Edict van Nantes

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Het kasteel van de hertogen van Bretagne in Nantes, waar het Edict werd uitgevaardigd

Het Edict van Nantes werd op 13 april 1598 uitgevaardigd door de Franse koning Hendrik IV. De hugenoten (protestanten) kregen rechten op uitoefening van hun geloof en garnizoensrecht in een paar Zuid-Franse steden. Dit maakte deel uit van de politiek van Hendrik IV om de godsdienstige twisten in Frankrijk te beëindigen.

Aanloop[bewerken]

De ideeën van Johannes Calvijn werden in Frankrijk enthousiast onthaald en wisten vele gelovigen aan de kant van Calvijn te krijgen. Na de dood van koning Hendrik II liepen de gemoederen hoog op in Frankrijk tussen de katholieken en de protestanten. Na zijn dood kreeg het koninkrijk te maken met een paar kindkoningen die in hun moeder Catharina de' Medici hun regentes hadden. Een machtige familie aan het koninklijk hof waren De Guises. Deze streng katholieke familie was voor een harde aanpak van de hugenoten in Frankrijk. Dit resulteerde in een escalatie van het conflict in 1562 in het Bloedbad van Wassy-sur-Blaise. Waarbij tientallen doden vielen. Dit was het startsein van een reeks van bloederige gevechten in Frankrijk.

De kansen leken te keren voor de hugenoten toen de protestantse Bourbon Hendrik III van Navarra trouwde met de Franse prinses Margaretha. Zijn huwelijk liep echter uit tot een groot bloedbad. Toen in 1589 Hendrik II van Frankrijk overleed was Hendrik van Bourbon volgens de Salische Wet zijn opvolger. Hendrik aanvaardde de Franse kroon en werd katholiek. Nadat de Spaanse dreiging was geweken in zijn land beloofde Hendrik de hugenoten op meer rechten.

Het opgetekende Edict van Nantes.

Inhoud[bewerken]

De voornaamste bepalingen waren:

  • gewetensvrijheid in geheel Frankrijk;
  • het recht godsdienstoefeningen te houden in de reeds hiervoor in gebruik zijnde kerken, in kastelen van protestantse edellieden en in één stad per district, behalve Parijs;
  • volledige burgerrechten: vrije handel, erfrecht, toegang tot ambten, onderwijsinstellingen;
  • het bezetten van de helft van de zetels in de handelskamers;
  • het recht van het leggen van een door de koning bezoldigd garnizoen en het houden van synoden in een honderdtal veiligheidsplaatsen.

Reacties[bewerken]

Het edict werd als een monster ervaren, het werd gezien als een gelegenheidsoplossing.[1] Zo weigerde de paus en de Franse katholieke clerus het edict te erkennen. Het edict werd wel gesteund door de Franse middenpartij die het jarenlange onderlinge oorlogvoeren in Frankrijk beu was.

Nasleep[bewerken]

Het edict zorgde inderdaad voor de gewenste vrede voor een paar decennia, totdat Richelieu de hugenoten in 1629 een aantal rechten weer ontnam (Edict of Vrede van Alais ontnam hun 38 forten). De hugenoten waren erg impopulair, historisch betrokken bij opstanden, het onderwerp van samenzweringstheorieën, en de druk op de koning om eens en voor altijd komaf te maken met de R.P.R. (Religion Prétendue Réformée - de Zogenaamd Hervormde Religie) was groot. De hugenoten waren evenmin tolerant als de katholieken: de publieke opinie was ontdaan door de discriminatie van katholieken in de Verenigde Provinciën, door de Engelse Test Act van 1678, die katholieken uitsloot van ambten (2000 weigeraars werden gevangengezet), of zelfs in de Languedoc waar de calvinisten, op sommige plaatsen in de meerderheid, de katholieken verdrukten. Lodewijk XIV, die met de vorderende jaren steeds devoter katholiek werd, gaf uiteindelijk toe aan de druk, en trok het edict in 1685, mede op aandringen van zijn biechtvader François d'Aix de La Chaise, definitief in, waarop 50 000 hugenoten vluchtten naar Nederland, Engeland en de Kanaaleilanden. De herroeping van het Edict van Nantes in oktober 1685 heet formeel het Edict van Fontainebleau.

Referenties[bewerken]

  1. Peter van Rooden: De logica van het absolutisme. Over de ophefiing van het Edict van Nantes, NRC Handelsblad, 4 maart 1985