Suikerrietplantage

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Suikerrietplantage op Maui in Hawaï in 1850
suikerplantage met fabriek in Pernambuco in Brazilië in de jaren vijftig
De suikerfabriek Pangka; Residentie Tagal op Java eind 19e eeuw
Suikerrietplantageveld in Madeira
Fermentatiekuipen in de Sucrerie de Bois-Rouge op Reunion
Suikerrietplantage in de staat São Paulo in Brazilië
Suikerrietplantageveld met dracaena's als markeringslijn in Réunion nabij Saint-Benoît

Een suikerrietplantage is een plantage waar suikerriet wordt verbouwd.

Eerste plantages[bewerken]

Suikerrietplantages als monocultuur ontstonden voor het eerst op kleine schaal in India waar het riet in de prehistorie naartoe werd gebracht vanuit de oorsprongsgebieden in Indonesië. Rond 500 v.Chr. begon men in India met deze monocultuur op aangelegde percelen, plantages, waarbij het met persen verkregen sap door koken ingedikt werd waarbij een vaste zoete stof ontstond die lang kon worden bewaard.

Europa en Caraïben[bewerken]

Hoewel de verbouw van suikerriet al bekend was ten tijde van Alexander de Grote, was er in Europa pas sprake van plantages toen in de vroege middeleeuwen de kennis van het verbouwen ervan door de Arabieren werd meegenomen naar Europa. In de vijftiende eeuw waren er suikerplantages te vinden op de klimatologisch daarvoor geschikte gebieden. De Venetianen zetten slaven in op Kreta en Cyprus om met behulp vanuit Syrië overgenomen technieken suikerrietplantages te exploiteren. Deze technieken werden later overgenomen door de Portugezen op Madeira. In de zestiende en zeventiende eeuw werd de suikerteelt ook aangevangen in de koloniën die zich bevonden in het Caraïbische gebied en Brazilië. Hoofdreden was dat daar grotere plantages opgericht konden worden waarbij het zware werk van het oogsten en verwerken in suikermolens gedaan kon worden door de daar aanwezige slaven. Suikerrietplantages zijn ook te vinden in Suriname en op de Nederlandse Antillen. Momenteel is Cuba in de Caraïben de grootste suikerproducent.

Nederlands-Indië[bewerken]

In deze voormalige Nederlandse kolonie ontstonden door de suikerhandel van de VOC ook daar plantages. Vooral in het gebied rond Batavia kwam de plantageteelt tot bloei. De suikermolens daar waren grotendeels in handen van Chinezen. Na een grote moordpartij op de Chinezen in 1740 stortte de suikerteelt echter in. Pas na de invoering van het zogenoemde Cultuurstelsel in 1830 zou de teelt weer opbloeien. Na 1870 vond er een geleidelijke privatisering plaats en in de twintigste eeuw werd er op Java na Cuba nog steeds de meeste suiker ter wereld verbouwd.

Heden[bewerken]

Suikerrietplantages worden in meer dan honderd landen gevonden. Het totale plantageoppervlak wereldwijd bedraagt zo'n 130.000 km². Door het nieuwe gebruik van het product als biobrandstof neemt de productie nu in Zuid-Amerika toe.

Opzet en productie[bewerken]

Suikerrietplantages zijn te vinden in een tropisch of subtropische klimaatzone waar jaarlijks minimaal 6000 millimeter regen valt. De vermeerdering geschiedt door stamstekken die met de hand uitgeplant moeten worden. Van een stekplant kunnen per seizoen op de plantage verschillende keren scheuten worden geoogst wat meestal met de hand gebeurt en soms mechanisch. Op de meeste plantages zonder irrigatie is de cultivatieperiode drie maanden per jaar, enkel op plantages in Colombia kan men het jaar rond oogsten. Plantages met irrigatie kunnen het jaar door oogsten.

Verwerking[bewerken]

Het suikerriet wordt op de plantage in speciale fabrieken verder verwerkt waarbij ruwe suiker ontstaat. Deze wordt via raffinage gezuiverd. In de fabriek, die historisch meestal deel uitmaakte van de plantage maar tegenwoordig ook soms elders is te vinden, worden de rietscheuten gesneden, en geplet waardoor er suikersap uitkomt. Dit sap wordt verzuurd met limoensap en hierna wordt in een evaporator het vocht verwijderd en ontstaat via een vacuümbehandeling suiker.

Vacuümpan[bewerken]

Edward Charles Howard (1774 -1816) vond in 1812 de vacuümpan uit en kreeg er het volgende jaar patent op. Het apparaat was gebaseerd op een al lang bekend verschijnsel, namelijk dat bij een lagere druk het kookpunt van vloeistoffen lager ligt. Het voordeel van deze zogenaamde vacuümpan is, dat er veel minder suiker verloren gaat door inversie en dat de gemiddelde kwaliteit van de producten hoger is dan bij het open-pannensysteem. Het indikken verloopt bovendien sneller, zodat de fabriek een grotere omzet per dag haalt. De pan is feitelijk een met deksel hermetisch gesloten vat, waarin de suikeroplossing onder lage druk wordt gekookt. Door de drukverlaging wordt het kookpunt verlaagd en is dus minder energie nodig. Het water verdampt en wordt afgevoerd en de suikerkristallen blijven achter. Het suikerwater wordt gelijkmatig aan de kook gebracht door een buizenstelsel in de oplossing, waardoorheen stoom wordt geperst.

Dit systeem werd vanaf 1850 in Suriname bijvoorbeeld gebruikt op de plantages Catharina Sophia, Alliance, Rust en Werk, Mariënburg, Voorburg, Hazard, Meerzorg en Waterloo.

Warmtewisselaar[bewerken]

In het proces van Howard wordt het verdampte water afgevoerd, en niet verder gebruikt. Dit energieverspilling, want in de waterdamp is veel van de energie van de stoom opgeslagen. Na afloop van Howard's patent in 1828 werden er daarom verschillende pogingen ondernomen om het proces energie-efficiënter te maken. Omstreeks 1837 presenteerden de Fransen Charles Derosne en Jean Francois Cail hun systeem "a double effect". Zij gebruikten de afgewerkte waterdamp om met een warmtewisselaar nieuwe suikerstroop op te warmen, voordat deze in de vacuümpan komt. De stroop moet zuiver zijn om inwendige aanslag op het leidingwerk te voorkomen. Deze wordt daarom gezuiverd in speciale filters, eveneens een uitvinding van Derosne & Cail.

Centraalfabiek[bewerken]

De firma Derosne & Cail verrichtte baanbrekend werk bij de industrialisatie van de suikersector. Vanaf ca. 1835 bood zij haar klanten een geïntegreerd totaalpakket aan, vanaf de eerste pers tot de laatste centrifuge. Het waren grote fabrieken, omdat slechts een grote productie de investeringen rendabel kon maken. Zo ontstond het systeem van de centraalfabriek, waar de rietverwerking van alle omliggende plantages plaatsvond.

In Suriname werd in 1843 een fabriek van Derosne & Cail opgezet op Catharina Sophia. In 1850 werd er een centraalfabriek opgezet op Rust en Werk. De naastgelegen plantages Johan Margaretha, Maasstroom en Berlijn lieten hun suikerriet daar verwerken. Mariënburg was een andere centraalfabriek. Zij had contracten met Zoelen, Voorburg en Suzanna's Daal.

Bronnen, noten en/of referenties
  • Dikland, F., Hest van, C. et al. (2011), Surinaamse architectuurdocumentatie: Catharina Sohia.
  • Lintsen H.W. (1992), Geschiedenis van de techniek in Nederland. De wording van een moderne samenleving 1800-1890. Deel I. Techniek en modernisering. Landbouw en voeding. Walburg Pers, Zutphen pp 224-225.
  • Stipriaan, A. (1993), Surinaams contrast, Leiden: KITLV uitgeverij, pp. 178-182.