Onbeperkte duikbotenoorlog

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een Duitse onderzeeër tijdens de Eerste Wereldoorlog

Onbeperkte duikbotenoorlog is de naam van het Duitse gebruik van onderzeeërs tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog.

Het hield in dat de zogenaamde U-boten geen vooraf bepaalde of bevolen missies uitvoerden, maar alle schepen van vijandelijke landen die ze tegen kwamen tot zinken brachten. Dit waren dus niet enkel oorlogsschepen, maar ook koopvaardijschepen en soms zelfs passagiersschepen. Twee derde van de Britse burgerslachtoffers in de Eerste Wereldoorlog stierf door aanvallen van U-boten. Deze opdracht aan de duikboten liet ook het aanvallen van schepen uit neutrale landen toe als die (zouden) helpen bij de bevoorrading van de vijand. Er zijn gedurende de Eerste Wereldoorlog ook Nederlandse schepen getorpedeerd, mogelijk per vergissing. Foto's van vissersschepen uit die tijd tonen een brede rood-wit-blauwe band langs de boeg met daarin in grote letters het woord 'HOLLAND'.

Duitsland dacht met de onbeperkte duikbotenoorlog de bevoorrading van Groot-Brittannië te kunnen stilleggen, waarna het land zou moeten capituleren. Groot-Brittannië was in beide wereldoorlogen sterk afhankelijk van de aanvoer over zee van soldaten, levensmiddelen en andere goederen voor het front.

Eerste Wereldoorlog[bewerken]

Geallieerd en neutraal tonnage tot zinken gebracht tijdens WO I[1]
maand 1914 1915 1916 1917 1918
januari 47.981 81.259 368.521 306.658
februari 59.921 117.547 540.006 318.957
maart 80.775 167.097 593.841 342.597
april 55.725 191.667 881.027 278.719
mei 120.058 129.175 596.629 295.520
juni 131.428 108.855 687.507 255.587
juli 109.640 118.215 557.988 260.967
augustus 62.767 185.866 162.744 511.730 283.815
september 98.378 151.884 230.460 351.748 187.881
oktober 87.917 88.534 353.660 458.558 118.559
november 19.413 153.043 311.508 289.212 17.682
december 44.197 123.141 355.139 399.212
Totaal p/j 312.672 1.307.996 2.327.326 6.235.878 2.666.942
Totaal 12.850.814

De gevolgen van de onbeperkte duikbotenoorlog tijdens Eerste Wereldoorlog, die Duitsland afgekondigde en die op 18 februari 1915 aanving,[2] werden op 7 mei 1915 duidelijk met het torpederen van de Lusitania door de Duitse onderzeeboot U-20 onder commando van Kapitänleutnant Walther Schwieger. Dit gebeurde zonder enige waarschuwing vooraf.[3] Het passagiersschip was, naar achteraf bleek, inderdaad zoals de Duitsers beweerden in het geheim bewapend en het schip vervoerde sinds november 1914 munitie voor de geallieerden. De Duitsers herriepen de onbeperkte duikbotenoorlog later in 1915, waarschijnlijk omstreeks 6 juni, mede uit angst van een mogelijke deelname van de Verenigde Staten aan de oorlog. Op 1 februari 1917 [4] begonnen de Duitsers mede op aandringen van de Duitse bevelvoerder Erich Ludendorff opnieuw met het onaangekondigd aanvallen van alle schepen binnen een zogenaamd sperrgebiet.

Hoewel de Duitsers eerder bang waren geweest de Amerikanen bij de oorlog te betrekken, was dat in januari 1917 niet meer het geval. De Duitse bankier Fuss had berekend dat de geallieerden binnen zes maanden zouden capituleren, als duikboten per maand 630.000 ton scheepsruimte zouden vernietigen. De bevoorrading van troepen zou dan niet langer voldoende meer zijn en het moreel in het Verenigd Koninkrijk zou extreem dalen, vanwege tegenvallende oogsten én verminderde invoer van voeding. De Duitsers verwachtten niet dat de Amerikanen zich zo snel konden mobiliseren dat zij binnen zes maanden op de slagvelden in Europa zouden zijn en zou een oorlogsverklaring van hun kant dus niet uitmaken. Hierin vergisten der Duitsers zich echter behoorlijk, wat ingrijpende gevolgen zou hebben.

De onbeperkte duikbotenoorlog zorgde inderdaad voor een groot tekort binnen de geallieerde handelsvloot. De Amerikaanse ambassadeur in het Verenigd Koninkrijk, Walter Hines Page, schreef naar Washington "The submarines are sinking freight ships faster than freight ships are being built by the whole world. In this way, too, then, the Germans are succeeding. Now if this goes on long enough, the Allies' game is up. For instance, they have lately sunk so many fuel oil ships, that this country may very soon be in a perilous condition — even the Grand Fleet may not have enough fuel".[5] Georges Clemenceau schreef aan de Amerikaanse president Wilson "Gasoline is as vital as blood in the coming battles…a failure in the supply of gasoline would cause the immediate paralysis of our armies".[6]

Arbeiders tijdens lunchpauze op de Hog Island scheepswerf in 1918.

Wilson reageerde met kracht. De War Shipping Board vorderde alle schepen in de Verenigde Staten en nam ook alle scheepswerven daar over. Er kwam een ongekend budget van 1,3 miljard dollar vrij en bij Hog Island werd de grootste scheepswerf ter wereld gebouwd, bekend van de Hog Islander. In 1918 liet het War Shipping Board 533 schepen bouwen van bij elkaar 3,3 miljoen ton dwt. De machine die in gang was gezet, was niet direct te stoppen, waardoor het jaar na het aflopen van de oorlog 1180 schepen werden gebouwd van in totaal 6,3 miljoen ton dwt.[7]

Op 6 april 1917 verklaarden de Verenigde Staten Duitsland de oorlog, enerzijds vanwege de duikbotenoorlog, anderzijds vanwege het Zimmermann-telegram. Dat was een onderschept geheim telegram van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Arthur Zimmermann naar een Duitse diplomaat in Mexico, waarin Duitsland delen van het zuiden van de Verenigde Staten aan Mexico beloofde, als het zich zou aansluiten bij de Centrale Mogendheden. De onbeperkte duikbotenoorlog was al hervat in februari 1917 en de Britten begonnen vanaf september 1917 op grote schaal met varen in beschermd konvooi. De geallieerden leden de zwaarste verliezen in april 1917, toen U-boten een record van 881.027 ton tot zinken brachten.

Om de duikboten in Wilhelmshaven te houden, legden de Britten zeemijnen en de geallieerden wisten een poging om die te ruimen te verijdelen tijdens de Tweede slag bij Helgoland. De Duitsers verplaatsten zo veel mogelijk hun duikboten naar Brugge, dat ook een dag minder varen bij het sperrgebiet lag. De aanval op de haven van Zeebrugge, de eerste- en de tweede aanval op de haven van Oostende waren Britse pogingen om de Duitse duikboten vanuit Brugge de weg te versperren.

Nederland en de onbeperkte duikbootoorlog[bewerken]

Het uitroepen van de onbeperkte duikbootoorlog had ernstige gevolgen voor Nederland. Doordat ook neutrale schepen aangevallen zouden worden als zij het sperrgebiet in zouden varen, moesten de schepen om de Britse eilanden heen varen. Ernstiger, was echter het feit dat Nederlandse handelsschepen niet meer over de Middellandse Zee konden varen en dus om Afrika heen moesten als zij naar Nederlands-Indië wilden.

Dat de hervatting van de onbeperkte duikbootoorlog op handen was, was al lange tijd bij de geallieerden en in Nederland bekend. Daarom had Nederland en in het bijzonder de voorzitter van de ministerraad Pieter Cort van der Linden in het geheim onderhandeld met de Duitsers. De hoge Duitse diplomaat Johannes Kriege kwam bijvoorbeeld op 31 januari 1917 op bezoek bij Cort van der Linden. Een andere belangrijke speler was de handelsmagnaat Anton Kröller, die naar Duitsland afreisde om daar met de Centrale Mogendheden te overleggen. Omdat hij zijn handelsimperium als dekmantel kon gebruiken, zouden zijn gesprekken met de Duitse top niet als schendingen van de Nederlandse neutraliteit worden gezien.

Cort van der Linden en Kröller wisten behoorlijk wat te bewerkstelligen in hun onderhandelingen. Zo garandeerde Duitsland een 'vrije vaargeul', die vanaf de Nederlandse westkust, noordelijk via het oostelijk gedeelte van de Doggersbank naar het noorden voerde. Eerst hadden de Duitsers hun sperrgebiet namelijk laten aansluiten op het gebied dat de Engelsen al als 'mijngevaarlijk' hadden bestempeld. Bovendien zou de kolenimport vanuit Engeland naar Nederland opdrogen. Cort van der Linden en Kröller zorgden er daarom voor dat de Duitsers ter compensatie extra kolen zouden leveren.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Duitse U-bootbunker in de Franse havenstad Saint-Nazaire

Eigenlijk is gedurende de gehele Tweede Wereldoorlog aan beide zijden een onbeperkte duikbotenoorlog gevoerd. Op 8 mei 1940 vaardigde de British Admiralty het bevel uit alle schepen die in zicht kwamen in het Skagerrak tot zinken te brengen en tijdens de processen van Neurenberg verklaarde admiraal Nimitz dat vanaf de Amerikaanse zijde in de Grote Oceaan de onbeperkte duikbotenoorlog van kracht was vanaf het moment van deelname aan de oorlog door de Verenigde Staten.

Van Duitse zijde werden duikboten met een steeds groter bereik ingezet, waardoor konvooien tot ver op de Atlantische Oceaan het risico liepen aangevallen te worden door zogenaamde "Wolfpacks", een groep van samenwerkende duikboten die op dezelfde manier een konvooi besloop en aanviel als een roedel wolven doet bij een kudde prooidieren. In 1942 vaardigde admiraal Dönitz het bevel uit dat overlevenden van getorpedeerde passagiersschepen niet meer geholpen mochten worden. De reden hiervoor was het Laconia-incident, waarbij Duitse onderzeeboten met overlevenden van het schip Laconia, voor een groot deel Italiaanse krijgsgevangenen, door Amerikaanse vliegtuigen werden aangevallen. Op dat moment was het geschut van de duikboten afgedekt met rode kruis-vlaggen.

In de eerste jaren van beide Wereldoorlogen zorgden de U-boten voor een enorme dreiging voor het scheepvaartverkeer over de Atlantische Oceaan, maar door gebruik van steeds effectievere dieptebommen, geallieerde duikboten, en - tijdens de Tweede Wereldoorlog - jachtvliegtuigen, sonars en het ontrafelen van de Duitse communicatiecodes nam hun overmacht snel af.

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. Fayle, C. E. (1924): Seaborn Trade, Vol. 3, p. 465, Table I[a]; London: John Murray
  2. Algemeen Handelsblad / Nieuwe Amsterdamsche Courant, 5 februari 1915
  3. Volgens het oorlogsrecht mochten vijandelijke passagiersschepen slechts getorpedeerd worden nadat de passagiers in de gelegenheid waren gesteld van boord te gaan.
  4. Maritieme kalender Scheepvaartmuseum
  5. iHaystack, The Life and Letters of Walter H. Page, Volume II
  6. Tsakiris, T. (2004): Energy Security Policy as Economic Statecraft: A Concise Historical Overview of the Last 100 Years
  7. Jack Devanney (2006): The Tankship Tromedy, The Impending Disasters in Tankers, CTX Press, Tavernier, Florida, ISBN 0977647900, p. 17-18