederlandse slavenhandel 1500-1850, Arbeiderspers,
  • Klein, H.S. (2010): The Atlantic Slave Trade. New approaches to the Americas, Cambridge University Press,
  • Klooster, W. (1998): Illicit riches, KITLV Press,
  • Lovejoy, P.E. (1982): The Volume of the Atlantic Slave Trade. A Synthesis. in Journal of African History, vol. 23,
  • Postma, J.M. (1990): The Dutch in the Atlantic slave trade, 1600-1815, Cambridge University Press.

Noten[bewerken]

  1. Boek 'De Nederlandse slavenhandel 1500-1850' van P.C. Emmer, zie Google Books
  2. Emory. Deze geschatte aantallen liggen zo'n 25% hoger dan de gegevens die in de ruwe database te vinden zijn.
  3. Curtin (1969)
  4. Lovejoy (1982)