Neopythagorisme

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Buste van Pythagoras.

Het neopythagorisme was een herleving van diverse ideeën uit de leer van Pythagoras en de pythagoreïsche traditie. Het hoogtepunt ervan lag in de tweede en eerste eeuw voor Christus, maar ook in de volgende eeuwen waren er nog invloeden terug te vinden.

Enkele bekende neopythagoreërs uit de tweede eeuw voor Christus waren onder andere de denkers Oscellus Lucanus, Timaeus Locrus en Archytas. Ook de filosoof Apollonius van Tyana uit de eerste eeuw na Christus wordt doorgaans beschouwd als een neopythagoreër. Daarnaast zijn ook in de leer van bepaalde neoplatonisten, onder andere bij Numenius van Apamea, Iamblichos en Plotinos, invloeden van het neopythagorisme merkbaar.

Hoewel de stroming het neoplatonisme licht wist te beïnvloeden, lag de nadruk in de stroming vooral op de wiskunde en op de aritmologie, het toekennen van mystieke en metafysische eigenschappen aan getallen. Daarnaast was er ook een grote interesse in de ascetische levensstijl van Pythagoras en de bijhorende regels en gebruiken en nam de studie van het leven van Pythagoras een centrale rol in. Zo schreef Iamblichos het ook in het Nederlands overgeleverde werk Leven van Pythagoras, dat een belangrijke bron van informatie is over de pythagoreïsche leer. Het neopythagorisme vormde daarmee geen productieve school van nieuwe ideeën, maar beperkte zich veelal tot het herinterpreteren en becommentariëren van het pythagoreïsche gedachtegoed.

Ook in de moderne en hedendaagse filosofie zijn er nog invloeden van het neopythagorisme merkbaar, bijvoorbeeld in de stelling van Löwenheim-Skolem, die aangeeft dat geldige interpretaties van de wereld terug te voeren zijn tot getallen. Ook de theorie van het interne realisme van de epistemoloog Hilary Putnam steunt op een pythagoreïsche gedachte.

Eclectisme[bewerken]

De neopythagoreërs waren methodische eclectici. Zij namen in hun speculatieve systeem niet alleen de traditionele leer van de pythagoreïsche school op, maar ook elementen van het platonisme, aristotelisme en stoïcisme. Daarnaast ontleenden zij ook elementen uit oosterse religies, waarmee zij zowel in contact stonden in Rome als in Alexandrië. Er was erg weinig samenhang in een systeem, ontwikkeld op basis van zo'n uiteenlopende principes. Evenmin was er overeenstemming tussen de verschillende scholen, zelfs met betrekking tot de fundamentele leerstellingen. Toch kan in het algemeen worden gezegd dat zij God als de ultieme spirituele Ene aan het hoofd van alle realiteit plaatsten, een denkbeeld dat oosters van oorsprong was. Vervolgens interpreteerden zij de pythagoreïsche leer in een platonische zin, door getallen voor te stellen als de gedachten van God. Van het stoïcisme kwam de overtuiging dat getallen, emanerend uit de goddelijke gedachten, niet de realiteit van de dingen zijn, maar de vormen waarnaar alles gemaakt wordt. Van Aristoteles kwam de gedachte dat de wereld eeuwig is en dat er een onderscheid gemaakt diende te worden tussen aardse en hemelse zaken. Hun kosmologie staat, ondanks deze invloed van Aristoteles, voor een groot deel in het teken van het geloof dat de sterren goden zijn en dat de machten van de aarde en de hemel demonen zijn.

Esoterisch[bewerken]

Voor de 20e-eeuwse esoterische stroming van het neopythagorisme, zie Pythagorisme (esoterie)

Externe links[bewerken]