Kleine IJstijd

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Winterlandschap met ijsvermaak, Hendrick Avercamp, omstreeks 1608.

Met de Kleine IJstijd wordt de relatief koude periode bedoeld die duurde van de vijftiende tot en met de negentiende eeuw. Gemiddeld lag de temperatuur tijdens de Kleine IJstijd in West-Europa zo'n 1 à 2 graden onder de waarden die tegenwoordig worden bereikt. Wereldwijd lagen de gemiddelde temperaturen 0,5 tot 1 graad lager dan tegenwoordig. Met "tegenwoordig" wordt hier de klimatologische periode 1960 tot 1990 bedoeld.

Discussie over begin[bewerken]

Onder klimaatonderzoekers wordt altijd gediscussieerd over de exacte periode van de Kleine IJstijd. Niet alleen voor diverse gebieden op aarde zijn er verschillen, maar het hangt er ook vanaf welk criterium wordt gekozen. Zo wordt voor de datering uitgegaan van de grootte van gletsjers, de aard en hoeveelheid van de neerslag, de hoogte van de boomgrens of de temperatuur in de Alpen. Voor de Lage Landen ligt het voor de hand de gemiddelde temperatuur in De Bilt en Brussel als uitgangspunt te nemen.

Van het najaar van 1315 tot de zomer van 1317 regende het vrijwel onafgebroken in het noorden, westen en midden van Europa en mislukten de oogsten. Dit leidde tot een grote hongersnood. Deze hongersnood wordt door sommigen gezien als het begin van de Kleine IJstijd. Anderen gaan ervan uit dat de Kleine IJstijd rond 1430 begon en tot halverwege de negentiende eeuw voortduurde. Zo bereikten of evenaarden veel gletsjers rond 1850 hun grootste uitbreiding sinds het einde van de laatste ijstijd. In Londen was het lange tijd gebruikelijk 's winters op de bevroren Theems een kermis te organiseren. Dit evenement verdween aan het begin van de negentiende eeuw.

Hierna begon voor veel gletsjers een terugtrekking die zich in de twintigste eeuw versnelde.

Voorafgaande temperatuurschommelingen[bewerken]

Temperatuurverloop de afgelopen 2000 jaar (klik op de afbeelding voor meer uitleg in het Engels)

Na de laatste grote ijstijd is het klimaat redelijk constant gebleven, hoewel er wel veel relatief kleine klimaatschommelingen zoals de Kleine IJstijd zijn voorgekomen. Zo werd deze voorafgegaan door het Middeleeuws klimaatoptimum, de koudere periode van de vroegste Middeleeuwen en het Romeinse klimaatoptimum. Tijdens het middeleeuws Klimaatoptimum was het gemiddeld even warm als of nog wat warmer dan tegenwoordig. Er groeiden toen bijvoorbeeld wijnranken in Engeland en perziken in Vlaanderen en ook was er toen de kolonisatie van het zuiden van Groenland door de Vikingen (985 - begin 15e eeuw). Tijdens de Kleine IJstijd was dit allemaal echter niet meer mogelijk.

Koudegolf eind zestiende eeuw[bewerken]

Een koudegolf van december 1586 tot en met september 1587 is een eerste forse inzinking van de Kleine IJstijd. Overal in West- en Midden-Europa wordt het in de tweede helft van de 16e eeuw kouder. De winters worden gekenmerkt door meer sneeuw en ijs, beginnen vaak al in november en duren tot maart of april. Vanaf 1530 worden ook de zomers koeler met herfstachtig weer, compleet met storm en stormvloeden. Uit historisch onderzoek van het KNMI, gebaseerd op talloze bronnen, zoals dagboeken, stadsrekeningen en jaarringen van bomen. blijkt dat het laatste kwart van de zestiende eeuw waarschijnlijk het koudste was in de afgelopen duizend jaar. Deze periode is het dieptepunt van de Kleine IJstijd.

Herstel in zeventiende eeuw[bewerken]

Ook het eerste kwart van de 17e eeuw was nog koud, zoals onder andere blijkt uit de winterlandschappen van schilders zoals Hendrick Avercamp (1585-1634). Op deze schilderijen zijn vaak bevroren wateroppervlakten te zien waarop allerlei mensen schaatsen, lopen of zich op andere manieren vermaken. Sneeuw is ook een overheersend element in veel dorpsgezichten van Pieter Brueghel de Jonge (1564-1638). Vanaf het tweede kwart van de 17e eeuw trad een duidelijk herstel op en werd het zelfs relatief zacht. Zo waren de winters van 1636 en 1637 in West-Europa zacht en de zomers in die jaren zelfs warm met opnieuw vroege en rijke wijnoogsten.

De Kleine IJstijd kende dus grote natuurlijke variaties: koude periodes werden afgewisseld door een aantal opeenvolgende minder koude jaren.

Bronnen, noten en/of referenties
  • De informatie op deze pagina, of een eerdere versie daarvan, is voor een deel afkomstig van de website van het KNMI.
  • J. Buisman, red. A.F.V. van Engelen, KNMI (1998-2000): Weer, wind en water in de Lage Landen, delen III en IV, 1450-1675, Uitgeverij Van Wijnen, Franeker.
  • H. V. Hoorens (2011): Jan Wier (1515-1588). Een ketterse arts voor de heksen, Bert Bakker, Amsterdam, p. 202-204.
  • H. H. Lamb (1995): Climate, History and the Modern World, Routledge, Londen.