Karolingische renaissance

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Hrabanus Maurus (links), voorgesteld door Alcuin (midden), draagt zijn werk op aan aartsbisschop Otgar van Mainz (rechts). Liber de laudibus Sanctae Crucis manuscript uit de abdij van Fulda, tussen 831-840.

De Karolingische renaissance was een periode van vernieuwing van de cultuur en het onderwijs die zich in de achtste- en negende eeuw in het West-Europa van de Karolingische keizers manifesteerde. Het initiatief ging vooral uit van het koninklijk hof en werd gesteund door de clerus. Vooral onder Karel de Grote (768-814), Lodewijk de Vrome (814-840) en in mindere mate Karel de Kale (843-877) werd er aanzienlijke vooruitgang geboekt in het niveau van de christelijke scholen. Aan het keizerlijk hof was een aantal invloedrijke geleerden actief waren, daaronder Alcuin, Eginhard, Hrabanus Maurus, Dungal van Bangor en Johannes Scotus Erigena.

Tijdens de heerschappij van de Karolingen was er sprake van een toenemende belangstelling voor de klassieke cultuur. Byzantijnse invloeden, culminerend in het afbeelden van de menselijke figuur, werden versmolten met de Germaanse, grotendeels abstracte ornamentiek. Veel klassieke teksten in het Latijn zijn bewaard gebleven in de vorm van kopieën die ten tijde van de Karolingen zijn vervaardigd. Dit gebeurde vooral in de scriptoria van kloosterbibliotheken, waarvan het aantal en de omvang in de Karolingische tijd sterk toenam.

Historiografie[bewerken]

De term renaissance en in het bijzonder de Karolingische renaissance werd in de jaren 1830 door de Franse historicus Jean-Jacques Ampère in de middeleeuwse geschiedenis geïntroduceerd.[1] Dit idee van een Karolingische renaissance ging in tegen de toen dominante visie op de Middeleeuwen (vooral die van voor het jaar duizend) als een cultureel retrograde periode, zoals deze bijvoorbeeld werd aangehangen door de Franse historicus Jules Michelet.[2].

Het was pas vanaf de jaren 1920 van de twintigste eeuw dat dit door Ampère geïntroduceerde concept een succes werd. De historica Erna Patzelt, hoogleraar geschiedenis aan de Universiteit van Wenen, versterkte het gebruik van het begrip door in 1924 een van haar boeken de titel, Die karolingische Renaissance, te geven[3]. In dezelfde jaren 1920 zagen ook theorieën over andere zogenaamde renaissances in de middeleeuwen het levenslicht, de Ottoonse renaissance en de renaissance van de twaalfde eeuw.

De term "Karolingische renaissance" impliceert dat de culturele opleving in het Karolingische rijk vergelijkbaar zou zijn aan die in de Renaissance in de vijftiende en de zestiende eeuw. Het gaat daarbij om verschillende aspecten (vernieuwing in de studies, de herontdekking van het antieke intellectueel erfgoed, artistieke prestaties). De vergelijking kan echter niet anders als beperkt zijn. De term renaissance had geen Latijns equivalent,[4] om die reden introduceerde men in de 16e eeuw voor de culturele opleving in het Karolingische rijk het woord renovatio.

Het begrip "Karolingische renaissance" heeft in de naoorlogse periode groot succes gehad met name bij Angelsaksische historici[5]. Critici hebben zich echter consequent tegen deze term verzet, vooral de Franse historicus Jacques Le Goff was een verklaard tegenstander. Meer recentelijk heeft de Franse mediaveist Pierre Riché de voorkeur uitgesproken om over drie opeenvolgende Karolingische renaissances te spreken, de eerste ten tijde van Karel de Grote ("eerste Karolingische renaissance"), die onder zijn opvolgers ("tweede Karolingische renaissance") en tenslotte die tijdens de Ottoonse periode ("derde Karolingische renaissance"), die hij als een voortzetting van hetzelfde verschijnsel zie en niet als een onafhankelijke "renovatio".[6].

Kunsten[bewerken]

Architectuur[bewerken]

De Paltskapel te Aken

Een belangrijk voorbeeld van Karolingische architectuur uit de Karolingische renaissance is de Paltskapel, een deel van de Akener koningspalts, nu een deel van de Dom van Aken. Het ontwerp van deze kapel is gebaseerd op de San Vitale te Ravenna.

Edelsmeedkunst[bewerken]

Een van de beste voorbeelden van Karolingische edelsmeedkunst is het gegoten bronzen hek in de Paltskapel te Aken. In Nederland behoren de zilveren sleutel van Sint Servaas in de schatkamer van de Sint-Servaasbasiliek in Maastricht en de ivoren Lebuïnuskelk (oorspronkelijk uit Deventer) in Museum Catharijneconvent in Utrecht tot de topstukken.

Schilderkunst[bewerken]

De schilderkunst uit deze periode is zo goed als geheel verloren gegaan. Alleen beschrijvingen van wandschilderingen in de palts van Ingelheim zijn bekend. Nochtans waren er voorheen veel gevallen bekend van versieringen met fresco's. Paulus Diaconus bericht in zijn Historia Langobardorum over de muurschilderijen onstreeks 600 in het paleis van Longobardische vorsten in Monza. Ook vindt men fresco's uit vermoedelijk de 7de of 8ste eeuw in de kleine kerk Santa Maria foris portas, een kapel van een Longobardisch kasteel in Castelseprio in Lombardije (een werelderfgoedsite). Er bestaan nog vele muurschilderijen uit de 7de en 8ste eeuw in Rome, zoals de fresco's in de Catacomben van Commodilla. De Romeinse kerk Santa Maria Antiqua op het Forum Romanum bevat naast fresco's met Byzantijnse invloeden, ook enkele votiefpanelen daterend uit de pre-Romaanse schilderkunst

Scriptoria[bewerken]

De verluchtingskunst in de manuscripten is echter van uitzonderlijke kwaliteit. Bekende scriptoria zijn de Adagroep met het Ada-evangeliarium van Trier en het Godescalc-evangelistarium uit 781-789, het Rijksevangeliarium van Wenen uit de Schola Palatina van Karel de Grote zelf, met Alcuinus, het evangelarium van Ebo te Épernay uit de school van Reims, het beroemde Utrechts Psalter en uit de school van Metz het Sacramentarium van Drogo. In 870 werd in de school van Corbie de Codex aureus van St. Emmeram vervaardigd voor Karel de Kale[7], door de gebroeders Berengarius en Liuthard. Onder abt Vivianus werd een ander evangelarium gemaakt voor Karel de Kale, tussen 844 en 858, in de school van Tours. Uit de school van Sankt Gallen kwam het bekende evangeliarium van Sankt Gallen.

Balans van de Karolingische renaissance[bewerken]

De redding van het Latijn en de klassieke cultuur[bewerken]

De balans van de Karolingische renaissance wordt al benadrukt door geleerden aan zijn hof die Karel de Grote roemden. Natuurlijk Alcuin, die niet naliet Karels culturele en in bredere zin spirituele rol in zijn brieven te benadrukken [8]. Maar ook door Heiric van Auxerre die in hem degene zag "die het uitdovend vuur weer deet ontvlammen" [9] en Lupus van Ferrières voor wie Karel de Grote "degene is die de geleerden bekend moeten maken, teneinde hem voor eeuwig in herinnering te houden" [10]. Walahfrid Strabo ziet in Karel de Grote een waar ideaal :

Aanhalingsteken openen

Van alle koningen beijverde Karel zich het meest om geleerden te vinden en hen de middelen te verschaffen om op hun gemak te filosoferen, wat hun in staat stelde om de uitstraling van de gehele wetenschap, die in deze barbaarse wereld deels onbekend was, te waarborgen en zo van het gehele koninkrijk, dat hij van God had ontvangen, en dat nog steeds in de mist was gehuld, om niet te zeggen bijna blind was, een verlicht land te maken waar in de ogen het goddelijk licht doordrong[11]

Aanhalingsteken sluiten

De rol van Karel de Grote en Karolingen werd dus duidelijk erkend en gewenst, zoals ook blijkt uit de verklaring van Savonnières in 859. De vorsten van de 9e eeuw zijn eveneens het object van lofprijzingen, vooral Karel de Kale, bijvoorbeeld in de geschriften van Heiric van Auxerre

Welke historische balans kunnen wij over de Karolingische renaissance trekken ? Ten eerste was de onderwijsvernieuwing niet triviaal. De onderwijswetgeving die werd geïnitieerd door Karel de Grote en gedurende zijn lange bewind steeds werd bevestigd, en waar ook zijn opvolgers aan vast hielden, heeft een actieve rol gehad in de vermeerdering van het aantal studiecentra in het Westen. Deze kwantitatieve aspecten worden aangevuld met ten minste twee grote nieuwe culturele hoofdassen. Dit was essentieel voor het intellectuele leven van de gehele Middeleeuwen in het westen en daarbuiten.

Merk ook de redding van vele antieke teksten op, vooral die van Latijnse auteurs, gekopieerd op initiatief van de meesters en dankzij het werk in de scriptoria. Onder de belangrijkste zijn Virgilius, Horatius, Terentius, Quintilianus, Seneca en Cicero. Vandaag de dag hebben we slechts de beschikking over werken van ongeveer 150 auteurs, nog geen 20% van de achthonderd namen van Latijnse auteurs, die ons zijn overgeleverd; deze erfenis hebben we behalve aan Byzantium en de Abbasiden aan de Karolingische renaissance te danken.[12]. Een klassieke erfgoed vermengd met christelijke (vooral monastieke) cultuur, vervaardigd door geleerden uit de Karolingische periode is een vergelijkbare ontwikkeling als die van de humanisten in de zestiende eeuw.[13].

Bovendien heeft de heropleving van de Latijnse taal zelf veel te danken aan de inspanningen van de Karolingers om deze te corrigeren (emendatio)[14]. Volgens Michel Banniard stond men op "een terugkeer in geforceerde marsen naar de Latijnse norm dankzij de massale tussenkomst van grammatici uit heel Europa gekomen waren".[15]. .

Deze vooruitgang, waarvan ons geen geschreven documenten zijn nagelaten, bestaat alleen in mondelinge vorm, zoals blijkt uit het nieuwe streven om leestekens in manuscripten op te nemen.[16]. Over het algemeen werd dit werk in de Latijnse taal door zijn tijdgenoten gevierd. Een hofdichter maakte een vergelijking tussen de militaire moed van de koning en de ijver die hij ten toon spreidde om fouten uit corrupte teksten te laten verwijderen:

Aanhalingsteken openen

Een dappere held, onderwierp hij in zijn oorlogen, de wilden / koning Karel week voor niemand door de reinheid van zijn hart / hij kon niet tegen de fouten die in de boeken gekropen waren / en subliem door zijn ijver corrigeerde hij al deze fouten [17].

Aanhalingsteken sluiten

Deze vooruitgang ging ook gepaard met soortgelijke inspanningen op het gebied van de gesproken taal. Karolingische vorsten wilden dat de christelijke teksten in Germaanse of Romaanse talen werden geschreven, dit ten behoeve van aristocraten die geen Latijn kenden.[18] Daarnaast werden de bisschoppen aangemoedigd om hun homilieën te schrijven en hun preken uit te spreken in de volkstaal.[19].

Vraagtekens bij het het concept[bewerken]

De Karolingische minuskel, een teken van voortuitgang in de scriptoria of een symbool van een elite- en luxecultuur?

De wetenschappelijke balans laat ruimte voor nuancering, vooral door de ernstige mislukking die het gevolg was van het concilie van Aix in 817, kort na de dood van Karel de Grote. De daar genomen beslissingen resulteerden in de sluiting van vooral de kleinere monastieke scholen, met name in de plattelandsgebieden. Jacques Le Goff is onverbiddelijk over dit onderwerp:

Aanhalingsteken openen

Voor een renaissance zijn er niet genoeg kwantitatieve eigenschappen, die ons deze notie schijnen te impliceren. (…) een renaissance voor een gesloten - numeriek zeer kleine - elite, ingezet met als doel om de klerikale Karolingische monarchie te voorzien van een kleine kweekvijver van ambtenaren en bestuurders. De republikeinse handboeken van het Republikeinse Frankrijk vergissen zich wanneer zij een Karel de Grote populariseren, een Karel de Grote, die trouwens analfabeet was, als beschermer van jonge studenten en voorloper van Jules Ferry. (…) De Wetenschap voor deze christenen, in welke de barbaar sluimerde, het is een schat, die men dient zorgvuldig moet bewaren. Een gesloten cultuur naast een gesloten economie. In plaats van te zaaien, potte de Karolingische Renaissance op. Kan er een gierige renaissance bestaan?[20]

Aanhalingsteken sluiten

Hoewel de visie van een "gesloten economie" sindsdien niet veel meer is aangekaart, worden er ook in de meer recentere geschiedschrijving, zoals door de Franse mediëvist Philippe Depreux, grenzen gesignaleerd bij de culturele vragen.

Aanhalingsteken openen

(…) we kunnen niet om het idee van een culturele heropleving in de Karolingische tijd heen, maar wat houdt deze "wedergeboorte" nu eigenlijk in : het gaat slechts over een zeer kleine wereld : in essentie de entourage van de souverein en de elites, een paar geestelijken en monniken. (…) dit leidde weliswaar tot een belangrijke oogst op intellectueel gebied, maar wat de omvang betreft was [de Karolingische renaissance] van bescheiden omvang.[21]

Aanhalingsteken sluiten

Daar bovenop berust de luister van de manuscripten uit die tijd, gesymboliseerd door de Karolingische minuskel, volgens Le Goff op hun functie als luxeobjecten in plaats van als instrument van studie:

Aanhalingsteken openen

[deze manuscripten] zijn niet vervaardigd om te worden gelezen. Zij zwellen de schatkamers van de kerken, en die van vermogende particulieren. Ze zijn meer een economisch dan een spiritueel goed. (…) Deze boeken kunnen als niets anders worden beschouwd dan als een kostbaar servies.

Aanhalingsteken sluiten

Andere historici breiden deze bespiegelingen uit tot de Latijnse taal, die onder de Karolingische elite hersteld, nu definitief werd afgesloten van het volk, een werkelijk "drama van de Karolingische Renaissance". Dergelijke overwegingen spelen ook heden ten dage nog bij sommige deskundigen over deze periode, zoals Michel Sot, die zich uitsprak "voor een herbeoordeling van de Karolingische renaissance"[22]. Pierre Riché tempert deze posities echter :

Aanhalingsteken openen

Er werd gezegd dat door het stopzetten van de ontwikkeling van het Latijnse, dat gaandeweg een gesproken taal was geworden, voorvader van de Romaanse talen, de Karolingers een kloof tussen de geleerde en de populaire cultuur hebben gecreëerd. Dit is waar, maar het succes van de liturgische hervorming, de vernieuwing van bijbelse studies, de eenheid onder al diegenen die het rijk regeerden, maakten het noodzakelijk dat het Latijn zijn juistheid en universaliteit hervond. Dankzij de Karolingers kreeg het Westen eeuwenlang de beschikking over een internationaal communicatiemiddel dat na de teloorgang ervan niet is vervangen door iets anders.

Aanhalingsteken sluiten

Referenties[bewerken]

  1. Riché (1983) noemt het jaar 1839, het jaar van de uitgave van de l'Histoire littéraire de la France avant le XIIe siècle door Jean-Jacques Ampère. Echter , het lijkt erop dat hij het ​​gebruik van de term renaissance voor de Middeleeuwen vóór die datum in zijn klassen en items, zoals gemaakt
  2. Zie bijvoorbeeld de beschrijving van het hof van Karel de Grote, ver verwijderd van het idee van een bloeiende renaissance : Histoire de France : Moyen Âge (Œuvres complètes, ed. 1893, blz. 259 e.v.) Gallica.
  3. Erna Patzelt, Die karolingische Renaissance. Beiträge zur Geschichte der Kultur van frühen Mittelalters, Wenen, 1924.
  4. Giorgio Vasari is de eerste die de term in 1550 gebruikte in zijn Vite .
  5. zie Walter Ullmann , The Carolingian Renaissance and the Idea of Kingship (The Birkbeck Lectures 1968-69), New York : Barnes and Noble, 1969; Jean Hubert, Jean Porcher, Wolfgang Volbach, Carolingian Renaissance, New York, Braziller, coll. "Arts of Mankind", 1970 (vertaling in het Engels L'Empire carolingien, Parijs, Gallimard, 1968) ; Garry W. Trompf, "The Concept of the Carolingian Renaissance, Journal of the History of Ideas, deel 34, nr. 1 (januari-maart 1973), blz. 3-26 ; Wallace-Hadrill, A Carolingian Renaissance Prince: Charles the Bald, Proceedings of the British Academy, nr. 64, 1978 ; Peter Godman, Poetry of the Carolingian Renaissance, Norman: University of Oklahoma, 1985.
  6. Riché & Orchard
  7. John W. Bradley, A dictionary of Miniaturists, Illuminators, Calligraphers and Copyists, 1888, Londen, Bernard Quaritch, 15 Picadilly
  8. Zie vooral tijdens de voorbereidingen voor de kroning : Epistola 174 in MGH, Epistolae, t.IV , Epistolae Karoli Aevi II, blz. 287-289, te raadplegen op dmgh.de
  9. Riché, 1983, blz. 354, (primaire bron welkom)
  10. Brief 1 (aan Einhard), in Epistolae, Patrologia Latina, 119, col. 429 : (…) per famosissimum imperatorem Carolum, cui litterae eo usque deferre debent ut aeternam ei parent memoriam, (…)
  11. geciteerd door Riché (1983), blz. 354-355, primaire bron welkom.
  12. Riche & Verger, blz. 54
  13. zie over dit onderwerp Jean Leclercq L'Amour des lettres et le désir de Dieu : Initiation aux auteurs monastiques du Moyen Âge, Parijs, Cerf, 1991
  14. Deze term wordt ook gebruikt in de Admonitio generalis uit 789, zie supra
  15. Genèse culturelle de l'Europe, Paris, Seuil "Points histoire", 1989, blz. ?
  16. Sot et al., blz. 45.
  17. MGH, Poetae latini, I, Versus libris saeculi octavi adiecti, II, blz. 89, te raadplegen op Gallica : Qui sternit per bella truces fortissimus heros / Rex Carolus, nulli cordis fulgore secundus, / Non passus sentes mendarum serpere libris, / En, bene correxit studio sublimis in omni.
  18. Riché, 1983, blz. 360.
  19. Sot ét al., blz. 45-47.
  20. Le Goff (1957), Y a-t-il eu une renaissance carolingienne ?, blz. 11-14.
  21. Depreux, 2003, blz. 750-751
  22. Persoonlijke presentatie op de website van de universiteit van Parijs-Sorbonne