Olie-industrie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Olie-industrie in Californië.

De olie-industrie is een vorm van industrie die aardolie op de markt brengt.

Aardolie is van groot belang voor de meeste andere industrieën, het is zelfs datgene waar volgens velen de hedendaagse geïndustrialiseerde samenleving op is gebaseerd, en is daardoor van vooraanstaand en kritiek belang voor veel landen. Olie is verantwoordelijk voor 40% van de energietoevoer van de Verenigde Staten van Amerika; voor de rest van de wereld geldt een vergelijkbaar percentage. Per jaar verbruiken de Verenigde Staten 7,5 miljard vaten olie (1,2 kubieke kilometer); de wereld als geheel 30 miljard vaten (4,8 km3). De VS zijn netto-importeur van olie.

Geschiedenis[bewerken]

Olie is sinds de vroege menselijke geschiedenis gebruikt voor vuur en voor oorlogvoering. Het belang in de wereldeconomie groeide geleidelijk. Hout en kolen werden gebruikt voor verwarming en koken, terwijl walvisolie gebruikt werd voor verlichting. Het branden van walvisolie produceerde echter ook een zwart, stinkend, dik restant.

Door de Industriële revolutie groeide de behoefte aan energie. In eerste instantie werd die voornamelijk gestild met kolen, maar men ontdekte dat kerosine onttrokken kon worden aan ruwe olie en gebruikt voor licht en verwarming. Aan het eind van de 19e eeuw was er een grote vraag naar aardolie, en het gebruik verbreidde zich.

Infrastructuur[bewerken]

De olie-industrie kan verdeeld worden in twee grote groepen: de upstream-producenten (opsporen, ontwikkelen en productie van ruwe olie en aardgas) en downstream: de vervoerders (tankers en oliepijplijnen), raffinaderijen, handelaren en consumenten.

Oliemaatschappijen werden in het algemeen gecategoriseerd als supermajors (BP, Chevron, ExxonMobil, Total, ConocoPhillips en Royal Dutch Shell), majors en onafhankelijken of jobbers. Tegenwoordig worden naast deze International Oil Companies, IOC's de National Oil Companies, NOC's onderscheiden. Deze bezitten de grootste reserves en hebben de hoogste productie.

Veel upstream-werk op het olieveld of aan een oliebron wordt uitbesteed aan booraannemers en gespecialiseerde dienstverlenende bedrijven.

Gevolgen[bewerken]

Aardolie is een niet-duurzame natuurlijke hulpbron, en de industrie staat dan ook voor het onvermijdelijke opraken van de olievoorraad van de wereld. Economen redeneren dat de olieprijzen zullen stijgen naarmate de vraag harder groeit dan het aanbod, en dat dit zal aansporen tot verder opsporen en ontwikkelen van olievelden. Maar dit is slechts uitstel van executie; ook het aanboren van nieuwe bronnen zal eens ophouden. Hogere prijzen maken het wel economisch haalbaar om olie te winnen uit teerzanden en dergelijke, wat nu nog te duur is. De Hubbert Peak- of Peak Oil-theorie is een invloedrijke theorie op dit gebied.

Zie ook[bewerken]

Referenties[bewerken]

  • Robert Sobel The Money Manias: The Eras of Great Speculation in America, 1770-1970 (1973, herdrukt 2000).
  • Daniel Yergin, The Prize: The Epic Quest for Oil, Money, and Power, (Simon and Schuster 1991; paperback, 1993), ISBN 0-671-79932-0.
  • Matthew R. Simmons, Twilight in the Desert: The Coming Saudi Oil Shock and the World Economy, John Wiley & Sons, 2005, ISBN 0-471-73876-X.
  • Matthew Yeomans, Oil: Anatomy of an Industry (New Press, 2004), ISBN 1-56584-885-3.