Verdrag van Londen (1871)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vraagteken
Er wordt getwijfeld aan de juistheid van een of meer onderdelen van dit artikel.
Raadpleeg de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie, en pas na controle desgewenst het artikel aan.
Opgegeven reden: Niet getekend in Londen maar in Den Haag. In werkelijkheid 3 afzonderlijke verdragen. Daarnaast is de lezing over het Suezkanaal op zijn minst twijfelachtig te noemen: het oorspronkelijke verdrag handelde namelijk alleen over Siak, maar werd werworpen door de Tweede Kamer--omdat de Britten per se vrije handel op Siak wilden is het verdrag heronderhandeld met als (Nederlands) doel ook Atjeh er bij te betrekken.
Dit sjabloon is geplaatst op 31 januari 2011.
Vraagteken

Het Verdrag van Londen van 1871 (ook wel Verdrag van Sumatra, Sumatraverdrag of tweede Sumatra-traktaat) werd gesloten tussen Groot-Brittannië en Nederland, en regelde voornamelijk de invloed over Atjeh (tegenwoordig Aceh), het rijk gelegen op de noordpunt van het eiland Sumatra.

Een eerder verdrag[bewerken]

De status van dat zelfbesturend rijk was al bij een eerder verdrag (het Verdrag van Londen van 1824) geregeld. De bepalingen daarin leidden echter tot een tegenstrijdige situatie. Enerzijds was Nederland gehouden Atjeh met rust te laten, anderzijds zou het de vrije doortocht van schepen door de Straat van Malakka waarborgen. Doordat Atjeeërs die zeestraat als hun terrein, en de schepen aldaar als hun prooi beschouwden, ervoeren de Nederlanders het als onmogelijk zowel de vrije doortocht te waarborgen als Atjeh met rust te laten.

Het nieuwe verdrag[bewerken]

De kwestie werd urgent toen in 1869 het Suezkanaal werd geopend. De scheepvaart kwam nu door de Straat van Malakka de Indische Archipel binnen in plaats van Straat Soenda. Engeland wilde Nederland in staat stellen om de piraterij vanuit Atjeh aan te pakken.

Bij het Verdrag van 1871 verkreeg Nederland vrijheid van handelen in geheel Sumatra, dus inclusief Atjeh. De Engelsen zouden niet meer tussenbeide komen. In ruil daarvoor werd een Nederlandse kolonie op de Goudkust aan Groot-Brittannië afgestaan. De Nederlandse factorijen daar werden voor 47.000 gulden verkocht aan de Britten. Hiermee kwam een einde aan het ronselen van Belanda Hitam: zwarte arbeiders voor de Indische Archipel. Beide partijen behielden handelsrechten in Atjeh, hetgeen overigens ook voor derden het geval was: de handel was vrij.

Verder bepaalde het verdrag dat

  • de laatste Nederlandse factorijen aan de Indiase kust aan de Britten vervielen;
  • Nederland contractarbeiders voor Suriname mocht werven in Brits-Indië.

Vanuit de Tweede Kamer werd erop aangedrongen om de Nederlandse soevereiniteit over Noord-Borneo (bijvoorbeeld Sarawak) te herstellen, maar hierop kwam vanuit Londen geen reactie, en het herstel vond dan ook geen doorgang. Het verdrag werd in november 1871 door de Nederlandse regering aanvaard.

Nasleep: de Atjehoorlogen[bewerken]

Aldus vrij om op te treden, ging het Nederlandse bewind de confrontatie aan met Atjeh. Dat rijk zocht nog wel toenadering tot de regering van Italië en die van de Verenigde Staten, en ook werd steun gezocht bij de sultan van Turkije. Deze initiatieven liepen op niets uit. De Atjehoorlogen (1873–1904), een slepende strijd, door de Nederlanders aanvankelijk met minder energie en vuur gevoerd dan door de Atjeeërs, leidden uiteindelijk tot de onderwerping van het rijk aan het Nederlands gezag.

Verdragen van Londen[bewerken]

Er bestaan vele overeenkomsten die worden aangeduid met de naam Verdrag van Londen. Drie daarvan werden gesloten tussen Nederland en Groot-Brittannië betreffende de koloniën: