Magie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Nuvola single chevron right.svg Deze pagina gaat over magie (paranormaal). Voor magie in andere betekenissen zie: Goochelen

Beluister

(info)
Portal.svg Portaal Occultisme
Portal.svg Portaal Antropologie
Pentagram als magisch symbool, de tekens zijn astrologisch
Het zegel of pentagram van Solomon uit de Goetia, een grimoire uit de middeleeuwen
Bildlexikon der Kunst: Astrologie, Magie und Alchemie, 1652 (of eerder)
Magisch boek, Museo delle Terme di Diocleziano
Magisch symbool uit IJsland
Wapens gebruikt voor rituele magie, 1674

Magie of toverij is de vermeende kunst van het manipuleren van de werkelijkheid vanuit de gedachte dat men in contact kan treden met het bovennatuurlijke door middel van rituelen en bezweringen. Een van de functies van magie in premoderne maatschappijen was het ongewone duiding te geven of om een houvast te bieden in een onzekere wereld. Praktijken die als magisch worden gezien zijn onder meer voorspellen, astrologie, bezweringen, alchemie, hekserij, tovenarij en spiritisme. Moderne antropologische en sociologische studies van magie zien deze en andere praktijken nu eerder als aspecten en uitingen van een totale wereldbeschouwing van een bepaalde cultuur op een bepaald tijdstip in zijn geschiedenis, net zoals ook religie en wetenschap een deel vormen van de cultuur van een volk.[1] Magie is dus met andere woorden niet alleen een 'techniek': het gaat onvermijdelijk uit van een achterliggend wereldbeeld, een manier waarop alles wat gebeurt begrepen en verklaard wordt. Met magie wordt dus ook een wijze van rationaliteit, een kosmologie, beschreven waarbij ervan uitgegaan wordt dat onzichtbare krachten veranderingen kunnen teweegbrengen in de materiële werkelijkheid.

Etymologie[bewerken]

Magie stamt etymologisch af van het Griekse magikē (zie mantike), vrouwelijke vorm van magikos (μαγικός), waarmee de magische kunsten worden aangeduid, refererend aan de Magoi, - enkelvoud mágos, (μάγος) - Zoroastrische priesters die astrologische voorspellingen deden. De Griek Heraclitus (6e eeuw v.Chr.) was de eerste die de mágoi en hun 'goddeloze rituelen' vernoemde.

Definitie[bewerken]

Een algemeen geldige definitie geven van het begrip magie is niet mogelijk, maar het is veel geprobeerd. Magie is daarbij benaderd vanuit de godsdienstwetenschap, esoteric studies, religiegeschiedenis, semiotiek, antropologie, sociologie en letterkunde. Een basisdefinitie kan zijn: 'een techniek die de mens in staat stelt door middel van wilskracht gebeurtenissen te beïnvloeden in de subjectieve en/of objectieve werkelijkheid'.[2] Verdere verfijning van wat magie precies inhoudt hangt vervolgens van de tijd en de plaats af.

Moderne opvattingen[bewerken]

Religie - magie[bewerken]

Een verouderd maar noemenswaardig standaardwerk, The Golden Bough (1890) van sir James Frazer leverde een belangrijke basis voor verder onderzoek en begripsvorming rondom magie. Daarin wordt magie nog geplaatst tegenover religie en wetenschap, wat anderen zoals Edward Burnett Tylor ook deden. Ook wordt het geplaatst in de lagere, ongeschoolde milieus, wordt het gezien als de laagste stap van het evolutief magie-religie-wetenschap-paradigma.[3] Magie ging daarin vooraf aan religie omdat het volgens Frazer eenvoudiger was. Zijn grootse theorie ging echter uit van een foute vooronderstelling, namelijk dat bijvoorbeeld de Australische Aboriginals voorbeelden waren van 'primitieve' mensen die geloofden in magie, maar niet in religie. Beide gedachten zijn achterhaald en vooral vanuit antropologische hoek bekritiseerd. De visie dat er onderscheid diende te worden gemaakt tussen de categorieën religie en magie, zoals verdedigd door 19e-eeuwse antropologen[4], werd reeds in 1900 aangevochten door de antropoloog R.R. Marett. Hij beschouwde religie en magie als twee vormen van een sociaal fenomeen dat oorspronkelijk een het hetzelfde was. De primitieve mens, zo stelt hij, had een instelling die zich bezighield met het bovennatuurlijke, en die instelling lag aan de oorsprong van zowel magie als religie, die slechts geleidelijk van elkaar onderscheiden werden.[5] Vijftig jaar later ging Claude Lévi-Strauss nog een stapje verder door te stellen dat magie bij analyse van gemeenschappen niet gereïficeerd mocht worden als aparte categorie naast religie en wetenschap (La Pensée sauvage, 1962).[6][7] Het blijft echter een discussiepunt. Zo zijn gebed en een magische incantatie allebei te beschouwen als een vorm van een beroep doen op een bovennatuurlijke kracht. Deze god of dit wezen wordt dan gevraagd om te interveniëren ten behoeve van de persoon die het gebed formuleert. Een theoretisch verschil kan echter zijn dat een gebed van een gelovige gericht is aan een godheid met een onafhankelijke wil (die al dan niet het verzoek kan inwilligen), terwijl dit bij magie anders is. Een dergelijk onderscheid treft men bijvoorbeeld bij de Romein Lucanus aan. Magie wordt geacht effectief te zijn:

  • door uitvoering van de magische handeling zelf;
  • door de kracht van de wil van de magiër;
  • doordat de magiër gelooft dat hij wezens uit de geestenwereld kan bevelen.

Als een gebed in een religie niet helpt dan betekent dat in de praktijk dat de god verkozen heeft om niet in te grijpen. Als magie faalt, dan ligt dit aan een fout in de magische procedure zelf. Vandaar dat magische rituelen exact geformuleerd moeten worden en minder ex-tempore zijn.

Frazer oordeelde verder dat magie een bedrieglijk systeem was en dat magische observaties niet meer waren dan verkeerde interpretaties, veroorzaakt door een verwarring van eigen ideeën en de externe wereld. Anderen, zoals N. W. Thomas en Sigmund Freud, verwierpen deze verklaring. Freud vond dat de essentie van magie eerder lag in het vervangen van de natuurlijke wetten door eigen psychologische wetten. De drijvende kracht die iemand beroep deed doen op magie was volgens hem de kracht van de wensen, de wil.[bron?]

Magische principes[bewerken]

James Frazer merkte in zijn boek de notie van sympathie aan als basis voor magie, m.a.w. samenhang der dingen. Hij onderscheidde twee vormen, namelijk 'homoeopathic magic' (homeopathische of mimetische magie) en 'contagious magic' (contactmagie). Bij de eerste is er sprake van een wet van overeenkomst, zoals de gedachte dat het gelijke aangetrokken wordt door het gelijke. De magiër meent een effect te kunnen bewerkstelligen op basis van overeenkomsten tussen riten en objecten of gebeurtenissen. Bij de tweede gaat het om een wet van contact. Het effect wordt dan bewerkstelligd bij bijvoorbeeld een persoon door middel van een object die ooit in contact gestaan heeft met de persoon. In principe zijn deze principes te herkennen in bepaalde magische tradities.[8] Een clichévoorbeeld van contactmagie is het voodoo-poppetje, die geïdentificeerd wordt het een persoon middels een haarlok, nagel e.d. Onderzoekers erkennen en benutten deze inzichten nog wel.

Andere principes zijn ook geformuleerd. Men kan magie categoriseren op basis van machtsprincipes, namelijk dynamistisch en animistisch. Dynamistisch wil zeggen dat krachten gemanipuleerd worden alsof het een concrete en ook overdraagbare substantie betreft. Men denke aan de Polynesische mana. Dergelijke kracht is dan zeldzaam. Animistisch wil zeggen dat manipulatie plaatsvindt met behulp van psychoïde wezens in de natuur (goden/godinnen, lagere godheden, voorouderlijke geesten). Bezieling in de natuur is dan alom tegenwoordig, maar het wezen kan altijd weerstand bieden tegen magie, wat de kracht niet kan.[9]

Magie kan ook gedefinieerd worden aan de hand van motieven (die elkaar zeker niet uitsluiten in een handeling), die veelal draaien om een gegeven staat te beïnvloeden:

  1. bescherming
  2. herstelling
  3. bewaring/behoud
  4. aantrekking
  5. vernietiging
  6. transformatie
  7. waarneming[10]

Over de hele wereld zijn vele volkeren bij wie magie een belangrijke rol speelt in het dagelijks leven. Naast een medische functie heeft magie vaak ook een socialiserende, individualiserende en religieuze functie binnen samenlevingen. In de antropologie wordt onderscheid gemaakt tussen de "instrumentele" en de "expressieve" functies van magie.[11]

Instrumentele functie[bewerken]

De instrumentele functie van magie is gebaseerd op het manipuleren en beïnvloeden van de natuur en het menselijk gedrag en wordt afgemeten aan het al dan niet bereikte gewenste resultaat. Antropologen identificeren bij de instrumentele functie drie belangrijke types: productief, beschermend en destructief.

  • Daarbij wordt productieve magie aangewend om een gunstige afloop te verzoeken of af te dwingen, bijvoorbeeld voor een goede oogst of jacht.
  • Beschermende magie tracht een individu of een gemeenschap te beschermen tegen de grillen van de natuur of het kwaad dat anderen hen willen aandoen. Het gebruik van amuletten om besmettelijke ziekten af te wenden of het reciteren van bezweringen voor de aanvang van een reis zijn voorbeelden van deze beschermende functie.
  • De destructieve magie ten slotte, ook 'tovenarij' genoemd, heeft als functie om anderen kwaad aan te doen. Afgunst en andere motieven maken haar sociaal verstorend, waardoor het aanwenden van een bestrijding van tovenarij - ook door magie - binnen die samenleving noodzakelijk wordt.

Expressieve functie[bewerken]

De expressieve functie van de magie is het resultaat van de symbolische en sociale betekenissen die aan de uitoefening ervan worden gehecht, ook al zijn de beoefenaars zich mogelijk niet bewust van deze functie. Magie bezorgt op deze manier de gemeenschap een samenhorigheidsgevoel en groepsidentiteit door de gemeenschappelijke beleving van de rituelen. Tezelfdertijd kan zij de magiër als bijzondere persoon isoleren van de rest van de gemeenschap. Magie functioneert ook als creatieve uitlaatklep of soort entertainment en is daardoor onlosmakelijk verbonden met het gehele systeem van denken, geloof en gebruiken in een gegeven samenleving.

Premoderne opvattingen[bewerken]

In Geschiedenis (zie hieronder) komen diverse vormen en eigenschappen van magie naar voren in diverse periodes. Veralgemeniserend kunnen echter een paar opmerkingen gemaakt worden over premoderne voorstellingen.

  1. In veel gevallen is het niet mogelijk een onderscheid te maken tussen magie en godsdienst. Dit geldt bijvoorbeeld voor Mesopotamische en Germaanse toverspreuken en voor praktijken in de klassieke oudheid. Bovengenoemde moderne begripsvorming sluit gebed als vorm van magie ook helemaal niet uit.
  2. Magie kan zowel positief als negatief geïntendeerd zijn. Men spreekt dan respectievelijk van witte magie en zwarte magie. Die onderverdeling geschiedt echter op basis van cultuurbepaalde normen. Voor sommige middeleeuwers is het verschil dat witte magie natuurmagie is, d.w.z. werkt met natuurkrachten, terwijl zwarte magie een beroep doet op duivels. Voor een enkeling was de discussie dan weer in hoeverre duivels niet een inherent deel van de natuur zijn (want scheppingen van God). Dit onderscheid richt zich op de onderliggende functies van de magie.
  3. Magie kan ingezet worden voor velerlei doeleinden, bijvoorbeeld politieke, volstrekt persoonlijke of medische. Op basis daarvan is wel sprake van bijvoorbeeld liefdesmagie en medische magie. Dergelijk onderscheid richt zich op de doelen van de magie. Een voorbeeld van vermenging van begrippen is de medicijnman, die witte magie beoefent ten einde mensen te genezen.
  4. In diverse gevallen kan magie verbonden worden met volkse overleveringen, maar soms treft men ook geleerdenmagie aan. Magie kon veel studie vergen en intellectuele vormen aannemen. Men denke aan hermetische magie, neoplatonische magie, kaballa, astrale magie en theurgie (het oproepen van goden/geesten; zie Grimoire).

Geschiedenis[bewerken]

In elke periode van de westerse geschiedenis wordt magie aangetroffen, en het valt dan ook niet weg te denken uit de cultuurgeschiedenis. Tegelijkertijd zijn er telkens echter zowel positieve als negatieve visies over magie. Tegenstrijdigheden op dit vlak zijn niet enkel in alle periodes, maar ook in allerlei sociale milieus en zelfs in dezelfde personen terug te vinden (zie bijv. Trithemius in Middeleeuwen).[12] In wat hierna volgt, wordt de geschiedenis van magie beschreven voor zover relevant voor het westen.

Oudheid[bewerken]

Het geloof dat iemand bovennatuurlijke krachten kan manipuleren door gebed, offeren of aanroepingen, dateert vanuit prehistorische religies en is ook aanwezig in de vroegste geschreven cultuurbronnen zoals Egyptische piramideteksten en Indische veda's. Van deze laatste zijn de Atharvaveda magisch te noemen en de Vedische Brahmins zijn vergelijkbaar met die van andere oude priestervoorschriften.

In de Codex Hammurabi (1780 v.Chr., één van de oudste tot dusver gevonden wetboeken) worden godsoordelen (meer bepaald de waterproef) voorgeschreven bij de rechtszaken over tovenarij. Magische spreuken waren goed vertegenwoordigd in Mesopotamië vanaf de oude Soemerische cultuur, en reeds in het derde millennium v.Chr. verschijnen ook bezweringen in het Akkadisch. Zo werden demonen verantwoordelijk geacht voor het veroorzaken van kwalen, die vervolgens genezen konden worden middels bezweringen en talismannen. Sommige demonen konden ook aangeroepen worden ter bescherming (zie Pazuzu). Demonen nemen echter niet het gehele lichaam in bezit, maar vallen die slechts aan. Bezweringen voor dergelijke gevallen zijn bewaard gebleven, en zijn vaak traditionele spreuken in poëtische taal. Formeel onderscheid tussen exorcistische en niet-exorcistische bezweringen bestaat niet. Zo'n onderscheid kan enkel op basis van thematiek. Zo zijn ook Akkadische liefdesbezweringen bekend, alsmede bezweringen om anderen schade te berokkenen.[13] Magie kwam ook voor bij de oude Egyptenaren, Hittieten en in de Levant.

Een van de belangrijkste functies van magie in de culturen uit de oudheid was voorspelling. Zo legden de Perzische magoi dromen uit en zij waren ook bedreven in astrologie. De priesters van Babylonië en de Mesopotamische stadstaten waren eveneens befaamd om hun kennis van de sterren waar ze toekomstige gebeurtenissen uit afleidden. Waarzeggerij vormde ook een belangrijk element in de rituelen en cultussen van het oude Egypte, Griekenland en Rome.[14]

Klassieke oudheid[bewerken]

In de klassieke oudheid was magie welbekend en circuleerden met name in de Romeinse periode grote getale van magische teksten,[15] maar toch had magie een paradoxale positie: het werd zowel veel beschreven en gepraktiseerd als wel gekritiseerd en van staatswege veroordeeld. 

In het algemeen veronderstelden eerst de Grieken en later ook de Romeinen dat magische rituelen hun oorsprong hadden in het oude Perzië en aldaar waren uitgevonden door Zoroaster/Zarathustra.[16] Het Griekse woord voor ‘magiër’, magus, was ook van Perzische afkomst. Nog een algemeen gangbare opvatting over magie was dat de magiër zijn krachten verkregen had doordat hij direct communiceerde met de goden.

Magie kende men in verschillende vormen en wordt al in een vroeg stadium in de Griekse literatuur beschreven. Zo kende men het dodenorakel, verbonden aan de algemeen verbreide overtuiging dat de doden als schimmen voortleefden en de toekomst konden voorspellen, zoals voorkomt in HomerusOdyssee (zie bijv. Medea).[17] Veelvoorkomend is de zogeheten bindingsspreuk (Latijn: defixiones), die een godheid aanriepen voor een bepaalde persoon. Vaak werden bindingsspreuken gebruikt in noodgevallen, bijvoorbeeld voor het winnen van een wedstrijd of rechtszaak, bij ambachtsconcurrentie of een vete. Ook kende magie een agrarische dimensie: spreuken konden ingezet worden om oogst en gewassen van een veld naar een ander te verplaatsen. Verder kende men nog liefdesmagie en magie in de vorm van genezingsrituelen. Gedurende de Romeinse keizertijd werden bepaalde rituelen binnen de waarzeggerij ook geassocieerd met magie.[18]

Kritiek en veroordeling[bewerken]

Plato kritiseerde magie reeds om zijn gevaarlijke potentie voor de medemens (De Wetten, II, 932). In feite werd magie gedurende de klassieke oudheid verschillende malen streng veroordeeld en werden beoefenaars vervolgd, behalve wanneer het door de overheid goedgekeurde (godsdienst gerelateerde) riten betrof. Hetzelfde lot was overigens astrologie beschoren.[19] De Grieks-Romeinse wetteksten maken duidelijk verschil tussen de magie goedgekeurd door de staat - zoals orakels en vogelvoorspelling - en de magie van het volk, soms meegebracht door slaven en buitenlanders. In de Codex Theodosianus, vele wetteksten verzameld door een commissie in opdracht van Theodosius II, werd het raadplegen van een magiër verboden en magiebeoefenaars kregen de doodstraf opgelegd. Die dubbele houding merken we onder meer ook bij keizer Augustus. Hij liet enerzijds grote hoeveelheden toverboeken verbranden, anderzijds was hij tevreden over de voorspellingen van zijn eigen magiërs. Keizer Claudius liet de magiërs verbannen, tenzij ze op het keizerlijk hof bleven. De reden voor het vijandig beleid is dat magische teksten (potentieel) crimineel of staatsgevaarlijk waren.[20] Paradoxaal genoeg was er in met name de eerste eeuw na Christus een duidelijke markt voor magie, zoals blijkt uit het werk van Tacitus, Seneca (de tragedies Medea en Oedipus) en Lucanus (Pharsalia).[21] Dat neemt evenwel niet weg dat in veel gevallen er een bepaalde vorm van magie  als ‘verkeerd’ tegenover een bepaalde vorm van magie als ‘juist’ geplaatst wordt. Zo beschouwt Lucanus in zijn Pharsalia het dodenorakel en ‘gerommel’ met geesten en lijken als misdadig, terwijl erkende vormen van waarzeggerij en orakels zoals het befaamde Orakel van Delphi dat duidelijk niet zijn. Het verschil zit hem erin dat bij laatstgenoemden de goden niet gedwongen worden, maar nederig verzocht worden, terwijl ‘hekserij’ de goden verplicht tot particuliere eisen.[22]

Magie en filosofie[bewerken]

Verder ziet men in de tweede eeuw en verder een sterker wordend filosofisch aspect bij magie, mede via bijvoorbeeld het hermetisme, maar ook dankzij platonisten als Plotinus, Iamblychus en Porphyrus. Hun neoplatonische kosmologie (waarin de kosmos werd voorgesteld als één groot harmonieus verbonden geheel) werd daarbij verbonden met uitgewerkte rituelen om goden aan te roepen en in te zetten om de eigen magische krachten te vergroten (zie bijv. het sympathiebeginsel).[23] Dit noemt men theurgie, waarvan de vroegste bron de Chaldeeuwse Orakels zijn (2e eeuw). Tegelijkertijd groeide echter ook de associatie van magie met demonische krachten. Kerkvaders zoals Augustinus hadden vanzelfsprekend moeite met theurgie, maar werden toch geïnspireerd door het neoplatonische gedachtengoed.[24]

Middelen[bewerken]

Zoals men later ook in middeleeuwse magische recepten zal zien, rekent men ook in de klassieke oudheid in de eerste plaats magische kruiden tot het repertoire van heksen, samen met toverspreuken (Latijn: carmina) en in mindere mate ook stenen. Soms ook allerlei menselijke en dierlijke materialen, zoals vers bloed, een tong of botten. Het benutten van dergelijke organische materialen is niet vreemd, aangezien sommige dieren in de oudheid bepaalde bijzondere eigenschappen toegedicht kregen. Zo schrijft Plinius de Oudere in zijn Naturalis historia over het wonderbaarlijke vermogen van urine van de lynx.

Bronnen[bewerken]

Verwijzingen naar magie kunnen verder nog gevonden worden in De Staat van Plato (364) over de Ring van Gyges, De gouden ezel van Apuleius en de De vitae caesarum van Suetonius (31, 1).

Middeleeuwen[bewerken]

Begripsvorming[bewerken]

Ook gedurende de christelijke middeleeuwen blijft magie ambigue, balancerend tussen natuurwetenschap/-filosofie en duivelse praktijken.[25] Het vroege christendom kent ten aanzien van magie echter een drietal paradoxen:

  1. Enerzijds worden tovenaars afgeschilderd als handlangers van de duivel of klunzen. Anderzijds worden Jezus en zijn volgelingen allerlei wonderen toegedicht.
  2. Hoewel magie veroordeeld werd, ontwikkelde zich in een vroeg stadium een eigen christelijke magie, o.a. aan de hand van gebedsformules.
  3. De veroordeling van magie en het afschilderen van magie als nonsens belette christelijke denkers niet een verklarende theorie voor de (vermeende) werkzaamheid ervan te formuleren.[26]

Zoals hierboven beschreven, kan magie op allerlei manieren gedefinieerd en geclassificeerd worden. Hoe dachten middeleeuwers er echter zelf over? In de middeleeuwen gebruikt de gewone mens lang niet altijd strikt gedefinieerde begrippen zoals magie. In plaats daarvan werd bijvoorbeeld gesproken over ‘spreuken’, ‘zegeningen’, ‘necromantie’ of ‘occulte krachten’ (virtutes occultae) zonder een duidelijke algemene term ‘magie’ voor alle te gebruiken.[27] Globaal onderscheidde de intellectuele elite wel twee soorten magie, namelijk demonische (zwarte) en natuurlijke (witte) magie. Dat onderscheid was echter lang niet altijd duidelijk. De gemiddelde theoloog schoor magie en waarzeggerij (divinatio) ook over een kam tot en met de twaalfde eeuw. Griekse en Romeinse waarzeggers zoals Artemidoros van Daldis hadden geprobeerd om bijvoorbeeld de toekomst te voorspellen met de hulp van de klassieke goden. Deze goden waren voor de vroege christenen zoals Augustinus (De civitate dei) echter geen echte goden, maar demonen. Daarmee was de waarzeggerij dus ook demonisch. Dergelijke vermenging en negatieve karakterisering komt bijvoorbeeld ook voor in de Etymologiae van Isidorus van Sevilla (ca. 560-636), boek VIII, hoofdstuk IX. Isidorus behandelt ook astrologie onder het begrip magie.[28] Deze vermenging en veroordeling door autoriteiten als Augustinus en Isidorus had gevolgen voor de middeleeuwse opvatting over magie en waarzeggerij, terwijl bij conciliën uit de vierde, vijfde en zesde eeuw nog wel duidelijk onderscheid tussen beide gemaakt werd.[29] Vaak overheersten de demonische connotaties. Voor veel mensen, zoals inquisiteurs, theologen en priesters, was natuurlijke magie (hoewel misschien onbedoeld) demonisch, omdat de magiër zijn werk alleen kon doen door bemiddeling van demonen, of omdat rijmelarij in toverspreuken van demonische oorsprong konden zijn, enzovoort.

Syncretisme en vroege middeleeuwen[bewerken]

In de vroege middeleeuwen is magie veroordeeld op basis van kerkvaders zoals Augustinus, die het in het verlengde behandelde van zijn aanval op het heidendom. Men was hierbij vooral bezorgd over syncretische heterodoxie. Syncretisme en de christelijke adaptatie van Germaanse magische overlevering vond desalniettemin plaats, en overname van heidense elementen was zelfs gebruikelijk onder missionarissen in hun pogingen om heidenen voor het christendom te winnen.[30] Veel heidense tradities leefden voort, waaronder dus magische, in onder meer het Germaanse cultuurgebied. Onder Germaanse stammen werd magie al eeuwenlang gepraktiseerd, en dat veranderde niet in enkele jaren. Meer algemeen is erkend dat Germaanse runen ook ingezet konden worden voor magische doeleinden, zoals ook gebeurde bij andere alfabetten.[31] In bekende teksten in de germanistiek zoals de Edda en de Völsungsaga zijn eveneens magische elementen terug te vinden. Ook in de Gesta Danorum (‘Daden van de Denen’) van Saxo Grammaticus (ca. 1140-ca. 1220), het vroegste werk over het Deense volk, zijn diverse verwijzingen naar magie te vinden.

Toverspreuken zijn dan ook overgeleverd in onder andere het Oudhoogduits en het Oudengels.[32] Een goede reden voor het feit dat dergelijk materiaal bewaard is gebleven, is naast 'gedoogbeleid' ook het gegeven dat het vaak afdoende was om heidense namen weg te laten en christelijke in te voegen. Een ander voorbeeld is het toevoegen van ‘Driemaal onzevader’ aan het eind van de spreuk.[33] Een voorbeeld uit de Oudengelse Anglo-Saxon Charms is hieronder gegeven.

[Om te voorkomen dat bijen te ver uitzwermen]
‘Take earth, cast it with thy right hand under thy right foot, and say:
“I put it under foot; I have found it.
Lo, the earth can prevail against all creatures,
And against injury, and against forgetfulness,
And against the mighty tongue of man [een tovenaar].”
Cast gravel over them when they swarm, and say:
“Alright, victorious women [de bijen], descend to earth!
Never fly wild to the wood.
Be as mindful of my profit
As every man is of food and fatherland.”[34]

Late middeleeuwen[bewerken]

Vanaf de twaalfde eeuw wordt de geschiedenis van de magie gecompliceerder door de invloed van andere kennisvelden en disciplines, en door de beschikbaarheid van nieuwe bronnen. Zo zijn voor de Europese magie de islamitische en joodse mystiek en magie van belang, zoals de kabbala. Ook vindt vanaf de elfde eeuw een wederopleving van astrologie plaats, die van belang was voor de astrale magie: met behulp van figuren of rituele handelingen krachten van de sterren en planeten aantrekken.[35] Eén en ander hangt samen met een nieuwe golf van kennis in het westen. Gedurende de twaalfde-eeuwse renaissance worden veel teksten uit het Arabisch vertaald naar het Latijn, waardoor veel nieuwe kennis over bijvoorbeeld klassieke auteurs zoals Aristoteles, astrologie, alchemie en magie beschikbaar is voor Europa. Een voor magie belangrijke tekst was de geleerde tekst Picatrix, die van Arabische origine was.

Rond de twaalfde eeuw veranderen ook attitudes. Een onderscheid tussen demonische en natuurlijke magie (magia naturalis) werd meer geaccepteerd, waarbij natuurlijke magie verbonden werd met heelkunde en waarzeggerij.[36] Daarbij was de introductie van de notie natuurlijke magie zinvol om zo de studie naar natuurkrachten te onttrekken aan de theologie. Met de ontsluiting van veel klassieke en Arabische (natuurfilosofische) kennis in de periode van de twaalfde-eeuwse renaissance, richtte de natuurmagie zich op het in (toentertijd) wetenschappelijke termen bestuderen van occulte relaties, zoals magnetisme en de werking van de maan op de getijden. Ook astrologie leefde in deze periode op, en diende hetzelfde doel. Daarmee konden theologisch-demonische verklaringen omzeild worden.[37] De occulte krachten werden niet door iedereen beschouwd als demonisch, en het manipuleren ervan werd evenmin steeds aangeduid als magie. Thomas van Aquino en Roger Bacon erkenden bijvoorbeeld het bestaan van occulte krachten, maar vonden dat de term magie voorbehouden moest worden voor demonische en misleidende, frauduleuze praktijken. Daarbij werden occulte krachten door geleerden eerder toegeschreven aan de effecten van sterren en planeten. (Zie § Occulte krachten en sympathie.)

Het beeld van magie in de latere westerse middeleeuwse cultuur is gevarieerd. In deze periode is het christendom nagenoeg overal dominant, maar zijn heidense, Grieks-Romeinse, Keltische en Germaanse magische elementen voort blijven leven. Ook beperkt het praktiseren en bestuderen van magie zich niet tot alleen geleerden of leken, of tot een bepaalde beroepsgroep.[38] Integendeel, magie kan overal aangetroffen worden, en in veel gedaanten. Zo was er: medische magie; liefdesmagie; magische gebeden en zegeningen; beschermende amuletten en talismans; tovenarij zijnde misbruik van medische en beschermende magie; astrologie; goochelkunst; het aanroepen van geesten (necromantie); het aanroepen van goddelijke wezens (theurgie); waarzeggerij, welke ook weer allerlei varianten kende. Voor magische recepten konden allerlei middelen gebruikt worden. Vaak waren dit bepaalde kruiden, soms ook mineralen en dierlijke materialen.

Een reden voor het aanhoudende succes van magiërs kan te maken hebben met het idee dat zij over het algemeen weinig directe schade toebrachten, en dit kan niet gezegd worden voor geneesheren, chirurgen en barbiers uit die tijd.[39] Vele magische recepten werden dan ook op schrift gesteld in compilaties van informatieve, praktische gebruiksteksten (zie artesliteratuur).[40] Een voorbeeld is het volgende eenvoudige magische recept in het Middelnederlands uit het vijftiende-eeuwse Hattemse handschrift C 5:

'Hoe een mensche sal verstaen dat die voghelen singhen ende die hanen crayen ende die honden bassen. Nemet een cruyt dat men heet golloizaine [galazenus] ende doet dat in uwen mont. Ghij sult verstaen dat die voghelen singhen. Het es gheproeft bij Basine ende Garine [personages uit de Karelepiek].'[41]

Diverse geleerden lieten zich in met magie en waarzeggerij, en sommigen werden onterecht in verband gebracht met magie. Een voorbeeld is Albertus Magnus (ca. 1200-1280), die bekend kwam te staan als een universeel geleerde (vandaar magnus, 'de grote'). Hij schreef inderdaad ook wat 'marginalere' werken en is waarschijnlijk de auteur van de Spiegel van de astronomie (Speculum astronomiae), waaruit blijkt dat magie absoluut geoorloofd is.[42] Het gebeurde ook het dat teksten onterecht toegeschreven werden aan geleerden, om zo autoriteit te verkregen, wat onder andere gebeurde bij Raimundus Lullus. Het waren hierop aansluitend ook geestelijken (die enige opleiding genoten hadden en konden lezen en schrijven) die zich bijvoorbeeld verdiepten in necromantie. In de oudheid was dit feitelijk het dodenorakel geweest, maar in de middeleeuwen was het expliciet demonisch.[43] Priesters en monnikken konden er bijvoorbeeld in verzeild raken door exorcistische studie.[44]

Sympathie en occulte krachten[bewerken]

Occulte krachten konden een paar dingen betekenen. Als technische term duidde het datgene aan wat de zintuigen niet kunnen waarnemen. Zo was het niet duidelijk hoe een bepaalde plant precies werkte als geneesmiddel. Ook kon een occulte kracht het onzichtbare en symbolische verband aanduiden tussen gelijkvormige zaken, zoals de menselijke longen en een plant met longvormige bladeren, waarvan dan verondersteld werd dat die plant goed was bij longziekten (zie Frazers notie van sympathie, Definitie). Tot slot kon met occulte kracht animistische aspecten aangeduid worden: dingen in de natuur als bezield.[45]

Verwant aan en van belang voor het magisch denken zijn voorts beschrijvingen in middeleeuwse encyclopedieën, waar in navolging van klassieke voorbeelden zoals PliniusNaturalis historia en de Physiologus (tweede eeuw) dieren, planten en stenen beschreven werden met eigenaardige, magische eigenschappen. Voorbeelden van grote middeleeuwse encyclopedieën zijn de Speculum Maius van Vincent van Beauvais, de Etymologiae van Isidorus en Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant. In laatstgenoemd werk leest men bijvoorbeeld hoe amethist door zijn kleur geassocieerd wordt met wijn:

‘Some amatisten sijn
ghevarwet na roden wijn
metten watre verkeert.
[…]
mar die ne sijn no bore diere,
no oec van sconre maniere,
enter werden heveti min.
Die cracht die hi hevet in
dats dat hi dronkenscap verdrijft,
alsmen ons lert ende scrijft.’
(vss. 15064-15079)

Dergelijke gevallen zijn te herleiden tot het idee van universele sympathie, de voorstelling van het universum als eenheid waarin alle dingen met elkaar verbonden zijn op basis van allerlei waarneembare overeenkomsten of occulte krachten. De notie van sympathie was niet enkel gangbaar bij de klassieke neoplatonici en hermetici, maar is door de negentiende-eeuwse onderzoeker sir James Frazer ook aangeduid als de basis voor het magische denken.[46] Hoewel versimpelend en veralgemeniserend, klopt deze voorstelling in veel gevallen. Zo schreef de veertiende-eeuwse Italiaanse alchemist Bernard van Treviso: 'Als datgene wat boven is, gemaakt is door dat wat beneden is, en als dat wat beneden is gelijk is aan dat wat boven is, dan zullen wonderbaarlijke verschijnselen daaruit voortkomen'.[47] Bij liefdesmagie was bijvoorbeeld koper bijzonder geschikt, omdat dit metaal van oudsher verbonden was met Venus, godin van de liefde. Het echte sympathetische denken zou echter pas erg gangbaar worden in de vroegmoderne tijd.

Discussie en vervolging[bewerken]

Zoals eerder aangegeven wil het bestaan van magie en het algemeen verbreide geloof erin niet zeggen dat er geen bedenkingen over waren. Op morele en theologische gronden was er onder geestelijken en intellectuelen echter wel discussie over: hoe kon het bestaan, welke vormen waren er, moest men zich ermee inlaten? Zo uitte de abt Johannes Trithemius (1462-1516) zich zowel positief als negatief uit over magie, terwijl de beruchte Heksenhamer (1486) ondanks de heksenangst toch een bepaalde natuurmagie goedkeurt. De Kerk zag magische praktijken lange tijd echter als betrekkelijk onschuldige folklore. Zo was het officiële standpunt ten aanzien van op bezems rondvliegende heksen dat het slechts een zinsbegoocheling was van de hand van de duivel.[48]

In 1320 schreef de inquisiteur Bernard Gui een standaardafzwering voor iedereen die schuldig bevonden was aan het actief deelnemen aan magische handelingen (of dat had bekend). In die tijden werd een ketter door kerk en staat gelijkgesteld aan een beoefenaar van magie. Paus Eugenius IV vaardigde een bul uit waarin hij schreef dat mensen die verschillende vormen van magie beoefenden moesten worden gearresteerd en volgens het canonieke recht berecht moesten worden. Indien nodig moest de hulp van de seculiere overheid ingeroepen worden.

Pas in de vijftiende eeuw ontstaat grotere paniek voor angst en een zeer sterke veroordeling alsmede vervolging ervan. Heksenjachten komen op gang. Het is de tijd waarin boeken over heksenleer verschijnen, zoals de Formicarius (1435-1437) en de eerdergenoemde Heksenhamer verschijnt door Hendrik Istitoris en Jacob Sprenger. Het is een handboek voor inquisiteurs om greep te krijgen op de vorm en inhoud van magie, hoe men heksen kan herkennen, hoe ze verhoord en gestraft moeten worden. Het boek kende een snelle en massale verspreiding dankzij de boekdrukkunst. Het document maakt Satan tot hoofd van de antikerk en construeert de demonologische heks. Zodoende wordt het volksgeloof in magie feitelijk beaamd en verklaard. Heksen staan in dienst van de duivel, die wrok koestert jegens de mens. God laat de duivel echter leven, maar beperkt zijn invloed, en hetzelfde geldt indirect ook voor magie. Enerzijds worden duivel en magie aangelijnd en zodoende belachelijk gemaakt door God (deel I, vraag I, 3), anderzijds blijkt hier ook uit dat hekserij het nooit ofte nimmer kan winnen van vroomheid, en uiteindelijk is alleen God het die ‘wonden’ heelt, niet de duivel (deel I, vraag I, 2). Ook overschat de mens zijn mogelijkheden langs magische weg. Zo schrijven de auteurs (deel I, vraag I, 3) dat planeten en sterren geen macht uitoefen over duivels om handelingen uit te voeren tegen hun wil, ook al líjkt dat zo voor magiërs. Duivels kunnen echter gehoor geven aan de wil van de magiër, omdat zij weten dat de kracht van het hemellichaam hen zal helpen bij de handeling. Ook helpen ze om de mens te misleiden en hen te doen geloven in de sturende macht van de hemellichamen, zoals de heidenen dat ooit ook geloofden. Hier komen natuurmagie en uitgesproken zwarte magie dus samen in een uitvoerige, inhoudelijke discussie over magie.

Het is wel beweerd dat het verschijnen van deze werken samenhangt met grote voedselcrises. Men geloofde dat heksen oogsten konden laten mislukken, terwijl de Kerk tegelijkertijd speculeerde met graan ter zelfverrijking. De clerici speelden zodoende mogelijk op volksgeloof in, verrijkte zichzelf en vond voor alle ellende een zondebok.[49] Hoe het ook zij, de controverse rondom magie zette zich voort in de vroegmoderne tijd, waar het zich sterker verbond met bijvoorbeeld astrologie, alchemie, geneeskunde, filosofie en de wederopleving van het neoplatonisme en hermetisme.

Magie in de literatuur[bewerken]

Los van de feitelijke magische praktijken in de middeleeuwse samenleving, komen magische aspecten ook voor in de literatuur. Het is daarbij echter steeds de vraag of het om pure fictie gaat waar middeleeuwers niet in geloofden, of dat er wel een bepaalde werkelijkheid of bepaald geloof bij kwam kijken. In veel gevallen mag toch worden aangenomen dat het vooral om fictie gaat.

Eerder zijn reeds de Edda en Völsungsaga genoemd. Andere voorbeelden zijn de Arthurromans van de bekende Chrétien de Troyes (twaalfde eeuw). Toverdranken en –spreuken vindt men in zijn Cligés (vss. 3011-3062), en een magische fontein in zijn Yvain (vss. 269-580).[50] Bovennatuurlijke wezens en handelingen komen ook voor in de lais van Marie de France (12e eeuw), zoals feeën in de Yonec.[51]

Renaissance[bewerken]

In de periode van het renaissance-humanisme (15e en 16e eeuw) was er een heropleving van astrologie, hermetisme en neoplatonisme, en tegelijkertijd werd het oude monopolie van de Kerk op kennis systematisch ondermijnd.[52] Tezamen was het resultaat een toenemende heterodoxie in algemene zin een periode van grote 'occulte' bedrijvigheid, waarbij ook antieke filosofie, astrologie en alchemie gretig bestudeerd en gepraktiseerd werden. In zijn totaliteit was de gedachte van een organisch, sympathetisch universum hierin de gemene deler, en genoemde stromingen en disciplines kunnen dan ook nauw verbonden zijn in deze periode. Magie kon met al zijn variaties goed wortelen in zulke letterkundige en filosofische omstandigheden. Gesteund door geleerden kon magie zich gemakkelijker verspreiden door de Europese samenlevingen. Eigenlijk kwamen alle voornoemde vormen van magie ook nu voor in alle lagen daarvan. De opgang van dit (soms heterodoxe) 'esoterische veld' hangt onder andere samen met toenemende geletterdheid, humanistische activiteit (het ontsluiten van klassieke bronnen), de boekdrukkunst (grotere en snellere verbreiding van teksten), de groeiende groep burgerij (die behoefte aan kennis had en vaker opleiding genoot) en ook het mecenaat. Sommige vorsten engageerden zich openlijk voor 'occulte' zaken en namen experts in bescherming, zoals de Habsburgse keizer Rudolf II. De sterke groei van beschikbaar materiaal van zowel tijdsgenoten als klassieke auteurs leidde tot het naast elkaar bestaan van christelijke, Grieks-Romeinse, Arabische, Joodse en Egyptische esoterische elementen. Zo veronderstelde men een directe filosofisch-revelatorische traditie van Mozes naar Hermes Trismegistus (centraal in het hermetisme) en Zoroaster (de uitvinder van magie) naar Pythagoras en Plato: de noties van philosophia perennis en prisca theologia.[53]

Marsilio Ficino en de hermetica[bewerken]

Een markant voorbeeld van filologische activiteit van grote invloed op de vroegmoderne esoterie, waaronder magie, was de vertaling van het Corpus Hermeticum (vermoedelijk 2e eeuw n.Chr.) door de Florentijnse neoplatonist humanist Marsilio Ficino.[54] Hij vertaalde de tekst uit het Grieks in opdracht van zijn beschermheer Cosimo de' Medici. Het verscheen in 1471. Ficino was daarbij tevens geïnteresseerd in astrologie en magie, en bezorgde ook de eerste editie van Plato's volledige dialogen.[55] Het Corpus Hermeticum behoort tot de zogeheten hermetica, toegeschreven aan de legendarische Hermes Trismegistus. Deze genoot grote autoriteit door zijn vermeende ouderdom. Ook sint Augustinus, hoewel vijandig tegenover hem, noemde hem niettemin een groot wijsgeer, terwijl andere kerkvaders hem als wijs en als een autoriteit beschouwen. In het verlengde van de prisca theologia kon hij beschouwd worden als oerbron van inspiratie voor latere wijsgeren, en men herkende in het Corpus Hermeticum dan ook elementen uit o.a. het neoplatonisme en Genesis. Wat hier echter vooral interessant bleek, was dat de hermetische teksten de procedures aanduidde om spirituele wezens (engelen e.d.) aan te roepen en in te zetten.[56] Ook in een andere hermetische tekst, de Asclepius, zijn verwijzingen naar magie aanwezig. Magie werd dus duidelijk als mogelijk en goedgekeurd beschouwden. Men had nu (vermeende) oeroude bronnen, waarin aspecten uit de Bijbel en het werk van gewaardeerde filosofen in één adem genoemd werden, die bovendien uitgegeven en becommentarieerd werden door geleerden als Ficino.

De hermetica bood evenwel geen goede theoretische basis voor magie als discipline.[57] Daarvoor waren de teksten te eclectisch en te vaag. Gelukkig bood het neoplatonisme uitkomst. Hermetisme kende raakvlakken met die stroming. Een bekende doctrine van Hermes was bijvoorbeeld 'zo boven, zo beneden', welke te vinden is in onder andere de hermetische Smaragden Tafel. Die gedachte komt voor onder neoplatonisten zoals Proclus.[58] In de natuurfilosofie van hem en andere neoplatonisten is magie verder geheel niet uitgesloten, integendeel.[59] Redelijk typerend voor de neoplatonisten was niettemin dat ze strikte gedachtesystemen ontwikkelden op filosofische basis, en daarmee vormden zij de theoretische bron voor de beoefening van magie in de vroegmoderne tijd. Na Ficino's editie van het Corpus Hermeticum verschijnen dan ook voor het eerst (vertaalde) edities van de denkers Plotinus, Proclus, Apuleius, Jamblichus en Porphyrius, namen die allen verbonden waren met magie.

Discussie[bewerken]

Zoals eerder het geval, was er ook nu veel discussie, in een periode met toenemende heterodoxie en heksenvervolging. De Kerk was zich er bijvoorbeeld goed van bewust dat natuurmagie gevaarlijk dicht bij demonische magie kwam. Ook tastte de claim op het verrichten van wonderen de positie van de Kerk aan.[60] Er was veel polemiek gaande, zoals dat ook het geval was bij astrologie (m.n. door Giovanni Pico della Mirandola) en alchemie. Verdedigingsschriften (apologieën) hoorden bij die debatten, waarbij natuurmagie gerechtvaardigd werd door het theoretisch te onderbouwen en zorgvuldig te onderscheiden van necromantie en inzet van duivels. In de praktijk was en bleef het echter moeilijk hard te maken wat nu het onderscheid was tussen bijvoorbeeld de individuele krachten van planeten en aparte spirituele entiteiten. Hoe kon een mens überhaupt het verschil herkennen? Anderen, zoals Heinrich Cornelius Agrippa von Nettesheim (1486-1535) in zijn De occulta philosophia libri tres, namen het ronduit op voor magie waarbij entiteiten werden aangeroepen. Deze konden bijvoorbeeld aangemerkt worden als goed zodra zich een wonder voordeed. Een andere grote voorstander van magie was de Napolitaan Giambattista della Porta, ondanks aanvaringen met de Inquisitie.[61] Hij ging bijvoorbeeld zover om demonen als onderdeel van de natuur te beschouwen, waardoor demonische magie ook natuurmagie werd.

Andermaal is er geen vaste set van magievormen. De 'zeven magische kunsten' (artes prohibitae, kunsten verboden bij canonieke wet) zoals geformuleerd door Johannes Hartlieb in 1456 waren bijvoorbeeld [bron?]:

  1. nigromantie (zwarte magie, demonologie, necromantie)
  2. geomantiek (aardevoorspelling)
  3. hydromantie (watervoorspelling)
  4. aëromantie (luchtvoorspelling)
  5. pyromantie (vuurvoorspelling)
  6. chiromantie (handleeskunde)
  7. scapulimantie (schouderbladlezen)

In Europese intellectuele kringen verdeelde men magie in drie soorten: natuurlijke, demonische en bedrieglijke magie (goocheltrucs). Bij de eerste vorm onderzocht men de verborgen wetten van de natuur middels techniek, fysica, chemie en biologie[wie? verband?]

Agrippa von Nettesheim[bewerken]

Agrippa von Nettesheim's De occulta philosophia had, inmiddels niet verrassend, onder andere een neoplatonische basis. In de neoplatonische kosmologie bestaat de werkelijkheid uit diverse lagen, waarbij magische krachten doorwerken naar lagere lagen, terwijl de ziel langs mystieke weg omhoog kon gaan naar God toe. Agrippa beschreef op basis van dit model alle toen bekende kennis over de elementaire, hemelse en boven-hemelse werkelijkheidslagen en krachten. Daarbij suggereerde hij dat als de mens zich opwerkte en tot God kwam, hij zou delen in Zijn scheppende kracht.[62]

Ars notoria[bewerken]

In de middeleeuwen was de ars notoria ontstaan, waarbij mensen poogde in contact te komen met engelen en duivels, bijvoorbeeld door middel van magische cirkels, dierenoffers, formules, vreemde tekens en het verbranden van bepaalde materialen voor bepaalde rook (zie ook Grimoire). Dit werd sterker in de vroegmoderne tijd. In de zestiende eeuw borduurt de Engelse geleerde John Dee voort op deze traditie met zijn engelenconversaties.

Moderne tijd[bewerken]

Westerse magische tradities kennen momenteel een internationale opleving. Gnostiek en de hermetica, de middeleeuwse kabbala, tarot en alchemie, en - meer recentelijk- rozenkruisers en de vrijmetselarij, legden gezamenlijk de basis voor de moderne revival in interesse voor magie. Het beginpunt hiervan ligt voor Europa aan het eind van de negentiende eeuw. Westerse magie is sindsdien steeds meer eclectisch geworden, op basis van uiteenlopende bronnen als klassieke Grieks-Romeinse mythologie, Keltische kosmologie, kundalini-yoga en tantra, sjamanisme, chaostheorie, en de spirituele tradities die in verschillende culturen in verband worden gebracht met de universele Godin.

Elementen van de magie[bewerken]

Adepten[63] van de magie verklaren de werking van de magie op basis van de volgende (door hen vooronderstelde) principes:

  • werking van elementaire krachten die niet door de wetenschap gedetecteerd kunnen worden
  • tussenkomst van geesten
  • een 'mystieke kracht' die bestaat in alle dingen, ook in magische objecten zoals ringen en stenen.
  • manipulatie van de 4 elementen (Aarde, Water, Vuur en Lucht) door de wil van de magiër, met symbolen of objecten die de 4 elementen vertegenwoordigen.
  • manipulatie van de energie van het menselijk lichaam door bijvoorbeeld handoplegging en het uitspreken van formules.
  • manipulatie van symbolen; adepten geloven dat symbolen de plaats kunnen innemen van het ding of fenomenen die ze vertegenwoordigen. Door het symbool te manipuleren proberen magiërs de werkelijkheid te veranderen die het symbool representeert.
  • de principes van de sympathische magie van James George Frazer, zoals uitgelegd in zijn The Golden Bough[64] Deze principes omvatten ook de 'Wet van gelijkaardigheid' (law of similarity) en de 'Wet van het contact' of van 'besmetting'. (Law of contact, of contagion). De magische manier van denken gaat er dus volgens Frazer van uit dat het 'gelijke het gelijke aantrekt' en van het ogenblik dat ze met elkaar in contact zijn gebracht ook van op afstand invloed op elkaar kunnen blijven uitoefenen. Anders geformuleerd: het gevolg lijkt op zijn oorzaak.
  • concentratie of meditatie: door zich te concentreren op een al dan niet aanwezig object hoopt de magiër een soort vereniging van subject en object te bewerkstelligen, wat magisch manipulatie mogelijk maakt.[65]
  • de magische kracht die de onbewuste geest kan uitoefenen: magiërs proberen het onbewuste (door o.a. symbolen en rituelen) ervan te overtuigen om veranderingen te bewerkstelligen, door geesten en energieën.
  • verbondenheid met de kosmos, die alles verbindt
  • de eenheid in alles, gebaseerd op het concept van het monisme, poneert de eenheid van het universum

Niet alle theorieën zijn hier opgesomd, en veel praktiserende occultisten zullen deze concepten vermengen.
De sleutelbegrippen voor het gebruik van magie zijn eigenlijk eenvoudig te resumeren: concentratie en visualisatie. Het uitspreken van bezweringen gebeurt vaak onder een "trance", die beschreven wordt als een soort meditatieve toestand om zich beter op het beoogde effect te kunnen concentreren en het doel te kunnen visualiseren.

De nauwkeurig omschreven handelingen kunnen onder andere dansen of lichamelijke oefeningen zijn. Het gebruik van hallucinogene middelen kan bij de uitvoering van magische handelingen soms ook een rol spelen. Sommige mensen beweren dat ze door het beoefenen van meditatie een verhoogde bewustzijnstoestand kunnen bereiken, de materie rechtstreeks denken te kunnen beïnvloeden zonder fysieke hulpmiddelen. In werkelijkheid zijn er dan waarschijnlijk veranderingen in het zenuwstelsel teweeggebracht.

Magie houdt zich bezig met gebeurtenissen, die geen aanwijsbare oorzaken (lijken te) hebben. Magie dient daarbij onderscheiden te worden van illusionisme en goochelen. Een gebeurtenis met een effect zonder waarneembare oorzaak kan namelijk ook het werk zijn van een illusionist of een goochelaar, zoals een vrouw doormidden zagen of kaarten te laten verdwijnen en verschijnen.

Citaat[bewerken]

Een beroemde uitspraak van de sciencefictionschrijver Arthur C. Clarke is :"Any sufficiently advanced technology is indistinguishable from magic." (Elke voldoend gevorderde technologie is niet te onderscheiden van magie).

Zie ook[bewerken]

Hekate, godin van toverij uit de Griekse mythologie, William Blake, 1795

Literatuur[bewerken]

  • Bordewijk, C. 'Heksenwaan en heksenspel. Bestrijding en dramatisering van de Westeuropese heks in laat-vijftiende- en zestiende-eeuwse teksten.' In: Bezweren en Betoveren, geëditeerd door M. Schipper & P. Schrijvers. Baarn: Ambo, 1995.
  • Braekman, W.L. (1997), Middeleeuwse witte en zwarte magie in het Nederlands taalgebied, Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, Gent, ISBN 90-72474-21-X
  • Copenhaver, B. 'Hermes Trismegistus, Proclus, and the Question of a Philosophy of Magic in the Renaissance.' In Hermeticism and the Renaissance: Intellectual History and the Occult in Early Modern Europe, geëditeerd door I. Merkel en A. Debus. Washington: Folger Books, 1988.
  • Drury, N. Stealing Fire from Heaven: The Rise of Modern Western Magic, Oxford University Press, USA, 2011.
  • Düwel, K. Runenkunde. Stuttgart: J.B. Metzler, 2001.
  • Eamon, W. Science and the Secrets of Nature. Books of Secrets in Medieval and Early Modern Europe. Princeton: Princeton University Press, 1994.
  • Geller, M.J. & F. van Koppen. 'Mesopotamische bezweringen.' Phoenix: thema Magie in het oude nabije oosten, vol. 52, no. 2 2006: 47-63.
  • Flowers, S.E. Runes and Magic. Magical Formulaic Elements in the Older Runic Tradition. New York: Peter Lang, 1986.
  • Frazer, J.G. The Golden Bough. New York: Macmillan Company, 1945 (20e oplage).
  • Gordon, R.K. Anglo-Saxon Poetry. London: J.M. Dent (Everyman's Library), 1949.
  • Hanegraaff, W. (ed.). Dictionary of Gnosis & Western Esotericism. Leiden: Brill, 2006.
  • Hanegraaff, W. Western Esotericism. A Guide for the Perplexed. London: Bloomsbury, 2013.
  • Hannam, J. The Genesis of Science. How the Christian Middle Ages Launched the Scientific Revolution. Washington: Regnery Publishing, 2011.
  • Lie, O.L. 'Verborgen kennis in de Middeleeuwen. De magische recepten van het Hattemse handschrift C 5.' In: Een wereld van kennis. Bloemlezing uit de Middelnederlandse artesliteratuur, geëditeerd door E. Huizenga, O.S.H. Lie & L.M. Veltman. Hilversum: Verloren, 2002.
  • Mauss, M. Algemene theorie van magie.
  • Kieckhefer, R. Magic in the Middle Ages. Cambridge: Cambridge University Press, 1990.
  • O'Keefe, D.L. Stolen Lightning - the social theory of magic.
  • Schrijvers, P. 'Een dode spreekt. Hekserij en magie in het epos van Lucanus.' In: Bezweren en Betoveren, geëditeerd door M. Schipper & P. Schrijvers. Baarn: Ambo, 1995.
  • Vliet, J. van der. 'Cypriaan de Tovenaar. Christendom en magie in Koptische literatuur.' In: Bezweren en Betoveren, geëditeerd door M. Schipper & P. Schrijvers. Baarn: Ambo, 1995.
  • Voorwinden, N. 'Van toverspreuk tot schietgebed. Duitse magische teksten uit de vroege middeleeuwen.' In: Bezweren en Betoveren, geëditeerd door M. Schipper & P. Schrijvers. Baarn: Ambo, 1995.

Externe links[bewerken]

Bronnen

  • The Golden Bough, James George Frazer
  • Encyclopaedia Britannica 2008, Ultimate reference Suite: 'Magic'
  • Encyclopaedia Britannica 11th Edition: 'Magic'

Noten

  1. Encyclopædia Britannica online: "Magic", Conclusion'.
  2. Flower 1986, p. 20.
  3. Frazer 1945, hfdst. IV.
  4. Met name Edward Burnett Tylor en Frazer
  5. Encyclopaedia Britannica 11th edition, pagina 305: ‘Magic’
  6. Randall Styers, Making Magic - Religion, Magic, and Science in the Modern World (Hoofdstuk Magic and Modernity), Oxford University Press 2004
  7. Encyclopaedia Britannica. Magic: "Within the Western tradition, this way of thinking is distinct from religious or scientific modes; however, such distinctions and even the definition of magic are subject to wide debate."
  8. Frazer 1945, hfdst. III.
  9. Flowers 1986, pp. 14-15.
  10. Flower 1986, p. 23.
  11. Zie bijvoorbeeld Encyclopaedia Britannica: "Magic"/Functions.
  12. F. Graf, in Hanegraaff 2006, p. 725.
  13. Zie Geller & Van Koppen 2006, pp. 47-63.
  14. Bailey,Michael D., Magic and Superstition in Europe; Roots in the Ancient World.
  15. Schrijvers 1995, p. 120.
  16. F. Graf, in Hanegraaff 2006, p. 719.
  17. Schrijvers 1995, p. 117.
  18. F. Graf, in Hanegraaff 2006, pp. 720-721.
  19. Hannam 2011, p. 113.
  20. Schrijvers 1995, p. 120.
  21. Schrijvers 1995, p. 117.
  22. Schrijvers 1995, p. 118.
  23. Kieckhefer 1990, p. 27.
  24. Idem.
  25. Hanegraaff 2013, p. 22-23.
  26. Van der Vliet 1995, p. 84.
  27. Kieckhefer 1990, p. 9.
  28. Kieckhefer 1990, pp. 10-11.
  29. in Hanegraaff 2006, p.
  30. Kieckhefer 1990, p. 44.
  31. Düwel 2001, p. 209. Zie ook Flowers 1986.
  32. Voorwinden 1995, p. 127.
  33. Voorwinden 1995, p. 132.
  34. Gordon 1949, p. 97.
  35. Hanegraaff 2013, p. 23.
  36. Kieckhefer 1990, p. 12.
  37. Hanegraaff 2013, p. 22.
  38. Kieckhefer 1990, pp. 56-57.
  39. Hannam 2011, p. 101.
  40. Zie bijv. Braekman 1997.
  41. Uit Lie 2002, p. 210.
  42. Hannam 2011, 84.
  43. Kieckhefer 1990, p. 153.
  44. Idem.
  45. Kieckhefer 1990, pp. 12-13.
  46. O.a. nog het geval bij Lie 2002, pp. 202-203.
  47. Hannam 2011, p. 104.
  48. Bordewijk 1995, p. 142.
  49. Bordewijk 1995, p. 142.
  50. Ed. Kibler & Carroll 1991.
  51. Zie ed. Vermeer-Meyer 1982, pp. 82-95.
  52. Eamon 1994, p. 195.
  53. Hanegraaff 2013, p. 50 e.v.
  54. Hannam 2011, pp. 229-233.
  55. Hanegraaff 2013, pp. 19, 26.
  56. Hannam 2011, p. 231.
  57. Copenhaver 1988, p. 93.
  58. Copenhaver 1988, p. 103.
  59. Copenhaver 1988, p. 80.
  60. Eamon 1994, p. 195.
  61. Eamon 1994, p. 196.
  62. Hanegraaff 2013, p. 77.
  63. Adept: ingewijde van een kunst of geheime genootschap
  64. The Golden Bough, a study in magic and religion - James George Frazer: Wordsworth Classics pagina 11
  65. Aleister Crowley: Book Four, Part 1: Mysticism)
Wikibooks Wikibooks heeft een studieboek over dit onderwerp: Magie.