Verdrag van Londen (1814)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nederlands-Indië omstreeks 1869.

Op 13 augustus 1814 sloten Groot-Brittannië en Nederland het Verdrag van Londen. Dit verdrag regelde de teruggave van de Nederlandse koloniën, nadat die tijdens de napoleontische oorlogen grotendeels in Engelse handen waren gekomen.[1]

Inleiding[bewerken]

Er bestaan vele overeenkomsten met de naam Verdrag van Londen. Drie daarvan werden tussen Nederland en Groot-Brittannië gesloten en betroffen de koloniën:

Het verdrag van 1814 herstelde de status quo van 1803. Groot-Brittannië gaf Nederland al zijn koloniën terug, behalve Berbice, Essequibo en Demerara in de West, de Kaapkolonie in Afrika. Omdat Ceylon in 1802 en dus al vóór 1803 in Britse handen was gevallen, bleef dit eiland ook onder Engels bewind.

De teruggave verliep niet vlekkeloos. De onoverzichtelijke situatie in de Indische Archipel was hiervan de oorzaak. Grote delen van dat wingewest waren voor 'westerlingen' nog niet in kaart gebracht. Dit gold in het bijzonder voor het westelijk gedeelte van Nederlands-Indië, dat nu net het grensgebied vormde tussen de Nederlandse en de Britse invloedssferen. Bovendien sloten de twee regeringen het verdrag: wat de ambtenaren ervan dachten die ter plaatse de bepalingen moesten uitvoeren, was een heel andere zaak. Aan Britse zijde waren die ambtenaren nog gebonden aan de British East India Company, die overigens wel onder overheidsgezag stond. Toch waren deze functionarissen geen voorstander van de teruggave en hun medewerking verliep verre van soepel. De ontsnapping van Napoleon Bonaparte van Elba in 1815 bemoeilijkte het proces nog meer. De teruggave was daardoor pas op 19 augustus 1816 voltooid.

Complicerende factoren bij het verdrag[bewerken]

Het Verdrag van Londen (1824) plaatste Nederland in een zeer moeilijke positie. In dit verdrag beloofde Nederland de veiligheid van handel en scheepvaart op geheel Sumatra, dus ook in Atjeh te waarborgen en de onafhankelijkheid van dit rijk te zullen eerbiedigen. Vreemde mogendheden klaagden herhaaldelijk bij het Nederlandse gouvernement, omdat bewoners van Atjeh hun burgers aanvielen, beroofden en zelfs vermoorden. De mogendheden eisten dat Nederland deze gevallen zou onderzoeken en schadeloosstellingen zou regelen met een onwillig, bedrieglijk en vijandelijk bestuur. Nederland moest zich daarbij echter zeer gematigd en voorzichtig opstellen en kon niet veel meer dan dreigen.[2] De problematiek die ontstond door het Verdrag van 1814 maakte het wenselijk een nadere koloniale regeling op te stellen. Door Nederlandse factorijen in Voor-Indië te ruilen tegen de Britse bezittingen op Sumatra en Poeloe Pinang, zouden de problemen die Nederland ondervond aan het bezit van Voor-Indië verdwijnen. Het Verdrag van 1824 loste de problemen voor Nederland echter niet op en was slechts een wijziging van het Verdrag van 1814. Met die wijziging zou de onenigheid tussen Nederland en Engeland, die inmiddels was toegenomen, moeten eindigen. Zo werd het Verdrag van Londen uit 1824 een compromis tussen twee ruziënde partijen.[3]

Over Atjeh werd in het Verdrag van 1824 niets bepaald. De Engelse afgevaardigden overlegden echter een nota waarin onder meer het volgende voorkwam: het verdrag met Atjeh zal zo spoedig mogelijk in een eenvoudige schikking voor de gastvrije ontvangst van Britse schepen en onderdanen in de haven van Atjeh veranderd worden. De Nederlandse afvaardiging beantwoordde deze mededeling met de verklaring: dat het Nederlandse gouvernement zijn betrekkingen met Atjeh zo zou regelen, dat deze staat, zonder iets van zijn onafhankelijkheid te verliezen, de zeevaarder en handelaar die veiligheid zou aanbieden, die alleen kon bestaan door de gematigde uitoefening van Europese invloed.

Uitvoering van het verdrag[bewerken]

De taak, door deze verbintenis aan Nederland opgelegd, was een uiterst moeilijke: alleen door vriendschappelijke vertogen en vertoning van de vlag was in het Atjehnese rijk, altijd verscheurd door partijschappen en berucht door geweld en roofzucht der hoofden, geen orde, geen veiligheid voor de handel te handhaven.[4] De explicatieve nota’s, die het traktaat vergezelden zetten alles wat dat traktaat aan deugdelijks bevatte op losse schroeven en deden het gehele werk verwateren, hetgeen P.H. van der Kemp in zijn werk De geschiedenis van het Sumatra Traktaat verontwaardigd deed uitroepen: Maar zijn onze Nederlandse diplomaten dan kinderen! De beloften door hen gedaan zich te zullen onthouden van elke uitbreiding van staatkundige invloed was ongerijmd; immers in tegenspraak met het grootste doel der onderhandeling. Dezelfde van weinig nadenken getuigende volgzaamheid was er ook ten aanzien van Atjeh. De Engelsen hadden slechts nauwlettend na te gaan of de handelingen der Nederlanders op Sumatra niet schadelijk konden zijn of worden voor de Britse handel om ze tijdig te kunnen stuiten, althans te wraken. De gouverneur-generaal van Calcutta schreef al in augustus na de sluiting van het Traktaat dat genoemd verdrag: might even now be fairly considered as a dead letter. Beide landen, Nederland en Engeland gaven ieder een eigen uitleg aan de tekst, die vooral de handelsrechten van beide landen behandelde.

Gevolgen voor Nederland en zijn koloniën[bewerken]

De stoutmoedigheid van de Atjehnese zeerovers, door niets beteugeld, nam intussen hand over hand toe, resulterend in 1829 in de overrompeling en verbranding van het Nederlandse fort te Tapanoeli (Noord-Sumatra). Atjeh wist intussen niet beter, omdat er van Nederlandse kant niets gedaan werd, dan dat het met de Compagnie nog steeds op voet van oorlog stond. Met de komst van generaal Michiels op Sumatra stond men aan de vooravond van wijziging in de Sumatra-politiek. Nederland achtte het raadzaam om met de verdere in bezitneming van de oostelijke kusten van Sumatra zolang mogelijk te temporiseren. Intussen was de toestand op de westkust van Sumatra door de Nederlandse indolentie zeer verslechterd hetgeen Michiels (destijds adjudant van gouverneur-generaal Van den Bosch) deed schrijven: wij hebben ons bezit aan de westkust van Sumatra te danken aan de hulp die wij in vorige eeuwen verleenden aan de inlandse staten tegen Atjeh, dat zijn veroveringen steeds meer zuidwaarts uitstrekt. Onze gezagsuitoefening in het noordelijke gedeelte van onze bezittingen is de laatste tijd steeds verminderd en aan Atjeh heeft dit aanleiding gegeven om zijn invloed weer uit te breiden en rechten te pretenderen op landen, die ons krachtens contracten toebehoren. Hij vond alle eilanden ten westen van Sumatra ontvolkt ten gevolge van de roverijen van de Atjehnezen. Zijn verslag werd besloten met het advies dat welke maatregelen men ook mocht nemen, alles vooraf diende te worden gegaan door een commissie en vertoning van macht in de noordelijke zogenaamd vrije havens, zelfs tot in Atjeh. Men gaf weer geen gevolg aan dit advies, totdat een ongekende opstand uitbrak in de Bovenlanden, eindigend met de val van Bondjol (1837, onder generaal majoor Cochius). Gedurende de vijf jaar dat de krijg had geduurd was de moed van de Atjehnese zeeschuimers hand over hand toegenomen.

Schip in de Straat van Soenda

Bij ministerieel depêche werd 1 september 1841 besloten tot intrekking van alle civiele en militaire posten op de oostkust van Sumatra en de gelijktijdige last tot verdere uitbreiding van de regel van niet bemoeiing met het inlandse bestuur. Dit was een daad van stilstand. De schaars bevolkte oostkust van Sumatra heeft voor ons geen direct territoriaal belang, zo schreef de Indische Regering, bij monde van Minister Baud. Maar nadat diverse schepen aangerand waren, en de vrees voor buitenlandse inmenging met betrekking tot Atjeh toenam nam de regering eindelijk het besluit (8 oktober 1953) de gouverneur van de westkust van Sumatra, Van Swieten te laten adviseren hoe te voldoen aan de toezegging uit het traktaat van 1824 de betrekkingen met Atjeh op behoorlijke voet te krijgen. Artikel 5 van het traktaat van 30 maart 1857 (overeenkomst van vrede, vriendschap en handel) tussen het gouvernement van Nederlands-Indië, Van Swieten en de sultan van Atjeh, Ala Oedien Mantsoer Sjah: Het Nederlands Indische gouvernement en zijne hoogheid de sultan van Atjeh komen voorts overeen, streng en met al hun middelen te zullen waken, opdat er geen zeerovers of mensenrovers zijn in hun gebied of van andere landen waar zij invloed hebben. Van beide zijden zal dit worden tegengegaan en zal worden bestraft diegene die zodanige daden pleegt. Van beide zijden zal geen schuilplaats of bescherming worden verleend aan iemand die in zulke zaken betrokken is, ook niet aan zijn vaartuig. Van beide kanten zal niet worden vergund dat door de zeerovers buitgemaakte mensen, vaartuigen of goederen binnen hun gebied aangebracht of daar te koop aangeboden worden.

Verdere perikelen ten gevolge van het verdrag, uiteindelijk leidend tot de Atjeh-oorlog[bewerken]

Het traktaat van vrede en vriendschap, in 1857 tussen Nederland en Atjeh gesloten, waarbij van alle eerdere aanspraken en vorderingen werd afgezien, scheen in de voorgaande toestand enige verbeteringen te brengen, maar weldra bleek ook dit onjuist. Het traktaat behelsde in hoofdzaak toelating van wederzijdse onderdanen tot handel, scheepvaart en verblijf; tegengang van strand –en zeeroof en mensenroof; afzien van alle vroegere reclames; erkenning van de gouverneur van de westkust van Sumatra als vertegenwoordiger van de Indische Regering enz. Weinig veranderde er in de gespannen verhouding tussen het Nederlandse gouvernement en Atjeh. Al in 1860 vond weer zeeroof plaats en de opvolger van Van Swieten als gouverneur van de westkust van Sumatra meldde dat indien niet op een krachtiger wijze de eerbiediging van het in 1857 met de sultan van Atjeh gesloten traktaat werd gevorderd, dat traktaat niet de uitkomsten zou of kon hebben, welke men daarmee beoogde. De Nederlandse vestiging in Siak, en de daaruit voortvloeiende handelingen, werd door de Atjehnezen als een vijandige daad beschouwd, en hierdoor werd hun haat jegens de Nederlanders hoe langer hoe meer opgewekt. Steunend op het traktaat van 1824, dachten zij daarbij nog steeds op de machtige bescherming van Engeland te kunnen rekenen en namen tegenover de Nederlands Indische regering en haar gezanten een uitdagende en beledigende houding aan. De zaken verslechterden steeds meer. De resident van Riouw wees op de toestand aan de kust: schijngezag der vorsten, uitbuiting van de massa, onderlinge twisten en oorlogen, wanbestuur en gemakzucht. Er viel dus een grote taak te vervullen maar minister Loudon beantwoordde de grote bezorgdheid over genoemde toestand met de opmerking: niet zonder bezorgdheid een neiging tot uitbreiding van ons rechtstreekse gezag te zien en hij zei dat hij elke uitbreiding van ons gezag in de Indische Archipel als een schrede nader tot onze val beschouwde en zulks temeer daar wij nu reeds in dat opzicht ver boven onze krachten gegroeid zijn. Dat werd gezegd in een tijd, toen de middelen van Nederland gunstig stonden en een jaarlijkse bate van circa 30 miljoen uit het Cultuurstelsel de staatskas verrijkte. De jaren daarna verliepen met weinig actie en meerdere onvriendelijke ontmoetingen tussen Nederland en Atjeh.

Het wetsvoorstel tot verlenging van de werking der wet van 1865 voor 1 jaar, werd in de zitting van 8 juli 1871 goedgekeurd, zonder beraadslaging en zonder hoofdelijke instemming. Eindelijk besloot de wet van 17 november 1872 met de afschaffing van het differentiële recht in Nederlands Indië. Hiermee was voldaan aan de wens van Engeland, aan de eis van het zich steeds meer uitbreidende handelsverkeer met de Indische bezittingen gehoorzaamd. Men had met een bekrompen, verouderd en bovendien ondoelmatig stelsel van protectie gebroken. Raffles schreef ooit in een verklaring: In a country like Acheen by military operations we have everything to lose and nothing to gain. In de aanvang van maart 1873 kreeg het Nederlandse gouvernement zekere bewijzen in handen dat een, tussen de Atjehnezen en een vijandelijke betrokken mogendheid te sluiten overeenkomst, op het punt stond tot stand te komen en verklaarde Nederland eindelijk Atjeh de oorlog.

Nuvola single chevron right.svg Zie Atjehoorlog voor het artikel over de Atjeh-oorlog
Bronnen, noten en/of referenties
  1. De inhoud van dit artikel is grotendeels ontleend aan L.J.P.J. Jeekel. Dissertatie. Het Sumatra-traktaat (P. Somerwil, Leiden 1881); en E.S. de Klerck. De Atjeh-Oorlog. Het ontstaan van de oorlog. Deel 1 (Martinus Nijhoff, Den Haag 1912).
  2. J.A. Kruijt (1877) 5.
  3. Dat het traktaat gevoelig lag in de politiek moge blijken uit het feit dat Jeekel geen toestemming kreeg om de officiële stukken betreffende het traktaat in te zien: L.J.P.J. Jeekel (1881) 1. In mijn studie zover gevorderd, verzocht ik instemming van de minister van Buitenlandse Zaken om de stukken ad hoc te mogen raadplegen. Ik wenste die raadpleging niet om beter ingelicht te worden, want hetgeen betreffende het bedoelde traktaat in druk is verschenen en het onderzoek der handelen van de 2de kamer hadden mij voldoende ingelicht, maar om, naast de eigen inzage van de diplomatieke bescheiden, de kans niet mis te lopen een nieuwe kant aan de kwestie te ontdekken. Die toestemming is mij niet verleend.
  4. 1873. P.J. Veth. Bladzijde 95-96
  • 1881. L.J.P.J. Jeekel. Dissertatie. Het Sumatra-traktaat. P. Somerwil, Leiden;
  • 1912. E.S. de Klerck. De Atjeh-Oorlog. Deel 1. Het ontstaan van de oorlog. Martinus Nijhoff, Den Haag
  • 1871. P.J. Veth. Atchin en zijn betrekkingen tot Nederland. Topografisch-historische beschrijving. Naar de nieuwste bronnen samengesteld door W.F. Versteeg. Gualth. Kolff. Leiden.