Doggersbank

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Satellietfoto van de Doggersbank (rood gemarkeerd) (NASA)

De Doggersbank (Engels: Dogger bank, Duits: Doggerbank, Deens: Dogger banke) is een ondiepte in de Noordzee, ten oosten van Noord-Engeland. De zandbank ligt noordwestelijk ten opzichte van Nederland. De aanduiding 'dogger' is afgeleid van het oud-Nederlandse 'dogger', dat vissersboot betekent, met name voor de kabeljauwvangst.[1]

De bank is bijna 300 kilometer lang en bevindt zich zowel in het Britse, Deense, Duitse, als Nederlandse deel van het continentaal plat. Hij is ontstaan tijdens de laatste ijstijd. De Doggersbank rijst uit circa 40 meter diep water op tot 13 meter onder de zeespiegel, en is dus circa 27 meter hoog. De bodem bestaat grotendeels uit zand. Ten noorden er van liggen de Fladengronden.

De Doggersbank is paaigebied voor haring, schol en spiering, en is dan ook foeragegebied voor diverse vogelsoorten en voor walvisachtigen.

Op 5 augustus 1781 vond bij de Doggersbank een zeeslag plaats tussen de marines van het Verenigd Koninkrijk en Nederland, de Slag bij de Doggersbank (1781). Ook in de Eerste Wereldoorlog, op 24 januari 1915, vond daar een zeeslag plaats: nu tussen Engelsen en Duitsers, de Slag bij de Doggersbank (1915). In 1904 vond er het Doggersbank-incident plaats, waarbij Russische oorlogsschepen van de Baltische vloot, onderweg naar de Russisch-Japanse Oorlog, Britse vissersschepen beschoten in de veronderstelling dat het Japanse torpedobootjagers betrof.

In 1931 vond er nabij de Doggersbank de krachtigste aardbeving van het Verenigd Koninkrijk plaats, met een kracht van 6,1 op de Schaal van Richter.

Doggersbank als eiland[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Doggerland voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Doggersbank werd door de relatief hogere ligging dan de directe omgeving na het laatste glaciaal (Weichselien) door de zeespiegelstijging voor enige tijd een (of meer) eiland(en). Door verdergaande zeespiegelstijging verdween dit eilandgebied tijdens het Vroeg Holoceen onder water.

Van de Doggersbank wordt vaak gedacht dat door de zeespiegelstijging veel dieren die op de eilanden geleefd zouden hebben niet meer konden ontsnappen en massaal verdronken. De vele botten van landzoogdieren die door vissers aangetroffen worden, zouden daarvan getuigen zijn. Biologisch en geologisch is dit echter een zeer onwaarschijnlijk scenario. Dieren die hier geleefd hebben zullen met de terugtrekkende kust meegegaan zijn. De dieren die eventueel op eilanden achterbleven zullen door voedselgebrek verdwenen zijn. Een aantal soorten, zoals de Wolharige mammoet, kon net als alle olifanten zwemmen en zal zich op die wijze van de eilanden naar het vasteland verplaatst hebben. Het plaatselijk voorkomen van veel fossiele botten kan tafonomisch goed verklaard worden. De oorspronkelijk verspreid liggende botten zijn door golfwerking van de zee naderhand geconcentreerd. Dit is een algemeen maar lokaal verschijnsel, waardoor het lijkt of er op de bewuste plaats heel veel dieren zijn omgekomen. Dat is dus alleen schijnbaar het geval.

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties