Indonesische onafhankelijkheidsstrijd

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Politionele acties)
Ga naar: navigatie, zoeken
Politionele acties, Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog
Militaire colonne tijdens de eerste politionele actie
Militaire colonne tijdens de eerste politionele actie
Datum 17 augustus 194527 december 1949
Locatie Nederlands-Indië
Resultaat Militaire Nederlandse overwinning, politieke Indonesische overwinning. Uiteindelijke onafhankelijkheid van Indonesië
Strijdende partijen
Vlag van Nederland Nederland Vlag van Indonesië Indonesië
Commandanten
Vlag van NederlandGeneraal Simon Spoor

Vlag van NederlandHubertus van Mook

Vlag van IndonesiëSoekarno

Vlag van IndonesiëGeneraal Soedirman

Troepensterkte
140.000 (piek) TNI 183.000

Pemoeda's 60.000?

Verliezen
5.000 doden 150.000 doden (slachtoffers van zowel Nederlands, als van Indonesisch nationalistisch, optreden)
Portaal  Portaalicoon   KNIL
Geschiedenis van Indonesië

History of Indonesia.png
..Naar chronologie

Vroege vorstendommen

De opkomst van de moslimstaten

Koloniaal Indonesië

De opkomst van Indonesië

Onafhankelijk Indonesië


Portaal  Portaalicoon  Indonesië
Portaal  Portaalicoon  Geschiedenis

De politionele acties (ook wel politiële acties) zijn de offensieve operaties van de Nederlandse strijdkrachten in Indonesië kort na de Tweede Wereldoorlog. Deze operaties vonden plaats op de eilanden Java en Sumatra in de periode 21 juli tot 5 augustus 1947 (eerste actie) en 19 december 1948 tot 5 januari 1949 (tweede actie), en waren onderdeel van de militaire confrontatie tussen Nederland en de Republiek Indonesië, welke republiek na de Japanse capitulatie in augustus 1945 was uitgeroepen door de nationalistische leiders Soekarno en Hatta. Inzet van het conflict was de onafhankelijkheid van Indonesië, voordien de kolonie Nederlands-Indië. Daarom wordt dit conflict ook wel aangeduid als de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog (1945-1949).

In het spraakgebruik wordt de term 'politionele acties' vaak gebezigd om het jarenlange Nederlandse militaire optreden tijdens de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog aan te duiden. In deze tekst worden de beide politionele acties beschreven tegen de achtergrond van de algemene politieke en militaire situatie, vanaf de capitulatie van Japan in augustus 1945 tot aan de soevereiniteitsoverdracht in december 1949.

Kort na het uitroepen van de Republiek braken vijandelijkheden uit tussen de Indonesische nationalisten en de troepen uit het Britse Gemenebest die na de Japanse capitulatie in augustus 1945 strategische posities in de archipel hadden ingenomen. In oktober 1945 ontbrandde de strijd om Soerabaja, welke stad de nationalisten na bloedige gevechten moesten prijsgeven. Let wel: hierbij waren dus nog geen Nederlandse troepen betrokken. Pas in maart 1946 werden Nederlandse troepen in Indonesië toegelaten om de Britse posities over te nemen.

Afgezien van de politionele acties (kortdurende Nederlandse offensieven) had de Indonesische Onafhankelijkheidsoorlog meestentijds het karakter van een guerrilla van de Indonesische nationalisten tegen de Nederlandse troepen. De vijandelijkheden duurden tot het staakt-het-vuren in augustus 1949 Op sommigen plaatsen duurden de vijandelijkheden echter voort, waardoor ook Nederlandse militairen sneuvelden na augustus 1949.

Na 1949 flakkerde de strijd (afgezien van de coup van ex-kapitein Westerling in 1950) nog eenmaal op. Dat was tijdens de vijandelijkheden die voorafgingen aan de overdracht van Nederlands-Nieuw-Guinea in 1962.

De Nederlandse regering erkende de Republiek niet als een onafhankelijke staat, maar beschouwde haar als een opstandige beweging binnen de kolonie Nederlands-Indië. Hierbij dient aangetekend te worden dat in het akkoord van Linggadjati de Republiek de soevereiniteit van Nederland gedurende een overgangsperiode had erkend. Verder dat er hongersnood dreigde in de door Nederland bezette gebieden door een blokkade van de opstandelingen. Nederland achtte zich verantwoordelijk voor het welzijn van de bevolking, dus ook van Indonesiërs, Chinezen en Arabieren in deze gebieden. Daarom bezigde men de term 'politionele actie'. 'Politioneel' was sinds de negentiende eeuw een gebruikelijke term voor militair optreden dat tot doel had de regelmatig voorkomende opstanden in de kolonie neer te slaan. Het gebruik van de term kan ook worden gezien als een manier om te verbloemen dat het hier om een vrijheidsoorlog ging en zo kritiek op het militaire optreden te pareren. In meer recente literatuur wordt om deze reden ook wel gesproken van de Nederlands-Indonesische Oorlogen, zoals door Van den Doel in zijn boek Afscheid van Indië: de val van het Nederlandse imperium in Azië (2000). Je kunt je afvragen of je een actie van een aantal weken en dan nog wel twee, een "oorlog" moet noemen. Achter beide benamingen gaat dan ook een politieke opvatting schuil. Misschien is "militaire actie" een aanvaardbaar compromis.

Tijdens beide politionele acties telde de Nederlandse troepenmacht in Indonesië, met inbegrip van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL), meer dan 100.000 man. Het grootste deel hiervan werd bij de acties ingezet. Deze omvang maakte duidelijk dat van een beperkte ‘politieactie’, zoals de Nederlandse regering het probeerde voor te stellen, geen sprake was.

Tijdens de bijna vier jaar durende militaire aanwezigheid van Nederland in Indonesië lieten circa 5.000 Nederlandse militairen het leven, waarvan ongeveer de helft door gevechtshandelingen en de overigen ten gevolge van ziekten en ongevallen. Aan Indonesische zijde viel een veelvoud daarvan: naar schatting 150.000.[1] Dat waren zowel slachtoffers van Nederlands militair optreden als van geweld uitgeoefend door de Indonesische nationalisten tegen politieke tegenstanders en vermeende pro-Nederlandse elementen onder de eigen bevolking.

Aanloop naar de politionele acties[bewerken]

De kolonie Nederlands-Indië werd in 1942 bezet door Japan. Na de Japanse capitulatie op 15 augustus 1945 ontstond een gezagsvacuüm, dat twee dagen later door de nationalistische leiders Soekarno en Hatta werd opgevuld door de Republiek Indonesië uit te roepen. De voormalige kolonie werd vervolgens tijdelijk bezet door Britse en Australische troepen. Op Java en Sumatra werden deze bezettingstroepen geconcentreerd in een aantal enclaves rond de grote steden. In de rest van deze twee eilanden had de nieuwe Republiek Indonesië min of meer vrij spel.

Nederland erkende de Republiek niet, maar streefde naar herstel van het oude koloniale gezag. De urgentie hiervan nam toe toen verontrustende berichten kwamen uit Republikeins gebied over massale moordpartijen door ongeregelde benden op Nederlanders, meest Indo-Europeanen, maar ook op Ambonezen en Chinezen. Tijdens deze episode, die bekendstaat als de Bersiap [2], vielen duizenden slachtoffers. De Britten weigerden echter aanvankelijk om Nederlandse troepen op Java en Sumatra toe te laten. Zij vreesden dat de toch al gespannen situatie op de eilanden hierdoor gemakkelijk zou kunnen escaleren. Slechts één bataljon mariniers had kans gezien - in weerwil van het Britse beleid om voorlopig geen Nederlandse troepen toe te laten - al eind 1945 in Batavia te ontschepen. Kort daarvoor had ook een bataljon van het opnieuw gevormde KNIL vanuit Borneo Batavia weten te bereiken.

Pas in maart 1946, nadat Nederland bereidheid had getoond tot onderhandelingen met de Republiek, mochten Nederlandse troepen de Britse posities in de enclaves overnemen. Er volgden in het grensgebied van die enclaves, langs de zogenaamde 'demarcatielijnen', doorlopend schermutselingen tussen Nederlandse en Republikeinse troepen. Hoewel ook buiten Java en Sumatra, in de zogenaamde 'buitengewesten', sprake was van verzet tegen de terugkeer van de Nederlanders, wisten die daar hun gezag te herstellen.

In april 1946 begonnen onderhandelingen tussen Nederland en de Republiek op de Hoge Veluwe, maar die leidden niet tot overeenstemming. Later werden de onderhandelingen in Indonesië voortgezet. Uiteindelijk kwam er een wapenstilstand en werd er onderhandeld over een politiek akkoord, wat uitmondde in de Overeenkomst van Linggadjati. Hierin werd bepaald dat Indonesië een federale staat zou worden, waarin de Republiek één van de deelstaten zou vormen. De vorming van een Nederlands-Indonesische Unie moest uitdrukking geven aan de speciale band tussen beide landen. Op deze manier hoopte Nederland de economische schade van de Indonesische onafhankelijkheid zo veel mogelijk te beperken.

Het Akkoord van Linggadjati werd op 25 maart 1947 door de Tweede Kamer weliswaar geratificeerd, maar tevens van een aantal kanttekeningen voorzien (men sprak wel van het 'aangeklede' Linggadjati). Het betrof financieel-economische bepalingen en een aparte status voor Nederlands-Nieuw-Guinea. De regering van de Republiek stemde - niet zozeer uit overtuiging als wel om tactische redenen - voor het Akkoord van Linggadjati, maar weigerde in te stemmen met de aanvullende bepalingen van de aangeklede versie. Een en ander droeg natuurlijk niet bij aan het vertrouwen dat nodig was om op basis van het Akkoord van Linggadjati verder te werken aan een oplossing van het conflict tussen Nederland en de Republiek.

Opbouw omvangrijk militair apparaat[bewerken]

Bioscoopjournaal uit 1946. Nederlandse troepen gaan Britse aflossen in Palembang.
Aankomst nieuwe lichting Nederlandse militairen in 1949.

Nederland streefde op korte termijn naar herstel van zijn gezag en beveiliging van zijn onderdanen in Nederlands-Indië. Dat de onafhankelijkheid van Indonesië op den duur onvermijdelijk zou zijn werd in Nederlandse regeringskringen wel beseft. Maar het idee dat de Republiek in die onafhankelijkheid de hoofdrol zou gaan spelen stuitte op grote weerstand. Die Republiek werd afgeschilderd als een creatie van de Japanse vijand, en haar president, Soekarno, als een collaborateur. Onderhandelingen met de Republiek waren derhalve omstreden, maar onder buitenlandse druk viel er niet aan te ontkomen. De aanwezigheid van een omvangrijke Nederlandse troepenmacht betekende dat de militaire optie werd opengehouden, en zou daarom ook de Nederlandse onderhandelingspositie versterken.

De troepen die Nederland nodig dacht te hebben konden niet worden geleverd door de Indische legermacht, het KNIL. Deze formatie had, na de overgave aan Japan in 1942, feitelijk opgehouden te bestaan. Slechts enige honderden militairen van het KNIL waren naar Australië ontkomen. De overigen waren - voor zover niet gedeserteerd - door de Japanners krijgsgevangen gemaakt. De wederopbouw van het KNIL werd weliswaar met kracht ter hand genomen, maar zou op korte termijn nog onvoldoende resultaten afwerpen. De benodigde troepen moesten dus vooral uit Nederland komen, van de Koninklijke Landmacht (KL). Aanvankelijk waren dat oorlogsvrijwilligers (OVW'ers) en later volgden grotere aantallen dienstplichtigen.

Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in Europa en kort daarna werden oorlogsvrijwilligers geworven voor de strijd tegen Duitsland en Japan. Nadat Japan had gecapituleerd stuurde de Nederlandse regering deze troepen toch naar Indonesië, om bij te dragen aan herstel van het Nederlandse gezag aldaar. Tot deze eerste troepen behoorde ook de mariniersbrigade, een moderne gevechtseenheid, opgeleid in de Verenigde Staten. Het totaal aantal oorlogsvrijwilligers bedroeg ongeveer 25.000 man.

Begin 1946 diende het kabinet-Schermerhorn-Drees een wijziging van de grondwet in die het mogelijk moest maken dienstplichtigen tegen hun wil naar Indië te sturen. Op 24 september 1946 vertrok het eerste troepenschip Boissevain met dienstplichtigen, de Zeven December-divisie uit de haven van Amsterdam, terwijl de grondwetswijziging pas in augustus 1947 in het Staatsblad werd afgekondigd. In de jaren 1946 t/m 1949 werden in totaal ongeveer 95.000 Nederlandse dienstplichtigen naar Indonesië gestuurd.

Draagvlak in de Nederlandse samenleving[bewerken]

In juli 1946 vond een onderzoek plaats van de publieke opinie over de vraag: 'Bent U het ermee eens dat onze soldaten naar Indië worden gezonden?'. Van de mannen antwoordde 50% met 'ja' en 41% met 'neen'. Bij de vrouwen was dit respectievelijk 36% en 44%. De overige ondervraagden gaven aan 'geen oordeel' te hebben. Voor- en tegenstanders hielden elkaar dus ongeveer in evenwicht. Op 22 september 1946, twee dagen voor het vertrek van de Boissevain, waren er in Amsterdam grote protestdemonstraties. De politie trad hiertegen met zwaar geweld op. Op de vertrekdag brak in Amsterdam een massale proteststaking uit. Op de wagons van troepentreinen waren opschriften te lezen als "Vleestransport Amsterdam-Batavia".

Duizenden dienstplichtigen hadden ernstige bezwaren om naar Indonesië te worden uitgezonden. De meesten van hen hadden geen enkel bezwaar gehad hun dienstplicht in Nederland te vervullen maar wel om zich te laten inzetten in een strijd tegen het Indonesische volk dat tegen de vroegere koloniale heerser voor zijn bevrijding vocht. De principiële dienstweigeraars werden door de militaire instanties, en ook door de krijgsraden die hen later berechtten, als deserteurs aangemerkt. Zij werden ook behandeld als zodanig (zelfs harder dan oud-SS'ers)[bron?] veroordeeld tot zware straffen en behandeld als paria's na beëindiging van hun straftijd.

Hoewel de bevolking over het uitzenden van dienstplichtigen sterk verdeeld was, kon het militaire optreden in Indië als zodanig wel rekenen op de instemming van een meerderheid van de Nederlanders. De Tweede Politionele Actie bijvoorbeeld werd, blijkens een onderzoek van de publieke opinie, door 62% van de ondervraagden goedgekeurd en door 19% afgekeurd, terwijl een even groot percentage geen mening had.

Eerste politionele actie (Operatie Product)[bewerken]

Besluit tot militair ingrijpen[bewerken]

Drie factoren droegen bij aan het besluit van Nederland om over te gaan tot de Eerste Politionele Actie. Ten eerste had aan Nederlandse kant de overtuiging postgevat dat de onderhandelingen met de Republiek, gezien de ervaringen met Linggadjati, op dood spoor waren beland. Ten tweede was de militaire opbouw zo ongeveer voltooid. De totale sterkte van de grondtroepen in Indonesië bedroeg circa 120.000 man. Hiervan behoorden een kleine 45.000 man tot het KNIL, ongeveer 70.000 man tot de KL en circa 5000 man tot de Mariniersbrigade. Deze militairen zaten werkeloos opgesloten in hun enclaves, maar vormden wel een schietschijf voor het leger van de Republiek (de TNI) en daaraan gerelateerde strijdgroepen. Deze situatie kon moeilijk eindeloos voortduren en ontlokte aan Willem Drees in de ministerraad de uitspraak: "De Nederlandse troepen zijn nu eenmaal niet voor niets naar Indië gegaan". Ten derde was de financiële last van de militaire aanwezigheid in Indië voor het door de oorlog verarmde Nederland steeds moeilijker te dragen. Door de bezetting van gebieden waarin de belangrijke ondernemingen lagen zou de Indische economie een flinke impuls kunnen krijgen en zouden de deviezen kunnen worden verkregen die nodig waren voor de instandhouding van het militaire apparaat.

Militaire krachtsverhouding[bewerken]

Slechts een deel van de in totaal 120.000 man troepen zou aan Nederlandse kant worden ingezet. De actie was gericht op gebieden in Java en Sumatra die door de Republiek werden beheerst, maar een deel van de beschikbare troepen was nodig voor de gezagshandhaving op de andere eilanden van de archipel, voor bewakingsdiensten et cetera. De aanvalsmacht was opgebouwd uit acht brigades, elk ter sterkte van circa 6.000 man en bestaande uit oorlogsvrijwilligers en KNIL-personeel (vijf hiervan lagen op Java en drie op Sumatra), alsmede uit de Eerste Divisie 7 December, en de kort tevoren gearriveerde Tweede Divisie, elk ongeveer 20.000 man sterk, voor het overgrote deel bestaande uit dienstplichtigen, en beide gelegerd in Java. Militairen van de Tweede Divisie zouden verspreid over andere onderdelen aan de strijd deelnemen. Ook de militaire luchtvaart en marineschepen zouden bij de actie worden ingezet. De totale sterkte van deze strijdmacht bedroeg circa 95.000 man.

Aan Indonesische kant had men de beschikking over zestien divisies, die overigens een kleinere getalsterkte hadden dan de Nederlandse. Van die zestien divisies lagen er tien op Java en zes op Sumatra. Op papier kwam dit neer op een tweevoudig numeriek overwicht. De gevechtswaarde van deze divisies liet echter te wensen over. Men had weliswaar geen tekort aan personeel en het moreel was over het algemeen hoog, maar de bewapening was zowel kwantitatief als kwalitatief onder de maat, de organisatie zwak en de geoefendheid gering. Die zestien divisies vormden het leger van de Republiek, de TNI. Daarnaast opereerden nog een groot aantal ongeregelde strijdgroepen die bij elkaar een aanzienlijke mankracht bezaten.

Verloop van de operaties[bewerken]

Het onder leiding van legercommandant generaal Simon Spoor opgestelde operatieplan 'Product' beoogde de bezetting van de economisch belangrijke gebieden in het westen en oosten van Java en rond de enclaves in Sumatra. Midden-Java met Jogjakarta, de zetel van de Republikeinse regering, zou ongemoeid worden gelaten. De regering in Den Haag was namelijk beducht voor de internationale reacties, met name van Britse en Amerikaanse kant, als het tot de aanval op 'Djokja' zou overgaan. Overigens had de legerleiding in Batavia, die zeer geporteerd was voor zo'n aanval, wel alvast plannen uitgewerkt voor het geval het toch zover zou komen.

Op 21 juli 1947 braken de Nederlandse troepen uit hun enclaves en daarmee was de Eerste Politionele Actie begonnen. Het Republikeinse leger (TNI) probeerde de Nederlandse opmars te vertragen door het opblazen van bruggen, het opwerpen van wegversperringen, het leggen van hinderlagen en het tot ontploffing brengen van bermbommen. Doel hiervan was om de eigen troepen in veiligheid te kunnen brengen en zo mogelijk de tactiek van de verschroeide aarde te kunnen toepassen. Een rechtstreekse confrontatie met de Nederlandse troepen, die over een veel grotere vuurkracht beschikten, werd zo veel mogelijk vermeden.

De gestelde doelen op Java werden vlot bereikt. Heel West-Java, met uitzondering van het meest westelijke puntje (Bantam) werd bezet, evenals Oost-Java en het nabijgelegen eiland Madura. De gebiedsuitbreiding op Sumatra bleef relatief bescheiden. Gezien het succes van de actie, wilden de legerleiding en luitenant gouverneur-generaal van Mook toch maar meteen doorstoten naar Jogjakarta. De regering in Den Haag, intern verdeeld over de kwestie maar in meerderheid tegen, hield echter het been stijf. Door ingrijpen van de Verenigde Naties (VN) werd een staakt-het-vuren afgekondigd, dat op 5 augustus 1947 van kracht werd.

Een illustratie dat daarmee de vijandelijkheden niet staakten is het Bloedbad van Rawagede op 9 december 1947, waarbij Nederlandse militairen enkele honderden mannelijke inwoners van een circa 100 km oostelijk van Jakarta gelegen dorpje executeerden. Zie ook Geruchtmakende Affaires hieronder.

Nasleep[bewerken]

In januari 1948 volgde een formele wapenstilstand bij de Renville-overeenkomst, vernoemd naar het Amerikaanse oorlogsschip waar de onderhandelingen werden gevoerd. Hiermee - en door het eerdere ingrijpen van de Verenigde Naties - kreeg wat voorheen als een interne Nederlandse kwestie werd beschouwd, een internationaal karakter, hetgeen een versterking betekende van de positie van de Republiek. Beide partijen committeerden zich om langs de lijnen van Linggadjati via onderhandelingen tot een vergelijk te komen. De overeenkomst voorzag ook in een troepenscheiding. Militairen van de TNI in het door de Nederlanders bezette gebied zouden, met medeneming van hun wapens, vertrekken naar Republikeins gebied. Dat plan werd inderdaad ten uitvoer gelegd, maar na verloop van tijd keerde de TNI geleidelijk terug om over te gaan tot de guerrilla, een activiteit die voorheen was voorbehouden aan ongeregelde strijders, de zogenaamde pelopors. Hiermee werd de kiem gelegd voor de Tweede Politionele Actie.

Tweede politionele actie (Operatie Kraai)[bewerken]

Besluit tot hernieuwd militair ingrijpen[bewerken]

Zowel de situatie in Indonesië als die in Nederland droegen bij aan het besluit tot de Tweede Politionele Actie. De Eerste Politionele Actie had een oplossing van het conflict niet naderbij gebracht. De guerrilla-activiteit in de veroverde gebieden bezorgde de Nederlandse troepen handen vol werk en voortdurende verliezen. De onderhandelingen met de Republiek waren vastgelopen. De Republiek kreeg ook steeds meer internationaal aanzien en – na het neerslaan van een communistische opstand – openlijke steun van de Verenigde Staten. Bovendien nam de druk toe om de dienstplichtigen, waarvan sommigen al langer dan twee jaar in Indië waren, te repatriëren. De instandhouding van de legermacht in Indië vormde een zware last voor de schatkist en bovendien waren de dienstplichtigen hard nodig voor de economische wederopbouw van Nederland en voor de vorming van strijdkrachten in Europa, een streven dat na de communistische machtsovername in Praag (1948) urgent was geworden. Gezien het bovenstaande kan worden gesteld dat de eind 1948 ingezette Tweede Politionele Actie een wanhoopsoffensief was.

Drijvende kracht achter de Tweede Politionele Actie (‘Operatie Kraai’) was - naast legercommandant Spoor - de Hoge Vertegenwoordiger van de Kroon, oud-premier Beel. Van Mook had inmiddels het veld moeten ruimen en Beel was nu de hoogste Nederlandse gezagsdrager in Indonesië. Over het doel van die actie liet hij geen twijfel bestaan: die moest een einde maken "aan de Republiek als zodanig, waardoor zij tevens verdwijnt als partij in het conflict". Was de Republiek eenmaal onschadelijk gemaakt, dan zou - zo was de gedachte - aan de onafhankelijkheid van Indonesië kunnen worden vormgegeven, samen met meer gematigde Indonesische krachten. Beel ging hiermee verder dan de regering in Den Haag, die wel hoopte dat door hernieuwd militair ingrijpen Soekarno c.s. van het toneel zouden verdwijnen, maar die niet de ambitie had om de Republiek volledig van de kaart te vegen.

Volgens het operatieplan zouden Nederlandse troepen het resterende grondgebied van de Republiek in Java en Sumatra binnentrekken en daar posities innemen. Maar voor alles moest de Republikeinse hoofdstad Jogjakarta bij verrassing worden ingenomen. Men hoopte daar de regering en legerleiding van de Republiek gevangen te kunnen nemen. De TNI op Midden-Java moest worden omsingeld en uitgeschakeld. Als deze opzet slaagde zou de Republiek feitelijk ophouden te bestaan en zou de internationale gemeenschap voor een voldongen feit worden geplaatst.

Militaire situatie[bewerken]

In de loop van 1948 werd het overgrote deel van de oorlogsvrijwilligers gedemobiliseerd. Daar stond tegenover dat een ongeveer even groot aantal nieuwe dienstplichtigen uit Nederland de opengevallen plaatsen kwam innemen. Verder was het KNIL uitgebreid. De legerleiding in Batavia kon beschikken over in totaal ruim 140.000 man, aanzienlijk meer dan voor de Eerste Politionele Actie. Kwalitatief was echter nauwelijks sprake van een versterking: de nieuw aangekomen dienstplichtigen hadden minder gevechtswaarde dan de ervaren oorlogsvrijwilligers die zij moesten vervangen, en de uitbreiding van het KNIL had hoofdzakelijk betrekking op bewakingstroepen die niet geschikt waren voor offensieve operaties. Mede gezien de druk vanuit Nederland om de dienstplichtigen te repatriëren was duidelijk dat, als men tot actie wilde overgaan, dit binnen afzienbare tijd moest gebeuren.

Verloop van de operaties[bewerken]

Bioscoopjournaal van 4 januari 1949. Minister-president Drees vertrekt naar Indonesië om met de hoge vertegenwoordiger van de Kroon in Batavia, dr. Louis Beel, besprekingen te voeren over de situatie aldaar in verband met de tweede politionele actie. In zijn gezelschap reist mee de staatssecretaris voor Indonesische aangelegenheden, mr. N.S. Blom. Vóór zijn vertrek staat Drees in een wachtkamer op Schiphol de pers te woord. Het volledige kabinet komt hem uitzwaaien; de ambassadeurs van België, Frankrijk en Canada zijn eveneens aanwezig.

In de vroege ochtend van 19 december 1948 landden parachutisten van het Korps Speciale Troepen (KST) op het vliegveld van Jogjakarta. De bewaking werd snel onschadelijk gemaakt, waarna door de lucht versterkingen werden aangevoerd. Binnen enkele uren was de stad in Nederlandse handen en waren de Indonesische leiders, waaronder Soekarno en Hatta, opgepakt. De Republikeinse legerleiding, waaronder opperbevelhebber Soedirman, slaagde er evenwel in te ontsnappen.

Ondertussen waren de Nederlandse troepen vanuit Oost- en West-Java aan hun opmars in Midden-Java begonnen. In het noorden werd de aanval ingezet met een amfibische landing door de Mariniersbrigade. De troepen stuitten op hevige tegenstand van de TNI en ondervonden ook hinder van moeilijk begaanbare wegen ten gevolge van de moesson. Men schoot minder snel op dan verwacht. Uiteindelijk werden wel alle territoriale doelen in Midden-Java bereikt, maar men was er niet in geslaagd de TNI de genadeslag toe te brengen. Deze tegenstander had het niet op een beslissende slag laten aankomen, maar had zich volgens tevoren opgestelde plannen teruggetrokken op plaatsen – deels elders op Java - die buiten bereik van de Nederlanders lagen en van waaruit de guerrilla zou worden gevoerd.

De Nederlanders trokken ook nog Bantam op West-Java binnen. Op Sumatra bleef de actie beperkt tot de bezetting van een aantal strategisch gelegen plaatsen in Republikeins gebied.

Nasleep[bewerken]

In Nederland publiceerde een "Comité voor Vrede in Indonesië" op 21 december 1948 een veroordeling van de politionele actie als "strijdig met de beginselen van het internationale recht, gevaarlijk voor de wereldvrede en noodlottig voor het welzijn der volkeren van Indonesië." Ondertekenaars waren onder anderen Jan en Annie Romein, dominee Buskes, Wim Wertheim, Piet Meertens en H.J. Pos.

De internationale reactie was furieus. Kort na het begin van Operatie Kraai kwam de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties in spoedzitting bijeen. Aangevoerd door de Amerikanen werd Nederland met Resolutie 63 gesommeerd de vijandelijkheden onmiddellijk te staken en de Indonesische leiders vrij te laten. Aan die eerste eis werd gehoor gegeven. Op Java werd de actie gestaakt op 31 december 1948 en enige dagen later volgde Sumatra. De beoogde gebiedsuitbreiding was toen al min of meer gerealiseerd. De tweede eis werd echter niet ingewilligd: de Indonesische leiders bleven vastzitten.

De TNI had in Midden-Java weliswaar rake klappen moeten incasseren, maar vertoonde een opmerkelijke veerkracht en bleek inmiddels zeer bekwaam in de guerrilla. Die strijdwijze leidde onder de Nederlandse troepen tot toenemende verliezen. De beschikbare mankracht bleek onvoldoende om heel Java onder controle te houden. Bovendien gingen de nationalisten op grote schaal over tot de liquidatie van Indonesiërs die met de Nederlanders samenwerkten, waardoor de stabiliteit van het binnenlands bestuur ernstig werd ondermijnd. Op het internationale vlak werd de druk op Nederland verder opgevoerd. Onder leiding van Amerika koos de Veiligheidsraad onomwonden partij tegen Nederland. Er dreigden internationale sancties en intrekking van de Marshallhulp.

Soevereiniteitsoverdracht[bewerken]

Bioscoopjournaal uit 1952. In de tuin van de residentie van de Hoge Commissaris van de Indonesische Republiek in Wassenaar wordt de uitroeping van de Republiek op 17 augustus 1945 herdacht.

In mei 1949 ging de Nederlandse regering overstag. Er werd een akkoord gesloten met de Republiek (de ‘Van Roijen-Roem-overeenkomst’) dat voorzag in de ontruiming van Jogjakarta, vrijlating en terugkeer van de Republikeinse leiders en stopzetting van de guerrilla. In augustus werd het staakt-het-vuren van kracht, maar het bleef daarna nog geruime tijd onrustig. Een definitieve regeling van het conflict moest worden bereikt op een rondetafelconferentie in Den Haag.

In de onderhandelingen stelden de Indonesische nationalisten zich soepel op en werd een aantal Nederlandse gevoeligheden ontzien. Het onafhankelijke Indonesië zou een federale structuur kennen: de Verenigde Staten van Indonesië. De band met de vroegere kolonisator zou vorm krijgen in de Nederlands-Indonesische Unie. Financieel-economische afspraken werden gemaakt die de Nederlandse economische belangen moesten veiligstellen. Nieuw-Guinea, tenslotte, werd buiten de soevereiniteitsoverdracht gehouden en zou in afwachting van een definitieve regeling onder Nederlands bestuur blijven. Dit hele pakket vertoonde veel overeenkomst met het ‘aangeklede Linggadjati’ dat de Republiek drie jaar eerder had verworpen. Maar inmiddels waren de omstandigheden ingrijpend gewijzigd. De Indonesische leiders blaakten van zelfvertrouwen en genoten groot internationaal aanzien, terwijl de rol van Nederland in de voormalige kolonie was uitgespeeld. Als de Nederlanders eenmaal waren vertrokken kon Indonesië zijn eigen interpretatie van de gemaakte afspraken volgen.

En aldus geschiedde. Op 27 december 1949 vond in Amsterdam de soevereiniteitsoverdracht plaats. De inkt van de overdrachtsakte was nog niet droog of Indonesië begon met het oprollen van de deelstaten. Dat leidde met name op de Molukken tot verzet, maar dat verzet werd met harde hand de kop ingedrukt. De Nederlands-Indonesische Unie kwam nooit echt van de grond en werd uiteindelijk in 1956 ten grave gedragen. De belangen van het Nederlandse bedrijfsleven kwamen vervolgens in de knel toen Indonesië over Nieuw-Guinea een harde confrontatiepolitiek ging voeren. Na gewapende infiltraties en de dreiging van een grote oorlog, droeg Nederland in 1962 dat gebied over. Deze episode vormde het laatste bedrijf in de totstandkoming van de Indonesische eenheidsstaat die het gehele grondgebied van de voormalige kolonie Nederlands-Indië omvatte: de Republiek Indonesië.

Geruchtmakende affaires[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie ook: Bloedbad van Rawagede

Zuid-Celebes-affaire[bewerken]

Berucht is de affaire-Westerling geworden, die zich nog vóór de eerste politionele actie afspeelde. Op Zuid-Celebes was het verzet tegen de Nederlanders sterk, en het verliep niet zonder geweld. Kapitein R.P.P. (Raymond) Westerling (1919 - 1987), hoofd van het Depot (of: Korps) Speciale Troepen, trad daartegen van december 1946 tot februari 1947 meedogenloos op. Het DST was een commando-eenheid die bevoegd was onafhankelijk van het reguliere Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) te opereren. Onder het vigerende "noodrecht" werden standrechtelijke executies voltrokken, waarbij in diverse dorpen grote aantallen mannen werden gedood. Maar ook werden gevangenen uit de cel gehaald en zonder vorm van proces geëxecuteerd. Soms was er bovendien van mishandeling sprake.

Toen dat bekend werd, werden aan deze militairen de speciale bevoegdheden ontnomen. Ook stelde in april 1947 de commissie-Enthoven een onderzoek in, maar haar rapport is pas eind 1948 aan de Tweede Kamer gezonden, en dan nog vertrouwelijk. Steeds werd ervan uitgegaan dat er uitwassen voorkwamen, maar dat er geen sprake was van structureel geweld. Begin 1949 werden brieven van Nederlandse militairen in de Kamer voorgelezen (en ze haalden ook de pers), waarin de schrijvers, hoewel vaak geen tegenstander van militaire aanwezigheid in Indonesië, gewag maakten van misstanden. De regering overwoog Prins Bernhard, de inspecteur-generaal van de Koninklijke Landmacht, naar Indonesië te zenden, maar dit leek niet bevorderlijk voor het vredesproces.

De zaak wekte in Nederland opnieuw grote opschudding toen de psycholoog dr J.E. Hueting, zelf Indië-veteraan, in 1969 in het TV-programma Achter het Nieuws informatie gaf over het Nederlandse optreden. Er volgde een nieuw onderzoek, geleid door Cees Fasseur, uitmondend in een Excessennota, die melding maakte van 3144 slachtoffers gedood door militairen, 136 door de politie, en nog 576 door de kampongpolitie.

Het precieze aantal slachtoffers is omstreden. Nederlandse bronnen houden het op ruim vijfduizend doden.[3] Aan Indonesische zijde wordt gesproken van 40.000, en nog altijd kennen vele plaatsen in Celebes een Jalan 40.000 ("40.000-straat"). Nederlanders die het eiland bezoeken, worden veelvuldig geconfronteerd met de vragen wat zij van de affaire vinden, en waarom Westerling nooit is berecht. Inderdaad zijn er 42 vonnissen tegen Nederlandse militairen geveld, maar geen ervan betrof een officier.

(In 1950 is het Korps Speciale Troepen naar de Molukken verscheept, waar het een rol heeft gespeeld bij de stichting van de Republiek der Zuid-Molukken. Kapitein Westerling heeft in Bandung nog een coup gepleegd, die tot mislukking gedoemd was.)

Bondowoso, Pakisadji en andere geruchtmakende excessen[bewerken]

Een tweede beruchte zaak was de Bondowoso-affaire, waarbij in november 1947 tijdens een treintransport 46 Indonesische gevangenen omkwamen. Zij waren zonder eten of drinken ingesloten geweest. Een aantal Nederlandse militairen kreeg straffen die varieerden van twee tot acht maanden.[4]

Rond dezelfde tijd (augustus 1947) werd door het leger de kampong Pakisadji in brand gestoken. Indonesische verzetsstrijders hadden in de regio mijnen gelegd. Drie Nederlandse mariniers weigerden op humanitaire en religieuze gronden mee te werken aan het afbranden, en werden veroordeeld tot 2 en 2½ jaar gevangenisstraf.

De Pakisadji-affaire kwam pas een jaar later in het nieuws. Dat in deze affaire zoveel zwaardere vonnissen waren uitgesproken dan in de Bondowoso-zaak, wekte verontwaardiging.

In Peniwen, op Oost-Java werden op 19 en 29 februari 1949 een aantal mannelijke Rode Kruis-medewerkers zonder vorm van proces geëxecuteerd.

Verder werden er in strijd met het oorlogsrecht ook krijgsgevangen geëxecuteerd: de Gendang-affaire, waarbij op 28 februari 1949 een Nederlandse patrouille op Borneo 30 krijgsgevangenen doodde en de stoffelijke overschotten in de rivier dumpte, en enige dagen later weden in Malang op Oost-Java 16 krijgsgevangenen gedood.

Tenslotte het 'drama van Tilatjap' (Cilacap): Nadat een Nederlandse patrouille een huwelijksfeest omsingeld had, kwam het tot een schietincident. Daarbij verloren veertien mannen, elf vrouwen en één kind het leven.[5]

Excessen aan Republikeinse kant[bewerken]

Evenals aan Nederlandse kant zijn ook aan Republikeinse kant wandaden gepleegd. Deze zijn onder andere beschreven in het standaardwerk van Dr. L. de Jong.

Tijdens de Bersiap-periode (zie boven) en kort daarna werden volgens een recente schatting van de Amerikaanse onderzoeker William Frederick[2] meer dan 35.000 Nederlanders, Indische-Nederlanders, Ambonezen en Chinezen, onder wie vrouwen en kinderen, om het leven gebracht door Republikeinse strijdgroepen, zoals de zogenaamde Pemoeda-groepen, maar ook door het leger van de Republiek.

In de jaren daarna richtte het Republikeinse geweld zich niet alleen tegen de Nederlandse troepen. Indonesiërs die ervan werden verdacht met de Nederlandse samen te werken, werden het slachtoffer van massale moordpartijen. De Jong spreekt in dit verband van enkele tienduizenden slachtoffers, alleen al op Java.

Zie ook[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • van den Doel, H.W., Afscheid van Indië, Amsterdam, Prometheus, 2001.
  • Jong, J.J.P. de, Diplomatie of strijd: Het Nederlands beleid tegenover de Indonesische Revolutie 1945-1947, Amsterdam 1988.
  • Jong, J.J.P. de, Avondschot: Hoe Nederland zich terugtrok uit zijn Aziatische imperium, Amsterdam 2011.
  • Poeze, Harry A. (2007). Verguisd en vergeten: Tan Malaka, de linkse beweging en de Indonesische Revolutie, 1945-1949. 'KITLV, 3 delen, 2200 blz, ISBN 978-90-6718-258-4.

Externe links[bewerken]

Bronnen

Referenties

  1. Indonesië, zestig jaar zelfstandig, Dossier Koninklijke Bibliotheek
  2. a b William Frederick: http://www.indonesienu.nl/nu-actueel/bersiap-nederlands-indie
  3. de Nederlandse historici Willem IJzereef en Jaap de Moor, aangehaald in H.W. van den Doel, Afscheid van Indië (2001), pagina 163, ISBN 9044600435
  4. NPS | De Oorlog - Mappen - Bondowoso-affaire: lijkentrein:
  5. Historisch Nieuwsblad: Top-10 oorlogsmisdaden in Indonesië, woensdag 11 januari 2012