Griekse Burgeroorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Griekse Burgeroorlog
Datum 30 maart 194616 oktober 1949
Locatie Griekenland
Resultaat Overwinning voor de regeringstroepen
Strijdende partijen
Flag of Greece (1822-1978).svg Griekse regering, royalisten, republikeinen, gesteund door:
Flag of the United Kingdom.svg Verenigd Koninkrijk, Flag of the United States.svg Verenigde Staten
DSE badge.svg Griekse communisten (EAM, KKE, ELAS), gesteund door:
Flag of Bulgaria (1946-1948).svg Bulgarije,
Flag of SFR Yugoslavia.svg Joegoslavië,
Flag of Albania (1946-1992).svg Albanië
Commandanten
Alexander Papagos, Thrasyvoulos Tsakalotos Markos Vafiadis
Troepensterkte
150.000 man ca. 50.000 strijders en strijdsters
Verliezen
ca. 15.000 doden ten minste 32.000 doden

De Griekse burgeroorlog (Grieks: Ελληνικός εμφύλιος πόλεμος, Ellinikos emfylios polemos) was een gewapend conflict van 1946 tot 1949 tussen Griekse communistische guerrilleros enerzijds en de door het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten gesteunde Griekse regering anderzijds. De oorlog kostte zo'n 160.000 mensen het leven.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Griekenland bezet door de Duitsers. Het ondergrondse verzet leverde felle gevechten in de talrijke bergen van het bezette land. De eerste fase van de burgeroorlog vond al tijdens de bezetting plaats, toen communistische en niet-communistische groeperingen elkaar rond 1942 begonnen te bestrijden.

Na het einde van WO II trachtten de communisten een gewapende revolutie te plegen. Toen deze mislukte resulteerde dit in een slepende burgeroorlog die tot 1949 duurde.

De bezetting[bewerken]

Tijdens de Duits-Bulgaars-Italiaanse bezetting leed Griekenland zware ontberingen. De opdeling in bezettingszones veroorzaakte voedseltekorten en hongersnood, terwijl de Bulgaren in hun bezettingszone hard optraden tegen iedere uiting van Griekse cultuur. Verschillende verzetsgroeperingen ontstonden, waarvan de communistische EAM een van de belangrijkste was. EDES en EKKA vormden de belangrijkste concurrenten uit liberale hoek.

ELAS werd in februari 1942 als militaire tak van de EAM gesticht, en verenigde alle lokale verzetsbewegingen op communistische grondslag onder een opperbevel. Qua professionaliteit en omvang groeide de EAM/ELAS tot veruit de grootste verzetsbeweging. Men streefde naar een monopolie binnen het verzet, en aarzelde niet om concurrenten als EDES, EKKA en de Macedonische verzetsbewegingen aan te vallen en te brandmerken als collaborateurs. Pas in februari 1944 sloten ELAS en EDES een wapenstilstand onder Britse pressie.

ELAS profiteerde in september 1943 van de Italiaanse overgave door de door Italië bezette gebieden tijdig binnen te trekken en wapens te stelen. Tegen 1944 was de overmacht van ELAS zowel kwalitatief als kwantitatief overweldigend.

Strijd om Athene[bewerken]

In september 1944 trokken de Duitsers zich terug uit de gehele Balkan. De Griekse regering in ballingschap onder premier Giorgos Papandreou keerde terug uit Italië na een jarenlang verblijf in Egypte, om tot de ontdekking te komen dat ze nog over weinig aanhang onder de bevolking beschikte. De Griekse koning George II bleef op verzoek van Papandreou in Caïro; Britse landingen volgden, in eerste instantie met de bedoeling de zwakke regering van Papandreou te steunen. Dit deden in eerste instantie ook de tot de regering-Papandreou toegetreden Griekse communistische leiders, vanwege een afspraak met de Russische leider Stalin, die zijn akkoord met de geallieerden wenste na te komen, volgens welke Griekenland tot achtertuin van de Engelsen zou behoren. Als sterkste groepering die aan de Duitsers verzet hadden geboden, besloten de communisten echter al snel de nieuwe regering, waarvan de Britse luitenant-generaal Scobie, deel uitmaakte, omver te werpen. Dit besluit werd versterkt doordat op 3 december 1944 een massale door de communistische EAM georganiseerde anti-regeringsbetoging met geweld werd uiteengeslagen door het leger, waarbij Britse soldaten en officieren op de achtergrond aanwezig waren, en 28 doden vielen; de demonstratie was een uitvloeisel van het ontwapeningsbevel van Papandreou en Scobie, dat vooral de communisten trof. Toen dit bevel op 1 december 1944 werd uitgevaardigd stapten de zes communistische ministers uit de regering van nationale eenheid. Na de gewelddadigheden van 3 december, waarbij ook Britse tanks en soldaten een rol hadden gespeeld, begon de EAM de gewapende strijd in Athene.

Athene werd bezet op het regeringscentrum na, en het Britse expeditieleger werd omsingeld. De communistische ELAS rukte op vanuit het omliggende gebied, gevolgd door de OPLA, de communistische geheime politie, die Groot-Athene afspeurde naar "klasseverraders", "imperialisten" en "fascisten". Door hun militaire overmacht lag half december 1944 de macht voor de communisten voor het grijpen. Op dat moment begingen de communisten echter een cruciale blunder: de belegering van de Britse expeditietroepen te Thessaloniki werd opgegeven, om de royalistische troepen van generaal Zervas in Epirus te bestrijden. Het Engelse expeditieleger scheepte zich in, voer naar Piraeus, ontscheepte zich daar, en kwam de Griekse regering te hulp. Felle straatgevechten in Athene tussen Britse troepen en communistische Griekse strijders waren het gevolg.

De Britten werden echter zwaar in het nauw gedreven en stonden voor een grote overmacht; nu definitief een communistische gewapende revolutie dreigde te slagen, stuurde De Britse generaal Alexander nieuwe legereenheden vanuit Italië, hoe moeilijk die daar ook gemist konden worden. Deze nieuwe Britse troepen gaven de doorslag: de ELAS en de EAM konden zich hierna nog drie weken in Athene handhaven, maar werden geleidelijk daaruit en ook uit het omliggende Attica verdreven. De Engelse premier Churchill, die ingeval van een communistische overwinning in Griekenland vreesde dat het gehele oostelijke Middellandse Zeegebied in Europa door Stalin zou worden ingepalmd, vloog op Kerstavond 1944 persoonlijk naar Athene om tot onderhandelingen te komen, waarmee een nieuwe voorlopige regering zou kunnen worden geïnstalleerd. Hieruit resulteerde een nieuwe voorlopige Griekse regering onder generaal Plastiras, een rechtse republikein, met aartsbisschop Damaskinos als tijdelijke regent. Koning George II stemde ermee in, alleen naar Griekenland te zullen terugkeren als de Grieken dit door een vrije en eerlijke uitspraak van het volk zouden wensen.

Op 9 februari 1945 werd een voorlopig akkoord gesloten: Attica en de Peloponnesos bleven onder regeringsbewind staan, de communisten behielden het noorden. De communisten hadden veel krediet verloren: ze waren verslagen op het belangrijkste deel van het Griekse vasteland, en door de terreur van de OPLA waren veel Grieken van hen vervreemd. De regeringstroepen werden echter geleid door rechtse militairen, en aangevuld met paramilitaire groeperingen, die een "witte terreur" ontketenden. De communisten maakten zich nu op voor een tweede ronde, en een tweede poging de macht te veroveren.

Strijd om Griekenland[bewerken]

Een precieze begindatum van de Griekse Burgeroorlog valt moeilijk te geven, omdat in de loop van 1946 herhaaldelijk aanvallen van communisten op instellingen van de staat plaatsvonden, zoals politiebureaus, kazernes en andere militaire gebouwen, bruggen en spoorwegen. De eerste goed georganiseerde aanval op een politiepost was die van Litochoro in Pieria eind maart 1946. Omdat deze aanslag plaatsvond kort voor de algemene Parlementsverkiezingen van 31 maart 1946, die door de communisten werden geboycot, wordt dit vrij algemeen als het begin van de burgeroorlog beschouwd. De communistische partij KKE voerde tezelfdertijd echter nog onderhandelingen met de voornamelijk uit conservatieven bestaande Griekse regering. Deze onderhandelingen liepen voornamelijk stuk omdat de belangrijkste militaire vleugel van de communisten, de DSE, te weinig successen boekte om in die onderhandelingen een vuist te kunnen maken.

De Britten waren ondertussen in andere problemen verwikkeld geraakt, en kampten nog met de nasleep van de Tweede Wereldoorlog. Zij trokken zich terug, maar de Verenigde Staten verleenden extra steun, om Russische expansie in de Balkan te voorkomen. Er heerste echter geen rust in het land, vooral niet in de noordelijke bergstreken die door de communisten, en in het bijzonder door de DSE werden beheerst.

Later in 1946 en 1947 kwam de DSE tot een veel effectievere strijd tegen de Griekse regering. In het hele land maar vooral in Noordwest-Macedonië, Epirus, en centraal en Midden-Griekenland werden politieposten, legerbases, infrastructuur en ook politieke tegenstanders aangevallen en, naar de maatstaven van een guerrillaoorlog, op effectieve wijze bestreden.[1] Hierdoor wist de DSE in de bovengenoemde landsdelen grote gebieden onder controle te krijgen, zonder echter één enkele grotere stad te veroveren. Daarbij werd het de DSE door zowel Joegoslavië als Albanië toegestaan, zich over hun grenzen terug te trekken en trainingskampen te organiseren. Via Joegoslavië en Bulgarije kregen ze bovendien logistieke steun, bevoorrading en wapens. Wegens de slechte economische, sociale en politieke situatie, kregen de communisten nu steeds meer aanhang.

In 1947 woedde de burgeroorlog op zijn hevigst. De regeringsgetrouwe troepen werden aangevoerd door generaal Pápagos. De goedbewapende communisten, geleid door de stalinistische generaal Markos, hielden strooptochten door het land en ontvoerden 26.000 Griekse kinderen naar communistische buurlanden.

In 1948 verliep de strijd echter steeds meer in het nadeel van de communisten, vooral door leveringen van Amerikaanse wapens aan de regeringstroepen. Onenigheid onder de communisten, en gebrek aan wapens deden de rest. Stalin had in een gesprek met de Joegoslaaf Kardelj al aangegeven de communisten niet te willen steunen. Hij had immers volgens de afspraak met het Westen Griekenland aan de Britten en Amerikanen gelaten, en had niet de behoefte hen onnodig te provoceren. Joegoslavië hield op te leveren na de breuk van Tito met Moskou. Eind 1948 en begin 1949 stortte het communistische front in, dankzij het werk en het prestige van Papagos met zijn "Griekse volksbeweging". Op de berg Grammos bij de Albaanse grens verdedigden 13.000 communistische strijders hun laatste bolwerk. De regeringstroepen dreven hen met napalm van de berg, waarna de overlevenden uitweken naar Rusland en Oost-Europa.

In de loop van 1949 eindigde de oorlog. Tienduizenden (vermeende) sympathisanten van de communisten werden verbannen, gemarteld of opgesloten in "heropvoedingskampen". De vakbonden werden ontmanteld.

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Charles R. Shrader (1999) The Withered Vine. Logistics and the communist insurgency in Greece, 1945-1949. Westport, Praeger/Greenwood ISBN 0-275-96544-9