Politionele acties

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Politionele acties, Indonesische onafhankelijkheidsoorlog
Datum 19451949
Locatie Nederlands-Indië
Resultaat Uiteindelijke onafhankelijkheid van Indonesië
Geschiedenis van Indonesië
..Naar chronologie

Vroege vorstendommen

De opkomst van de moslimstaten

Koloniaal Indonesië

De opkomst van Indonesië

Onafhankelijk Indonesië

De politionele acties (ook wel politiële acties genoemd) zijn de militaire operaties die Nederland op Java en Sumatra tegen de uitgeroepen Republiek Indonesië ondernam in de periode 21 juli tot 5 augustus 1947 (eerste actie) en 19 december 1948 tot 5 januari 1949 (tweede actie). Deze acties vonden plaats tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949). Afgezien van de politionele acties had deze oorlog meestentijds het karakter van een guerrilla die werd gevoerd door de Indonesische nationalisten tegen de Nederlandse troepen. Na 1949 flakkerde de strijd (afgezien van de coup van ex-kapitein Westerling in 1950) nog éénmaal op. Dat was tijdens de vijandelijkheden die voorafgingen aan de overdracht van Nederlands Nieuw-Guinea in 1962.

Nederland erkende de Republiek niet als een onafhankelijke staat, maar beschouwde haar als een opstandige beweging in de kolonie Nederlands-Indië. Daarom bezigde men de term 'politionele actie', mede in de hoop hiermee buitenlandse kritiek op het militaire optreden af te zwakken.

Tijdens beide politionele acties telde de Nederlandse troepenmacht in Indonesië, met inbegrip van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), meer dan 100.000 man. Het grootste deel hiervan werd bij de acties ingezet. Deze omvang maakte duidelijk dat van een beperkte ‘politieactie’, zoals de Nederlandse regering het probeerde voor te stellen, geen sprake was. In totaal lieten bijna 5000 Nederlandse militairen het leven, waarvan ongeveer de helft door gevechtshandelingen en de overigen ten gevolge van ziekten en ongevallen. Aan Indonesische zijde viel een veelvoud daarvan: naar schatting 150.000.


Inhoud

[bewerk] Aanloop naar de politionele acties

De kolonie Nederlands-Indië werd in 1942 bezet door Japan. Na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 ontstond een gezagsvacuüm, dat twee dagen later door de nationalistische leiders Soekarno en Hatta werd benut om de Republiek Indonesië uit te roepen. De voormalige kolonie werd vervolgens tijdelijk bezet door Britse en Australische troepen. Op Java en Sumatra waren zij geconcentreerd in een aantal enclaves rond de grote steden. In de rest van deze twee eilanden had de kersverse Republiek Indonesië min of meer vrij spel.

Nederland wilde de Republiek niet erkennen en streefde naar herstel van zijn gezag. De urgentie hiervan nam toe toen verontrustende berichten kwamen uit Republikeins gebied over massale moordpartijen door ongeregelde benden op Nederlanders die de Japanse interneringskampen hadden overleefd, maar ook op Indo-Europeanen, Ambonezen en Chinezen. Tijdens deze episode, die bekend staat als de Bersiap, vielen duizenden slachtoffers. De Britten weigerden echter aanvankelijk om Nederlandse troepen op Java en Sumatra toe te laten.

Pas in maart 1946, nadat Nederland bereidheid had getoond tot onderhandelingen met de Republiek, konden Nederlandse troepen de Britse posities in de enclaves overnemen. Er volgden in het grensgebied doorlopend schermutselingen tussen Nederlandse en Republikeinse troepen. Overigens was er ook hevig verzet tegen de terugkeer van de Nederlanders in andere delen van de Indische Archipel. Uiteindelijk kwam er een wapenstilstand en werd er onderhandeld over een politiek akkoord, wat uitmondde in de Overeenkomst van Linggadjati. Hierin werd bepaald dat Indonesië een federale staat zou worden, waarin de Republiek één van de deelstaten zou vormen. De vorming van een Nederlands-Indonesische Unie moest uitdrukking geven aan de speciale band tussen beide landen. Op deze manier hoopte Nederland de schade van de Indonesische onafhankelijkheid zoveel mogelijk te beperken.

Het Akkoord van Linggadjati werd op 25 maart 1947 door de Tweede Kamer weliswaar geratificeerd, maar tevens van een aantal kanttekeningen voorzien (men sprak wel van het 'aangeklede' Linggadjati). Het betrof financieel-economische bepalingen en een aparte status voor Nederlands Nieuw-Guinea. De regering van de Republiek stemde - niet zozeer uit overtuiging als wel om tactische redenen - voor het Akkoord van Linggadjati, maar weigerde in te stemmen met de aanvullende bepalingen van de aangeklede versie. Een en ander droeg natuurlijk niet bij aan het vertrouwen dat nodig was om op basis van het Akkoord van Linggadjati verder te werken aan een oplossing van het conflict tussen Nederland en de Republiek.

[bewerk] Opbouw omvangrijk militair apparaat

Nederland streefde op korte termijn naar herstel van zijn gezag en beveiliging van zijn onderdanen in Nederlands-Indië. Dat men uiteindelijk met de Republiek tot een vergelijk zou moeten komen over de onafhankelijkheid van de kolonie werd in Nederlandse regeringskringen - zij het met tegenzin - beseft, maar men wilde wel tot een voor Nederland zo gunstig mogelijke onderhandelingsresultaat komen. De aanwezigheid van een omvangrijke Nederlandse troepenmacht zou, zo meende men, de Nederlandse onderhandelingspositie versterken.

De troepen die Nederland nodig dacht te hebben konden niet worden geleverd door de Indische legermacht, het KNIL. Die formatie had, na de overgave aan Japan in 1942, feitelijk opgehouden te bestaan. De wederopbouw van het KNIL werd weliswaar met kracht ter hand genomen, maar zou op korte termijn nog onvoldoende resultaten afwerpen. De benodigde troepen moesten dus vooral uit Nederland komen, van de Koninklijke Landmacht (KL). Aanvankelijk waren dat oorlogsvrijwilligers (OVW'ers) en later volgden grotere aantallen dienstplichtigen.

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in Europa en kort daarna werden oorlogsvrijwilligers geworven voor de strijd tegen Japan. Nadat Japan had gecapituleerd stuurde de Nederlandse regering deze troepen toch naar Indonesië, om bij te dragen aan herstel van het Nederlandse gezag aldaar. Tot deze eerste troepen behoorde ook de mariniersbrigade, een moderne gevechtseenheid, opgeleid in de Verenigde Staten. Het totaal aantal oorlogsvrijwilligers bedroeg ongeveer 25.000 man.

Begin 1946 diende het kabinet-Schermerhorn/Drees een wijziging van de grondwet in die het mogelijk moest maken dienstplichtigen tegen hun wil naar Indië te sturen. Op 24 september 1946 vertrok het eerste troepenschip Boissevain met dienstplichtigen, de Zeven December-divisie uit de haven van Amsterdam, terwijl de grondwetswijziging pas in augustus 1947 in het Staatsblad werd afgekondigd. In de jaren 1946 t/m 1949 werden in totaal ongeveer 95.000 Nederlandse dienstplichtigen naar Indonesië gestuurd.

[bewerk] Draagvlak in de Nederlandse samenleving

In juli 1946 vond een onderzoek plaats van de publieke opinie over de vraag: 'Bent U het ermee eens dat onze soldaten naar Indië worden gezonden?'. Van de mannen antwoordde 50% met 'ja' en 41% met 'neen'. Bij de vrouwen was dit respectievelijk 36% en 44%. De overige ondervraagden gaven aan 'geen oordeel' te hebben. Voor- en tegenstanders hielden elkaar dus ongeveer in evenwicht. Op 22 september 1946, twee dagen voor het vertrek van de Boissevain, waren er in Amsterdam grote protestdemonstraties. De politie trad hiertegen met zwaar geweld op. Op de vertrekdag brak in Amsterdam een massale proteststaking uit. Op de wagons van troepentreinen waren opschriften te lezen als "Vleestransport Amsterdam-Batavia".

Duizenden dienstplichtigen hadden ernstige bezwaren om naar Indonesië te worden uitgezonden. De meesten van hen hadden geen enkel bezwaar gehad hun dienstplicht in Nederland te vervullen maar wel om zich te laten inzetten in een strijd tegen het Indonesische volk dat tegen de vroegere koloniale heerser voor zijn bevrijding vocht. De principiële dienstweigeraars werden door de militaire instanties, en ook door de krijgsraden die hen later berechtten, als deserteurs aangemerkt. Zij werden ook behandeld als zodanig (zelfs harder dan oud-SS'ers), veroordeeld tot zware straffen, en behandeld als paria's na beëindiging van hun straftijd.

Hoewel de bevolking over het uitzenden van dienstplichtigen sterk verdeeld was, kon het militaire optreden in Indië wel rekenen op de instemming van de meerderheid van de Nederlanders. De Tweede Politionele Actie bijvoorbeeld werd, blijkens een onderzoek van de publieke opinie, door 62% van de ondervraagden goedgekeurd en door 19% afgekeurd, terwijl een even groot percentage geen mening had.

[bewerk] Eerste politionele actie (Operatie Product)

[bewerk] Besluit tot militair ingrijpen

Drie factoren droegen bij aan het besluit van Nederland om over te gaan tot de Eerste Politionele Actie. Ten eerste had aan Nederlandse kant de overtuiging postgevat dat de onderhandelingen met de Republiek, gezien de ervaringen met Linggadjati, op dood spoor waren beland. Ten tweede was de militaire opbouw zo ongeveer voltooid. De totale sterkte van de grondtroepen in Indonesië bedroeg circa 110.000 man. Hiervan behoorden een kleine 45.000 man tot het KNIL, ongeveer 60.000 man tot de KL en circa 5000 man tot de Mariniersbrigade. Deze militairen zaten werkeloos opgesloten in hun enclaves, maar vormden wel een schietschijf voor de TNI en daaraan gerelateerde strijdgroepen. Deze situatie kon moeilijk eindeloos voortduren en ontlokte aan Willem Drees in de ministerraad de uitspraak: 'De Nederlandse troepen zijn nu eenmaal niet voor niets naar Indië gegaan'. Ten derde was de financiële last van de militaire aanwezigheid in Indië voor het door de oorlog verarmde Nederland steeds moeilijker te dragen. Door de bezetting van gebieden waarin de belangrijke ondernemingen lagen zou de Indische economie een flinke impuls kunnen krijgen en zouden de deviezen kunnen worden verkregen die nodig waren voor de instandhouding van het militaire apparaat.

[bewerk] Militaire krachtsverhouding

Slechts een deel van de in totaal 110.000 man troepen zou aan Nederlandse kant worden ingezet. De actie was gericht op gebieden in Java en Sumatra die door de Republiek werden beheerst, maar een deel van de beschikbare troepen was nodig voor de gezagshandhaving op de andere eilanden van de archipel, voor bewakingsdiensten et cetera. De aanvalsmacht was opgebouwd uit acht brigades bestaande uit oorlogsvrijwilligers en KNIL-personeel (Drie hiervan lagen op Sumatra en de rest op Java), alsmede uit de Eerste Divisie 7 December, en de kort tevoren gearriveerde Tweede Divisie, beide gelegerd in Java en voor het overgrote deel bestaande uit dienstplichtigen. Militairen van de Tweede Divisie zouden verspreid over andere onderdelen aan de strijd deelnemen. De totale sterkte van deze strijdmacht komt ruw geschat uit op 75.000 man.

Aan Indonesische kant had men de beschikking over zestien divisies, waarvan tien op Java en zes op Sumatra. Op papier kwam dit neer op een tweevoudig numeriek overwicht. De gevechtswaarde van deze divisies liet echter te wensen over. Men had weliswaar geen tekort aan personeel en het moreel was over het algemeen hoog, maar de bewapening was zowel kwantitatief als kwalitatief onder de maat, de organisatie zwak en de geoefendheid gering.

[bewerk] Verloop van de operaties

Het onder leiding van legercommandant generaal Simon Spoor opgestelde operatieplan 'Product' beoogde de bezetting van de economisch belangrijke gebieden in het westen en oosten van Java en rond de enclaves in Sumatra. Midden-Java met Jogjakarta, de zetel van de Republikeinse regering, zou ongemoeid worden gelaten. De regering in Den Haag was namelijk beducht voor de internationale reacties, met name van Britse en Amerikaanse kant, als het tot de aanval op 'Djokja' zou overgaan. Overigens had de legerleiding in Batavia, die zeer geporteerd was voor zo'n aanval, wel alvast plannen uitgewerkt voor het geval het toch zover zou komen.

Op 21 juli 1947 braken de Nederlandse troepen uit hun eclaves en daarmee was de Eerste Politionele Actie begonnen. Het Republikeinse leger (TNI) probeerde de Nederlandse opmars te vertragen door het opblazen van bruggen, het opwerpen van wegversperringen, het leggen van hinderlagen en het tot ontploffing brengen van bermbommen. Doel hiervan was om de eigen troepen in veiligheid te kunnen brengen en zo mogelijk de tactiek van de verschroeide aarde te kunnen toepassen. Een rechtstreekse confrontatie met de Nederlandse troepen, die over een veel grotere vuurkracht beschikten, werd zoveel mogelijk vermeden.

De gestelde doelen op Java werden vlot bereikt. Heel West-Java, met uitzondering van het meest westelijke puntje (Bantam) werd bezet, evenals Oost-Java en het nabijgelegen eiland Madura. De gebiedsuitbreiding op Sumatra bleef relatief bescheiden. Gezien het succes van de actie, wilden de legerleiding en luitenant gouverneur-generaal van Mook toch maar meteen doorstoten naar Jogjakarta, maar de regering in Den Haag, die over de kwestie verdeeld was, hield uiteindelijk het been stijf. Door ingrijpen van de Verenigde Naties (VN) werd een staakt-het-vuren afgekondigd, dat op 5 augustus 1947 van kracht werd.

[bewerk] Nasleep

In januari 1948 volgde een formele wapenstilstand bij de Renville-overeenkomst, genoemd naar het Amerikaanse oorlogsschip waar de onderhandelingen werden gevoerd. Hiermee - en door het eerdere ingrijpen van de Verenigde Naties - kreeg wat voorheen als een interne Nederlandse kwestie werd beschouwd, een internationaal karakter, hetgeen een versterking betekende van de positie van de Republiek. Beide partijen committeerden zich om langs de lijnen van Linggadjati via onderhandelingen tot een vergelijk te komen. De overeenkomst voorzag ook in een troepenscheiding. Militairen van de TNI in het door de Nederlanders bezette gebied zouden, met medeneming van hun wapens, vertrekken naar Republikeins gebied. Dat plan werd inderdaad ten uitvoer gelegd, maar na verloop van tijd keerde de TNI geleidelijk terug om over te gaan tot de guerrilla, een activiteit die voorheen was voorbehouden aan ongeregelde strijders, de zogenaamde pelopors. Hiermee werd de kiem gelegd voor de Tweede Politionele Actie.

[bewerk] Tweede politionele actie (Operatie Kraai)

[bewerk] Besluit tot hernieuwd militair ingrijpen

Zowel de situatie in Indonesië als die in Nederland droegen bij aan het besluit tot de Tweede Politionele Actie. De Eerste Politionele Actie had een oplossing van het conflict niet naderbij gebracht. De guerrilla-activiteit in de veroverde gebieden bezorgde de Nederlandse troepen handen vol werk en voortdurende verliezen. De onderhandelingen met de Republiek waren vastgelopen. Die Republiek kreeg ook steeds meer internationaal aanzien en – na het neerslaan van een communistische opstand – openlijke steun van de Verenigde Staten. Bovendien nam de druk toe om de dienstplichtigen, waarvan sommigen al drie jaar in Indië waren, te repatriëren. De instandhouding van de legermacht in Indië vormde een zware last voor de schatkist en bovendien waren de dienstplichtigen hard nodig voor de economische wederopbouw van Nederland en voor de vorming van strijdkrachten in Europa, een streven dat na de communistische machtsovername in Praag (1948) urgent was geworden. Gezien het bovenstaande kan worden gesteld dat de eind 1948 ingezette Tweede Politionele Actie een wanhoopsoffensief was.

Hoofddoel van de Tweede Politionele Actie (‘Operatie Kraai’) was de Republiek definitief van de kaart te vegen, niet alleen geografisch, maar vooral militair en politiek. Hiertoe zouden de Nederlandse troepen het resterende grondgebied van de Republiek in Java en Sumatra binnentrekken en daar posities innemen. Maar voor alles moest de Republikeinse hoofdstad Jogjakarta bij verrassing worden ingenomen. Men hoopte daar de regering en legerleiding van de Republiek gevangen te kunnen nemen. De TNI op Midden-Java moest worden omsingeld en uitgeschakeld. Als deze opzet slaagde zou de Republiek feitelijk ophouden te bestaan en zou de internationale gemeenschap voor een voldongen feit worden geplaatst. Nederland kon daarna met meer gematigde Indonesische krachten vormgeven aan de onafhankelijkheid van Indonesië.

[bewerk] Militaire situatie

In de loop van 1948 werd het overgrote deel van de oorlogsvrijwilligers gedemobiliseerd. Daar stond tegenover dat een ongeveer even groot aantal nieuwe dienstplichtigen in Indonesië was aangekomen. Verder was het KNIL uitgebreid. De legerleiding in Batavia kon beschikken over in totaal ruim 140.000 man, aanzienlijk meer dan voor de Eerste Politionele Actie. Kwalitatief was echter nauwelijks sprake van een versterking: de nieuw aangekomen dienstplichtigen hadden minder gevechtswaarde dan de oorlogsvrijwilligers die zij moesten vervangen, en de uitbreiding van het KNIL had hoofdzakelijk betrekking op bewakingstroepen die niet geschikt waren voor offensieve operaties. Mede gezien de druk vanuit Nederland om de dienstplichtigen te repatriëren was duidelijk dat, als men tot actie wilde overgaan, dit binnen afzienbare tijd moest gebeuren.

[bewerk] Verloop van de operaties

In de vroege ochtend van 19 december 1948 landden parachutisten van het Korps Speciale Troepen (KST) op het vliegveld van Jogjakarta. De bewaking werd snel onschadelijk gemaakt, waarna door de lucht versterkingen werden aangevoerd. Binnen enkele uren was de stad in Nederlandse handen en waren de Indonesische leiders, waaronder Soekarno en Hatta, opgepakt. De Republikeinse legerleiding, waaronder de bekwame opperbevelhebber Soedirman, slaagde er evenwel in te ontsnappen.

Ondertussen waren de Nederlandse troepen vanuit Oost- en West-Java aan hun opmars in Midden-Java begonnen. In het noorden werd de aanval ingezet met een amfibische landing door de Mariniersbrigade. De troepen stuitten op hevige tegenstand van de TNI en ondervonden ook hinder van moeilijk begaanbare wegen ten gevolge van de moesson. Men schoot minder snel op dan verwacht. Uiteindelijk werden wel alle territoriale doelen in Midden-Java bereikt, maar men was er niet in geslaagd de TNI de genadeslag toe te brengen. Deze tegenstander had het niet op een beslissende slag laten aankomen, maar had zich volgens tevoren opgestelde plannen teruggetrokken op plaatsen – deels elders op Java - die buiten bereik van de Nederlanders lagen en van waaruit de guerrilla zou worden gevoerd.

De Nederlanders trokken ook nog Bantam op West-Java binnen. Op Sumatra bleef de actie beperkt tot de bezetting van een aantal strategisch gelegen plaatsen in Republikeins gebied.

[bewerk] Nasleep

De internationale reactie was furieus. Kort na het begin van Operatie Kraai kwam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in spoedzitting bijeen. Aangevoerd door de Amerikanen werd Nederland gesommeerd de vijandelijkheden onmiddellijk te staken en de Indonesische leiders vrij te laten. Aan die eerste eis werd gehoor gegeven. Op Java werd de actie gestaakt op 31 december 1948 en enige dagen later volgde Sumatra. De beoogde gebiedsuitbreiding was toen al min of meer gerealiseerd. De tweede eis werd echter niet ingewilligd: de Indonesische leiders bleven vastzitten.

De TNI had in Midden-Java weliswaar rake klappen moeten incasseren, maar vertoonde een opmerkelijke veerkracht en bleek inmiddels zeer bekwaam in de guerrilla. Die strijdwijze bezorgde de Nederlandse troepen handenvol werk en toenemende verliezen. De beschikbare mankracht bleek onvoldoende om heel Java onder controle te houden. Bovendien gingen de nationalisten op grote schaal over tot de liquidatie van Indonesiërs die met de Nederlanders samenwerkten, waardoor de stabiliteit van het binnenlands bestuur ernstig werd ondermijnd. Op het internationale vlak werd de druk op Nederland verder opgevoerd. Onder leiding van Amerika koos de Veiligheidsraad onomwonden partij tegen Nederland. Er dreigden internationale sancties en intrekking van de Marshallhulp.

[bewerk] Soevereiniteitsoverdracht

In mei 1949 ging de Nederlandse regering overstag. Er werd een akkoord gesloten met de Republiek (de ‘Van Roijen/Roem-overeenkomst’) dat voorzag in de ontruiming van Jogjakarta, vrijlating en terugkeer van de Republikeinse leiders en stopzetting van de guerrilla. In augustus werd het staakt-het-vuren van kracht, maar het bleef daarna nog geruime tijd onrustig. Een definitieve regeling van het conflict moest worden bereikt op een rondetafelconferentie in Den Haag.

In de onderhandelingen stelden de Indonesische nationalisten zich soepel op en werd een aantal Nederlandse gevoeligheden ontzien. Het onafhankelijke Indonesië zou een federale structuur kennen: de Verenigde Staten van Indonesië. De band met de vroegere kolonisator zou vorm krijgen in de Nederlands-Indonesische Unie. Financieel-economische afspraken werden gemaakt die de Nederlandse economische belangen moesten veiligstellen. Nieuw-Guinea, tenslotte, werd buiten de soevereiniteitsoverdracht gehouden en zou in afwachting van een definitieve regeling onder Nederlands bestuur blijven. Dit hele pakket vertoonde veel overeenkomst met het ‘aangeklede Linggadjati’ dat de Republiek drie jaar eerder had verworpen. Maar inmiddels waren de omstandigheden ingrijpend gewijzigd. De Indonesische leiders blaakten van zelfvertrouwen en genoten groot internationaal aanzien, terwijl de rol van Nederland in de voormalige kolonie was uitgespeeld. Als de Nederlanders eenmaal waren vertrokken kon Indonesië zijn eigen interpretatie van de gemaakte afspraken volgen.

En aldus geschiedde. Op 27 december 1949 vond in Amsterdam de soevereiniteitsoverdracht plaats. De inkt van de overdrachtsakte was nog niet droog of Indonesië begon met het oprollen van de deelstaten. Dat leidde met name op de Molukken tot verzet, maar dat verzet werd hardhandig de kop ingedrukt. De Nederlands-Indonesische Unie kwam nooit echt van de grond en werd uiteindelijk in 1956 ten grave gedragen. De belangen van het Nederlandse bedrijfsleven kwamen vervolgens in de knel toen Indonesië over Nieuw-Guinea een harde confrontatiepolitiek ging voeren. Na gewapende infiltraties en de dreiging van een grote oorlog, droeg Nederland in 1962 dat gebied over. Deze episode vormde het laatste bedrijf in de totstandkoming van de Indonesische eenheidsstaat die het gehele grondgebied van de voormalige kolonie Nederlands-Indië omvatte: de Republiek Indonesië.

[bewerk] Geruchtmakende affaires

[bewerk] Zuid-Celebes-affaire

Berucht is de affaire-Westerling geworden, die zich nog vóór de eerste politionele actie afspeelde. Op Zuid-Celebes was het verzet tegen de Nederlanders sterk, en het verliep niet zonder geweld. Kapitein R.P.P. (Raymond) Westerling (1919 - 1987), hoofd van het Depot (of: Korps) Speciale Troepen, trad daartegen van december 1946 tot februari 1947 meedogenloos op. Het DST was een commando-eenheid die bevoegd was onafhankelijk van het reguliere Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) te opereren. Onder het vigerende "noodrecht" werden standrechtelijke executies voltrokken, waarbij in diverse dorpen grote aantallen mannen werden gedood. Maar ook werden gevangenen uit de cel gehaald en zonder vorm van proces geëxecuteerd. Soms was er bovendien van mishandeling sprake.

Toen dat bekend werd, werden aan deze militairen de speciale bevoegdheden ontnomen. Ook stelde in april 1947 de commissie-Enthoven een onderzoek in, maar haar rapport is pas eind 1948 aan de Tweede Kamer gezonden, en dan nog vertrouwelijk. Steeds werd ervan uitgegaan dat er uitwassen voorkwamen, maar dat er geen sprake was van structureel geweld. Begin 1949 werden brieven van Nederlandse militairen in de Kamer voorgelezen (en ze haalden ook de pers), waarin de schrijvers, hoewel vaak geen tegenstander van militaire aanwezigheid in Indonesië, gewag maakten van misstanden. De regering overwoog Prins Bernhard, de Inspecteur-Generaal van de Koninklijke Landmacht, naar Indonesië te zenden, maar dit leek niet bevorderlijk voor het vredesproces.

De zaak wekte in Nederland opnieuw grote opschudding toen de psycholoog dr J.E. Hueting, zelf Indië-veteraan, in 1969 in het TV-programma Achter het Nieuws informatie gaf over het Nederlandse optreden. Er volgde een nieuw onderzoek, geleid door Cees Fasseur, uitmondend in een Excessennota, die melding maakte van 3144 slachtoffers gedood door militairen, 136 door de politie, en nog 576 door de kampongpolitie.

Het precieze aantal slachtoffers is omstreden. Nederlandse bronnen houden het op enkele duizenden slachtoffers. Aan Indonesische zijde wordt gesproken van 40.000, en nog altijd kennen vele plaatsen in Celebes een Jalan 40.000 ("40.000-straat"). Nederlanders die het eiland bezoeken, worden veelvuldig geconfronteerd met de vragen wat zij van de affaire vinden, en waarom Westerling nooit is berecht. Inderdaad zijn er 42 vonnissen tegen Nederlandse militairen geveld, maar geen ervan betrof een officier.

Nederlanders ontmoeten op Sulawesi ook Indonesiërs, die het optreden van Westerling toejuichen als de enige manier om de guerrilla te stoppen. Zij betreuren dat Westerling "zijn werk niet mocht afmaken". De guerrilla op het eiland woedde na zijn vertrek nog ongeveer twintig jaar voort, tot deze door optreden van Soeharto werd beëindigd.

(In 1950 is het Korps Speciale Troepen naar de Molukken verscheept, waar het een rol heeft gespeeld bij de stichting van de Republiek Zuid-Molukken. Kapitein Westerling heeft in Bandung nog een coup gepleegd, die tot mislukking gedoemd was.)

[bewerk] Bondowoso en Pakisadji

Een tweede beruchte zaak was de Bondowoso-affaire, waarbij in 1947 tijdens een treintransport 46 Indonesische gevangenen omkwamen. Zij waren zonder voedsel of drank ingesloten geweest. Een aantal Nederlandse militairen kreeg straffen, die varieerden van twee tot acht maanden.

Rond dezelfde tijd werd door het leger de kampong Pakisadji in brand gestoken. Indonesische verzetsstrijders hadden in de regio mijnen gelegd. Drie Nederlandse militairen weigerden op ethische gronden mee te werken aan het afbranden, en werden veroordeeld tot 2 en 2½ jaar gevangenisstraf.

De Pakisadji-affaire kwam pas een jaar later in het nieuws. Dat in deze affaire zoveel zwaardere vonnissen waren uitgesproken dan in de Bondowoso-zaak, wekte verontwaardiging.

[bewerk] Excessen aan Republikeinse kant

Evenals aan Nederlandse kant zijn ook aan Republikeinse kant wandaden gepleegd. De onderstaande gegevens zijn ontleend aan het standaardwerk van Dr. L. de Jong.

Tijdens de Bersiap-periode (zie boven) en kort daarna werden een kleine 5000 Nederlanders, Indische-Nederlanders, Ambonezen en Chinezen, waaronder vrouwen en kinderen, om het leven gebracht door Republikeinse strijdgroepen, zoals de zogenaamde Pemoeda-groepen.

In de jaren daarna richtte het Republikeinse geweld zich niet alleen tegen de Nederlandse troepen. Indonesiërs die ervan werden verdacht met de Nederlandse samen te werken werden het slachtoffer van massale moordpartijen. De Jong spreekt in dit verband van enkele tienduizenden slachtoffers, alleen al op Java.

[bewerk] Zie ook

[bewerk] Verder lezen

[bewerk] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:
  • Een deel van de tekst is afkomstig uit het Nationaal Archief.

Voorts:

[bewerk] Externe links

 
Persoonlijke instellingen