Magie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Deze pagina gaat over magie (paranormaal). Voor magie in andere betekenissen, zie Goochelen.
Esoterie
DeeHieroglyph.gif
Westerse esoterie
Portaal  Portaalicoon  Esoterie
Portal.svg Portaal Antropologie

Magie of toverij is de vermeende kunst van het manipuleren van de werkelijkheid door middel van verborgen krachten met behulp van speciale objecten, spreuken en rituelen. Die manipulatie biedt de mens macht over de natuur, zekerheid in zijn bestaan en (de hoop op) een verbeterde levenskwaliteit. Wat dat betreft kent magie velerlei toepassingsgebieden, zoals geneeskunde, het liefdesleven en bescherming. Ze komt wereldwijd voor sinds de prehistorie, en is nauw verbonden met waarzeggerij en religie. Net zoals religie en wetenschap duidelijk deel zijn van de cultuur van bepaald volk, zo komt ook in magie een wereldbeeld tot uiting die afhangt van de tijd en de plaats.[1]

Magie berust op drie pijlers, namelijk magiërs, magische handelingen en magische voorstellingen. Vaak is de magiër een specialist met een speciale reputatie die exclusieve kennis heeft. Magische handelingen hebben een ritueel karakter. Door traditie bestaan er allerlei voorschriften met betrekking tot leefregels, symbolen, gebaren en locaties. Daarmee dient rekening gehouden te worden om het gewenste resultaat te bereiken. Magie laat ook allerlei voorstellingen zien die men van de werkelijkheid heeft. Zo werkt magie op basis van allerlei occulte relaties in de natuur, zoals sympathie en antipathie. Aansluitend is het idee van belang dat gewenste of ongewenste eigenschappen gemanipuleerd en overgebracht kunnen worden. In al die aspecten betoont magie zich duidelijk als een symbolische taal.

De westerse ontwikkeling van magie is betrekkelijk goed gedocumenteerd en laat een rijke verscheidenheid zien. Zo is magie verbonden met zowel volkscultuur als elitecultuur en kwam ze voor in zowel orthodoxe als onorthodoxe milieus. Ook put men voor de inzet van magie uit veel tradities, met vakgebieden als astrologie en alchemie, en religieus-filosofische stromingen als het hermetisme, neoplatonisme en de joodse mystiek. Vooral in de westerse geschiedenis heeft magie zich echter veelal bewogen tussen wat geaccepteerd was en wat niet. Zeker sinds de verlichting maakt ze deel uit van de westerse esoterie als 'verworpen kennis',[2] en als zodanig is de studie ervan tot ver in de twintigste eeuw onderhevig geweest aan vooroordelen en achtergesteldheid ten opzichte van andere aspecten van de cultuurgeschiedenis.[3]

Etymologie[bewerken]

Zoroaster (Zarathustra).

Magie is in de zeventiende eeuw in het Nederlands overgenomen uit het Frans, en gaat via het Latijn terug op het Griekse magikē (zie ook Mantike), de vrouwelijke vorm van magikos (μαγικός). Daarmee werden magische kunsten aangeduid. Beide Griekse woorden zijn afgeleid van het naamwoord magos (μάγος, meervoud mágoi), dat weer is afgeleid van het Oudperzische maguš.[4] Dit is de aanduiding voor zoroastrische priesters die astrologische voorspellingen deden en magische kennis hadden.

Definiëring[bewerken]

Een beknopte definitie van magie is ‘een techniek die de mens in staat stelt [...] gebeurtenissen te beïnvloeden in de subjectieve en/of objectieve werkelijkheid’,[5] door middel van wilskracht en bovenzintuiglijke krachten in zowel het individu als de kosmos.[6] Verdere verfijning van wat magie precies inhoudt hangt vervolgens van de tijd en de plaats af.

Sinds de negentiende eeuw hebben antropologen, godsdienstwetenschappers, psychologen en sociologen geprobeerd magie te definiëren, en is het onderwerp ook onderzocht vanuit semiotische, geschiedkundig en letterkundige hoek.[7] Magie is echter een categorie van bepaalde praktijken en denkbeelden die zowel tegenwoordig als in vroegere tijden niet eenvoudig af te bakenen is. Dat heeft meerdere redenen. In de eerste plaats neemt magie velerlei vormen aan en benut ze diverse tradities. Ze is daarmee ‘de grootmeester van vermommingen’.[8] Al in de oudheid is bijvoorbeeld te zien dat magie vooral gedijt op religie, met haar diverse cultussen en rituelen,[9] maar vaak opereert ze vanaf de zijlijn. In de tweede plaats is magie verbonden met allerlei andere tradities of vakgebieden, zoals alchemie, astrologie, geneeskunde en filosofie. Magie overschrijdt dus de grenzen daarvan. In de derde plaats bestaan er meerdere woorden die met magie verband houden, namelijk hekserij, toverij, goochelkunst, waarzeggerij (divinatio) en bijgeloof (superstitio). Die kunnen al naar gelang de context verschillende waarden hebben.[10] Magie en waarzeggerij delen eenzelfde wereldbeeld, maar soms van elkaar onderscheiden: 'wat waarzeggerij onthult, lost magie op'.[11] In de vierde plaats is de scheidslijn tussen magie, religie en wetenschap niet altijd even duidelijk. Hoe de verhouding tussen al die zaken is, hangt af van sociale consensus.[9]

Verhouding magie–religie–wetenschap[bewerken]

James George Frazer (1854-1941).

In zijn beschrijving van wetenschapsgeschiedenis geeft Lynn Thorndike (1882-1965) de tweedeling van magie en experimentele wetenschap. Voor hem is magie alles wat het tweede niet is: ‘alle occulte kunsten en wetenschappen, bijgeloof en folklore’.[12] Negentiende-eeuwse wetenschappers zoals de Britse antropologen Edward Burnett Tylor[13] (1832-1917) en James George Frazer (1854-1941) stelden de verhouding tussen magie, religie en wetenschap rechtlijnig voor. In The Golden Bough (hfdst. IV) zette Frazer uiteen dat magie tot het vroegste stadium van de geestelijke ontwikkeling behoort, religie tot het tweede en positivistische wetenschap tot het laatste. Alle drie zijn ook afgescheiden van elkaar.

Dergelijke visies zijn eigenlijk een voortvloeisel uit de oude westerse polemiek rondom esoterie, die leidde tot de sterke marginalisering ervan. Vooral na de Tweede Wereldoorlog werden ze meer bekritiseerd en gelden ze met name sinds de jaren zeventig als achterhaald.[14] Sindsdien, in de postkoloniale tijd, is men tevens alerter op etnocentrisme en Eurocentrisme.[15] Feitelijk delen zowel magie als wetenschap bepaalde doelen, namelijk het bepalen van wetten en wetmatigheden in de wereld, en vervolgens meer invloed op die wereld willen krijgen.[16] Een voorbeeld is geneeskundige magie, waarbij geneeskunde toch wetenschappelijke pretenties heeft, en waarbij gebeden soms ook een rol spelen.[17] Magie, religie en wetenschap hebben in elk geval sinds de oudheid tot en met de huidige tijd naast elkaar bestaan.[18] Ze beïnvloeden elkaar en kennen alle hun eigen logica.[19]

De verhouding tussen magie en religie kan globaal als volgt gezien worden, hoewel het niet om wetten gaat.[20] Om te beginnen is magie primair een middel, en geen doel. Religie is daarentegen meer een doel. Ten tweede staat magie voor manipulatie, terwijl gebeden en religieuze gezangen juist een passief karakter hebben. De aangeroepen god wordt nergens toe gedwongen, maar kiest of hij/zij wil helpen.[21] Ook dient magie individuele behoeften, terwijl religie voor de groep is. Daarnaast neigen magische praktijken ertoe een privézaak of heimelijk te zijn, wat minder vaak het geval is bij religieuze praktijken. Daar sluit ook op aan dat magische spreuken voornamelijk op zachte toon geuit worden, maar religieuze teksten niet. Tot slot is de verhouding tussen de klant en de magiër van individuele, praktische en zakelijke aard, terwijl bij religie de verhoudingen anders liggen, zoals tussen het volk en de clerus of de profeet.

Voor de status van magie binnen de westerse esoterie in de samenleving en wetenschappelijk onderzoek, zie Westerse esoterie.

Kenmerken[bewerken]

Pentagram uit Heinrich Cornelius Agrippa's De occulta philosophia libri tres. De symbolen in de cirkel staan voor Mars, Jupiter, Saturnus, Mercurius en Venus. In de buik staat het teken voor Zon, en onder het kruis staat het teken voor Maan. Samen waren dit de zeven klassieke planeten. Naast het pentagram is ook een kruis getekend: de vier elementen.

Omdat magie van alle tijden is en overal ter wereld voorkomt, kent ze een grote verscheidenheid aan vormen. Er zijn desondanks enkele algemene kenmerken van magie die het fenomeen vaak karakteriseren. De basiselementen van magie zijn de magiër, de magische handeling en de magische voorstelling.[22] De magiër is de specialist die magische handelingen uitvoert op basis van bepaalde kennis en vermogens. Hij kan een leek zijn, maar ook een priester of vakman. In bepaalde culturen is magiebeoefening zelfs het alleenrecht van een bepaalde groep, zoals de Brahmanen in de vedische religie.[23] In stamsamenlevingen op onder andere Papua Nieuw Guinea en de Melanesische eilanden zijn het alleen voorname individuen die magische vermogens bezitten.[24] Hun vermogens krijgen magiërs op verschillende wijzen. In sommige culturen worden zij bijvoorbeeld geboren in bepaalde magiërfamilies (een soort erfelijkheid), zoals de zogeheten Ohja's en Baiga's in India. Tevens kunnen magische vermogens verkregen worden door middel van initiatie in bepaalde kringen, zoals geheime genootschappen. Een andere mogelijkheid is dat de vermogens (tijdelijk) verkregen worden middels spiritueel contact met specifieke dieren, bepaalde diersoorten of voorouderlijke geesten. Dat contact kan in de vorm van bezetenheid zijn. Aansluitend kunnen het dieren of geesten zijn die kennis en de roeping tot magiër juist openbaren aan het individu.[25]

Magie is traditioneel. De magische handeling heeft doorgaans een ritueel karakter.[26] Men kan niet zomaar wat doen in de hoop op een gunstig effect. Er bestaan tradities, zij het van volkse aard of van geleerde aard. Er zijn bepaalde protocollen die gevolgd moeten worden, en soms zijn die zover uitgewerkt, dat ze complete handboeken beslaan. Dat zijn de zogeheten grimoires. De magiër dient voor de effectiviteit van de magie rekening te houden met de tijd en de plaats van het ritueel. Soms moet iets overdag of juist 's nachts gedaan worden, of op een bepaalde datum. De locatie is bijvoorbeeld een afgesloten kamer, een tempel of een rustig, braakliggend stuk land. Het rituele karakter komt verder nog tot uiting in dieetvoorschriften, seksuele onthouding, spreuken, symbolen van allerlei aard, ingrediënten, instrumenten, bewegingen zoals gebaren en dans en tot slot reinigingsriten. Die dienen voor de directe omgeving, voor het eigen lichaam en voor de geest.

Rituelen hebben betekenis. Ze laten ideeën zien door die op een bepaalde manier te vertalen. Zodoende laat ook magie allerlei ideeën of voorstellingen zien. Er zijn bijvoorbeeld wetten in de natuur op basis waarvan de magie zou werken. Van wezenlijk belang is ook de notie van sympathie,[27] die staat voor de directe samenhang van alles in de kosmos door middel van occulte relaties. Sympathie duidt in deze context op samenhang. Daarvan bestaan drie soorten relaties, namelijk gelijkheid, tegenstelling (antipathie) en contact. Het gelijke beïnvloedt het gelijksoortige; het ongelijke beïnvloedt het tegenovergestelde; als iets in contact komt met iets anders, dan wordt het op magische wijze beïnvloed door dat andere.[28] Het voodoo-poppetje is een voorbeeld van dergelijke contactmagie, terwijl magische middeltjes op basis van de signatuurleer gelijkheid illustreren: een blad heeft de vorm van de lever, en dus werkt het tegen leverkwalen. Daarnaast hangt de holistische voorstelling van de kosmos samen met universele sympathie (zo boven, zo beneden). De stoïcijnse filosoof Posidonios van Apamea (ca. 135-ca. 50 v.Chr.) introduceerde het begrip.[29] Ook in moderne theorievorming is het opgepikt. Voor Frazer was het principe van sympathie fundamenteel voor magie, een stelling die nog steeds geaccepteerd is.[27]

Belangrijk voor (rituele) handelingen is het nabootsen, doen verdwijnen of overbrengen van bepaalde eigenschappen. Die gedachte ligt ten grondslag aan contactmagie. Riten op basis van tegenstelling laten feitelijk een strijd zien tussen twee eigenschappen (vuur bestrijdt bijvoorbeeld water). Bij sympathetische handelingen worden eigenschappen nagebootst en overgenomen. De zon wordt bijvoorbeeld als vuur voorgesteld, en dus helpt vuur bij zongerelateerde zaken.[30] Het overbrengen en afweren van eigenschappen staat centraal bij amuletten. Nadat die op rituele wijze vervaardigd zijn, hebben ze een welbepaalde, langdurige werking voor de drager en zijn de rituelen niet meer nodig. Eigenschappen kunnen overgedragen en afgeweerd worden via een bepaalde kracht. Een bepaalde eigenschap kan van hogere machten komen en aangeroepen worden door bijvoorbeeld een god of diens naam op een amulet te weer te geven. Ook kan de kracht onpersoonlijk zijn, wat mana genoemd wordt in de antropologie.[31] Onpersoonlijke kracht kan van sterrenbeelden afkomstig zijn, maar kan ook in specifieke objecten huizen.

Omdat magische rituelen en middelen bepaalde betekenissen hebben en verwijzen naar bijvoorbeeld relaties of hogere machten, is magie sterk symbolisch van aard. Ze werkt bij voorkeur met symbolen, en niet zozeer met concepten.[32] Specifieke klanken, tekens, gebaren enzovoort moeten leiden tot een bepaald effect, doordat zij verwijzen naar iets wat gewenst of ongewenst is. Zo kan een magisch amulet het uiterlijk hebben van datgene waartegen het moet beschermen. Magie wordt daarom 'symbolisch gedrag' genoemd.[33]

Functies[bewerken]

Een Afrikaanse sjamaan/medicijnman met ritueel masker, omringd door toeschouwers: een sociaal gebeuren. Iconographic Collections, Wellcome V0016256.

Magie is een middel dat meer algemeen een individualiserende en religieuze functie binnen een samenleving kan hebben, maar dat ook doelbewuste en concrete motieven heeft. Die verschillende motieven met hun doeleinden vullen elkaar aan.

  • Bescherming: tegen ongeluk of kwade bedoelingen van mensen, wezens of goden.
  • Herstelling: van gezondheid of een verstoorde, natuurlijke orde enzovoort.
  • Bewaring/behoud: van gezondheid, de natuurlijke orde, welvaart enzovoort.
  • Aantrekking: van gewenste krachten, dingen of mensen (bijvoorbeeld bij liefdesmagie en invocaties).
  • Vernietiging: van ongewenste krachten, dingen of mensen (bijvoorbeeld bij vervloekingen).
  • Transformatie: van krachten, wezens of mensen (bijvoorbeeld bij initiatieriten).
  • Waarneming: van verborgen werkelijkheden (bijvoorbeeld bij waarzeggerij).[34]

In de antropologie wordt onderscheid gemaakt tussen de instrumentele en de expressieve functies van magie.[35] De instrumentele functie van magie is het beïnvloeden van de natuur en het menselijk gedrag voor specifieke doelen. Er zijn drie belangrijke types: productief, beschermend en destructief. Productieve magie wordt aangewend om een gunstige afloop te verkrijgen, bijvoorbeeld bij de oogst en de jacht. Beschermende magie tracht een individu of een gemeenschap te beschermen tegen ongewenste effecten van natuur, bovennatuurlijke krachten of andere personen. Het gebruik van amuletten om besmettelijke ziekten af te wenden of het reciteren van bezweringen voor de aanvang van een reis zijn er voorbeelden van. De destructieve magie ten slotte heeft als functie om anderen kwaad aan te doen. Afgunst en andere motieven maken haar sociaal verstorend, waardoor het aanwenden van een bestrijding van tovenarij binnen die samenleving noodzakelijk wordt.

De expressieve functie van de magie is het resultaat van de symbolische en sociale betekenissen die aan de uitoefening ervan worden gehecht, ook al zijn de beoefenaars zich mogelijk niet bewust van deze functie. Magie bezorgt op deze manier de gemeenschap een samenhorigheidsgevoel en groepsidentiteit door de gemeenschappelijke beleving van de rituelen. Tezelfdertijd kan zij de magiër als bijzondere persoon isoleren van de rest van de gemeenschap. Magie functioneert ook als creatieve uitlaatklep of soort entertainment en is daardoor onlosmakelijk verbonden met het gehele systeem van denken, geloof en gebruiken in een gegeven samenleving.

Typologie[bewerken]

Het onderscheiden van soorten magie is niet alleen modern, maar gebeurde ook in vroegere tijden, zowel door mensen die erin geloven als door mensen die er niet in geloven. De precieze indeling wordt echter bepaald door de tijd en de plaats. Magische praktijken en ideeën kunnen gerekend worden tot verschillende stromingen of tradities. Die hoeven elkaar niet uit te sluiten. Hieronder staat een lijst van magievormen op basis van hun visie en werkwijze, dus niet op basis van het beoogde doel (zoals liefdesmagie).

  • Astrale magie: planeten, sterren en sterrenbeelden bezitten speciale krachten die benut kunnen worden.
  • Demonische magie (soms zwarte magie): er bestaan demonen (positieve en negatieve) die ingezet kunnen worden.
  • Hermetische en neoplatonische magie: magie op basis van hermetische en neoplatonische filosofie (met name kosmologie).
  • Kabbala: op basis van (intern diverse) joodse mystiek zoals uitgewerkt door rabbijnen.
  • Magick: negentiende-eeuws systeem, bedacht door Aleister Crowley.
  • Natuurlijke magie (soms witte magie): in de natuurlijke wereld komen speciale krachten voor die gebruikt kunnen worden, waarbij geen demonen betrokken worden.
  • Necromantie: de doden bezitten speciale krachten die gebruikt kunnen worden door de doden aan te roepen.
  • Theürgie: goddelijke krachten kunnen aangeroepen en benut worden in gewijde context.
  • Wicca: neopaganistisch geloofssysteem, bedacht in de twintigste eeuw door Gerald Gardner.

Voor magie als studieobject hebben onderzoekers ook categoriseringen aangebracht. Een eerste, belangrijke indeling is afkomstig van Frazer, die nog steeds relevant is. Hij onderscheidde twee vormen van sympathetische magie, namelijk homoeopathic magic (homeopathische of mimetische magie) en contagious magic (contactmagie).[36] Bij de eerste is er sprake van een wet van overeenkomst, zoals de gedachte dat het gelijke aangetrokken wordt door het gelijke. De magiër meent een effect te kunnen bewerkstelligen op basis van overeenkomsten tussen riten en objecten of gebeurtenissen. Bij de tweede gaat het om een wet van contact. Het effect wordt dan bewerkstelligd bij bijvoorbeeld een persoon door middel van een object dat ooit in contact gestaan heeft met de persoon. Een voorbeeld van contactmagie is het voodoo-poppetje, dat geïdentificeerd wordt met een persoon middels een haarlok, nagel en dergelijke.

Een tweede indeling berust op machtsprincipes, namelijk dynamistisch en animistisch. Dynamistisch wil zeggen dat krachten gemanipuleerd worden alsof het een concrete en ook overdraagbare substantie betreft. Men denke aan de Polynesische mana en Griekse dynamis. Die begrippen duiden op krachten die aanwezig zijn in objecten.[37] Dergelijke kracht is bijzonder of zeldzaam. Animistisch wil zeggen dat manipulatie plaatsvindt met behulp van wezens (goden/godinnen, lagere godheden, voorouderlijke geesten). Bezieling in de natuur is daarbij alom tegenwoordig, maar het betrokken wezen kan altijd weerstand bieden tegen magie, wat bij bovennatuurlijke energie niet het geval is.[38]

Minder voorkomende en niet altijd even nuttige indelingen zijn direct—indirect, privé—officieel en natuurlijk—ritueel.[39] Directe magie betreft het gebruik van amuletten, spreuken, zangen, brouwsels enzovoort, terwijl indirecte magie bijvoorbeeld het aanroepen van de doden is. Veel magie ligt in de praktijk in de privésfeer, en officiële magie komt heel dicht bij religie in de buurt, zoals gemeenschappelijke reinigingsriten, regendansen en vruchtbaarheidsriten. Natuurlijke magie draait feitelijk om een soort eenvoudige wetenschap, met experimenten, wonderlijke effecten, bedrog en gegoochel. In zekere zin heeft alle magie echter een ritueel karakter. Een eenvoudige indeling daarvan is 1) rituelen ter versterking van de eigen mana; 2) rituelen ter verzwakking van andermans mana; 3) rituelen ter bescherming (tegen geesten, demonen etc.); 4) reinigingsriten; 5) helingsriten.

Westerse magie[bewerken]

In elke periode van de westerse geschiedenis wordt magie aangetroffen. Vier algemene opmerkingen erover. Om te beginnen is het onderscheid tussen magie en godsdienst wazig. Dit geldt bijvoorbeeld voor theürgie en Germaanse toverspreuken, waarin goden genoemd worden. Magie blijft voorts het onderwerp van discussie. Tegenstrijdige opvattingen komen voor in alle sociale milieus en zelfs in dezelfde personen.[40] Magie wordt gekarakteriseerd door zowel volksoverlevering als denkbeelden van geleerden. Magie had soms intellectuele vormen. Voorbeelden zijn hermetische magie, kabbala en theürgie. Als laatste treedt vermenging en hybridisatie van tradities op meerdere momenten in de geschiedenis van westerse magie op.

Magisch boek, Museo delle Terme di Diocleziano

Klassieke oudheid[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Oud-Griekse magie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In de klassieke oudheid was magie welbekend en werd de basis gelegd voor middeleeuwse en vroegmoderne magie. Desondanks had magie een paradoxale positie: het werd zowel veel beschreven en gepraktiseerd als wel gekritiseerd en van staatswege veroordeeld. Men geloofde in wonderdoeners (bijvoorbeeld Orpheus en Pythagoras[41]), en een algemeen gangbare opvatting was dat de magiër zijn krachten verkregen had doordat hij direct communiceerde met de goden. Magie zou zijn uitgevonden in Perzië door Zoroaster.[42] Bij zowel in Griekenland als (later) bij de Romeinen kende magie een veelheid aan vormen, met een veelheid aan middelen en toepassingen. Men kende bijvoorbeeld het dodenorakel, spreuken, amuletten en brouwsels, voor doeleinden als vervloeking, genezing en liefde. Men geloofde dan ook in geesten van overleden mensen met hun speciale krachten en in allerlei wezens, maar ook in universele sympathie. Met name in de Romeinse periode grote getale van magische teksten.[43] Er bestonden recepten, waarvoor men specifieke planten, lichamelijk materiaal (zoals bloed en botten) en in mindere mate stenen gebruikte. De Grieken kenden verder een verscheidenheid aan voorspellingsmethoden, en wel onder de term mantike. Gedurende de Romeinse keizertijd werden bepaalde rituelen binnen de waarzeggerij ook geassocieerd met magie.[44]

Hekate, godin van toverij uit de Griekse mythologie, William Blake, 1795

Magie werd verschillende malen streng veroordeeld, bijvoorbeeld door Plato (Wetten, II, 932). Het dodenorakel kon bijvoorbeeld als taboe beschouwd worden, maar het orakel van Delphi niet, omdat daarbij hogere wezens nergens toe gedwongen worden.[45] Soms werden beoefenaars zelfs vervolgd, behalve wanneer het (godsdienst gerelateerde) riten betrof die door de overheid goedgekeurd waren. De Grieks-Romeinse wetteksten maken duidelijk verschil tussen magie die is goedgekeurd door de staat - zoals orakels en vogelvoorspelling - en de magie van het volk. Romeinse keizers verboden magie nu en dan, op straffe des doods, maar accepteerden magiërs soms wel aan het hof.[43] Ondanks verboden op bepaalde magie was er in met name de eerste eeuw n.Chr. een duidelijke markt voor.[46]

Belangrijk voor de latere ontwikkeling van magie in het westen is het feit dat magie vanaf de tweede eeuw met filosofie mengt, terwijl filosofie meer neigt naar religie en andersom.[47] Dat is te zien bij het hermetisme, neopythagorisme en neoplatonisme. De neoplatonische kosmologie (waarin de kosmos werd voorgesteld als één groot harmonieus verbonden geheel) werd verbonden met uitgewerkte rituelen om goden aan te roepen en in te zetten om de eigen magische krachten te vergroten.[48] Dit heet theürgie, waarvan de vroegste bron de Chaldeïsche Orakels zijn (tweede eeuw). Tegelijkertijd groeide echter ook de associatie van magie met demonische krachten. Kerkvaders zoals Augustinus (354-430) hadden vanzelfsprekend moeite met theürgie, maar werden toch geïnspireerd door het neoplatonische gedachtegoed.[49]

Middeleeuwen[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Middeleeuwse magie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Gedurende de christelijke middeleeuwen blijft magie ambigu, balancerend tussen natuurwetenschap/-filosofie en duivelse praktijken.[50] Bovendien treedt veelal syncretisme op met heidense tradities en christendom.[51] Het vroege christendom kent ten aanzien van magie een drietal paradoxen. Ten eerste werden enerzijds tovenaars afgeschilderd als klunzen of handlangers van de duivel. Anderzijds worden Jezus, zijn volgelingen en heiligen allerlei wonderen toegedicht. Ten tweede ontwikkelde zich, ondanks de veroordeling van magie, in een vroeg stadium een eigen christelijke magie, onder andere aan de hand van gebedsformules. De veroordeling van magie en het afschilderen ervan als nonsens belette christelijke denkers tot slot niet een verklarende theorie voor de (vermeende) werkzaamheid ervan te formuleren.[52] Auteurs van aanzien zoals Augustinus (De civitate Dei) en Isidorus van Sevilla (ca. 560-636; Etymologiae, boek VIII, hoofdstuk IX) schoren magie en waarzeggerij echter over een kam, en lieten zich er negatief over uit.[53] De gemiddelde theoloog deed dat ook tot in de twaalfde eeuw. Vaak overheersten de demonische connotaties, al dan niet onder invloed van Bijbelse verboden ten aanzien van magie.[54]

Als duidelijk gedefinieerde categorieaanduiding werd magie niet gebruikt.[55] Globaal onderscheidde de intellectuele elite wel twee soorten magie, namelijk demonische (zwarte) en natuurlijke (witte) magie.[56] Dat onderscheid was belangrijk maar lang niet altijd duidelijk. Voor veel mensen, zoals inquisiteurs, theologen en priesters, was natuurlijke magie (hoewel misschien onbedoeld) demonisch, omdat de magiër zijn werk alleen kon doen door bemiddeling van demonen, of omdat rijmelarij in toverspreuken van demonische oorsprong kon zijn, enzovoort.

Occulte krachten konden een paar dingen betekenen. Als technische term duidde het datgene aan wat de zintuigen niet kunnen waarnemen. Zo was het niet duidelijk hoe getijden werkten en hoe een bepaalde plant precies werkte als geneesmiddel. Ook werden animistische aspecten aangeduid als occulte kracht: dingen in de natuur als bezield.[57] Tot slot kon een occulte kracht het onzichtbare en symbolische verband aanduiden tussen gelijkvormige zaken, zoals het geval is bij de signatuurleer: als iets op iets anders lijkt, dan helpt het daarvoor. Dit is sympathetisch denken. In Der naturen bloeme geeft Jacob van Maerlant bijvoorbeeld amethist op als middel tegen de kwalijke effecten van wijn, omwille van de kleur (vss. 15064-15079).

Magie kwam zowel onder het gewone volk als de geestelijkheid voor. Desondanks bleef het een onderwerp van discussie om morele en theologische redenen: hoe kon het bestaan, welke vormen waren er, moest men zich ermee inlaten? Zo uitte de abt Johannes Trithemius (1462-1516) zich zowel positief als negatief uit over magie, terwijl de beruchte Heksenhamer (1486) ondanks de heksenangst toch een bepaalde natuurmagie goedkeurt. De Kerk zag magische praktijken lange tijd echter als betrekkelijk onschuldige folklore. Zo was het officiële standpunt ten aanzien van op bezems rondvliegende heksen dat het slechts een zinsbegoocheling was van de hand van de duivel.[58] Pas in de vijftiende eeuw ontstaat grotere paniek voor angst en een zeer sterke veroordeling alsmede vervolging ervan. Heksenjachten komen op gang. Het is de tijd waarin boeken over heksenleer voor inquisiteurs verschijnen, zoals de Formicarius (1435-1437) en de Heksenhamer. Ze beschrijven hoe men heksen kan herkennen, moet verhoren en moet straffen.

Vroegmoderne tijd[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Vroegmoderne magie voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Vanaf de vijftiende eeuw is er een duidelijk (her)opleving van alchemie, astrologie, hermetisme, neoplatonisme en klassieke filosofie.[59] Tezamen was het resultaat een toenemende heterodoxie, en een periode van grote esoterische bedrijvigheid. In haar totaliteit was de gedachte van een organisch, sympathetisch universum hierin de gemene deler, en genoemde tradities zijn dan ook nauw verbonden met elkaar in deze periode. Magie kon in deze omstandigheden goed wortelen en profiteerde van de opbloei van de andere esoterische tradities, zodat nieuwe, hybride varianten ontstonden. Zo was de edelman Giovanni Pico della Mirandola (1463-1494) de eerste met christelijke kabbala. Enkelen, zoals John Dee (1527-1608), probeerden een synthese te bereiken tussen veel tradities. In zijn Monas hieroglyphica bracht deze bijvoorbeeld pythagorisme, natuurfilosofie, alchemie, astrologie en magie samen in één sympathetische theorie.[60]

Met de herontdekking en ontsluiting van klassieke bronnen kreeg de westerse esoterie, waaronder magie, een sterke impuls.[61] Hermetica raakte bekend, alsmede teksten van neoplatonisten. Dergelijke bronnen verschaften een filosofisch kader en theoretische basis voor het praktiseren van magie.[62] Daar kwam nog bij dat klassieke bronnen autoriteit verleenden aan het 'vak' wegens hun hoge ouderdom en de eerbied die men daarvoor had.

Zoals eerder het geval, was er ook nu veel discussie, in een periode met toenemende heterodoxie en heksenvervolging. De Kerk was zich er bijvoorbeeld goed van bewust dat natuurmagie gevaarlijk dicht bij demonische magie kwam. Ook tastte de claim op het verrichten van wonderen de positie van de Kerk aan.[59] Voorstanders van natuurmagie rechtvaardigden het door het theoretisch te onderbouwen en zorgvuldig te onderscheiden van necromantie en inzet van duivels. In de praktijk bleef het desondanks moeilijk om hard te maken wat nu het onderscheid was tussen bijvoorbeeld de individuele krachten van planeten en aparte spirituele entiteiten. Er was geen consensus over hoe de mens dit überhaupt zeker kon weten. Anderen, zoals Aggripa (1486-1535) in zijn De occulta philosophia libri tres, namen het ronduit op voor magie waarbij entiteiten werden aangeroepen. Deze konden bijvoorbeeld aangemerkt worden als goed zodra zich een wonder voordeed. Een andere grote voorstander van magie was de Napolitaan Giambattista della Porta (1535-1615), ondanks aanvaringen met de inquisitie.[63] Hij ging bijvoorbeeld zover om demonen als onderdeel van de natuur te beschouwen, waardoor demonische magie ook natuurmagie werd.

Moderne tijd[bewerken]

In het moderne westen is magie geenszins verdwenen. Na de groeiende kritiek op esoterische tradities in de loop van de zeventiende eeuw, herleefden ze weer in de tweede helft van de negentiende eeuw.[64] De twee belangrijkste stimuli tot vernieuwing van het negentiende-eeuws westers esoterisme kwamen aanvankelijk uit het achttiende-eeuwse werk van de Zweedse wetenschapper en mysticus Emanuel Swedenborg (1688-1772) en de Duitse arts Franz Anton Mesmer (1734-1815).[65] Mesmer bedacht de theorie van het mesmerisme. Vanuit het mesmerisme ontstond het spiritualisme dat in Europa en de VS omstreeks 1850 enorm populair werd als tijdverdrijf, met bewust opgewekte somnambulistische trances en seances met geesten (poltergeisten). Eliphas Lévi (1810-1875) was de voortrekker van het occultisme en diens wederopleving in Frankrijk, met zijn boeken over magie en kabbala. In Engeland ontwikkelde de orde van de Golden Dawn een heel magisch systeem rond de kabbala en de sefirot, wat andere groepen inspireerde om ook eigen geheime ordes in het leven te roepen. De twintigste-eeuwse westerse esoterie levert een bijzonder eclectisch beeld op, met allerlei neopaganistische groepen, in navolging van het in Engeland omstreeks 1950 ontstane wicca, de nieuwe hekserij die vooral in Angelsaksische landen grote populariteit genoot. In de tweede helft van de twintigste eeuw wordt tot slot de term new age geïntroduceerd om allerlei alternatieve stromingen en ideeën aan te duiden die waren gevormd uit een mix van westerse en oosterse spiritualiteit.[66] Magie maakt daar deel van uit.

Niet-westerse culturen[bewerken]

In het westerse denken is magie als categorie verschillend van wetenschap en geloof, iets dat in andere culturen echter niet voorkomt.[67] Anderzijds komen praktijken als waarzeggerij, hekserij en contact zoeken met de geestenwereld wereldwijd voor. Aziatische religieuze tradities zoals het hindoeïsme, boeddhisme en taoïsme kennen praktijken die als magisch kunnen worden beschouwd, en aanhangers van tantra en andere esoterische sekten maken in hun rituelen gebruik van woorden, symbolen en diagrammen. Vooral deze laatste vermengen typisch 'magische' en 'religieuze' praktijken (zie ook Syncretisme).

Magie in de Midden-Oosterse oudheid[bewerken]

Assyrische demon Pazuzu, eerste millennium v.Chr.
Vorderasiatisches Museum, Berlijn. Amulet met een incantatie in spijkerschrift tegen de demon Lamashtu. Neo-Babylonische periode (eerste helft van het eerste millennium v.Chr.).

Magie dateert uit de prehistorie en is al in een vroeg stadium met religie verbonden, in het bijzonder met de cultus van de Moedergodin (zie ook Mythologie).[68] In het Midden-Oosten leefde magie in de diverse culturen. Ze is aanwezig in de vroegste geschreven cultuurbronnen zoals Mesopotamisch spijkerschrift en Egyptische piramideteksten.

De Babyloniërs kenden magie, waarzeggerij en astrologie, maar geen terminologie voor categorieën als waarzeggerij, magie en religie.[69] In hun literatuur zijn met name veel teksten bewaard gebleven over waarzeggerij, welke zeer belangrijk in de oude wereld was.[70] Necromantie slechts met mate,[71] en ook moet men magie ingezet hebben voor genezing en bescherming. In haar functie sluit magie wat dat betreft nauw aan op waarzeggerij, omdat ze door priesters typisch anticipeert op onthulde tekens middels rituelen.[72] Priesters schreven ook etymologische commentaren op bijvoorbeeld magisch-medische voorschriften, om zo diepere betekenissen uit de tekst te destilleren.[73] Het belang dat aan taal gehecht wordt blijkt ook uit gebeden en spreuken. Bij de Egyptenaren kon het woord ook bijzondere kracht uitoefenen,[74] wat ook geldt voor Joodse magie van alle tijden, bijvoorbeeld middels de goddelijke naam.[75] De Joden kenden desondanks een verbod op magie (onder andere in Deuteronomium 18:10-14). Magie was niet vrij van verdenking. In de Codex Hammurabi (1780 v.Chr.) worden bijvoorbeeld godsoordelen (meer bepaald de waterproef) voorgeschreven bij de rechtszaken over tovenarij.

Magische spreuken waren goed vertegenwoordigd in Mesopotamië vanaf de oude Soemerische cultuur, en reeds in het derde millennium v.Chr. verschijnen ook bezweringen in het Akkadisch. Zo werden demonen verantwoordelijk geacht voor het veroorzaken van kwalen, die vervolgens genezen konden worden middels bezweringen en talismannen. Sommige demonen konden ook aangeroepen worden ter bescherming (zie Pazuzu). Demonen nemen echter niet het gehele lichaam in bezit, maar vallen dit slechts aan. Bezweringen voor dergelijke gevallen zijn bewaard gebleven, en zijn vaak traditionele spreuken in poëtische taal. Formeel onderscheid tussen exorcistische en niet-exorcistische bezweringen bestaat niet. Zo'n onderscheid kan enkel op basis van thematiek. Zo zijn ook Akkadische liefdesbezweringen bekend, alsmede bezweringen om anderen schade te berokkenen.[76]

Bij de oude Egyptenaren steunden magie en religie op voorgeschreven rituelen die het voortbestaan van de kosmische orde moesten waarborgen.[77] Het gebruik van amuletten, afbeeldingen en rituelen bracht in hun opvatting bovennatuurlijke resultaten teweeg. Wat zij toen beschouwden als religie zou tegenwoordig eerder als magie worden bestempeld. Hun magisch denken toont zich in ontstaansmythen zoals degene die verhaalt over hoe de heuvel Atum bij het eerste licht oprees uit de primordiale wateren. Vervolgens ontstond uit de verbinding van de mannelijke Sjoe en de vrouwelijke Tefnut de hemelgodin Noet en Geb, de aardegod. Uit hun verbinding werden Osiris, de eerste koning van Egypte, en Isis geboren. Deze mythe toont de sterke verwevenheid van de menselijke wereld, de goden en de natuur. Alle zijn zij verbonden in de magisch geachte processen van leven en dood.

Islam en magie[bewerken]

In de islam maakt magie deel uit van de occulte wetenschappen zoals waarzeggerij, astrologie en profetie.[78] Magie wordt beschouwd als hemelse kennis, geheimen die gevallen engelen met de mensheid hadden gedeeld. Waarzeggerij maakt gebruik van deze kennis, die eigenlijk voor de mens verborgen had moeten blijven. Ook hier worden bezweringen en spreuken gebruikt om geesten en demonen (djinns) te bevelen. Er wordt hierbij onderscheid gemaakt tussen 'goede' en 'kwade' magie, waarbij de kwade magie niet gericht is op God maar op een voorwerp. Vooral het soefisme als mystieke traditie stelde zich tot uiteindelijk doel zich te verenigen met God. De ascetische praktijken dienden om de geest te zuiveren zodat communicatie met God mogelijk werd.

Chinese magie[bewerken]

Tijdens de Shang- en vroege Zou-dynastie (dus de periode tussen de 16e en de 8e eeuw v.Chr.) vervulde de sjamaan of tovenaar een belangrijke functie. Hij was verantwoordelijk voor offers aan de geesten en kende bezweringen om die geesten te doen gehoorzamen. Met behulp van planten werd hij in staat geacht om zowel vervloekingen als genezingen te bewerkstelligen.

In de periode van de Wu-dynastie kende men het fenomeen van de fangshi, buitenstaanders die zich hadden gespecialiseerd in astrologie, medicijnen en geomantie. Het sjamanisme stond in hoog aanzien bij sommige heersers, maar zou in de Periode van de Strijdende Staten aan gezag inboeten doordat het geassocieerd werd met hekserij.[79]

Taoïsme en confucianisme maken gebruik van hetzelfde divinatiesysteem: de I Tjing of het "Boek der Veranderingen". De 64 hexagrammen bestaan uit figuren van op elkaar gestapelde volle en onderbroken lijnen. Het raadplegen van het I Tjing-orakel gebeurt traditioneel met het gooien van stengels van het duizendblad. Ook uit het wereldbeeld van het taoïsme blijkt onderlinge verbondenheid van gebeurtenissen op aarde en in de hemel. Harmonie en verbondenheid worden uitgedrukt in de symboliek van yin en yang en de vijf elementen.

Het geloof in magie is nog steeds wijdverspreid in China, met praktijken als voorspelling en het verdrijven van geesten in huizen en tempels.

Japanse en Koreaanse magie[bewerken]

Japanse spirituele tradities combineren shintoïsme, confucianisme en boeddhisme, met daarnaast het uit China geïmporteerde taoïsme.[80]

Shinto, "de weg van de geesten'", ontwikkelde zich vanuit de mythes van de eerste eeuwen, waarin de zonnegodin Amaterasu een centrale rol speelde, tot een eigen Japanse religie. De 'geesten' of kami, de natuurgeesten van het woud, de stromen en de zee, worden hierin vereerd. Religieuze leiders die met deze geesten omgaan zijn miko (vrouwelijke sjamanen of heksen) en kannushi, geestenbezweerders of priesters die een meer officiële rol vervullen. Toen het boeddhisme in de 6e eeuw werd ingevoerd in Japan, werden de kami echter beschouwd als manifestaties van Boeddha of van Bodhisattvas.

De Koreaanse religieuze cultuur omvat confucianisme, boeddhisme, protestants christendom en culten omheen vrouwelijke sjamanen. Deze sjamanen zijn de bron voor de Koreaanse magie die als Mu-sok ("sjamaanse gebruiken") bekendstaat. Mannen zijn gewoonlijk geen sjamaan, maar vervullen een meer officiële functie bij rituelen rond voorouderverering. Koreaanse sjamanen maken gebruik van horoscopen om te bepalen op wie in het huis de goden vertoornd zijn en welke huishoudgod precies beledigd is.

Magie in India[bewerken]

Met de komst van de Ariërs omstreeks 2000 v.Chr. in de vlakten van de Ganges, begon wat de Vedische fase in de geschiedenis van India wordt genoemd.[81] Als agrariërs waren ze afhankelijk van de natuur, wat ook weerspiegeld wordt in de Veda's (Sanskriet voor "Wat gekend is"). Een van de oudste collecties van Hindoegeschriften is de Atharva-Veda, met een verzameling toverspreuken en magische rituelen. De Veda's zijn rijk aan magische ideeën. Niet alleen de krachten van de natuur, maar ook die van hogere wezens worden beschreven. Ook hier ziet men hoe alles wordt opgevat als onderling verbonden en afhankelijk van elkaar.

Brahmaanse priesters voerden rituelen uit om het verstoorde evenwicht te herstellen, en strijd en spanning werden als noodzakelijk beschouwd om boosaardige geesten te kunnen overwinnen. Rituelen werden gehouden bij festivals en andere speciale gelegenheden zoals het verdrijven van kwaadaardige geesten of godheden. Hieraan kwamen praktijken te pas zoals voorspelling, het vinden van heksen en het manipuleren van geesten.

Hindoeïsme, boeddhisme en magie[bewerken]

Hindoeïsme ontwikkelde zich uit het vedisme. Tegen het einde van de Vedische periode was er sprake van meer interesse in ascetische praktijken, gericht op zelfdiscipline, en in yoga, dat individuele spirituele ontwikkeling beoogt.[82] In het hindoeïsme is er slechts één wezen dat bestaat: de Brahman, zonder vorm en tegelijk immanent en transcendent. Brahman brengt de wereld voort uit zichzelf, en Atman, de individuele ziel, maakt daar deel van uit. Bovennatuurlijke krachten zijn afkomstig uit Brahman en de hele wereld wordt beschouwd als een gevolg van zijn goddelijke actie.

In de praktijk coëxisteren hindoeïsme en boeddhisme met een veelheid aan volkse tradities en cultussen waarin toch aandacht wordt besteed aan de problemen van alledag. Gewone mensen praktiseren het boeddhisme, maar zijn ook bezig met communiceren met geesten. Zij doen beroep op specialisten in het dorp die bij ziekte de namen van de geesten komen afroepen of bijvoorbeeld astroloog, kruidenkenner of voorspeller zijn. Het zijn meestal vrouwen die optreden als medium en zich door een geest in bezit laten nemen om als zijn orakel te kunnen optreden.

Magie is bij hindoeïsme en boeddhisme het meest prominent aanwezig in de esoterische praktijken van het tantrisme, dat in India omstreeks het jaar 700 ontstond.

Afrikaanse religie en magie[bewerken]

Er bestaat niet zoiets als een homogeen geheel van geloofs- en rituele praktijken dat in heel Afrika wordt aangetroffen. Onderzoekers schetsen integendeel een bijzonder complex beeld en hoeden zich ervoor te sterk te gaan veralgemenen.[83] Het beeld is zeer divers, temeer omdat de gemeenschappen eigen mythes en kosmologieën ontwikkeld hebben waaraan zij morele gedragslijnen en taboes koppelen. Wel is het zo dat in de meeste Afrikaanse gemeenschappen de spirituele wereld van de geesten deel uitmaakt van de gewone wereld waarin de mensen leven. De meeste Afrikaanse gemeenschappen geloven dat spirituele krachten ten goede of ten kwade kunnen worden gemanipuleerd door de mens. Zo wenden heksen en tovenaars in hun opvatting de negatieve kracht aan om de gemeenschap te schaden. Meestal houdt men er tevens een pantheïstisch wereldbeeld op na waarin de natuurlijke wereld als goddelijke eenheid wordt opgevat. Magie is de kracht die de natuur, de levenden en de gestorven familieleden met elkaar verbindt. Sommige gemeenschappen benoemen die achterliggende en alles doordringende kracht of geest niet, maar in Tanzania en Kenia wordt die scheppende kracht als oppergod benoemd. Ook de Janjero van Ethiopië geloven in een opperwezen dat zij 'Hao' noemen.

Vaak is er sprake van een hiërarchie in de geestenwereld. Er zijn natuurgeesten van rotsen, rivieren dieren en bomen, maar de geesten van de voorouders worden van een hogere orde geacht. Op het hoogste niveau bevinden zich godheden die hun kracht rechtstreeks van de schepper-geest ontvangen. Onder meer bij de Lugbara treft men een cultus aan rond de verering van de geesten van de doden 'in de aarde'. Zij veroorzaken ongelukken of ziekten wanneer zij verwaarloosd worden door de levenden 'aan de buitenkant'.

Verklaring voor geloof in magie[bewerken]

Voor onderzoekers, zoals antropologen, is er geen reden in de directe werkzaamheid van magie te geloven, en daarom hebben zij geprobeerd verklaringen te vinden voor het aanhoudende geloof erin. Een reden is dat het beoogde effect ervan ondersteund wordt door andere handelingen. Magie heeft namelijk een aanvullende functie en biedt bijvoorbeeld extra steun bij de landbouw. Ze vervangt die nooit. Daarnaast kan magie een nocebo- of placebo-effect hebben. Magische rituelen en het dragen van amuletten nemen bijvoorbeeld angst en twijfel weg. Ze geven de drager zodoende meer zelfvertrouwen en moed, wat kan resulteren in meer succes bij de jacht of de strijd. Het rituele karakter van magie zorgt er tevens voor dat men met allerlei zaken rekening moet houden om het beoogde effect te krijgen. Als dat effect uitblijft, dan kan dit vervolgens geweten worden aan verkeerde handelingen of ingrediënten. Magie hoeft ook niet direct te werken, en in de tussentijd kunnen allerlei dingen voorvallen in het leven van de persoon die men bijvoorbeeld geweld wil aandoen. Iedereen ondervindt wel eens tegenslag, maar dit wordt dan verklaard door eerdere magische handelingen. Belangrijk is ook het geloof in magie omdat juist de negatieve effecten ervan gezien worden in ziekte, dood, misoogst enzovoort. Dat wil geenszins zeggen dat magie daadwerkelijk is waargenomen. Het wordt alleen verondersteld.[84]

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Noten

  1. Encyclopædia Britannica online: "Magic", Conclusion'.
  2. Zie daarvoor Hanegraaff 2012; Hanegraaff 2013, p. 13; K. von Stuckrad, in Von Stuckrad (ed.) 2006, p. 607. Principe 2013, hfdst. 4.
  3. Hanegraaff 2013, p. 2.
  4. Etymologiebank.nl Geraadpleegd op 11 mei 2015.
  5. Flower 1986, p. 20.
  6. Luck 2006, p. 33.
  7. Marco Pasi, in Kocku von Stuckrad (ed.) 2006, p. 1134.
  8. Luck 2006, p. 2
  9. a b Luck 2006, p. 2.
  10. Zie voor een middeleeuws voorbeeld Kieckhefer 1990, p. 9.
  11. A.K. Guinan (2002), geciteerd door Ulla S. Koch, in Annus (ed.) 2010, p. 45.
  12. Thorndike 1923, pp. 1-2. Vragen daarbij zijn echter of esoterici niet ook wetenschappers konden zijn, magiërs en alchemisten niet ook experimenteerden enzovoort.
  13. Primitive Culture, 1871.
  14. Marco Pasi, in Kocku von Stuckrad (ed.) 2006, pp. 1134-1135. Kritiek op de ‘evolutionaire’ opvatting bestond echter al in 1900 met onder andere R.R. Marett: Encyclopaedia Britannica 11e editie, p. 305: Magic. In de ogen van de Franse antropoloog Claude Lévi-Strauss mocht magie niet gereïficeerd (het verstoffelijken van een begrip) worden als aparte categorie naast religie en wetenschap: La Pensée sauvage, 1962.
  15. Wouter J. Hanegraaff, in Wouter J. Hanegraaff (ed.) 2006, p. 718. Marco Pasi spreekt op dit punt ook van postmodernistische invloed. Marco Pasi, in Kocku von Stuckrad (ed.) 2006, pp. 1134.
  16. Luck 2006, p. 1.
  17. Zie bijvoorbeeld Kieckhefer 1990, p. 1.
  18. Zie ook Marco Pasi, in Kocku von Stuckrad (ed.) 2006, pp. 1134.
  19. Voor de rationaliteit van middeleeuwse magie, zie Kieckhefer 1994.
  20. Zie hiervoor Luck 2006, p. 3.
  21. Dit onderscheid is bij de studie naar magie in de late negentiende en vroege twintigste eeuw verkondigd, maar gaat in feite terug op zestiende-eeuwse theologische discussies. Kieckhefer 1990, pp. 14-15.
  22. Encyclopædia Britannica online: "Magic", Conclusion'.
  23. Zie daarvoor Hanegraaff 2012; Hanegraaff 2013, p. 13; K. von Stuckrad, in Von Stuckrad (ed.) 2006, p. 607. Principe 2013, hfdst. 4.
  24. Hanegraaff 2013, p. 2.
  25. Flower 1986, p. 20.
  26. Mauss 1950 (ed. 2001), p. 23.
  27. The Golden Bough, ed. 1945, pp. 11-12.
  28. Luck 2006, p. 33.
  29. Luck 2006, p. 5.
  30. Mauss 1950 (ed. 2001), pp. 92-93.
  31. Kloos 1995, pp. 106-107.
  32. Luck 2006, p. 4.
  33. Kloos 1995, p. 105.
  34. Flowers 1986, p. 23.
  35. Zie bijvoorbeeld Encyclopaedia Britannica: "Magic"/Functions.
  36. The Golden Bough, ed. 1945, pp. 11-12.
  37. Luck 2006, p. 6.
  38. Flowers 1986, pp. 14-15.
  39. Zie Luck 2006, pp. 9-10.
  40. F. Graf, in Hanegraaff 2006, p. 725.
  41. Zie de biografieën van Pythagoras door Jamblichus en Porphyrius: editie Rooijen-Dijkman 1987.
  42. F. Graf, in Hanegraaff 2006, p. 719.
  43. a b Schrijvers 1995, p. 120.
  44. F. Graf, in Hanegraaff 2006, pp. 720-721.
  45. Schrijvers 1995, p. 118.
  46. Schrijvers 1995, p. 117.
  47. R. van den Broek, in Hanegraaff (ed.) 2006, p. 488.
  48. Kieckhefer 1990, p. 27.
  49. Idem.
  50. Hanegraaff 2013, p. 22-23.
  51. Zie bijvoorbeeld H. Maguire, in Maguire 1995, p. 4.
  52. Van der Vliet 1995, p. 84.
  53. Kieckhefer 1990, pp. 10-11.
  54. Leviticus 19:26, Deuteronomium 18:10-11.
  55. Kieckhefer 1990, p. 9.
  56. Kieckhefer 1990, p. 1.
  57. Kieckhefer 1990, pp. 12-13.
  58. Bordewijk 1995, p. 142.
  59. a b Eamon 1994, p. 195.
  60. Zie Hamilton-Jones 1975, iii.
  61. Hannam 2011, pp. 229-233.
  62. Hannam 2011, p. 231.
  63. Eamon 1994, p. 196.
  64. Hanegraaff 2013, p. 41.
  65. Hanegraaff 2013, p. 36 e.v.
  66. Hanegraaff 2013, p. 43.
  67. Encyclopædia Britannica, "Magic": [...] Within the Western tradition, this way of thinking is distinct from religious or scientific modes; however, such distinctions and even the definition of magic are subject to wide debate.; "Magic/World cultures": The Western concept of magic as a set of beliefs, values, and practices that are not fully religious or scientific does not find its equivalent in non-Western languages and cultures.
  68. Luck 2006, p. 35.
  69. Francesca Rochberg, in Annus (ed.) 2010, p. 24.
  70. Baily 2007, hoofdstuk 1.
  71. Finkel 1983, p. 1.
  72. Ulla S. Koch, in Annus (ed.) 2010, p. 45.
  73. Eckart Frahm, in Annus (ed.) 2010, p. 96.
  74. Scott B. Noegel, in Annus (ed.) 2010, p. 145.
  75. Scott B. Noegel, in Annus (ed.) 2010, p. 146 (noot 9).
  76. Zie Geller & Van Koppen 2006, pp. 47-63.
  77. Greenwood 2007, p.18: Egyptian magic.
  78. Greenwood 2007, p.30: Islam and Magic.
  79. Greenwood 2007, p. 32: Chinese magic.
  80. Greenwood 2007, p. 34: Japanese and Korean magic.
  81. Greenwood 2007, p. 36: Magic and ritual in India.
  82. Greenwood 2007, p. 38: Hinduism, Buddhism and Magic.
  83. Greenwoond 2007, p. 42: African religion and magic.
  84. Kloos 1995, p. 106.

Bronnen

  • Annus, A. (ed.). Divination and Interpretation of Signs in the Ancient World. Chicago: Chicago University Press, 2010.
  • Bailey, M. D. Magic and Superstition in Europe. A Concise History from Antiquity to the Present. Plymouth: Rowman & Littlefield Publishers, 2007.
  • Bordewijk, C. 'Heksenwaan en heksenspel. Bestrijding en dramatisering van de West-Europese heks in laat-vijftiende- en zestiende-eeuwse teksten.' In: Bezweren en Betoveren, geëditeerd door M. Schipper & P. Schrijvers. Baarn: Ambo, 1995, pp. 141-149.
  • Copenhaver, B. 'Hermes Trismegistus, Proclus, and the Question of a Philosophy of Magic in the Renaissance.' In Hermeticism and the Renaissance: Intellectual History and the Occult in Early Modern Europe, geëditeerd door I. Merkel en A. Debus. Washington: Folger Books, 1988.
  • Eamon, W. Science and the Secrets of Nature. Books of Secrets in Medieval and Early Modern Europe. Princeton: Princeton University Press, 1994.
  • Finkel, I.L. 'Necromancy in Ancient Mesopotamia.' In: Archiv für Orientforschung, 29./30. Bd. (1983/1984), pp. 1-17.
  • Flowers, S.E. Runes and Magic. Magical Formulaic Elements in the Older Runic Tradition. New York: Peter Lang, 1986.
  • Frazer, J.G. The Golden Bough. New York: Macmillan Company, 1945 (20e oplage).
  • Geller, M.J. & F. van Koppen. 'Mesopotamische bezweringen.' Phoenix: thema Magie in het oude nabije oosten, vol. 52, no. 2 2006: 47-63.
  • Greenwood, S. The Encyclopedia of Magic & Witchcraft. An Illustrated Historical Reference to Spiritual Worlds. Londen: Hermes House, 2007.
  • Hamilton-Jones, J.W. The Hieroglyphic Monad. New York: Samuel Weiser, 1975.
  • Hanegraaff, W.J. (ed.). Dictionary of Gnosis & Western Esotericism. Leiden: Brill, 2006.
  • Hanegraaff, W.J. Esotericism and the Academy: Rejected Knowledge in Western Culture. Cambridge: Cambridge University Press, 2012.
  • Hanegraaff, W.J. Western Esotericism. A Guide for the Perplexed. London: Bloomsbury, 2013.
  • Hannam, J. The Genesis of Science. Washington: Regnery Publishing, 2011.
  • Kieckhefer, R. Magic in the Middle Ages. Cambridge: Cambridge University Press, 1990.
  • Kieckhefer, R. 'The Specific Rationality of Medieval Magic'. In: The American Historical Review, vol. 99, nr. 3 (1994), pp. 813-836.
  • Kloos, P. Culturele antropologie. Een inleiding. Assen: Van Gorcum, 1995.
  • Lie, O.L. 'Verborgen kennis in de Middeleeuwen. De magische recepten van het Hattemse handschrift C 5.' In: Een wereld van kennis. Bloemlezing uit de Middelnederlandse artesliteratuur, geëditeerd door E. Huizenga, O.S.H. Lie & L.M. Veltman. Hilversum: Verloren, 2002.
  • Luck, Georg. Arcana Mundi. Magic and the Occult in Greek and Roman Worlds. A Collection of Ancient Texts. Baltimore: Johns Hopkins University Press, 2006.
  • Maguire, H. (ed.). Byzantine Magic. Washington: Harvard University Press, 1995.
  • Mauss, Marcel. A General Theory of Magic. New York: Routledge, 2001 (oorspronkelijke uitgave: 1950).
  • Principe, L. The Secrets of Alchemy. Chicago: Chicago University Press, 2013.
  • Rooijen-Dijkman, H.W.A. van. Jamblichus/Porphyrius. Leven en leer van Pythagoras. Baarn: Ambo, 1987.
  • Schrijvers, P. 'Een dode spreekt. Hekserij en magie in het epos van Lucanus.' In: Bezweren en Betoveren, geëditeerd door M. Schipper & P. Schrijvers. Baarn: Ambo, 1995, pp. 116-126.
  • Stuckrad, K. von (ed.). The Brill Dictionary of Religion. Leiden: Brill, 2006.
  • Theokritos. Idyllen en epigrammen. Vertaald door A.M. van Erp Taalman Kip. Amsterdam: Athenaeum - Polak & Van Gennep, 2003.
  • Thorndike, Lynn. A History of Magic and the Experimental Sciences. Vol. I. New York: MacMillan, 1929.
  • Vliet, J. van der. 'Cypriaan de Tovenaar. Christendom en magie in Koptische literatuur.' In: Bezweren en Betoveren, geëditeerd door M. Schipper & P. Schrijvers. Baarn: Ambo, 1995, pp. 84-94.
Wikibooks Wikibooks heeft meer over dit onderwerp: Magie.

Beluister

(info)