Attila de Hun

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Fantasietekening van Attila door Fredrik Sander uit 1893
Attila in het Liber Chronicarum (1493)
"Het feestmaal van Attila" van Mór Than

Attila (?-453), ook wel Attila de Hun genoemd, was de heerser van de Hunnen van 434 tot zijn dood in 453. Hij was de leider van het Hunnische Rijk, dat zich uitstrekte van de Oeral tot de Rijn en van de Donau tot de Oostzee.

Tijdens zijn heerschappij was hij een van de meest gevreesde vijanden van zowel het West-Romeinse Rijk als het Oost-Romeinse Rijk. Hij stak twee keer de Donau over en plunderde de Balkan, maar was niet in staat Constantinopel te veroveren. Hij probeerde ook Romeins-Gallië (het moderne Frankrijk) te veroveren, waarbij hij de Rijn overstak in 451 en marcheerde naar Aurelianum (Orléans) voordat hij werd verslagen bij de Slag op de Catalaunische velden.

Vervolgens viel hij Italië binnen, waarbij hij de noordelijke provincies verwoestte, maar was niet in staat Rome te veroveren. Hij maakte plannen voor verdere veldtochten tegen de Romeinen, maar stierf in 453.

Leven van de 'Gesel Gods'[bewerken]

Een van de bekendste verwijzingen naar Attila is het gezegde: Waar Attila is langsgekomen groeit geen gras meer. Ook werd hij beeldend bijgenaamd Gesel Gods. Dat geeft een indicatie van de grote angst die er toen heerste voor de Hunnen en Attila in het bijzonder, maar het is ook een kwestie van bevooroordeelde geschiedsschrijving. Rua, oom van Attila, verenigde twee stammen onder zijn koningschap in 432. In 434 kreeg Attila de leiding over alle Hunnen samen met zijn broer Bleda, die hij vermoordde in 445. Overigens sloten behalve de Hunnen ook veel Germaanse stamleden zich bij hem aan en versterkten zo zijn gelederen nog meer. Dat waren voornamelijk Ostrogoten en Gepiden.

Attila in Gallië[bewerken]

In het voorjaar van 451 stak Attila de Rijn over, bij Koblenz. De Franken lieten de geweldenaar zonder meer door, ze waren niet sterk genoeg georganiseerd om de Hunnen en hun bondgenoten tegen te houden. Een leger van bondgenoten van de Hunnen trok via Keulen en Tongeren naar Doornik om de Franken over te halen zich bij Attila aan te sluiten, maar de Frankische koning Merovech koos de kant van de Romeinen. De Coalitie trok brandschattend verder naar Parijs. De Hunnen volgden de Moezel naar het westen. In 1996 werden nabij Ettelbrück in het Groothertogdom Luxemburg, opgravingen verricht. Men vond er resten van Gallo-Romeinse villa's en het wees erop, na onderzoek, dat Attila er 'op bezoek' geweest was en de streek in april 451, grondig had verwoest.

De globale route van de Hunnen en hun bondgenoten bij de invasie van Gallië, uitmondend in de Slag bij Chalons

Aarlen werd daarna ook ernstig bedreigd, maar zeker is dat op 7 april 451 de stad Metz werd verwoest. De Hunnen plunderden Picardië en kwamen aan de Seine. Daar lag Parijs. Het was nog maar een versterkte nederzetting op het huidige Ile de la Cité, waar nu de kathedraal de Notre Dame staat. De inwoners wilden wegvluchten, maar een jonge vrouw, Genoveva of Geneviève, de latere patroonheilige van Parijs, riep de inwoners op om in de stad te blijven. Op het platteland was het te gevaarlijk. Ze stelde voor om alle platbodemschepen te laten zinken en de bruggen naar de vaste oevers te vernielen. Dit werd gedaan en Attila had het inderdaad zeer moeilijk om bij de houten ommuringen te geraken. De Parisii verdedigden zich met veel moed. Attila ontstak in woede, omdat zijn aanvallen mislukten en dat een vrouw hém, de Gesel Gods, durfde te weerstaan. Maar hij bewonderde toch de inwoners en droop af naar het zuiden. Daarna moest Orléans het zwaar ontgelden.

Na verdere succesvolle rooftochten door West-Europa versloeg ten slotte de Romeinse generaal Aetius hem in 451. Flavius Aetius vroeg in Toulouse, de Visigotische hoofdstad, aan koning Theoderik I een alliantie met de Romeinen te vormen. Hij benaderde ook de Salische Franken onder koning Merovech om met hem tegen Attila te strijden. Op 20 september 451 stonden de Hunnen en hun Gepidische en Ostrogotische huurlingen tegenover de Romeinen, Visigoten en een kleinere Frankische legergroep. De strijd vond plaats op de Campus Mauriacus of beter bekend als de Catalaunische Velden tussen Augustobona Tricassium en Catalaunum. De strijd was hevig. Koning Theoderik I sneuvelde, maar zijn Visigotische strijders voerden felle succesvolle wraakcharges uit tegen de Hunnen. 's Avonds was de strijd nog niet beslist. Het leek wel dat Attila zeer veel strijders had verloren, maar hij dacht niet aan terugtrekken. Attila vroeg wel een orakel aan zijn priesters en die voorspelden hem dat hij 's anderendaags de strijd zou verliezen. Die nacht nog trok Attila met zijn overgebleven leger terug naar het oosten en stak korte tijd later weer de Rijn over.

Attila in Italië[bewerken]

Attila trok toen naar Italië met het doel Rome in te nemen. Hij sloeg zijn bivak op nabij het Gardameer in 452. De toenmalige paus Leo de Grote voorzag zijn bedoelingen en met een gevolg van bisschoppen en priesters trok hij naar Attila's legerkamp. Wat er in de hoofdmanstent werd besproken, weet men niet precies, maar de Hunnen trokken zich terug naar het noordoosten van Italië. Misschien had de paus hem gezegd dat Italië en Rome al genoeg geplunderd waren en er niet veel meer te plunderen was. Waarschijnlijk moest Attila zich echter terugtrekken wegens een dodelijke epidemie onder zijn troepen.

Dood van Attila[bewerken]

In 453, ergens bij de Hongaarse rivier de Tisza zou Attila gestikt zijn in zijn eigen bloed door een halsslagaderbreuk tijdens een drankorgie, mogelijk ter gelegenheid van een bruiloft met een nieuwe vrouw. Andere bronnen vermelden dat hij uit jaloezie door één van zijn haremvrouwen vermoord zou zijn. Korte tijd later kwamen de onderworpen volken in het Hunnenrijk in opstand en viel hun rijk uiteen. Veel Hunnen trokken zich terug naar Azië of gingen op in de bevolking van Europa.

Attila in de latere cultuur[bewerken]

Tegenwoordig zijn de namen van Attila en Ildiko, zijn vrouw, nog steeds populair in Turkije en Hongarije, dat Attila's machtscentrum was vanwaaruit hij zijn strooptochten begon. De naam Attila is overigens niet zijn eigen naam, maar een bijnaam gegeven door de Goten. Een mogelijke betekenis van Attila is "vadertje" van het in het Gotisch overgenomen Oudturks woord "atta" dat "vader" betekent en de Latijnse verkleinvorm. Een andere betekenis kan een combinatie van het Oudturks "ata" (vader) en "il" (land, gebied) zijn, daarbij zou Attila "Vader van het land" betekenen.

Attila was ook de oorsprong van de figuur Etzel in het middeleeuwse Nibelungenlied en de Thidrekssaga en Atli in de Völsunga-saga.

Zacharias Werner schreef het toneelstuk Attila, König der Hunnen en dit vormde de basis voor de opera Attila van Giuseppe Verdi.

In de film Attila, de gesel Gods uit 1954 was Anthony Quinn te zien als Attila. In de televisiefilm Attila the Hun (2001) speelde Gerard Butler de titelrol.

Literatuur[bewerken]

  • Ferdinand Lot, De Germaansche invasies. De versmelting van de Barbaarsche en Romeinsche wereld, Den Haag, 1939.
  • Hermann Schreiber, De Hunnen, Het volk van Attila, de gesel Gods, Amsterdam-Brussel, 1976.
  • (en) Ian Hughes Aetius: Attila's Nemesis Pen & Sword Military, 2012. ISBN 1848842791.