Hermetisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De hermetiek of het hermetisme is een hellenistische religie uit de late oudheid, rondom de mythische leraar Hermes Trismegistus. Het heeft zich gelijktijdig met en parallel aan het gnosticisme, het neoplatonisme en het vroege christendom ontwikkeld en is een belangrijke pijler van de Europese esoterie, met name sinds haar opleving in de renaissance. Het doel van de hermetiek is om de mens in te wijden in de verborgen werkelijkheid die zich in en achter de zichtbare werkelijkheid bevindt, om aldus via kennis van zichzelf en het universum tot een intuïtieve godskennis en een persoonlijke, directe godservaring te komen. De combinatie van deze godskennis en -ervaring wordt de hermetische gnosis genoemd. De uit de hermetiek overgeleverde geschriften vormen samen de zogenaamde hermetica, die tot doel hebben om de mens te onderrichten in de weg naar gnosis. De meeste geschriften uit de hermetica zijn pseudepigrafisch toegeschreven aan Hermes Trismegistus, die als eerste en grootste leermeester geldt.

De poëtische stijlstroming van de Experimentelen wordt ook hermetisme genoemd. Zie: Hermetisme (poëzie).

Etymologie[bewerken]

De term "hermetisme" werd in de eerste helft van de 19e eeuw ingevoerd door de Franse schrijver Victor Hugo, die er de "doctrines die in de hermetische boeken staan en de lering die de alchemie eruit zal trekken" mee aanduidde.[1] Tot die tijd werd enkel het bijvoeglijk naamwoord "hermetisch" gebruikt om alle werken en denkbeelden uit de hermetica mee aan te duiden. Sinds het einde van de 19e eeuw werden de woorden "hermetisch" en "hermetisme" in toenemende mate op minder nauwkeurige wijze gehanteerd om alle occulte, esoterische of moeilijk te begrijpen werken of denkbeelden mee aan te duiden.

Het woord "hermetisch" wordt ten minste sinds de 17e eeuw gebruikt en is afgeleid van het middeleeuws Latijnse "hermeticum" dat op zijn beurt is afgeleid van de naam van de Griekse god Hermes. Dit oud-Griekse woord (Ἑρμής) is volgens Karl Otfried Müller afgeleid van het woord "herma" (ἕρμα), dat "steen" of "zuil" betekent. Dit woord duidt op de vierkante of rechthoekige stenen zuilen die de Grieken gebruikten om met de goden te communiceren. Meestal prijkte op de top van deze zuilen het hoofd van Hermes met baard. Omdat deze zuilen ook gebruikt werden om wegen en grenzen mee aan te duiden, werd Hermes de patroon van het reizen over land. In Athene werden de zuilen bovendien gebruikt om het kwaad mee af te wenden.

De ontdekking dat al in het Myceense pantheon een god Hermes bestond, heeft echter de opvatting versterkt dat de zuilen naar de godheid vernoemd zijn, in plaats van andersom. De naam zou afkomstig kunnen zijn uit de taal van een pre-Griekse beschaving uit Arkadië.

Door de pre-klassieke Grieken werd de naam Hermes voor iedere godheid gebruikt; pas later werd dit de exclusieve naam van de Olympische god Hermes.[2] In de Griekse mythologie is deze Olympiër ten eerste de boodschapper van de goden. Hij verzorgt niet alleen communicatie tussen goden onderling, maar ook tussen mensen en goden. Daarmee is hij de schakel tussen de godenwereld en de mensenwereld. In die hoedanigheid begeleidt hij bijvoorbeeld ook pas overledenen naar de onderwereld. Ten tweede is Hermes de god van wijsheid en kennis. Volgens de neoplatonisten betreft dit vooral mystieke kennis en wijsheid, waar Pallas Athene vooral rationele kennis en wijsheid vertegenwoordigt. Hermes is een bijzonder eloquente god en volgens sommige mythen was het Hermes die de mensen leerde spreken. Daarbij is hij scherpzinnig, gewiekst en soms manipulatief, wat hem tot god van dieven en leugenaars heeft gemaakt. Ten slotte wordt hij ook gezien als god van de geheimen.

Hermes vertoont veel overeenkomsten met de Egyptische maangod Thoth, die als god van kennis en magie de mensen cultuur en het schrift geschonken heeft. In het hellenistische Egypte werden de twee dan ook als één vereerd, terwijl de meerderheid van de Grieken en later de Romeinen deze syncretische combinatie vreemd was. De aldus ontstane twee-eenheid kreeg als naam Hermes Trismegistus en had een sterk menselijk voorkomen. De cultus rond Hermes Trismegistus markeert het begin van de esoterische traditie die nu hermetisme genoemd wordt. Het woord "hermetisch" slaat dan ook op alles wat betrekking heeft op deze Hermes Trismegistus.

Leer[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook: Hermetica

De hermetica vormen de belangrijkste bron voor studie naar de hermetische leer. Het Corpus Hermeticum, één van de geschriften uit de hermetica, geniet hierbij sinds de renaissance de grootste bekendheid. Het Corpus Hermeticum bevat hoofdzakelijk teksten in dialoogvorm met een instructief karakter, die pseudepigrafisch worden toegeschreven aan Hermes Trismegistus.

Hermetiek laat zich karakteriseren als de wetenschap van het goddelijke, het universum, de mens en de verhouding tussen deze drie. Er zijn drie disciplines die in de hermetiek de boventoon voeren: theurgie, astrologie en alchemie. De oudste op naam van Hermes Trismegistus gestelde literatuur is theurgisch van aard. Theurgie is een vorm van magie waarbij het gaat om bezwering ofwel het beheersen en aanwenden van het goddelijke ten bate van de mens.[3] Een tweede groep aan Hermes toegeschreven geschriften gaat over astrologie. Kennis van het gedrag van de hemellichamen was in de hermetiek van groot belang door de veronderstelde invloed ervan op het aardse leven, zoals tot uitdrukking komt in een uitspraak die teruggaat op het geschrift De smaragden tafel: "zo boven, zo beneden". De alchemistische geschriften doen in latere instantie, in de Romeinse periode, hun intrede in de hermetiek.[4]

Sommige hermetische geschriften hebben een filosofisch karakter. Met name het platonisme en de stoa hebben diepe sporen in de hermetica nagelaten. Een scherp onderscheid tussen zuivere filosofie, natuurwetenschap, occultisme en kunst wordt echter pas sinds de verlichting gemaakt. In het wereldbeeld van de hermetici hingen al deze zaken nauw samen. Zij zagen de werkelijkheid als één organisch, levend geheel, waarin alles met alles samenhangt.[5]

Daarbij zijn de hermetica naar hun doel niet wijsgerig, maar religieus. Ze beogen niet begripsmatige kennis te verschaffen, maar tot directe ervaring van het goddelijke te voeren. De filosofische opvattingen die men in de hermetica vindt, zijn slechts middelen om dit uiteindelijke doel te bereiken. Daarom leiden de tegenstrijdigheden die men soms in deze opvattingen aantreft niet tot een verstoring van het hermetische wereldbeeld; het formuleren van een consistente filosofie is niet het doel van de hermetica, maar filosofische inzichten kunnen wel dienen om de mens tot het doel, tot hermetische gnosis te brengen.[6]

God[bewerken]

God is in de hermetiek transcendent en nooit ten volle kenbaar. Hij is mannelijk noch vrouwelijk, persoonlijk noch onpersoonlijk. Tegelijk is hij een levende god en wordt haast altijd in persoonlijke termen genoemd of geadresseerd. Hij is de Verborgene en de Bron van het Al. Hij wordt ook het Ene of de Ene, het Goede of de Goede genoemd.[7]

In tegenstelling tot de god van het jodendom en het christendom blijft de hermetische god in daad boven het aardse verheven. De mens kan tot hem opstijgen, maar hij bemoeit zich niet rechtstreeks met aardse aangelegenheden. Hij straft niet en vergeeft niet; zonde en vergeving zijn in de hermetiek onbekende begrippen.[8]

Het universum[bewerken]

Het universum is volgens de hermetiek, net als God, een levend wezen. Hij is door God voortgebracht, die er op verborgen wijze in aanwezig is. Met kennis over de werkelijkheid in al zijn aspecten wordt de weg naar God dan ook ontsloten.

De waardering van het universum is niet in alle hermetische geschriften hetzelfde en loopt uiteen van "grotendeels goed", tot "grotendeels slecht". Het universum wordt echter nooit als geheel en al slecht gezien. Hierin verschilt de hermetiek fundamenteel van het gnosticisme, waarin het universum door de slechte demiurg geschapen is.[7]

De mens[bewerken]

In de hermetiek wordt de mens het derde levende wezen genoemd en hij overtreft alle andere op aarde levende wezens. Hij heeft een tweeledige natuur: naar zijn lichaam is hij stoffelijk, sterfelijk en tot het kwade geneigd, maar naar zijn innerlijke wezen is hij geestelijk, onsterfelijk en geneigd tot het goede. In zijn stoffelijke lichaam bevindt zich ook de ware, geestelijke mens, die gekenmerkt wordt door verstand (logos) en geest (nous). De gangbare opvatting is dat het verstand de mens doet begrijpen en dat de geest hem het intuïtieve inzicht in de eenheid der dingen geeft. Deze twee kunnen door de begeerten van het lichaam in een staat van onbewustheid gebracht worden, een toestand die als diepe slaap of dronkenschap ervaren wordt.[9]

Doel[bewerken]

Het doel van de hermetiek is om de mens in te wijden in de verborgen werkelijkheid die zich in en achter de zichtbare werkelijkheid bevindt, om aldus via kennis van zichzelf en het universum tot een intuïtieve godskennis en een persoonlijke, directe godservaring te komen. Dit wordt de hermetische gnosis genoemd.

Om het goddelijke te kunnen ervaren moet de mens tot zijn ware zelf komen en dus wakker worden uit de verdovende roes waarin hij kan verkeren. De hermetici waren ervan overtuigd dat dit een moeilijke weg vol hindernissen is en dat velen de weg nooit vinden of hem, al dan niet tijdelijk, weer kwijt raken. De hermetica hebben tot doel om de geestelijke leiding en het onderricht te bieden die hierbij nodig zijn. Het uiteindelijke doel, de ervaring van de goddelijke werkelijkheid, kan echter niet geleerd, maar enkel persoonlijk beleefd worden. Dit wordt ervaren als een bevrijding of verlichting.[10]

Zie ook[bewerken]

Voetnoten

  1. (Hugo, 1832)
  2. (Harrison, 1905: blz. 21-30)
  3. Dit in tegenstelling tot vormen van magie waarin het demonische wordt bezworen. Dit onderscheid werd geïntroduceerd door Giovanni Pico della Mirandola.
  4. (Van den Broek & Quispel, 2003: blz. 13-14)
  5. (Van den Broek & Quispel, 2003: blz. 15-16, 19)
  6. (Van den Broek & Quispel, 2003: blz. 19)
  7. a b (Van den Broek & Quispel, 2003: blz. 18)
  8. (Van den Broek & Quispel, 2003: blz. 21)
  9. (Van den Broek & Quispel, 2003: blz. 18-19)
  10. (Van den Broek & Quispel, 2003: blz. 17-19)

Bibliografie