Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Europese Grondwet
Citeertitel Europese Grondwet
Titel Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa
Soort regeling verdrag
Toepassingsgebied Vlag van Europa Europese Unie[1]
Rechtsgebied staatsrecht
Status nooit in werking getreden
Goedkeuring en inwerkingtreding
Aangenomen door Europese Conventie op 13 juni en 10 juli 2003
Gepubliceerd op 18 juli 2003
Gepubliceerd in PbEU 2003, C 169, p. 1-150
Geschiedenis
Opgevolgd door Verdrag van Lissabon
Lees online
Europese Grondwet
Portaal  Portaalicoon   Mens en Maatschappij

De Europese Grondwet (formeel: Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa) was een voorstel uit 2004 voor een verdrag tussen de lidstaten van de Europese Unie.

De aanvankelijk beoogde grondwet zou, na de ratificatie door de lidstaten, op 1 november 2006 van kracht zijn geworden. Zo ver is het echter niet gekomen, waarna dit verdrag is verlaten. In 2007 is er een ander verdrag voor deze Europese Grondwet in de plaats gekomen, het Verdrag van Lissabon. Dit nieuwe verdrag werd op 13 december 2007 getekend door de Europese leiders.

Geschiedenis[bewerken]

De lidstaten van de Europese Unie hadden dit nieuwe verdrag voorgesteld, enerzijds ter vervanging van de grote serie verdragen waar de Unie tot dan toe op gebaseerd was en anderzijds met het doel tegemoet te komen aan de veranderende verwachtingen van de burgers van de Unie en de veranderende wereld waarin de Unie zich bevindt.

Op de vergadering van de Europese Raad van 17-18 juni 2004 werd een akkoord bereikt over de grondwet. Op 29 oktober 2004 werd de grondwet ondertekend door deze Raad en de ministers van Buitenlandse Zaken van de lidstaten. Hierna begon het ratificatieproces.

Nadat Frankrijk en Nederland in mei en juni 2005 het verdrag in referenda hadden verworpen, besloot de Europese Raad in zijn top van 16-17 juni 2005 tot uitstel van ratificatie. Tien landen hadden op dat moment het verdrag geratificeerd. De oorspronkelijk geplande datum van 1 november 2006 waarop de Grondwet van kracht zou worden, werd met onbepaalde tijd verlengd. Veel landen kondigden aan hun ratificatie, al dan niet per referendum, uit te stellen.

Op de Europese top van 21-22 juni 2007 werd besloten af te zien van de Europese Grondwet. In plaats daarvan kwam het Verdrag van Lissabon, getekend op 13 december 2007. Dit verdrag werd van kracht op 1 december 2009.

Geschiedenis en ratificatie[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Geschiedenis van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Status van de ratificatie in de 25 lidstaten.

██ Referendum aangekondigd

██ Geen referendum gepland

██ Ja - Toetredingsverdrag

██ Ja - Enkel het parlement

██ Ja - Referendum

██ Nee - Referendum

██ Referendum voor onbepaalde tijd uitgesteld

De Europese Grondwet is gedeeltelijk gebaseerd op de twee hoofdverdragen die nu ten grondslag liggen aan de Europese Unie: het Verdrag van Rome (1957) en het Verdrag van Maastricht (1992). Deze verdragen zijn op hun beurt weer veranderd door onder andere het Fusieverdrag (1965), het Verdrag van Amsterdam (1997) en het Verdrag van Nice (2001).

Het startsein voor de Grondwet voor Europa is gegeven met de Verklaring van Laken, waarbij een Europese Conventie in het leven werd geroepen die een ontwerpgrondwet moest formuleren. De ontwerpgrondwet werd gepubliceerd in juli 2003. Bij de eerste Europese top over deze ontwerptekst werd al snel duidelijk dat het niet gemakkelijk zou worden het eens te worden over de uiteindelijke tekst; de top werd een mislukking. Na veel onderhandelen over voornamelijk de nieuwe definitie van een gekwalificeerde meerderheid en de toepassing daarvan, werd uiteindelijk in juni 2004 overeenstemming bereikt over de tekst.

Het grondwettelijke verdrag werd getekend in Rome op 29 oktober 2004, de plaats waar ook de eerste echte Europese Gemeenschap werd opgericht in 1957. Voor het verdrag in werking treedt moet het echter geratificeerd worden door alle lidstaten. Aanvankelijk werd verwacht dat dit proces twee jaar zou duren, maar deze termijn is met minstens één jaar verlengd. In sommige landen zal de ratificatie plaatsvinden door zowel parlementaire goedkeuring als goedkeuring door het volk (door middel van een referendum), en in sommige landen voltrekt ratificatie zich alleen parlementair.

1rightarrow blue.svg Zie Referendum Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Referenda over het verdrag
Lidstaat Datum Resultaat
Vlag van Spanje Spanje 20 februari 2005 Ja Ja. 76,7% voor.
Vlag van Frankrijk Frankrijk 29 mei 2005 Nee Nee. 45,1% voor.
Vlag van Nederland Nederland 1 juni 2005 Nee Nee. 38,5% voor.
Vlag van Luxemburg Luxemburg 10 juli 2005 Ja Ja. 56,5% voor.
Vlag van Polen Polen Uitgesteld  
Vlag van Denemarken Denemarken Uitgesteld  
Vlag van Ierland Ierland Uitgesteld  
Vlag van Portugal Portugal Uitgesteld  
Vlag van Verenigd Koninkrijk Verenigd Koninkrijk Uitgesteld  
Vlag van Tsjechië Tsjechië Uitgesteld  

Parlementaire goedkeuring van het verdrag
Parlement Datum Resultaat
Vlag van Litouwen Litouwen 11 november 2004 Ja Ja. 84 voor, 4 tegen.
Vlag van Hongarije Hongarije 20 december 2004 Ja Ja. 322 voor, 12 tegen.
Vlag van Europa Europees Parlement 12 januari 2005 Ja Ja. 500 voor, 137 tegen.
Vlag van Slovenië Slovenië 1 februari 2005 Ja Ja. 79 voor, 4 tegen.
Vlag van Italië Italië 6 april 2005 Ja Ja. Lagerhuis: 436 voor, 28 tegen.
Senaat: 217 voor, 16 tegen.
Vlag van Griekenland Griekenland 19 april 2005 Ja Ja. 268 voor, 17 tegen.
Vlag van Slowakije Slowakije 11 mei 2005 Ja Ja. 116 voor, 27 tegen.
Vlag van Spanje Spanje 18 mei 2005 Ja Ja. Lagerhuis: 319 voor, 19 tegen.
Senaat: 225 voor, 6 tegen.
Vlag van Oostenrijk Oostenrijk 25 mei 2005 Ja Ja. Lagerhuis: 182 voor, 1 tegen.
Senaat: 59 voor, 3 tegen.
Vlag van Duitsland Duitsland 27 mei 2005 Ja Ja. Lagerhuis: 569 voor, 23 tegen.
Senaat: 66 voor, 0 tegen, 3 neutraal.
Vlag van Letland Letland 2 juni 2005 Ja Ja. 71 voor, 5 tegen.
Vlag van Cyprus Cyprus 30 juni 2005 Ja Ja 30 voor, 19 tegen.
Vlag van Malta Malta 6 juli 2005 Ja Ja 65 voor, 0 tegen.
Vlag van België België 8 februari 2006 Ja Ja. Senaat: 54 voor, 9 tegen, 1 onthouding.
Kamer: 118 voor, 18 tegen, 1 onthouding.
Vlag van Estland Estland 9 mei 2006 Ja Ja 73 voor, 1 tegen.
Vlag van Finland Finland Uitgesteld  
Vlag van Zweden Zweden Uitgesteld  

Dat de inbreng van de individuele burgers bij deze "ratificatie" niet voor alle burgers identiek is en dat, meer in het bijzonder, sommige burgers de mogelijkheid hebben hun stem specifiek uit te brengen over deze grondwet en andere niet, wordt door vele inwoners van de Europese Unie als een onrecht gezien. De reden van de uiteenlopende ratificatieprocedures ligt in het feit dat deze procedures door elk land afzonderlijk worden vastgelegd.

Op 29 mei respectievelijk 1 juni 2005 hebben Frankrijk en Nederland het voorstel verworpen, terwijl de grondwet alleen kan worden aangenomen indien alle landen het hebben goedgekeurd. Er is echter ook een artikel waarin staat dat als ten minste 4/5 van de landen (twintig lidstaten) deze constitutie aannemen, hier overleg over moet worden gevoerd. De maximaal vijf tegenstemmende landen zouden in zo'n geval aan de minimaal twintig voorstemmers moeten voorleggen, hoe men uit de impasse zou kunnen geraken.

Bij het aantreden van Angela Merkel als nieuwe bondskanselier maakte zij bekend dat ze in 2007 onder Duits voorzitterschap van de Europese Unie de grondwet nieuw leven in wilde blazen.

Eind januari 2006 vond een conferentie over het verdrag op hoog niveau plaats in het Oostenrijkse Salzburg, maar de lidstaten bleven verdeeld over de toekomst van het document.

Opbouw van de Grondwet[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Opbouw van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het verdrag over een grondwet voor Europa is verdeeld in een preambule, vier verdragsdelen en een aanhangsel met meerdere protocollen:

  • De preambule gaat vooraf aan de eigenlijke verdragsbepalingen. In de preambule worden de redenen opgesomd voor de oprichting van de Europese Unie — zowel de omstandigheden die leidden tot de oprichting als de doelstellingen van de Unie worden benoemd.
  • Verdragsdeel I over Grondbeginselen. Het eerste verdragsdeel behandelt de grondbeginselen van de Europese Unie. Het verdrag begint in artikel 1 met het idee dat krachtens dit verdrag de Europese Unie door de verdragsluitende partijen in het leven wordt geroepen. Behalve definitie en doelstelling van de Unie beschrijft het ook de bevoegdheden, de organen en de financiering van de Unie. De precieze invulling van de hier genoemde bepalingen vindt plaats in de bepalingen van de overige verdragsdelen.
  • Verdragsdeel II over het Charta van de Grondrechten. In dit onderdeel worden de Europese grondrechten opgesomd. Het is voor het eerst dat in een verdrag van de Europese Unie deze grondrechten worden genoemd. Onder de grondrechten vallen uiteenlopende klassieke en sociale mensenrechten, zoals het recht op vrije meningsuiting en vereniging, het recht op vrije uitoefening van een beroep in de gehele unie, het hebben van inzage in overheidsdocumenten in de gehele unie, recht op eigendom, stakingsrecht, non-discriminatie-beginsel, rechten van het kind, bescherming tegen onredelijk ontslag, bescherming van persoonlijke gegevens, toegang tot sociale zekerheid en gezondheidszorg en het recht op de eerbiediging van gewetensbezwaren (bij dienstweigering).
  • Verdragsdeel III over de beleidsterreinen. Dit deel geeft de beleidsterreinen en de daarbij behorende besluitvormingsprocedures aan. Dit verdragsdeel is verreweg de grootste van alle delen.
  • Verdragsdeel IV over de Overgangs- en Slotbepalingen. Deze bepalingen zorgen voor een correcte overgang wanneer de oude verdragen hun geldigheid verliezen en de grondwet in werking treedt. Het waarborgt de continuïteit van lopende procedures voor instellingen die van naam en soms ook inhoud veranderen, de geldigheid van de rechtspraak van het Europese Hof en de uitzondering van de geldigheid van grondwetsbepalingen voor sommige gebiedsdelen (Kanaaleilanden, overzeese gebiedsdelen). Het regelt ook de procedure voor toekomstige grondwetswijzigingen, waarbij nationale parlementen een grotere rol krijgen dan nu het geval is. Het geeft 1 november 2006 als datum van inwerkingtreding.
  • Annex met verscheidene Protocollen. In de annex bevinden zich 36 protocollen, die allen uitdrukkelijk deel uitmaken van de grondwet. Het betreft bijvoorbeeld de bijzondere positie van Denemarken inzake de voorbehouden die dat land maakte inzake verdere integratie, stemverhoudingen in de Raad, inspraak- en bezwaarprocedures voor nationale parlementen en de positie van het publieke omroepbestel in de unie. In een aantal bijlagen bevindt zich onder andere een gewijzigd Euratomverdrag en bepalingen voor geldigheid van de grondwet in overzeese gebiedsdelen.

Belangrijkste punten[bewerken]

De belangrijkste punten van het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa zijn:

  • De Europese Unie wordt een persoon van internationaal recht;
  • Het vastleggen van bepaalde vrijheden en burgerrechten;
  • Consolidering van de bestaande verdragen van de unie;
  • Meer besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid, in plaats van de unanimiteit die nu vaak vereist is;
  • Op belangrijke gebieden, zoals buitenlandbeleid en fiscaal beleid blijft het vetorecht in stand;
  • De Europese Raad krijgt een vaste voorzitter, in plaats van een halfjaarlijks wisselende voorzitter;
  • Burgers krijgen een recht van petitie. Met een miljoen handtekeningen kan een niet-bindend voorstel aan de Europese Commissie worden gedaan;
  • Er komt een minister van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie;
  • Nationale parlementen krijgen meer macht door de subsidiariteitstoets: wanneer een derde van de nationale parlementen een wetsontwerp afkeurt omdat het te veel inbreuk maakt op de nationale soevereiniteit moet het worden heroverwogen. Het besluit kan dan echter wel weer opnieuw worden genomen.
  • Het Europees Parlement wordt medebeslisser op aan aantal gebieden waarop ze dat nu nog niet is: landbouw, structuurfondsen en justitie, en binnenlandse zaken. Het parlement krijgt geen initiatiefrecht;
  • Een land kan besluiten uit de EU te stappen;
  • Meer transparantie. Zo dient de Raad van Ministers voortaan in het openbaar te vergaderen. Het Europees Parlement had deze verplichting al. Ook worden meer documenten openbaar, en worden in de lidstaten documenten raadpleegbaar voor alle burgers van de unie. De uitvoerende macht op het niveau van de EU, de Europese Commissie, vergadert net als de uitvoerende macht in de lidstaten (de regeringen) achter gesloten deuren. Desondanks menen tegenstanders dat voor de EU hogere transparantie moet gelden dan voor hun eigen regeringen.
  • De Europese Commissie zal in de toekomst slechts een 17-tal leden meer bevatten. Een zetel in de Commissie voor elk land bij de Europese Unie (27 leden) bemoeilijkt het overleg en samenwerking. Dat betekent dat een land de kans heeft een jaar geen vertegenwoordiger in de Commissie te hebben zitten en een volgend jaar weer wel.

Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa en nationale grondwet[bewerken]

Het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa bespreekt deels andere zaken dan nationale grondwetten, omdat het ook moet vastleggen hoe de verhoudingen liggen tussen de nationale overheden en de unie.

De grondwet legt vast dat wanneer wetten conflicteren het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa prevaleert. De lidstaten erkennen hiermee expliciet de autoriteit van de Unie boven die van individuele lidstaten op gebieden waar de Unie beslissingen mag nemen. Deze toevoeging aan het Verdrag onderstreept bovendien nog eens de al bestaande situatie, waarin Europese autoriteit middels zaken als Europese richtlijnen voorgaat boven die van de individuele lidstaten.

Tegenstanders van het grondwettelijke verdrag wijzen op deze passage als bewijs van hun stelling dat met het invoeren van de Europese Grondwet de nationale soevereiniteit van de lidstaten verdwijnt. De passage is echter een samenvatting van de bestaande situatie. Met de bestaande verdragen geldt al lange tijd, dat Europese Richtlijnen, Besluiten en Verordeningen bindend zijn en voorgaan boven nationale wetgeving. Daarnaast geldt ook voor lidstaten als Nederland en België reeds tientallen jaren dat hun respectievelijke grondwetten internationale verdragen (en daaruit volgende regelgeving) boven de nationale grondwet laten prevaleren.

Discussie over de Grondwet[bewerken]

Het Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa vereenvoudigt de besluitvorming en geeft het Europees Parlement een aantal nieuwe bevoegdheden. Daarentegen is het niet in alle opzichten een radicale breuk met de huidige praktijk. Op grond van de huidige verdragen is het handelen van de EU vooral gericht op en vanuit de economie. Dat wekt bij veel burgers bezorgdheid over de status van de sociale markteconomie, het overleg tussen sociale partners, de toekomst van een pluriform mediabestel, toegankelijkheid van de gezondheidszorg en andere openbare voorzieningen, niveau van de sociale zekerheid en de mate van consumentenbescherming (voedselveiligheid). In welke mate de grondwet antwoorden geeft of kan geven op deze onderwerpen is niet altijd duidelijk en onderwerp van discussie.

Vorm[bewerken]

God en tradities[bewerken]

De grondwet heeft geen verwijzing naar God, maar in de plaats daarvan wordt verwezen naar de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa. De vraag of God in de grondwet genoemd zou moeten worden, was enige tijd een speerpunt in de discussie over de grondwet voor zowel gelovigen als niet-gelovigen. Sommige landen, zoals Frankrijk, dat een laïcistische traditie kent, vonden een verwijzing naar God vanwege de scheiding tussen kerk en staat ongewenst. Andere landen zoals Polen en Ierland, die beide een grote rooms-Katholieke bevolking tellen, hechtten wel waarde aan een verwijzing naar God. De verwijzing naar de verschillende tradities is bedoeld als een compromis tussen beide opvattingen.

Lengte en complexiteit[bewerken]

Versies van het Verdrag tot oprichting van een Grondwet voor Europa in de Engelse taal, die door de Europese Unie voor het grote publiek worden gepubliceerd. Van links naar rechts: het ontwerp door de Europese Conventie; de volledige versie van de Intergouvernementele Conferentie (tekst zoals die door te bekrachtigen gevolmachtigden wordt ondertekend) met de protocollen en de bijlagen; de verkorte versie met de resolutie van het Europees Parlement van goedkeuring, maar zonder de protocollen en de bijlagen, voor bezoekers bij het Europees Parlement. De versies in andere Europese talen werden ook gepubliceerd.

De grondwet is veel korter en eenvoudiger dan de bestaande verdragen die de regels van de unie vastleggen, maar langer dan de afzonderlijke grondwetten van de lidstaten. Om een competentiestrijd tussen de Unie en de lidstaten te voorkomen heeft men gekozen voor een precieze omschrijving. Ook de verschillende voorbehouden en uitzonderingen die voor sommige landen en landsdelen gelden, dwingen aanvullende bepalingen af. Door deze zorgvuldigheid is de lengte van de tekst groot.

De Nederlandstalige tekst van de vier verdragsdelen beslaat 176 pagina's. De aanvullingen en uitzonderingen over bijvoorbeeld de Nationale Bank van Denemarken of het immigratiebeleid van Groot-Brittannië tellen nog eens 262 pagina's. In vergelijking met de Nederlandse Grondwet van 71 pagina's en de Grondwet van de Verenigde Staten (4600 woorden) is het nieuwe Verdrag dus erg lang.

Waarden en Grondrechten[bewerken]

De grondwet definieert Europa als waardengemeenschap. Daaruit vloeit een aantal concrete grondrechten voort.

Waarden, grondrechten en de burger[bewerken]

De Grondwet gaat uitvoerig in op de waarden van Europa. De inleidende tekst spreekt van "universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat". Deze waarden worden in verdragsdeel II uitgewerkt.

Bezwaar hier tegen is dat deze rechten al beschermd worden door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens op basis van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en een toenemend aantal aanvullende protocollen van de Raad van Europa. Alle lidstaten en kandidaat-leden van de EU zijn lid van deze Raad. Anderzijds wijst men erop, dat het voor de burger voordelig is, wanneer de EU zich niet alleen met economische wetgeving bezighoudt, maar ook expliciete verantwoordelijkheden krijg inzake de mensen- en burgerrechten van de eigen inwoners.

Habeas Corpus[bewerken]

Sommigen menen dat het habeas corpus niet voldoende wordt gewaarborgd door Artikel I-9: De grondrechten, zoals zij worden gewaarborgd door het EVRM en de fundamentele vrijheden en zoals zij voortvloeien uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben, maken als algemene beginselen deel uit van het recht van de Unie, hoewel deze het Habeas Corpus vermeldt. Er is discussie over de vraag of deel II van de grondwet, het Handvest van Grondrechten van de Unie, waarin de grondrechten worden opgesomd, het habeas-corpusprincipe waarborgt.

Doodstraf[bewerken]

Een aantal tegenstanders wijst het Verdrag af vanwege de mogelijkheid tot herinvoering van de doodstraf, ook in lidstaten die deze al eerder hadden afgeschaft. In artikel II-62 wordt de doodstraf verboden, maar via de Verklaringen (‘Verklaring 12: Verklaring betreffende de toelichtingen bij het Handvest van de grondrechten’) is er een beperking: de doodstraf kan heringevoerd worden, echter alleen in tijd van oorlog of onmiddellijke oorlogsdreiging. Deze bepaling is direct afkomstig uit de Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en is dus geen verandering ten opzichte van de huidige situatie.

Het 13e protocol van het EVRM sluit de doodstraf in alle gevallen, ook in tijd van oorlog, uit. Voor België is dit protocol op 1 oktober 2003 in werking getreden. Tegenstanders van het verdrag vinden dat de EU zaken naar zich toetrekt die de Raad van Europa voor een fractie van de kosten uitstekend regelt. Zij vinden dit bemoei- en regelzucht van de EU die niet leidt tot verbetering maar tot verwarring.

Democratie[bewerken]

Het voorgestelde verdrag geeft veel macht aan de Europese Commissie: zij komt in principe met de verschillende wetsvoorstellen. De leden van de Commissie worden benoemd door de lidstaten en vervolgens bevestigd door het Europees Parlement. Hiermee blijven de lidstaten verantwoordelijk voor de kwaliteit van de Commissie, anderzijds wordt hun democratische legitimatie verzwakt. Critici wijzen erop dat de samenstelling van de commissie niet rechtstreeks door de burger wordt bepaald, hoewel datzelfde natuurlijk ook geldt voor de regeringen van de lidstaten.

De Europese Commissie kan de mening van het Europees Parlement op een deel van de beslissingsterreinen ongestraft negeren. Het Europees Parlement krijgt daarentegen wel een grotere medebeslissingsbevoegdheid op beleidsterreinen, waarop het voorheen geen bevoegdheden bezat, waaronder het recht op meer bevoegdheden en het worden van medewetgever. Parlementariërs krijgen ook de mogelijkheid amendementen in te dienen en wetsvoorstellen op verschillende gebieden.

Het Europees Parlement kan niet één van de commissarissen wegsturen voor het door hen gevoerde beleid. Weliswaar mag het parlement zo'n commissaris ondervragen en een motie van wantrouwen uitspreken, maar daar kunnen geen dwingende consequenties aan worden gebonden.

Het Europees Parlement, dat bestaat uit per lidstaat verkozen leden, kan ook volgens dit verdrag geen nieuwe wetten voorstellen (geen initiatiefrecht).

Het burgerinitiatief maakt het mogelijk om met een miljoen handtekeningen van burgers uit verschillende Europese landen de Europese Commissie te bewegen een beslissing te heroverwegen. Zo'n petitie is adviserend en niet bindend. De mogelijkheid voor burgers om op deze manier invloed uit te oefenen is in sommige landen, waaronder Nederland, beduidend geringer.

Zowel de toekomstige president van de Europese Unie als de Minister van Buitenlandse Zaken van de Europese Unie zullen niet gekozen worden door de burgers maar benoemd worden, zonder dat dat proces voldoende transparant is. Op deze manier wordt voorkomen dat landen met een grote bevolking via verkiezingen de bevolking van kleine landen overstemmen.

De definitie van democratie die Thucydides (II 37.) in de mond van Pericles legde werd op vraag van Ierland uit de grondwet verwijderd, tot groot ongenoegen van Griekenland en Cyprus.

„Ons politiek stelsel is geen kopie van de instellingen van onze buren. In plaats van anderen na te apen, zijn wij juist een voorbeeld voor hen. De macht is in handen van velen en niet van enkelen, daarom wordt zij een democratie genoemd. Als het gaat om persoonlijke geschillen, verzekeren onze wetten gelijk recht aan allen; als het gaat om het vervullen van openbare ambten speelt sociale klasse geen rol, maar tellen slechts de werkelijke kwaliteiten die iemand bezit. Armoede is voor niemand die de publieke zaak kan dienen een belemmering, hoe gering zijn status ook mag zijn.” [Uit: Thucydides, De Peloponnesische Oorlog, Boek 2, 37: Lijkrede van Perikles - bewerkte vert. v. M. A. Schwartz]
(Bron: R. de Vries, Volksvergadering-Democratie in Klassiek Athene, in ATHENE. Webtijdschrift voor directe democratie 1 (2002).)

Veiligheidsbeleid[bewerken]

In het kader van het voorzichtig gedefinieerde gemeenschappelijke buitenlands en veiligheidsbeleid bepaalt de grondwet onder meer in Artikel I-41: "De lidstaten verbinden zich ertoe hun militaire vermogens geleidelijk te verbeteren". Daarmee neemt de EU het streven naar een gemeenschappelijke defensie formeel op in haar doelstelling. De tekst van het artikel is uitdrukkelijk verbonden aan het vervolg van hetzelfde artikel, waarin de coördinatie van defensieuitgaven en gezamenlijke uitschrijvingen van kooporders wordt nagestreefd. Hiertoe wordt een Europees Defensieagentschap opgericht.

Door het formuleren van een gemeenschappelijk beleid op dit gebied zal het voor nationale overheden moeilijk worden een sterk afwijkend beleid te voeren, zoals het streven naar ontwapening, het verlaten van de NAVO of het handhaven van een strikte neutraliteitspolitiek (Zweden, Oostenrijk). Volgens de Europese regeringsleiders zal het gemeenschappelijke veiligheidsbeleid vooral dienen tot het bijdragen aan en uitvoeren van vredesoperaties.

Economisch beleid[bewerken]

De in de huidige verdragen vastgelegde principes van vrij verkeer van kapitaal en goederen en het waarborgen van vrije concurrentie worden overgenomen door de nieuwe grondwet. Bepaalde terreinen, zoals het publieke omroepbestel en delen van de gezondheidszorg, blijven hiervan uitgezonderd. Veel (linkse) critici zien dit verdrag als een 'neo-liberale grondwet', waarin de markt de voorkeur heeft boven door de overheid geregelde nutsdiensten.

Het oorspronkelijke Verdrag van Rome uit 1957 meldde echter al in Hoofdstuk I, Artikel 3c dat er "een interne markt gekenmerkt door de afschaffing van obstakels tussen Lidstaten van het vrij verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal" diende te komen. Er werd verder een stelsel geïntroduceerd dat er op toe zag dat de concurrentie binnen de interne markt niet werd verstoord. Het principe van de "vrije en ongestoorde" interne markt geldt dan ook vanaf het begin. Destijds was er dan ook sprake van een economische gemeenschap.

Artikel III-167 Grondwetsverdrag komt overeen met het oude Artikel 92 (later 87) Verdrag van Rome. Het Grondwetsartikel luidt als volgt: "Save as otherwise provided in the Constitution, any aid granted by a Member State or through State resources in any form whatsoever which distorts or threatens to distort competition by favouring certain undertakings or the production of certain goods shall, in so far as it affects trade between Member States, be incompatible with the internal market." De enige verandering ten opzichte van het Verdrag van Rome betreft de wijziging van "dit Verdrag" in "de Grondwet" en "gemeenschappelijke markt" wordt nu "interne markt" genoemd. Met de (geleidelijke) overgang van een economische samenwerking naar een Unie met een eigen grondwet zijn er veel beleidsterreinen bijgekomen, waarop de vrije markt nu ook als leidend principe wordt gehanteerd.

De talloze uitzonderingen op het verbod op overheidsubsidies (achtergestelde regio's, rampenbestrijding etc., III-167, lid 2) zijn ook rechtstreeks overgenomen uit het Verdrag van Rome (Artikel 92, later artikel 87). De Grondwet richt zich dus niet alleen op de vrije concurrentie. Al vanaf de start van de Europese samenwerking worden overheidsubsidies en inperkingen op het beginsel van vrije concurrentie in bepaalde gevallen toegestaan.

In Artikel I-3 is een bepaling ten aanzien van sociaal beleid opgenomen. De EU "shall work for the sustainable development of Europe based on balanced economic growth and price stability, a highly competitive social market economy, aiming at full employment and social progress." en "the Union shall combat social exclusion and discrimination, and shall promote justice and social protection, equality between men and women, solidarity between generations." Ook deze bepalingen zijn rechtstreeks afgeleid van het Verdrag van Rome.

Desalniettemin is enigszins onduidelijk in welke mate de beschermwaardigheid van maatschappelijke, sociale en culturele verworvenheden door de grondwet gewaarborgd wordt. Hieronder vallen naast media en gezondheid, openbare voorzieningen en de sociale markteconomie in brede zin. De jurisprudentie van het Hof van Justitie Europese Gemeenschappen is daar vrij genuanceerd.

Monetair beleid[bewerken]

De grondwet definieert de euro als munteenheid van de unie. Landen die in het verleden geen uitzonderingsbeding hebben gesteld, zoals Zweden, hebben daarmee de verplichting om ondanks referenda de euro (ooit) in te voeren. De in 2004 toegetreden lidstaten hebben zich reeds bij hun toetreding verplicht om invoering van de euro als nationale munteenheid na te streven.

De Europese Centrale Bank blijft ook in de toekomst onafhankelijk van politieke inmenging. Haar enige doel blijft het bestrijden van inflatie. Andere doelstelling zoals werkloosheidsbestrijding, zijn voorbehouden aan de overheid. Daarmee blijft de ECB zich onderscheiden van bijvoorbeeld de Amerikaanse Federale Bank (Fed).

Sociaal beleid en landbouwbeleid[bewerken]

Tot dusver mocht het Europees parlement niet meebeslissen over het Europese landbouwbeleid, de grondwet geeft de volksvertegenwoordiging voor het eerst besluitvormingsrecht. Het feit dat het grootste deel van de unie-begroting wordt uitgegeven aan het landbouwbeleid is verder al enige decennia mikpunt van kritiek. Daarnaast blijft een groot verschil in subsidiëring tussen de verschillende landen bestaan. Het subsidiëren van de landbouw is strijdig met het principe van de vrije markt en levert voordeel voor boeren in de EU tegenover hun collega's van buiten de EU. Het verdrag wijzigt deze situatie niet.

Toetreding en uittreding[bewerken]

In de grondwet is opgenomen dat elk land, mits het in Europa ligt en de in de grondwet opgesomde waarden onderschrijft, lid kan worden van de EU. Daarvoor is de unanieme toestemming van de unie en de lidstaten vereist. Critici vrezen dat onder deze voorwaarden landen als Oekraïne, Rusland en de staten in de Kaukasus te gemakkelijk lid kunnen worden van de EU, hetgeen in de unie te grote verschillen teweeg zou brengen en deze daardoor ondermijnen. Omdat elke lidstaat moet toestemmen in een toekomstige uitbreiding, verandert er aan de bestaande situatie niets.

Voor het eerst wordt in een verdrag de uittreding van een lidstaat geregeld.

Verlies aan soevereiniteit[bewerken]

Tegenstanders van het verdrag zijn van mening dat de lidstaten te veel soevereiniteit verliezen aan de Europese Unie. Het verdrag probeert aan die bezwaren tegemoet te komen door (vergelijkbaar met de huidige verdragsregelingen) stemrechten van nationale lidstaten niet alleen te baseren op inwonertal of economisch vermogen. Om die reden voorziet het verdrag in stemrechtwegingen, die kleine lidstaten bevoordelen jegens grote lidstaten.

In Nederland vrezen veel mensen dat hun land niet meer dan „een provincie van Europa” zal worden, aangezien de Nederlandse bevolking slechts 3% van de totale Europese bevolking uit maakt. Voorstanders wijzen er op, dat Europese integratie per definitie betekent dat soevereiniteit wordt opgegeven ten bate van een gezamenlijk beleid en een gedeelde soevereiniteit. Dat is reeds met de bestaande verdragen het geval en het nieuwe verdrag brengt in die bestaande situatie geen verandering.

Ook een eventuele toetreding van Turkije en mogelijk andere landen wordt in dit verband door tegenstanders genoemd. Turkije zou waarschijnlijk het grootste EU-land zijn en relatief zwaar stemrecht hebben. Het gewicht van kleine landen als Nederland en België neemt daardoor af.

Het verdrag houdt zich evenwel niet rechtstreeks bezig met het lidmaatschap van Turkije (of andere staten). De toetreding van nieuwe lidstaten is immers afhankelijk van de toestemming door nationale regeringen en parlementen, in sommige landen ook van referenda. Daarnaast is het gehele toetredingsbeleid van de EU in handen van de nationale regeringen, die verantwoordelijk zijn voor de reeds in de jaren 1960 gedane beloften aan Turkije om toe te treden tot de (toenmalige) Europese Gemeenschap. Wel is het zo dat de stemverhoudingen uit het Verdrag van Nice vastliggen (inclusief toe te treden Roemenië en Bulgarije) en dat zonder grondwet of een nieuw verdrag er opnieuw moeilijke onderhandelingen over stemverhoudingen gevoerd dienen te worden voordat Turkije of een ander land zou kunnen toetreden. Het raamwerk voor de onderhandelingen tussen de EU en Turkije is gedefinieerd door de nationale regeringen.

Gebrek aan openheid[bewerken]

Veel, maar niet alle, vergaderingen van de Europese Raad van Ministers worden openbaar onder dit verdrag. Het Comité van Permanente Vertegenwoordigers en zijn 200 raadswerkgroepen, de belangrijkste adviesorganen van de Raad, blijven achter 'gesloten deuren' vergaderen. Dit is vergelijkbaar met de vergaderingen van ambtenaren en commissies van de verschillende Nederlandse en Belgische ministeries. Deze vergaderen ook achter 'gesloten deuren'.

Ook de vergaderingen van de Europese Commissie zijn niet openbaar, maar dit geldt voor vrijwel elk bestuursorgaan of regering. De ministerraadsvergadering in Nederland is ook niet openbaar. Bijeenkomsten van het Europees Parlement zijn openbaar, net zoals de bijeenkomsten van de Tweede Kamer dat zijn.

Tijdlijn[bewerken]

De historie van de Europese Unie tot aan de Grondwet

1948 1952 1958 1967 1987 1993 1999 2003 2009 2011
Brussel Parijs Rome Brussel EA Maastricht Amsterdam Nice Lissabon
Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS)
Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (EURATOM)
Europese Economische Gemeenschap (EEG)
P

IJ

L

E

R

S
Europese Gemeenschap (EG) Europese Unie (EU)
↑Europese Gemeenschappen↑ Justitie & Binnenlandse Zaken (JBZ)
Politiële & justitiële samenwerking in strafzaken (PJSS)
Europese politieke samenwerking (EPS) Gemeenschappelijk buitenlands & veiligheidsbeleid (GBVB)
West-Europese Unie (WEU)

Externe links[bewerken]

Relevante linkverzameling
Campagnes
Websites met relatief neutrale informatie
Websites met argumenten voor de Grondwet
Websites met argumenten tegen de Grondwet
Bronnen, noten en/of referenties
Wikisource NL Meer bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina Verdrag tot vaststelling van een Grondwet voor Europa op de Nederlandstalige Wikisource.