Slag om Stalingrad

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
Slag om Stalingrad
Onderdeel van de Tweede Wereldoorlog

Soldaten van de Sovjet-Unie midden in de ruïnes van Stalingrad.
Datum 17 juli 19422 februari 1943
Locatie Stalingrad, Sovjet-Unie
Resultaat Sovjet-overwinning
Strijdende partijen
Sovjet-Unie Duitsland
Roemenië
Italië
Hongarije
Commandanten
Tsjoejkov
Vasilevski
Zjoekov
Timosjenko
Rokossovski
Malinovski
Jeremenko
Hitler
Paulus
Von Manstein
Hoth
Dumitrescu
Constantinescu
Gariboldi
Jany
Troepensterkte
1,7 miljoen manschappen 850.000 manschappen
Verliezen
750.000 gedood, gewond of krijgsgevangen,
40.000+ burgers gedood.
740.000 gedood of gewond,
110.000 krijgsgevangen

De Slag om Stalingrad (17 juli 1942 - 2 februari 1943), wordt door velen als keerpunt van de Tweede Wereldoorlog beschouwd. Een compleet Duits leger werd aan de rivier de Wolga verslagen door het Rode Leger, dat nog maar enkele maanden eerder nagenoeg overwonnen leek. Stalingrad (het huidige Wolgograd) werd het symbool voor de wederopstanding van het Rode Leger en gaf het Duitse moreel een geweldige klap; in brede lagen van de bevolking drong door dat de oorlog wel eens slecht zou kunnen aflopen voor Duitsland; het Nazi-regime zag voortaan af van 'kanonnen én boter'-propaganda en riep na afloop van de slag het volk op tot een totale oorlog.

Inhoud

[bewerken] Achtergrondinformatie

Dat Duitsland de Sovjet-Unie zou aanvallen stond al geruime tijd vast, ondanks het niet-aanvalsverdrag. Hitler had meermaals laten blijken dat de Lebensraum in het oosten moest worden gezocht. Daarnaast waren de communisten de grote rivaal voor het nationaalsocialistisch Duitsland.
Hitler was van mening dat Duitsland in de toekomst overbevolkt zou raken en daarom meer grondgebied nodig had. Dit Lebensraum wilde hij vooral in Polen en de Sovjet-Unie halen. Daarnaast waren de bolsjewieken, de leiders in de Sovjet-Unie, zijn aartsvijand. Hij achtte de inname van de Sovjet-Unie dan ook van groter belang dan de vernietiging van Groot-Brittannië. De Duitsers verloren weliswaar de Slag om Engeland, maar waren nog altijd oppermachtig in het westen. Ondanks hun zware verliezen tijdens de Slag om Engeland openden ze toch een tweede front.

[bewerken] Duitse inval in de Sovjet-Unie

Zie Operatie Barbarossa voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Najaar 1940, kort nadat Hitler - naar later zou blijken definitief - afzag van een invasie van de Britse eilanden (Operatie Seelöwe), begon het Oberkommando des Heeres (OKH) met het ontwerp voor een aanval op de Sovjet-Unie. Dit ontwerp kreeg de naam Fall Fritz. Generaal-majoor Friedrich Paulus, toekomstig opperbevelhebber van het Duitse 6e leger, was een van de officieren die aan het plan meewerkte (het 6e leger speelde later een hoofdrol in de gevechten bij Stalingrad). Hitler dacht met een krachtig offensief de Sovjet-Unie nog vóór de gevreesde winter op de knieën te hebben. Veel officieren waren het met Hitler eens wat betreft het plan.

Aangezien de Duitse troepen in het voorjaar de Balkan aanvielen, kon de operatie pas later van start gaan dan gepland. Ondertussen had Hitler de naam "Fall Fritz" gewijzigd in Operatie Barbarossa.

In het voorjaar van 1941 negeerde Stalin alle aanwijzingen dat Duitse troepen zich verzamelden bij de Duits-Poolse grens. Hij voelde zich waarschijnlijk veilig vanwege het Duits-Russische anti-aanvalsverdrag. Bovendien wilde hij Hitler niet provoceren of dacht hij wellicht dat Hitler geen oorlog in het oosten zou starten, zolang Groot-Brittannië nog niet was verslagen. Stalin had ook vanuit Tokio een waarschuwing gekregen. Geheim agent Richard Sorge, lid van Die Rote Kapelle had gehoord van de Duitse inval in de Sovjet-Unie. Verder had de Rote Kapelle, die beschikte over het grootste spionage- en verzetsnetwerk in Duitsland en bezet Europa, informatie aan Moskou doorgespeeld.

Hoewel Stalin dacht dat Hitler geen oorlog in het oosten zou beginnen, barstte om 03:15 in de ochtend van zondag 22 juni 1941 de hel los. Operatie Barbarossa, de invasie van de Sovjet-Unie en de grootste militaire operatie ooit, was begonnen.

De Duitse troepenmacht bestond uit drie landmachtgroepen, legergroep Noord, legergroep Midden en legergroep Zuid, die bij elkaar 3.050.000 soldaten, 3.580 pantservoertuigen, 7.184 kanonnen, 600.000 motorvoertuigen, meer dan 600.000 paarden en 1.830 vliegtuigen telden.
Legergroep Noord, met 26 divisies de kleinste legergroep, stond onder het commando van Wilhelm Ritter von Leeb, terwijl de troepen van legergroep Zuid, opgedeeld in 43 divisies, werden aangevoerd door Gerd von Rundstedt. Fedor von Bock had de leiding over legergroep Midden, die bestond uit 47 divisies.

Tegenover deze grote, maar vooral mobiel sterke troepenmacht kon de Sovjet-Unie 158 divisies en 54 brigades bieden. Deze divisies waren over het algemeen zwak en ondermaats uitgerust, hetgeen in het voordeel van de Duitsers was. Jozef Stalin was volledig verrast. Hij had pas een invasie verwacht wanneer Groot-Brittannië zou zijn veroverd.

De Duitsers maakten aanvankelijk snel vorderingen en boekten veel successen. Zeventien dagen na het begin van de aanval had legergroep Midden al ruim 300.000 krijgsgevangen gemaakt. Na 46 dagen waren dit er al 850.000. Bovendien had de Luftwaffe in de eerste dagen van de operatie al ruim 3000 vliegtuigen vernietigd. Dit was bijna de helft van de luchtmacht van de Sovjet-Unie.

Enkele generaals wilden tegelijkertijd oprukken naar Moskou en Kiev, met Moskou als hoofddoel. Hitler was echter van mening dat Leningrad het hoofddoel moest zijn voor de Duitse troepen. Hitler bemoeide zich constant met de plannen van de Duitse generaals, wat het Duitse leger geen goed deed. Toch verliep de operatie aanvankelijk succesvol voor de Duitsers. Eind september waren Leningrad, Odessa en Sebastopol omsingeld. In december 1941 hadden de Duitsers al meer dan 3,5 miljoen krijgsgevangenen gemaakt en ruim vier miljoen Sovjetsoldaten gedood. De inmiddels zeer optimistische Duitse plannenmakers dachten dat ze bij het invallen van de winter in 1941 de lijn van Archangelsk in het noorden tot Astrachan in het zuiden zouden hebben bereikt. Nadat de Sovjet-Unie zich tijdens de herfst enigszins had hersteld, groeide de tegenstand echter en nam de snelheid van de Duitse opmars enigszins af. De Duitsers leden ook langzaam de eerste kleine nederlagen. Daarbij kwam dat de Sovjet-Unie beschikte over enorme reserves. Zes maanden na het begin van Operatie Barbarossa had het Rode Leger al 300 nieuwe divisies geformeerd.

[bewerken] Moskou, een stad te ver

Zie Operatie Typhoon voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Moskou tijdens de hoogtijdagen van de Duitse aanval.

Ondanks de grote successen bij onder andere Minsk, Smolensk en Kiev was het de Duitsers niet gelukt om de oorspronkelijke planning van Operatie Barbarossa te verwezenlijken. Aangenomen werd dat Moskou op 15 augustus zou zijn veroverd en dat op 1 oktober de Sovjet-Unie zich zou hebben overgegeven. Begin oktober waren zowel Leningrad als Moskou nog stevig in Russische handen. Moskou lag zelfs nog 300 km van de frontlinie verwijderd. Operatie Barbarossa had in september ernstige vertragingen opgelopen, maar desondanks was Hitler ervan overtuigd dat de Duitsers zouden zegevieren in de opmars naar de Russische hoofdstad.

Hitler had gruwelijke plannen met de Russische hoofdstad. De stad zou eerst in zijn geheel moeten worden omsingeld, maar in de linies moesten kleine openingen worden gelaten, zodat de burgers massaal naar het oosten konden vluchten. Zodoende zouden de burgers niet op Duitse kosten leven. Bovendien mocht de Wehrmacht geen overgave van Moskou accepteren. In plaats daarvan zou de stad van de aardbodem worden weggevaagd. Hitler wilde op de plaats waar Moskou lag een gigantisch reservoir laten bouwen.

De Duitse aanval op Moskou kreeg de codenaam Operatie Typhoon. Op 15 oktober werd de aanval op Moskou eindelijk ingezet. Het lukte een groot deel pantserdivisies om door de vijandelijke linies heen te breken en de hoofdmassa van het Rode Leger te omsingelen. Terwijl de Duitse infanteriedivisies deze eenheden langzaam vernietigden, probeerden de pantserdivisies door te stoten naar Moskou. Korte tijd leek het erop dat de stad snel zou vallen. De Sovjetregering begon al aan een gedeeltelijke evacuatie. Stalin zelf bleef in de stad om het bevel te kunnen voeren. Burgers die probeerden de stad te ontvluchten werden gearresteerd of neergeschoten. Maar het was eigenlijk al te laat voor een Duitse overwinning. Zoals altijd daalden eind oktober de temperaturen. De gebruikelijke hevige regenval, het water dat niet meer zou verdampen, zorgde ervoor dat het grotendeels onverharde wegennet in één grote modderbaan veranderde. De bevoorrading viel vrijwel stil en het Duitse offensief stokte zo'n honderd kilometer voor Moskou.

Tegen het einde van november viel de eerste vorst in. Het wegennet werd hierdoor weer beter begaanbaar en Hitler gaf het bevel het offensief te hervatten. De generaals ter plaatse drongen echter aan op een tactische terugval om zich weer te kunnen bevoorraden. Hitler was echter van mening dat men juist nú zou moeten doordrukken. Hitler dacht dat het Rode Leger op het punt van overgave stond. Ondertussen was de situatie van het Rode Leger aanzienlijk verbeterd. Er waren meer manschappen beschikbaar, maar belangrijker was de betere bewapening en uitstekende bevoorrading van de troepen. Alle beschikbare troepen in de regio hadden zich teruggetrokken tot bij Moskou. Waar de Sovjettroepen nu beschikten over een prima bevoorrading, was de Duitse bevoorrading van brandstof, munitie én voedsel kritiek. De Duitse opmars verliep daardoor erg traag. Het lukte de Duitsers niet om de stad te omsingelen, waardoor men besloot over te gaan tot een frontale aanval op de hoofdstad. In de eerste dagen van december waren de buitenwijken van Moskou bereikt.

Begin december, op het moment dat de Duitse troepen de buitenwijken van Moskou hadden ingenomen, deed de hevige kou zijn intrede. Doordat de Duitse smeerolie niet vloeibaar bleef bij een strenge vorst, werden alle kanonnen en voertuigen onbruikbaar. De soldaten groeven greppels in de grond om zich warm te houden, maar dat hielp hen niet veel. Het leger was immers niet voorzien van een speciale uitrusting voor een strenge winter. Het Rode Leger, wel goed uitgerust tegen de hevige kou, wist van de kritieke Duitse situatie en ging over tot een tegenoffensief. Generaal Georgi Zjoekov stuurde op 5 december meer dan honderdduizend soldaten op de onderkoelde Duitsers af. De generaals drongen aan op een tactische terugval, maar Hitler wilde van geen terugtrekken weten en gaf het bevel om stand te houden. Het Duitse leger werd echter al snel uit elkaar geslagen en moest zich terugtrekken zonder dat ze ook maar één voet in Moskou zelf hadden gezet. De operatie kwam ten einde en in plaats van een eclatante overwinning, werd Operatie Typhoon een van de beslissende nederlagen van de Duitsers in de oorlog, aangezien men zich nooit meer zou herstellen van het verloren materieel en troepen. Duitsland had niet de wapenindustrie ontwikkeld die gericht was op een langdurige oorlog. De volgende zomer werd het plan voor Operatie Typhoon definitief opgegeven.

[bewerken] Paulus neemt het 6e Leger over

Op 20 november 1941 werd Rostov, gelegen aan de Don, door het 1e Pantserleger, onder leiding van Generaal Ewald von Kleist, veroverd. Op 28 november lanceerde het Rode Leger een aanval ten noorden van Rostov, waarna ze Rostov weer moesten verlaten. Er waren geen troepen in de buurt om de flanken van de speerpunt te ondersteunen, waarna Gerd von Rundstedt, de opperbevelhebber van legergroep Zuid, toestemming van het OKH vroeg om het 1e Pantserleger terug te trekken tot over de rivier de Mjoes. Hitler geloofde niet dat Von Rundstedt te weinig troepen tot zijn beschikking had en gaf von Kleist geen toestemming tot terugtrekken. Gerd von Rundstedt was aangeslagen en wilde van zijn commando worden ontheven, zolang hij geen vertrouwen meer genoot van Hitler. Hitler onthief hem van zijn functie en stelde Walter von Reichenau, voormalig opperbevelhebber van het 6e leger, aan als vervanger. Generaal Friedrich Paulus, de man die had geholpen bij het ontwerpen van Operatie Barbarossa, kreeg het bevel over het 6e leger toegewezen. Paulus had nog nooit eerder het bevel gevoerd over een eenheid en had alleen ervaring als stafofficier. Hitler was niet zo enthousiast over de aanstelling van Paulus, maar hij stemde toch toe. Op 17 januari 1942 kwam Walther von Reichenau tijdens een vliegtuigcrash om het leven. Als vervanger werd Fedor von Bock aangesteld.

[bewerken] De Sovjet-Unie in het tweede oorlogsjaar

De oorlogshandelingen van de winter 1941-1942 hebben op het moreel van de Sovjetbevolking een gunstige uitwerking gehad. Leningrad en Moskou hadden het volgehouden, de Duitse troepen hadden zware verliezen geleden en het Rode Leger was erin geslaagd de vijand op verschillende plaatsen terug te drijven. De stemming in brede kringen, bij wijze van reactie op de doorstane angst en twijfels, neigde nu naar een al te groot optimisme.[1] Men zag over het hoofd dat het Russische tegenoffensief, en dan vooral in de centrale sector, zijn doelen niet had bereikt. De Duitsers hadden zich in hun egelstellingen staande weten te houden en hun aanvalskracht was nog lang niet gebroken. Daarbij kwamen dan nog de hooggespannen verwachtingen die men koesterde ten aanzien van het tweede front, dat in 1942 tot stand zou komen en die niet alleen van geallieerde zijde, maar ook door de eigen propagandamedia op een nauwelijks te verantwoorden manier werden aangewakkerd en op ondubbelzinnige wijze werden opgeschroefd.[1]

[bewerken] Propaganda

De Sovjetautoriteiten stonden voor de taak het zelfvertrouwen van de bevolking, in het belang van een maximale oorlogsinspanning, met alle beschikbare middelen te herstellen. Daarbij zijn ongetwijfeld belangrijke successen geboekt. De eerste staatslening, in een socialistische maatschappij beslist geen vanzelfsprekende zaak, leverde in het voorjaar van 1942 tien miljard roebel op.[1] Daarnaast moedigde men van hogerhand acties aan om ten behoeve van de oorlogvoering geld en extra werkkracht beschikbaar te stellen. Voornamelijk op de kolchozen werden geldinzamelingen gehouden voor de 'aankoop' van vliegtuigen en tanks, die dan namens het desbetreffende collectief aan het Rode Leger werden geschonken. Zulke acties werden door de pers in de Sovjet-Unie met veel ijver gepropageerd. In de industriële bedrijven werd in mei 1942 op initiatief van de metaalarbeiders van Koeznetsk een nationale wedstrijd in productiestijging georganiseerd, waaraan ook Siberische kolchozenboerderijen meededen en waarvan de resultaten steeds opnieuw in de publiciteit breedvoerig werden besproken.
De Communistische Partij ging aan de slag om leden te werven en haar macht opnieuw op te bouwen. De tegenslagen in de zomer van 1941 hadden het gezag van de partij soms tot het nulpunt doen dalen en het leek erop dat zij haar leidende rol, althans tijdelijk, niet zou kunnen waarmaken. Om haar greep op de bevolking weer te versterken, opende de Communistische Partij begin 1942 een grote wervingscampagne. De wervingscampagne bleek een groot succes. Het leverde ruim 1,3 miljoen extra leden op.[2] Tijdens deze wervingscampagne werden de nadruk gelegd op het werven van nieuwe aanhangers onder de officieren en manschappen van het Rode Leger en de Rode Vloot. Uit beide onderdelen van de krijgsmacht kwamen ongeveer 430.000 nieuwe leden.[2]

[bewerken] Oorlog en reorganisatie

Het was voor het optimistisch gestemde volk in de Sovjet-Unie een pijnlijke verrassing toen in het voorjaar bleek dat de Duitsers hun aanvalskracht in de winter niet hadden verloren. Bovendien kon men constateren dat het Rode Leger de ernstige gebreken, die in het eerste jaar ook al aan het licht waren gekomen, nog niet te boven was. Toen Erich von Manstein met zijn leger in het voorjaar een offensief richting het schiereiland Kertsj lanceerde, werden de gebreken van het Rode Leger bloot gelegd. Ze werden al snel teruggedreven door de Duitsers en moesten erg veel oorlogsmateriaal achterlaten. Het onderzoek naar deze 'ramp' bracht ernstige tekortkomingen aan het licht en de verantwoordelijke leiders werden onmiddellijk ontslagen.

Eind mei werd het publiek gealarmeerd door verontrustende berichten uit de frontsector bij Charkov, waar zelfs het officiële Tass-bericht 70.000 man als vermist opgaf.[2] De Duitsers wisten op verscheidene plaatsen diep door de vijandelijke linies te breken. De angstvallige pogingen van de Sovjetleiding om de ware omvang van de 'rampen' voor het eigen publiek te verbergen, hadden psychologisch een averechtse uitwerking. Zelfs nu nog bleven de regeringskringen en de pers de mening toegedaan dat er van Duitse zijde geen grootse offensieve acties in de Blitzkrieg stijl meer te verwachten waren. Mogelijk heeft de teleurstelling, ontstaan door het feit dat het tweede front in Europa was uitgebleven, de autoriteiten ertoe verleid een ietwat geforceerd zelfvertrouwen aan de dag te leggen.

Toen op 28 juni 1942 in de Koersk-Voronezj sector een nieuw Duits offensief losbarstte, bleek dat de bevolking wederom was voorgelogen. De krachten van de Wehrmacht waren weliswaar niet meer toereikend genoeg om het hele oostelijke front in beweging te brengen, maar een geconcentreerde aanval in het zuiden kon zij zich nog wel permitteren. Snel genoeg werd duidelijk dat de Blitzkrieg van het voorafgaande jaar met al zijn verschrikkingen nog niet over was.

Onder deze omstandigheden bleken de Sovjettroepen het met zoveel moeite herstelde moreel op slag weer te verliezen. Bij Rostov, de stad waar eind 1941 de overwinningsroes was begonnen, brak in juli 1942 bij het naderen van de Duitsers grote paniek uit. Deze paniek heerste zowel onder de soldaten als onder de burgerlijke en militaire leiding, die tot de nodige onaangename gevolgen zou leiden. Talrijke manschappen, officieren en zelfs een paar generaals werden wegens lafheid en ongehoorzaamheid geëxecuteerd en in de bevelvoering over de betrokken eenheden vonden vele mutaties plaats.[2] Intussen werd de terugtocht voortgezet. Pas in de Kaukasus en bij Stalingrad zou de vijandelijke opmars worden opgevangen. De bevolking van de door de Duitsers bezette streken, die getuige was geweest van het debacle, is waarschijnlijk daardoor gekomen tot een vriendelijke houding tegenover de Duitse bezetter. De collaboratie onder de Don- en Koebankozakken en onder verscheidene kleine volksgemeenschappen in Noord-Kaukasië had Stalin diep verontrust. Hij zag in dat er alles aan moest worden gedaan om het weerstandsvermogen van het leger en de natie te versterken. Om het officierskorps nauwer aan het Sovjetbewind te binden, verwezenlijkte men in oktober 1942 de eenheid van bevelvoering in het Rode Leger. De politieke commissarissen, die veelal als hinderlijke pottenkijkers werden gezien, kregen een officiersaanstelling en werden feitelijk de ondergeschikten van de commandant.[2] Bovendien herstelde men de vroegere militaire rangen, onderscheidingstekens en voorrechten, terwijl het prestige van de officieren ook door de invoering van nieuwe ordes en onderscheidingen werd verhoogd. Men herstelde zelfs de garde- en Kozakkenregimenten.

Het doelbewust aanknopen bij het nationale Russische verleden werd benadrukt door de vervanging van de Internationale door een nieuw volkslied, Sojoez neroesjimyj, met een uitgesproken Sovjetpatriottische tekst. Ondertussen werden ook de politie en de veiligheidsdienst grondig gereorganiseerd. Zaken betreffende verraad, spionage en aanverwante delicten werden toegewezen aan het nieuwe Departement van Staatsveiligheid (NKGB) en zijn direct gevreesde afdeling Smersj.[2] Het belangrijkste voor het herstel van het aangeslagen moreel was echter een groots opgezette propagandacampagne om de bevolking in nationale en anti-Duitse geest te (her)opvoeden.

[bewerken] Duits zomeroffensief in 1942

Zie Fall Blau voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

[bewerken] Het plan

Hitler stelde in maart 1942 vast dat Duitsland moest bereiken wat het in 1941 niet had kunnen bewerkstelligen, namelijk de Sovjet-Unie in één campagne verslaan. Door de deelname van Japan en de Verenigde Staten was het Europese conflict uitgegroeid tot een wereldconflict. De agrarische en economische mogelijkheden van de Sovjet-Unie zouden door Duitsland kunnen worden gebruikt om de Brits-Amerikaanse coalitie te kunnen verslaan. Op 5 april 1942 gaf Hitler in de Führerweisung 41 aan dat de Sovjet-Unie het beste in één campagne kon worden verslagen. Hij dacht dat te bereiken door haar legers in het zuiden te vernietigen en het land tegelijkertijd af te snijden van de oliebronnen van de Kaukasus. De Duitse legers moesten de Wolga oversteken ten noorden van Stalingrad. Hitler was zó bezeten van de olie in de Sovjet-Unie, dat hij vele andere dingen over het hoofd zag. Hij was ervan overtuigd dat hij de olie uit Maikop en Grozny nodig had om de oorlog te kunnen voortzetten. Het uiteindelijke doel was Bakoe, waar 80% van de olie in de Sovjet-Unie werd geproduceerd.

Evenals het plan voor Operatie Barbarossa, was de Führerweisung 41 in 1942 geen gedetailleerd operatieplan. Alleen de eerste fase van de operatie kwam aan bod. De Duitse legers moesten de Sovjettroepen in het zuiden ten westen van de Don in zogenaamde Kesselslachts vernietigen. Stalingrad was aanvankelijk geen formeel doel in de operatie plannen.
Fall Blau bestond uit drie fases. De eerste fase, Fall Blau, was een krachtige opmars oostwaarts vanuit de regio Koersk, door het 4 pantserleger en het 2e leger, in de richting van Voronezj. De tweede fase, Operatie Maus, was een aanval van Paulus' 6e leger ten zuiden van het ontstane speerpunt in de regio Koersk-Voronezj. Hij moest de oevers van de bovenloop van de Don veroveren en hij moest stroomafwaarts oprukken. In de 'Grote Donbocht' zou men de troepen van het Rode Leger omsingelen en vernietigen. In de derde fase, Operatie Siegfried, moesten het 1e pantserleger en het 17e leger in de richting van Rostov oprukken. Het 4e pantserleger zou samen met het 6e leger zuidoostwaarts langs de Don trekken en de Sovjettroepen vernietigen die door het 1e pantserleger en het 17e leger opgedreven werden. Hierna zouden de Duitsers ten noorden van Stalingrad de Wolga oversteken en hun volgende orders voor de Kaukasuscampagne ontvangen. Deze drie fases samen worden over het algemeen ook aangeduid als Fall Blau.

Net zoals Operatie Barbarossa begon het offensief relatief laat in het jaar. Pas op 28 juni 1942 lanceerden de Duitsers de aanval. Het Duitse leger had maar iets meer dan vier maanden de tijd om de beslissende overwinning te halen. In het zuiden wilde Hitler zowel het Rode Leger vernietigen als de olievelden in de Kaukasus veroveren. Hoewel zich in de Kaukasus in totaal 90% van de Russische olie bevond, was zij hier niet van afhankelijk. In de Oeral en ten oosten van de Kaspische Zee lagen eveneens grote olievelden. Desondanks zou het een zware klap zijn geweest voor de Sovjet-Unie, mochten deze velden in Duitse handen zijn gevallen.

Legergroep Zuid, onder leiding van Generaal-Veldmaarschalk Fedor von Bock, moest de Duitse aanval leidden. Met 1,3 miljoen manschappen moesten zij de aanval inzetten, terwijl legergroep Midden en legergroep Noord defensieve taken hadden. In 1942 waren de Duitsers al dusdanig verzwakt, dat ze hun drie legergroepen niet tegelijkertijd de aanval konden laten openen. Om de pantserdivisies van legergroep Zuid te versterkten werden de pantserdivisies van de andere twee legergroepen kaalgeplukt. De totale strijdmacht van legergroep Zuid bestond uit 74 Duitse divisies en 21 divisies van de bondgenoten.

[bewerken] De aanloop naar het offensief

[bewerken] Tweede Slag om Charkov

Pas klaargestoomde Sovjetsoldaten in 1941.
Zie Tweede slag om Charkov voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Het Sovjetopperbevel, de Stavka, besprak eind maart de strategie voor de zomercampagne. Georgi Zjoekov, plaatsvervangend opperbevelhebber van het Rode Leger, en Aleksandr Vasilevski, de Chef van de Generale Staf, waren voorstanders van een defensieve aanpak. Stalin was echter de mening toegedaan dat de Sovjettroepen offensieven moesten uitvoeren om zo de Duitsers uit te putten. Stalin onderschatte het enorme herstelvermogen van de Duitse legers. Maarschalk Semjon Timosjenko, opperbevelhebber van het Zuidwestelijke Front, stelde voor om een groot offensief te lanceren in de richting van Charkov om de stad en zijn directe omgeving te heroveren. Stalin, enigszins geprikkeld door de 'defensieve houding' van enkele belangrijke bevelhebbers, ging akkoord met dit voorstel. De Sovjettroepen hadden ten zuidoosten van Charkov een saillant in Duits gebied. Van hieruit zouden de Sovjet legers naar het noordwesten, in de richting van Charkov, oprukken. Ten noorden van Charkov zouden de Sovjettroepen in zuidwestelijke richting oprukken om nabij Charkov het 6e leger, onder leiding van Paulus, te omsingelen. Tegelijkertijd waren ook de Duitsers bezig met een plan voor een grootschalige operatie. Zij wilden in Operatie Fridericus de saillant van de Sovjet-Unie omsingelen en de troepen aldaar vernietigen. Vanuit het noorden zou Paulus' 6e leger zuidwaarts oprukken naar Von Kleists 1e pantserleger, dat noordwaarts trok.

Op 12 mei 1942 vielen de troepen van Timosjenko aan. Op 14 mei leek de Sovjet-Unie af te stevenen op een grote overwinning, indien Timosjenko's pantserreserves een tactisch succes in een operationele overwinning konden omzetten. Timosjenko liet de kans echter voorbijgaan en liet zijn pantserreserves buiten het gevecht. De Duitsers waren aanvankelijk verrast door het Sovjetoffensief, maar zij anticipeerden vrij snel op de ontstane situatie. Het Duitse plan, Operatie Fidericus, werd vervroegd gelanceerd en na een reeks verkeerde inschattingen van de Sovjet leiding, wisten de Duitsers de drie Sovjetlegers te omsingelen. De Sovjets beten fel van zich af, maar leden desondanks flinke verliezen. Het totale verlies aan manschappen lag rond de 75.000 doden en 240.000 krijgsgevangenen.

[bewerken] De Krim

Als inleiding voor Fall Blau gaf Hitler het Duitse leger de opdracht om de Krim te veroveren. In Führerweisung 43 had hij het plan hiervoor omschreven. De Sovjetposities op de Krim waren sterk, maar niet onneembaar. Aan de westelijke zijde van het Oostfront was Sebastopol met zijn enorme forten en zware geschut nog niet veroverd en aan de oostelijke zijde van het front hadden de Sovjets een sterke verdedigingsstelling opgetrokken op het schiereiland Kertsj. Erich von Manstein, opperbevelhebber van het 11e leger, kreeg op 8 mei 1942 het bevel om in Operatie Trappenjagd het schiereiland Kertsj te veroveren. Het Rode Leger leed, dankzij een goede samenwerking tussen de Duitse grondtroepen en de Luftwaffe, enorme verliezen. De evacuatie van de Sovjettroepen door de straat van Kertsj had een bloedige afloop. Nadat Kertsj was ingenomen, richtte Von Manstein zijn troepen op de belegering van Sebastopol. De codenaam voor deze belegering was Operatie Störfang. Het garnizoen in Sebastopol stond onder leiding van kolonel-generaal Ivan Petrov. Het garnizoen vocht verbeten terug en wist de Duitsers lange tijd tegen te houden. Toch wist Von Manstein op 3 juli, na een zwaar bombardement, de stad te veroveren. In totaal waren er op de Krim al meer dan 100.000 Sovjetsoldaten gedood of krijgsgevangen gemaakt. Na de grote Duitse zegetocht op de Krim, werd Von Manstein bevorderd tot generaal-veldmaarschalk. De bedoeling was dat Von Manstein met zijn 11e leger nu via de straat van Kertsj naar Koeban zou trekken, maar Hitler gaf het bevel dat het naar Leningrad in het noorden moest trekken, om aldaar de belegering ten einde te brengen.

[bewerken] Het Duitse zomeroffensief

Sovjettroepen in de ruïnes van Stalingrad.

Een vliegtuigongeluk achter de Sovjetlinies van Majoor Reichel, bracht op 19 juni het Duitse plan nog in gevaar. Bij het vliegtuigongeluk kwamen de documenten van de chef-staf van de 23e pantserdivisie in handen van de Sovjets. In de documenten stonden de plannen voor Fall Blau. Stalin, die de documenten vrij snel in handen had, geloofde echter niet dat ze echt waren. Hij was ervan overtuigd dat de Duitsers een groot offensief in de regio Moskou zouden lanceren. Hitler was woedend, maar Operatie Kremel, het Duitse dwaalspoor dat Stalin ervan moest overtuigen dat de regio Moskou wederom het hoofddoel was, was geslaagd. Het Rode Leger had de meeste en best uitgeruste troepen nabij Moskou gestationeerd. Stalin en de opperbevelhebbers rekenden niet op een aanval in het zuiden, waar minder troepen waren gestationeerd.

Op 28 juni 1942 barstte het zomeroffensief lost. Met grote steun vanuit de lucht viel Hermann Hoths 4e pantserleger aan. Het eerste doel was de vernietiging van het 13e en 40e leger van het Brjansk Front, onder leiding van generaal Golikov. Paulus' 6e leger, welke het Zuidwestelijke Front aanviel, startte op 30 juni aan het offensief. Ondertussen was het 40e leger dusdanig verzwakt, dat alleen een terugtrekking nog uitkomst zou bieden. Stalin weigerde een terugtocht van het in elkaar stortende 40e leger. Hij stuurde wel enkele tankkorpsen naar het Brjansk Front, maar gaf Golikov niet het bevel over deze troepen. Doordat Stalin te ongeduldig was, werden deze reserves op chaotische wijze ingezet. Op 1 juli trok het Duitse 2e leger, onder leiding van Maximilian von Weichs, zuidwaarts om nabij Stary Oskol contact te maken met het 6e leger. Door de taaie weerstand van het Rode Leger, wist een meerderheid van het 40e leger oostwaarts te ontsnappen voordat de omsingeling was voltooid.

[bewerken] Voronezj, de eerste fase

Voronezj was, vanwege het feit dat het een belangrijk wegen- en spoorlijnknooppunt was, van groot belang voor het slagen van de eerste fase van Fall Blau. Hitler was echter van mening dat, mocht Voronezj niet snel worden veroverd, men om de stad moest heen trekken. Hitler achtte het van groot belang dat het Duitse 4e pantserleger geen vertraging zou oplopen tijdens zijn opmars. Fedor von Bock meldde Hitler dat de stad slechts licht werd verdedigd en eenvoudig kon worden veroverd. Hitler gaf toestemming om de stad eerst in te nemen, indien Von Bock onmiddellijk het 40e Pantserkorps naar het zuiden dirigeerde en de rest van het 4e pantserleger er zo snel mogelijk achteraan zou sturen. Toen de Duitsers de stad trachtten in te nemen, bleek de weerstand heviger dan gedacht, het Rode leger moest uiteindelijk pas op 9 juli de stad prijsgeven.

[bewerken] Wijziging van het plan

In het originele plan stond dat het 4e pantserleger zuidoostwaarts langs de Don zou trekken en troepen van het Rode Leger vernietigen die door het 1e pantserleger en het 17e leger werden opgedreven. Deze zogenaamde "Kesselschlacht" leverde 'slechts' 40.000 krijgsgevangenen op, doordat het Zuidwestelijke Front en het Zuidelijke Front nog net op tijd wisten te ontkomen. Hitler werd steeds ongeduldiger door het uitstel, dat in wezen zijn eigen schuld was. Het belangrijkste onderdeel van Fall Blau was een snelle opmars van het 4e pantserleger en het 6e leger naar Stalingrad. Hier zouden ze de terugtocht van Timosjenko’s troepen moeten afsnijden en na een omsingeling zouden ze deze troepen moeten vernietigen. Daarna zou de aanval op de Kaukasus en Rostov worden ingezet. Maar Hitler vond de opmars naar de Kaukasus zo belangrijk, dat hij besloot beide operaties tegelijkertijd te laten uitvoeren. Daarom besloot Hitler legergroep Zuid half juli in tweeën op te splitsen. Fedor von Bock was het hier niet mee eens en liet zijn ongenoegen blijken. Hij werd, mede door zijn fouten bij Voronezj en mede door zijn commentaar, ontslagen door Hitler.

[bewerken] De splitsing van legergroep Zuid

Door de splitsing van legergroep Zuid, ontstonden legergroep A en legergroep B. Legergroep A, onder leiding van Wilhelm List, moest Rostov veroveren. Legergroep B, onder leiding van Von Weichs, de opvolger van Von Bock, daarentegen kreeg de opdracht om naar het oosten op te rukken en de Wolga over te steken. De meeste Duitse generaals waren volkomen verbaasd, aangezien er niet voldoende middelen beschikbaar waren om deze twee doelen tegelijkertijd uit te voeren. Naast dit aspect was het 6e leger al beroofd van haar grootste stootkracht. Het 40e pantserkorps was haar ontnomen, zodat de opmars aanzienlijk werd vertraagd. Op 16 juli kreeg het 4e pantserleger het bevel om naar het zuiden af te buigen. Het pantserleger kruiste daardoor het pad van het 6e leger, waarna er een grote chaos ontstond. Troepen van het ene leger vermengden zich met troepen van het andere leger. Er ontstonden enorme verkeersopstoppingen, wat de opmars nogmaals fors vertraagde. Bevoorradingsvoertuigen raakten verdwaald dankzij tegenstrijdige aanwijzingen van verschillende commandanten. In de chaos nam het 4e pantserleger bovendien het grootste deel van de brandstof mee die deels voor het 6e leger was bestemd. Eenmaal in de Kaukasus aangekomen wist het 4e pantserleger het 1e pantserleger te ondersteunen bij een aanval op Rostov en daar een grote omsingeling te bewerkstelligen. Hoewel de omsingeling niet in zijn geheel was geslaagd, werd Rostov toch vrij snel, op 23 juli, veroverd door het 1e pantserleger. Met de verplaatsing van het 4e pantserleger, was legergroep B beroofd van haar tanks. Het 6e leger, onder leiding van Paulus, bestond grotendeels uit infanterie en stond nu alleen naar de opmars naar de Wolga. Waar men met behulp van tanks het in chaos verkerende Zuidwestelijk Front zou hebben kunnen vernietigen, was het nu onmogelijk. Tevens was de kans op een snelle doorstoot naar Stalingrad verkeken, waardoor men in Stalingrad de tijd kreeg om een verdedigingsnetwerk te organiseren. Doordat het 4e pantserleger teveel brandstof had meegenomen, waaronder een deel van het 6e leger, kampten de troepen van Paulus met bevoorradingsproblemen. Doordat legergroep A en B van elkaar wegtrokken, werden de afzonderlijke aanvoerlijnen te lang. Door de Duitse vertraging kreeg het Rode Leger de mogelijkheid om nog eens drie legers naar de Donbocht te sturen. Nadat Rostov op 23 juli in Duitse handen was gevallen, vaardigde Hitler Führerweisung 45 uit. Hierin beschreef hij het plan voor Operatie Braunschweig, het vervolg op Fall Blau. Hij verklaarde officieel dat de doelen van Fall Blau waren bereikt. Legergroep A moest de Kaukasische olievelden, de Zwarte Zeekust en uiteindelijk Bakoe moeten veroveren. Legergroep B zou langs de Wolga in de richting van Astrachan en de Kaspische Zee moest oprukken.
Tegen het einde van juli klaagde opperbevelhebber van legergroep B, Von Weichs, en opperbevelhebber van het 6e leger, Paulus, bij Hitlers adjudant dat het 6e leger te zwak was om alle aanvallen te weerstaan. Hitler besloot daartoe op 30 juli om het 4e pantserleger weer terug naar het noorden te sturen. Naast de lange trip vanuit de Kaukasus, kampte het 4e pantserleger ook met brandstofgebrek, waardoor de aansluiting bij het 6e leger slechts langzaam tot stand kwam.

[bewerken] Situatie van Stalingrad

Toen het Duitse zomeroffensief eind juli haar hoogtepunt bereikte, doemde voor de oostwaarts oprukkende troepen de stad Stalingrad op. Generaal von Bock had als doel deze stad in te nemen, omdat de verovering van Stalingrad voor Hitler om verschillende redenen van groot belang was. Het was een belangrijke industriestad aan de oever van de Wolga en een belangrijke transportroute vanaf de Kaspische Zee naar Noord-Rusland, waar vrij veel oorlogsmateriaal werd geproduceerd. Wanneer de Duitsers deze stad konden innemen, zou de oorlogsproductie aan Sovjetzijde drastisch worden verlaagd, terwijl de Duitsers er een industriestad bij kregen. Bovendien zou de inname van Stalingrad de linkerflank van de Duitse legers in de Kaukasus afdekken en de Sovjettroepen ten zuiden van de Wolga afsnijden van de rest van het land. Stalin had deze stad naar zichzelf laten noemen. Voor beide partijen stonden er dus grote strategische en propagandistische belangen op het spel. Zowel Stalin als Hitler wilden tegen elke prijs deze stad in handen houden of krijgen, waardoor er uiteindelijk een grote strijd losbarste.

[bewerken] De Sovjetverdediging

Ondanks alle vertragingen verliep het offensief voor de Duitsers toch nog vrij succesvol. Na de eenvoudige inname van Rostov, brak er paniek uit onder de bevolking. Wanneer het Sovjetleger zich moest terugtrekken, nam de discipline sterk af. Zo werden er steeds vaker wapens en uitrusting achter gelaten, terwijl de soldaten liever zichzelf verwondden dan tegen de Duitsers te vechten. De officieren en commandanten konden nauwelijks meer invloed uitoefenen op de troepen, wat een chaos tot gevolg had. Dit had allemaal een negatieve werking op het Sovjetmoreel.
Op 28 juli kwam Stalin daarom met Order 227, beter bekend als 'Geen stap terug!' (Ni sjagoe nazad!) om de ineenstorting van het moreel een halt toe te roepen. Dit bevel werd uitgevoerd op het moment dat er een acute crisis was ontstaan. Stalin wilde vanaf toen niets meer van terugtrekking weten en wie dat wél deed, liep kans op een standrechtelijke executie of plaatsing in een strafbataljon, een sjtrafbat. Ook moesten er zogenaamde versperringstroepen worden gevormd in het Rode Leger. Deze moesten paniek en desertie voorkomen en ervoor zorgen dat de soldaten bleven vechten. Ze werkten nauw samen met de NKVD, het Volkscommissariaat voor Binnenlandse Zaken (de geheime politie), die hetzelfde soort werk verrichtte. De strafbataljons moesten gevaarlijke taken uitvoeren, zoals expedities achter vijandelijke linies, of soms gewoon in de achterhoede wachtlopen, terwijl aan het front een groot tekort was aan manschappen. Op 29 oktober werden de strafbataljons vanwege de enorme tekorten opgeheven, maar de NKVD ging gewoon door met het opsporen van iedereen die van plichtsverzuim of lafheid werd beticht. De schatting is dat er ongeveer 23.000 soldaten gedurende de Slag om Stalingrad door de NKVD werden geëxecuteerd, vanwege het feit dat ze zich niet aan Order 227 hielden.

Op 12 juli kwam het Stalingrad Front tot stand. Dit front stond onder bevel van Maarschalk Semjon Timosjenko. Het Stalingrad Front moest een frontlijn van 350 kilometer verdedigen en het bestond uit drie legers. Het 63e leger, onder leiding van luitenant-generaal Koeznetsov, was gevestigd ten noordwesten van Stalingrad, terwijl het 62e leger, onder leiding van generaal-majoor Kolpaktsji, zich ten westen van de stad had ingegraven. In het zuidwesten had luitenant-generaal Vasili Tsjoejkov de leiding over het 64e leger. De sterkte van deze drie legers was echter gering. Samen hadden ze de beschikking over 200.000 soldaten, terwijl het Duitse 6e leger, onder leiding van Friedrich Paulus, de beschikking had over ruim 300.000 soldaten.

Op 23 juli wist het Duitse 6e leger tot de rechterflank van het 62e leger door te dringen. Het Russische opperbevel, de Stavka, had gehoopt de Duitsers ten westen van de Don te kunnen bestrijden, maar het Sovjetfront was te zwak. Op 25 juli werd ook het 64e leger aangevallen. Voor de ogen van de Duitsers slaagden troepen van het 64e Leger er nog in de cruciale brug over de Don bij Nizjne-Tsjirskaja op te blazen. Veel van de Sovjettroepen, voornamelijk van het 62e en 64e leger, waren erin geslaagd over de Don naar het Oosten te vluchten en er werden maar weinig soldaten krijgsgevangen genomen.

Doordat de Sovjetlegers tijdens de eerste Duitse aanval gedeeltelijk uit elkaar waren geslagen, besloot Stalin al op 23 juli, de dag waarop het Duitse zesde leger tot de flank van het 62e leger doordrong, tot een tweede reorganisatie in korte tijd. Het Stalingrad Front werd in tweeën gesplitst, namelijk het noordelijke deel en het zuidelijke deel. Het noordelijke deel, het nieuwe Stalingrad Front, kwam onder bevel te staan van luitenant-generaal Vasily Gordov. Het zuidelijke deel, het nieuwe Zuidoostelijke Front, kwam op 7 augustus onder bevel te staan van kolonel-generaal Andrei Jeremenko. Jeremenko was het met Stalin oneens over de splitsing van het front midden in de stad. Jeremenko was van mening dat één front in de stad moest zijn genesteld, maar Stalin had de stad in tweeën opgesplitst en wilde hier niets van weten. Dit leidde ertoe dat het Zuidoostelijke Front het zuidelijke deel van Stalingrad controleerde, terwijl het Stalingrad Front het noordelijke deel onder haar hoede had. Jeremenko was van mening dat dit niet efficiënt was en verzocht Stalin hem het bevel over beide fronten te geven. Stalin weigerde aanvankelijk, maar na aandringen van Jeremenko keurde hij diens plan op 12 augustus alsnog goed. Gordov werd nu Jeremenko’s plaatsvervanger, waarna Jeremenko het bevel kreeg over beide fronten.

Na de hervormingen van de twee fronten in de stad, bleek al snel dat de Duitsers met grote stappen richting Stalingrad kwamen. Het zou niet lang meer duren, voordat de Duitse aanval op de stad zou worden ingezet. Al tegen het einde van juli, toen duidelijk werd dat de Duitsers de stad wilden innemen, werd besloten dat hoogbejaarden en moeders met jonge kinderen over de Wolga geëvacueerd zouden worden. Velen van hen wilden echter niet uit de stad weg. De bejaarden waren meestal te gehecht aan hun stad, terwijl de moeders bang waren dat ze hun kinderen, eenmaal gescheiden van de rest van hun familie, nooit meer terug zouden vinden.
Voor de autoriteiten was het een bron van grote zorg, wat er met hen moest gebeuren als ze eenmaal de grote rivier waren overgestoken. Op de kale steppe op de oostelijke oever was over een grote afstand geen rivier of stad te bekennen. Toch werden ze geëvacueerd, zodat ze de Sovjettroepen niet voor de voeten zouden lopen tijdens de verdediging.

Alles wat tijdens de verdediging van de stad van pas zou kunnen komen, werd verzameld en in gebruik genomen. Door de hele stad werden barricades opgeworpen. Tevens werden alle beschikbare mannen en vrouwen tussen 16 en 35 jaar gemobiliseerd. Alleen arbeiders uit de essentiële bedrijven (bedrijven die zich met oorlogsindustrie bezighielden), werden niet gemobiliseerd, aangezien de oorlogsproductie door moest gaan. De gemobiliseerde troepen werden onderverdeeld in werkbataljons. Deze bataljons stonden onder leiding van militaire commandanten. In totaal werden ongeveer 200.000 burgers gemobiliseerd om antitankgrachten en tankvallen rondom de stad te graven. In eerste instantie werden ze geholpen door soldaten van het 62e leger, maar die weigerden dit na verloop van tijd, aangezien ze liever met hun kameraden meevochten dan in de stad kuilen te graven. Daarom werd er al snel besloten dat de scholen moesten worden gesloten en alle studenten en leerlingen boven de twaalf jaar moesten aan de slag. Ze werden voornamelijk ingezet om wallen van aarde te bouwen rondom de olieopslagtanks aan de oever van de Wolga. Het luchtafweergeschut van de stad werd eveneens bediend door deze kinderen of door jonge vrouwen.

Dit type oorlogvoering lag het Rode Leger beter. In deze fase van de oorlog was het Rode Leger nog minder geschikt voor mobiele oorlogvoering dan het Duitse Leger. Strijd binnen een groot stedelijk gebied, dat door korte vuurgevechten en artillerie zou worden gedomineerd en niet door gemotoriseerde- en pantsereenheden, leek in het voordeel van de Sovjettroepen, omdat hierbij hun technische tekortkomingen t.o.v. het Duitse leger niet zo opvielen.

[bewerken] Duitse opmars naar de stad

Op 19 augustus werd het bevel gegeven om Stalingrad aan te vallen en twee dagen later werd de Don overgestoken. Op 23 augustus lieten de Duitsers de Don definitief achter zich en rukten ze over de Steppe op naar Stalingrad. Er werd tot aan de stad weinig weerstand geboden. Aan het einde van de middag was een Duits speerpunt doorgedrongen tot in de buitenwijken van de stad. Zij zagen een enorme vloot van Heinkel 111 en Junkers 88 bommenwerpers overvliegen in de richting van Stalingrad. De Slag om Stalingrad was begonnen.

[bewerken] Het begin van de slag

[bewerken] Het bombardement

Diezelfde middag nog begon de Luftwaffe met een enorm bombardement op de stad. Het zou het zwaarste bombardement uit de Tweede Wereldoorlog aan het Oostfront worden. De Luftwaffe voerde meer dan 2.000 vluchten boven de stad uit. Het belangrijkste doel van het bombardement was om paniek te zaaien onder de bevolking. Alleen woon- en kantoorwijken werden gebombardeerd, aangezien de Duitsers hoopten de fabrieken na de inname van de stad zelf te kunnen gebruiken. Na enkele weken werd er echter geen onderscheid meer gemaakt. De stad moest hoe dan ook worden veroverd, met of zonder fabrieken.
De houten huizen aan de westelijke zijde van de stad werden door middel van brandbommen vernietigd. Ook de grote olieopslagtanks aan de oever van de Wolga werden geraakt, waardoor er een grote hoeveelheid olie in de Wolga stroomde. Er ontstond, mede door de stroming, een grote vlammenzee op de Wolga, waardoor het leek of de rivier zelf in brand stond. Door de dichte, zwarte rook en het stof boven de stad, was de zon bijna geheel verduisterd. Tijdens het bombardement en in de daarop volgende week kwamen ongeveer 40.000 burgers om het leven.

[bewerken] De eerste gevechten bij de stad

In augustus werd het commando over het 62e leger overgenomen door luitenant-generaal Alexandr Lopatin. Het leger was in augustus teruggedreven naar het midden van Stalingrad. In de zuidelijke voorsteden lag het 64e leger, dat aanvankelijk onder bevel van Tsjoejkov stond, maar nu was overgenomen door luitenant-generaal Mikhail Shumilov.

De eerste Duitse eenheid die de Wolga bereikte was een speerpunt van de 16e pantserdivisie, die de rivier bereikte bij de noordelijke buitenwijken van Stalingrad. Ze ondervonden veel tegenstand van met name batterijen luchtafweergeschut. Aanvankelijk waren de Duitsers verrast, maar na korte tijd gingen ze alweer over tot de aanval. Nog diezelfde avond werden de laatste vijandelijke kanonnen vernietigd, die tot ontzetting van de Duitse tankbemanningen veelal werden bediend door vrouwen.

Nadat de Duitsers een bres in de Sovjetlinies hadden geslagen, was de chaos aan de Sovjetzijde groot. Toen de voorste Duitse troepen de Wolga bereikten, gaven de commandanten van het Rode Leger bevel de pontonbruggen over de Wolga te vernietigen, uit angst dat de Duitse tanks een bruggenhoofd aan de Oostelijke rivieroever zouden vormen.
Stalin, die in woede ontstak, nadat hij het bericht binnenkreeg dat de Duitsers de Wolga hadden bereikt, verbood verdere evacuatie van de burgers uit de stad. De stad moest door iedereen die nog aanwezig was tot het bittere einde worden verdedigd. Stalin was van mening dat de Sovjettroepen harder wilden vechten voor een 'bewoonde' dan voor een 'dode' stad. Zelfs de fabrieksarbeiders die niet rechtstreeks betrokken waren bij de productie van wapens werden gemobiliseerd in Speciale Brigades. Deze brigades kregen amper wapens toegedeeld, maar werden toch ingezet tegen Duitse tanks. De arbeiders in de tractorfabriek waren overgegaan op de bouw van de T-34 tank. Nog voordat de T-34’s geschilderd waren, werden ze de strijd ingestuurd. Vaak kwamen ze rechtstreeks vanuit de fabriek en werden ze meestal bemand door de arbeiders die zojuist de tank hadden gefabriceerd.

Na enige dagen veranderde Stalin zijn visie enigszins en kregen burgers alsnog toestemming om, op door de NKVD gevorderde schepen, de Wolga over te steken. Veel schepen waren echter niet beschikbaar voor de evacuatie doordat de meeste werden gebruikt voor het aanvoeren van munitie en extra troepen en voor het afvoeren van gewonden. Daarbij kwam het feit dat vanuit de lucht en door artillerie vanaf de oever de schepen hevig werden bestookt, waardoor er vele verloren gingen.

[bewerken] Tsjoejkov neemt het bevel over

Lopatin, bevelhebber van het 64e leger in Stalingrad, was niet meer tegen de situatie opgewassen. Hij was steeds pessimistischer geworden door de superieure Duitse troepen die snel oprukten. Zodoende begon hij zonder bevel zijn eenheden terug te trekken, iets wat Stalin absoluut verboden had. Andrei Jeremenko en Nikita Chroesjtsjov, de politieke commissaris van het Stalingrad Front, lieten hem op 3 september uit zijn functie ontheffen. Luitenant-generaal Vasily Tsjoejkov werd op 12 september aangesteld als vervanger voor Lopatin. Hij constateerde snel dat de situatie van het leger beroerd was. Er waren ongeveer 20.000 man en minder dan 60 tanks beschikbaar.

Tsjoejkov had besloten zijn hoofdkwartier op de Mamajev Koergan, de Tataarse grafheuvel in Stalingrad, te vestigen. Hij wilde op 14 september een offensief beginnen om de kwetsbare aanlegsteigers beter te kunnen beschermen. Deze waren van vitaal belang voor de bevoorrading van het leger. Het Rode Leger wilde volgens plan in de middag een offensief starten, maar de Duitsers lanceerden al in de morgen van 14 september een aanval. Deze aanval was gericht op de Mamayev Kurgan, waar Tsjoejkov's hoofdkwartier zich bevond. Tsjoejkov had geen contact meer met zijn troepen en vertrok later die dag samen met zijn staf naar de Tsaritsyn-bunker, welke was gevestigd bij de plaats waar de rivier de Tsaritsa uitmondt in de Wolga.

Tegen de avond van 14 september berichtten Jeremenko en Tsjoejkov dat het 13e Garde-Jagerdivisie van generaal-majoor Alexandr Rodimtsev het 62e leger zou versterken. Deze divisie was goed uitgerust en was compleet. De divisie bestond uit ongeveer 10.000 man. Er kwam echter slecht nieuws voor de Sovjets. De Duitsers rukten op in de richting van station Stalingrad-1. Als dit zou worden veroverd door de Duitsers, bestond er groot gevaar dat ze de aanlegsteigers al zouden hebben veroverd, alvorens de 13e Garde-Jagerdivisie gearriveerd was. In de vroege ochtend van 15 september slaagde het grootste deel van de divisie erin de rivier over te steken. Ze waren net op tijd, aangezien de Duitsers niet veel later het offensief heropenden. Bij het station Stalingrad-1 vocht de divisie tegen de Duitse 71e infanteriedivisie. Het station wisselde diezelfde dag vier keer van bezetter, maar 's avonds waren het de Sovjets die het station langere tijd in handen wisten te nemen. Tevens werd er de hele dag hevig gevochten om de Mamayev Kurgan, welke op stafkaarten beter bekend stond als ‘Hoogte 102’. Op 17 september woedden er wederom hevige gevechten rond het station.

Straatgevechten in Stalingrad.

In de buurt van het centrum, aan een belangrijke doorgangsweg richting de Wolga, hield een peloton van het 42e Garderegiment een flatgebouw bezet onder leiding van sergeant Yakov Pavlov. Door de Duitsers met anti-tankgeweren, mortieren en machinegeweren te bestoken, wisten zij het 58 dagen lang vol te houden tegen een enorme Duitse overmacht.
In het zuiden van de stad, nabij de graansilo, vonden ook hevige gevechten plaats. Dagenlang wisten 48 Sovjetsoldaten in de graansilo stand te houden tegen een Duitse overmacht. Desondanks wisten de Duitsers de graansilo op 22 september te veroveren. Dergelijke gevechten tegen kleine eenheden kostten de Duitse troepen heel erg veel tijd en manschappen. Bovendien verslechterde het moreel van de Duitse troepen hierdoor aanzienlijk.

De commandopost van Tsjoejkov was ondertussen te gevaarlijk geworden om nog in te verblijven, aangezien de Duitsers deze constant onder vuur hielden. De legerstaf stak de rivier over om verder noordelijk weer naar de westelijke oever terug te keren. Hij vestigde zijn hoofdkwartier onder een paar olietanks, welke 500 meter ten zuidoosten van de kanonnenfabriek lagen. Al vrij snel na de aankomst bleek dat veel hoge stafofficieren waren gedeserteerd. Op 18 september viel het station Stalingrad-1 definitief in Duitse handen. Er waren geen reserves meer beschikbaar om het station te heroveren en de 13e Garde-Jagerdivisie was in een paar dagen tijd vrijwel geheel vernietigd.

Ten zuiden van Stalingrad hadden de Duitsers ook al de Wolga bereikt. Ze hadden een bres geslagen in de verdedigingslinie waar het 62e en 64e leger bij elkaar kwamen. De omsingeling van de westoever van Stalingrad was hiermee nagenoeg compleet. Alleen over de ruim anderhalve kilometer brede Wolga konden nu nog voorraden voor de Sovjettroepen aan de westelijke oever worden aangevoerd. De situatie van het 62e leger was zeer kritiek. Er was weinig hoop dat het leger kon standhouden tegen de sterke Duitse troepen. Jeremenko probeerde nog met een aanval uit het noorden de druk op het 62e Leger te verlichten, maar deze liep uit op een mislukking.

[bewerken] De strijd verplaatst zich naar het noorden

Doordat Tsjoejkov zijn hoofdkwartier had verplaatst, steeg het moreel bij de Sovjettroepen. Het middelpunt van de slag verplaatste zich namelijk langzaam naar het noordelijke deel van de stad. Het zuiden en midden van de stad konden niet meer worden behouden door de Sovjettroepen. Op 22 september, ruim één maand na het begin van de slag, begon de laatste fase van de strijd in het zuidelijke deel van de stad. De Duitsers hadden aldaar de aanlegsteiger veroverd en op een paar verzetsgroepjes na was alleen het noorden van de stad nog in handen van het Rode Leger.

Hoewel de Sovjets constant nederlagen leden, leverde de strijd in de stad ook voor de Duitsers niet het gewenste resultaat op. Franz Halder, de Chef van de Generale Staf van de grondtroepen, legde in een gesprek met Hitler de nadruk op de zwakke flanken van het Duitse 6e leger. Hitler wilde hier niets van weten en liet Halder vervangen door Kurt Zeitzler. Zeitzler was het constant met Hitler eens. Door het ontslag van Halder was er niemand meer nabij Hitler die tegen hem in durfde te gaan, wanneer het gesprek over Stalingrad ging.

[bewerken] De strijd om de fabrieken

Stalin voerde op 28 september opnieuw een grondige wijziging door in het commando. Jeremenko's Zuid-Oost Front werd omgedoopt in het Stalingrad Front onder bevel van Gordov, terwijl Gordovs Stalingrad Front werd vervangen door het Don front onder commando van luitenant-generaal Konstantin Rokossovsky.

De strijd in de stad was ondertussen naar het noorden verplaatst, waardoor de Russische oorlogsfabrieken in gevaar kwamen. De strijd in en rondom de fabrieken bestond uit gruwelijke man-tegen-man gevechten. De Duitse tanks waren vrijwel nutteloos in de straatgevechten en ze konden bovendien snel worden uitgeschakeld door de infanterietroepen. Alvorens de Duitse grondtroepen de omgeving van de fabrieken aanvielen, lieten ze de Luftwaffe het gebied zwaar bombarderen. De grote puinhoop, welke was ontstaan door het bombardement, bleek in het voordeel van de verdedigende partij. De Sovjettroepen konden zich prima verschansen tussen het puin, waardoor de Duitse opmars werd vertraagd en later zelfs tot stilstand werd gebracht. De Duitsers konden hun Blitzkrieg-tactiek niet meer uitvoeren in de stad en wisten niet goed hoe ze met de nieuwe omstandigheden om moesten gaan.

Doordat de Sovjets stand konden houden in Stalingrad, konden ze zich in het achterland gaan versterken. De Russische luchtmacht werd aanzienlijk verbeterd. De U-2’s, bij de Duitsers bekend als Naaimachines (vanwege het karakteristieke geluid van hun kleine motoren), bombardeerde iedere nacht de Duitse stellingen in en rondom Stalingrad. Bovendien kreeg het Rode Leger de beschikking over de nieuwe Yak-1’s en Yak 9’s. Deze nieuwe modellen gingen de strijd aan met de Luftwaffe om de heerschappij in de lucht.

Eind september leek een Duitse overwinning slechts een kwestie van tijd. Friedrich Paulus gaf het bevel om de laatste bolwerken van de Sovjets aan te vallen. De 24e pantserdivisie de 389e infanteriedivisie wisten de arbeiderswijken, waarin de drie grote fabrieken stonden, te veroveren. Samen met de 24e pantserdivisie, viel de 389e infanteriedivisie de tractorfabriek aan. Nadat de fabriek was veroverd, keerde de pantsertroepen weer richting het zuiden, waar de chemische fabriek zich bevond. De 24e pantserdivisie had hier wel een hoge prijs voor betaald, aangezien ruim de helft van de divisie was vernietigd. De 389e infanteriedivisie vocht zich ondertussen een weg door de tractorfabriek en viel vervolgens de kanonnenfabriek aan. Dit echter zonder groot succes. De Sovjets konden stand houden en de Duitsers zelfs tijdelijk terugdrijven.

[bewerken] Het Rode Leger houdt stand

Op 8 oktober meldden vertegenwoordigers van het 62e leger dat het moreel van de troepen was gestegen en er minder soldaten deserteerden. Dit kwam vooral door de harde hand waarmee de Sovjetleiding de orde probeerde te herstellen en te handhaven. Gedurende de Slag om Stalingrad werden bijna 15.000 soldaten van het Rode Leger geëxecuteerd. Anderen, die niet werden geëxecuteerd, werden naar Goelags gestuurd of in strafcompagnieën ingedeeld. Deze strafcompagnieën moesten de meest gevaarlijke taken vervullen aan het front, zoals het ruimen van mijnen in het gebied waar werd gevochten. De Duitsers begonnen ook krijgsgevangenen en deserteurs aan het front in te zetten om de enorme verliezen aan manschappen aan te vullen. Deze zogenaamde Hiwi’s (Hilfswillige) vervulden hoofdzakelijk secundaire taken zoals het aanvoeren van munitie en andere voorraden.

De meest kritieke dag voor het leger onder leiding van Tsjoejkov was 14 oktober. De Luftwaffe maakte bijna 3.000 vluchten en vijf Duitse divisies vielen de kanonnenfabriek en de tractorfabriek aan. De tractorfabriek werd bijna omsingeld door de Duitse legers, terwijl een deel van de Duitse troepenmacht direct doorstootte naar de Wolga. Nog diezelfde nacht evacueerden de Wolga-veerboten ruim 3.500 gewonde Sovjetsoldaten. De volgende dag heropenden de Duitsers de aanval en wisten ze het Russische 62e leger in tweeën te splitsen. Desondanks wisten de Duitsers niet ver door te stoten. De aanval strandde niet veel later. Bovendien hoefde Paulus geen nieuwe reserves te verwachten, aangezien men intussen alle reserves in de strijd had geworpen. Hoewel de Duitsers geen reserves meer konden inzetten, was het aan de zijde van Tsjoejkov niet veel beter gesteld. Het leger van Tsjoejkov kon eveneens op weinig reserves rekenen, terwijl er ook nauwelijks voorraden werden aangevoerd. Langzaamaan werd het voor Tsjoejkov duidelijk dat er elders iets werd gepland dat werkelijk groots van opzet was.

Duitse aanval op een van de belangrijke fabrieken.

Hoewel de Duitsers tot staan waren gebracht en ze geen beschikking meer hadden over reserves, waren ze vrij diep in Stalingrad doorgedrongen. Voor Tsjoejkov en zijn staf kwam de strijd vrij dicht bij zijn hoofdkwartier. Hij verzocht Jeremenko om een deel van zijn staf naar de oostelijke oever van de Wolga te verplaatsen. Jeremenko gaf hem hier geen toestemming voor, met de reden dat het voor het moreel het beste was als de totale legerstaf op haar plek bleef.

Op 21 oktober voerden de Duitsers opnieuw een offensief uit, ditmaal gericht tegen de kanonnenfabriek en de staalfabriek. Het offensief verliep zonder noemenswaardig succes, maar toch bleven de Duitsers meer en meer troepen naar de fabrieken sturen. In en rondom beide fabrieken vonden enkele gevechten plaats tussen kleine groepen Duitsers en Sovjets. Er werd gevochten om iedere meter in de omgeving van de fabrieken, welke werden verdedigd door drie divisies van het Rode Leger. De drie divisies werden echter al binnen een paar dagen gedecimeerd tot een paar honderd man. Desondanks hielden zij het vol en wisten zo nog steeds het grootste deel van het Duitse 6e leger in de stad bezig te houden.

[bewerken] Misleiding van het Duitse volk

Hitler hield op 8 november een redevoering in de Löwenbräukeller in München, waarin hij beweerde dat Stalingrad bijna was veroverd. De Duitsers hadden ruim 90% van stad in handen. Het Rode Leger had echter nog wel enkele belangrijke strategische punten in handen. De chemische fabriek Lazur, welke in de bocht van een spoorlijn lag en vanwege deze vorm door de Duitsers het ‘tennis racket’ genoemd, was een van deze belangrijke punten. Het Rode Leger bezette eveneens nog delen van de belangrijke staalfabrieken en had een bruggenhoofd bij de aanlegsteigers.

Joseph Goebbels, Minister van Propaganda, kon daarentegen niet wachten de verovering van Stalingrad aan het Duitse volk te melden. In het besef dat de overwinning nog niet nabij was, bedacht hij trucs om het thuisfront te misleiden. In de Duitse stellingen in Stalingrad luisterden de soldaten naar het Kerstprogramma van de Großdeutsche Rundfunk. Tot hun stomme verbazing hoorden ze de aankondiging ‘Hier ist Stalingrad’, gevolgd door een koor dat ‘Stille nacht, heilige nacht’ zong. In werkelijkheid bleek dat de uitzending in een studio in Berlijn was opgenomen. De Duitse soldaten in Stalingrad waren woedend dat het Duitse volk zo voor de gek werd gehouden.

[bewerken] De omsingeling van het Duitse 6e Leger

De situatie bij de tegenaanval van de Sovjet-Unie.

Generaal Georgi Zjoekov was, samen met generaal Aleksandr Vasilevski, in het diepste geheim begonnen aan de ontwikkeling van een plan de troepen van de Asmogendheden bij Stalingrad te vernietigen. Ze ontdekten dat de flanken van het Duitse 6e leger slecht werden verdedigd. De Duitsers hadden hier hoofdzakelijk Roemenen en Italianen gestationeerd. Veldmaarschalk Gerd von Rundstedt had deze troepen, van de andere Asmogendheden, een “volmaakt Volkenbondleger” genoemd. De legers waren kleiner dan de Duitse en bovendien waren ze maar matig uitgerust en slechter getraind. Ofschoon de Duitsers dit wisten, kozen ze er tóch voor vrijwel het complete zesde leger in Stalingrad zelf in te zetten, vanuit de visie dat de Roemeense en Italiaanse mogelijke aanvallen op de flanken wel konden pareren; waarna de Duitsers met hun reserves deze legers zouden ondersteunen.

[bewerken] Operatie Uranus

Zie Operatie Uranus voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Hitler nam steeds meer zelf de militaire beslissingen, terwijl Stalin zijn generaals steeds meer vrijheid gaf. Hoewel Stalin zelf wenste dat de aanval al begin november plaats zou vinden, stemde hij in met Zjoekov en Vasilevski te wachten tot de omstandigheden voor deze aanval optimaal zouden zijn.

De twee generaals hadden een plan opgesteld waarbij ze door de zwakke noordwestelijke en zuidelijke flanken van de Duitsers zouden breken en zo het 6e leger te omsingelen. Ze wilden met een ruime boog om Stalingrad heen trekken, zodat het 6e leger niet snel een tegenaanval kon lanceren. In het diepste geheim werd een grote strijdmacht verzameld, bestaande uit ruim een miljoen soldaten, en naar schatting 1.000 tanks, 14.000 kanonnen en mortieren en 1.250 vliegtuigen. Alhoewel het aantal Russische troepen en materieel enorm was, bleek het nauwelijks groter te zijn dan de Duitse strijdkrachten in het gebied in en rondom Stalingrad.
Kolonel-generaal Nikolaj Voronov, de opperbevelhebber van de artillerie van het Rode Leger en eveneens vertegenwoordiger van Stavka, zou de artilleriebombardementen coördineren. Het geheimhouden van de aanval zou verrassend goed lukken (bij eerdere operaties bleek vaak een Russische aanval van tevoren al bekend bij de Duitsers). Veel Duitse generaals verwachtten echter wel een aanval, maar dachten niet dat de Sovjets zo'n grote aanval konden lanceren.

De Sovjets hadden op 24 augustus door enkele tegenaanvallen twee bruggenhoofden op de zuidelijke oever van de Don veroverd, waarvan één bij Kletskaya en één bij Serafimovich. Generaal de Armatã Petre Dumitrescu, opperbevelhebber van het Roemeense 3e leger, had in oktober 1942 een voorstel ingediend om de twee Russische bruggenhoofden te heroveren. De Duitsers verwierpen het voorstel, aangezien hier geen troepen voor konden worden vrijgemaakt.

Op de vroege morgen van 19 november kregen de troepen van het Rode Leger de opdracht de kanonnen, Katyusha’s en mortieren te laden en af te vuren. Ze openden de aanval vanuit de twee bruggenhoofden bij Serafimovich en Kletskaya in het noordwesten. Omdat er een zeer dichte mist op de plaats van de aanval hing, overwogen de leiders van de operatie de aanval uit te stellen. Ze besloten echter door te zetten en tien minuten later opende Voronovs artillerie, goed voor ruim 3.500 stuks, een barrage van 80 minuten uit op het Roemeense 3e leger. Direct nadat afloop rukte de infanterie op. Die werd hierbij ondersteund door tanks. De Roemenen beten flink van zich af, maar vanwege hun zwakke uitrusting wist het Rode Leger ze alsnog snel uit elkaar te drijven. De enige eenheid die de Russische stoomwals kon tegenhouden was het 48e pantserkorps, dat in de Roemeense achterhoede gestationeerd was. Het korps was echter danig verzwakt, doordat zij een deel van haar troepen aan andere eenheden af had moeten staan. Bovendien waren veel van de nog beschikbare tanks buiten werking, aangezien de kabels waren aangevreten door ratten en muizen. De weinige tanks die nog wél intact waren, kruisten het pad van het 5e tankleger van kolonel-generaal Romanenko. Zij brachten het Russische tankleger lichte schade toe, maar Romanenko negeerde hen en trok gewoon met een boog om de Duitsers heen.

Het 51e en het 57e leger begonnen in de ochtend van 20 november vanuit het gebied bij de meren, ten zuiden van Stalingrad, hun opmars richting het noordwesten. De aanval zou omstreeks 8:00 uur beginnen, maar werd vanwege de dichte mist twee uur uitgesteld. Nadat de Sovjets tot de aanval waren overgegaan, bleek dat ze ook op deze plaats relatief gemakkelijk door de linies van het Roemeense 4e leger heen wisten te breken.

[bewerken] De omsingeling

Het Rode Leger rukte vrij snel op na de doorbraak. Langzaamaan begon er zich voor de Duitse troepen een doemscenario te voltrekken. De definitieve omsingeling van de Duitse troepen in Stalingrad werd op 23 november voltooid. De twee speerpunten van de Sovjets hadden elkaar ontmoet nabij Kalach, waarbij ze er in slaagden een nog intacte Donbrug te heroveren. In totaal waren toen bijna twee Duitse legers omsingeld, bestaande uit vijf korpsen. Deze vijf korpsen bestonden uit 21 Duitse divisies en twee Roemeense divisies. Bij één van de divisies behoorde ook een Kroatisch regiment. De omsingelde eenheden van het 4e pantserleger werden aan het 6e leger gekoppeld, waardoor het omsingelde 6e leger nu uit ruim 300.000 man bestond. De Duitsers werden omsingeld door een Russische strijdmacht van zeven legers en vier luchtlegers.

De Duitsers reageerden verschillend op de omsingeling. Sommigen, voornamelijk lagere bevelhebbers, waren de mening toegedaan dat onmiddellijk moest worden uitgebroken. Anderen voelden er weinig voor hun stellingen te verlaten; niet alleen omdat het zoveel moeite had gekost ze te vestigen, maar vooral omdat de ruïnes van de stad de troepen bescherming boden tegen de Russische winter. Maar de Duitsers moesten hoe dan ook de achterhoede van het leger verdedigen. Paulus had al drie pantserdivisies naar de Don gestuurd. Tevens constateerde Paulus al snel dat hij luchtsteun en voorraden nodig had. Hij wilde ook de vrijheid van handelen hebben om uit de Kessel te kunnen breken. Het antwoord kwam daarop van Adolf Hitler zelf. Het 6e leger moest in zijn stellingen blijven en deze tegen elke prijs behouden. Bovendien diende men te beseffen, aldus Hitler, dat hij al het noodzakelijke deed om het 6e leger te helpen en te ontzetten. Verder kreeg Paulus het bevel om alle eenheden van het 6e leger ten westen van de Don, in oostelijke richting terug te trekken, richting Stalingrad. Hitler verklaarde in de nacht van 23 november Stalingrad tot een Festung die tot de laatste man moest worden verdedigd.

[bewerken] De luchtbrug

Adolf Hitler wilde van Hermann Göring weten of de Luftwaffe in staat was het 6e leger door de lucht te bevoorraden. Generaal-Luitenant Eduard Wagner schatte het aantal ingesloten troepen op 300.000, maar in de Duitse kringen heerste grote onzekerheid over dit aantal. Geschat werd dat minimaal 500 ton aan voorraden per dag moest worden ingevlogen. Daarvoor waren ongeveer 500 Junkers’ Ju-52 nodig. Al snel werd het getal van 500 ton teruggebracht naar 300 ton. Dit was echter wel het absolute minimum. Er zouden daardoor nog maar 300 Junkers’ nodig zijn. De adviseurs Kurt Zeitzler en Hans Jeschonnek waren van mening, dat een goede bevoorrading door de lucht onmogelijk zou blijken. Hitler had al eens met Jeschonnek gesproken over een luchtbrug. Hitler vergeleek deze met de luchtbrug in de lente van 1942 bij Demyansk. Echter waren de omstandigheden voor de Duitsers toen vele malen beter. Zo waren er toen 'slechts' 100.000 man te bevoorraden en vond dat plaats in de lente, terwijl nu de winter naderde. Bovendien ondervond de Luftwaffe toen nauwelijks weerstand van de luchtmacht van de Sovjet-Unie. Toch negeerde Göring de adviseurs en liet aan Hitler weten dat het mogelijk was het 6e leger aan de minimale hoeveelheid voorraden te helpen.

Ondertussen werden plannen gemaakt het 6e leger te ontzetten. Hitler had op 21 november de legergroep Don laten formeren. Deze nieuwe legergroep kwam onder het commando te staan van de bekwame generaal Erich von Manstein. De legergroep kreeg nauwelijks troepen ter beschikking, maar werd desondanks toch belast met het ontzet van het 6e leger.
In Stalingrad waren Paulus, Maximilian von Weichs en de vijf korpscommandanten van mening dat het 6e leger moest uitbreken, voordat het Rode Leger haar front ten zuidwesten van Stalingrad kon stabiliseren en versterken. Arthur Schmidt, de Chef van de Generale Staf van het 6e leger, liet Paulus weten dat Hitler uitdrukkelijk had bevolen stand te houden en dat er van een uitbraak geen sprake kon zijn. Bovendien liet hij Paulus weten dat te weinig brandstof beschikbaar was voor een uitbraak naar het zuidwesten; daar kwam bij dat het 6e leger in de open steppe bijna onbeschermd zou zijn zodat de Russen hen van alle kanten konden aanvallen.

De luchtbrug begon op 25 november, maar bleek al snel niet toereikend; in de eerste vijf dagen werd in totaal slechts ongeveer 175 ton aan voorraden overgevlogen (gemiddeld zo'n 35 ton per dag), terwijl 300 ton per dag het absolute minimum was. Deze schamele hoeveelheid was niet alleen te danken aan de barre weersomstandigheden, maar kwam ook op het conto van de hevige luchtafweer van het Rode Leger. Bovendien bestookte de Russische luchtmacht de Duitse vliegtuigen constant, waardoor flinke verliezen werden geleden.
Gedurende de gehele periode van de luchtbrug (van november tot half januari) bracht de Luftwaffe gemiddeld 'slechts' 117 ton voorraden per dag naar de Kessel. Tijdens deze periode werd slechts drie keer het streeftotaal van 300 ton per dag gehaald.

[bewerken] Operatie Wintergewitter

Zie Operatie Wintergewitter voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
Duitse soldaten in de straten van Stalingrad.

Legergroep Don, bestaande uit het 6e leger, het 4e pantserleger en het Roemeense 3e leger, werd met de taak belast de troepen in Stalingrad te ontzetten. Het overgrote deel van deze drie legers was zelf ook omsingeld in Stalingrad.
Von Manstein gaf Generaal Hermann Hoth, opperbevelhebber van het 4e pantserleger, de opdracht om de ontzetting in Operatie Wintergewitter uit te voeren. Hoth en zijn staf hadden op het moment niets te doen, aangezien het grootste deel van het 4e pantserleger zelf ook was omsingeld in en nabij Stalingrad. Hoths speerpunt zou bestaan uit het 57e pantserkorps, onder leiding van Friedrich Kirchner. De troepen werden hernoemd naar Armeegruppe Hoth.

Hoth was niet van plan om zich helemaal een weg naar de Kessel toe te vechten. Het 6e leger zou zelf de ontzettingsstrijdmacht tegemoet moeten komen. Deze operatie kreeg de codenaam Operatie Donnerschlag. Von Manstein wist echter dat Hitler hier nooit toestemming voor zou geven, en dus had hij dit in de operatieplannen verdoezeld. Hoewel zijn strijdmacht niet helemaal compleet was, stuurde Von Manstein Hoth op 12 december toch op pad. Aanvankelijk was de tegenstand van het Rode Leger zeer licht. Het 51e leger, onder leiding van generaal-majoor Trufanov, was aangewezen om Hoth tegen te houden. Al snel bleek dat dit leger niet sterk genoeg was om de Duitse aanval tot stand te kunnen brengen. Het remde de Armeegruppe Hoth wel flink af.

Tegelijkertijd met Operatie Wintergewitter voerden de Sovjets ook een operatie uit. Deze operatie kreeg de codenaam Kleine Saturnus en was gericht op het Italiaanse 8e leger. Door snel door te stoten naar het zuiden, hoopten de Sovjets dat ze de terugweg uit de Kaukasus van de Duitse legergroep A konden afsnijden. De strijd met het 6e leger bond echter zeven Sovjetlegers bij Stalingrad, waardoor minder troepen konden worden vrijgemaakt voor operatie Kleine Saturnus. Om te overleven was legergroep A dus afhankelijk van de vraag of het 6e leger in Stalingrad het volhield. Hoewel hij dit nooit écht duidelijk maakte, moest Armeegruppe Hoth in de ogen van Hitler alleen een corridor openen om het 6e leger van de hoognodige voorraden te voorzien.

[bewerken] Hoth wordt teruggedrongen

Toen de Sovjets doorkregen dat het offensief van Hoth een serieuze actie was, werd besloten het 2e Gardeleger, onder leiding van luitenant-generaal Rodion Malinovski, wat oorspronkelijk betrokken zou zijn bij operatie Kleine Saturnus, te verplaatsen naar het gebied tussen het 6e leger en het speerpunt van Hoth. Ook het 5e Stoottroepenleger, onder leiding van luitenant-generaal Popov en het 7e Tankkorps, onder leiding van generaal-majoor Rotmistrov, naderden dit gebied.
Paulus toonde merkwaardig genoeg weinig enthousiasme voor een uitbraak. Hij scheen te willen wachten tot het moment dat Hoth erin was geslaagd zich een weg naar hem toe te banen. De enige hoop voor Hoth, die met steeds grotere tegenstand te maken kreeg, was een uitbraak van Paulus' leger naar de achterhoede van het Rode Leger. Von Manstein nam vanwege die reden contact op met Paulus, maar deze reageerde constant ontwijkend. Het was echter de Chef van de Generale Staf van het 6e leger, generaal-Majoor Arthur Schmidt, die de knoop doorhakte. Hij was een overtuigd nazi en sloot een uitbraak uit, mede door het feit dat Hitler dit hen ten strengste had verboden. Tevens was hij van mening dat het 6e leger niet genoeg brandstof had en te zwak was in de open steppe. Er werd niet uitgebroken door het 6e leger.

De Duitse soldaten in het zuidelijk deel van de Kessel konden de flitsen van kanonvuur aan de nachtelijke hemel zien oplichten en de explosies horen. Dit zorgde voor een goede stemming zo vlak voor kerst. Verder dan 48 kilometer van de Kessel kwam de Armeegruppe Hoth niet. De troepen van het 6e leger waren echter na het zien en horen van het kanonvuur overtuigd dat ze zouden worden bevrijd. Op Kerstavond ging het Russische 2e Gardeleger echter in de tegenaanval en moest Hoth zich noodgedwongen terugtrekken. De soldaten in de Kessel zagen de flitsen aan de horizon langzaam verdwijnen. De kans op een ontzetting leek verder weg dan ooit.

[bewerken] Vernietiging van een leger

Soldaten van het Rode Leger banen zich een weg tussen de ruïnes van de stad.

Het begon bij de omsingelde Duitse soldaten pas in januari door te dringen dat Operatie Wintergewitter mislukt was. De uitgeputte soldaten begonnen de harde werkelijkheid te beseffen, maar desondanks verslechterde het moreel niet noemenswaardig. Veel soldaten bleven hopen op een wonder en hadden nog het volste vertrouwen in de legerstaf. Het zwaar gehavende 62e leger van Tsjoejkov had het ook niet makkelijk, maar nu het deel uitmaakte van een stalen ring van zeven legers om het Duitse 6e leger, kon het weer worden versterkt en bevoorraad. Doordat de Wolga was dichtgevroren, konden de voorraden bovendien gemakkelijker worden aangevoerd.

Het gehavende leger van Tsjoejkov voerde een klein offensief uit op de Duitse stellingen in de tractorfabriek en op de Mamayev Kurgan. Het wist de Duitsers echter niet te verdrijven. Het 6e leger bleef weerstand bieden, ondanks de barre omstandigheden. Bovendien bond het nog steeds een aanzienlijk aantal Sovjettroepen aan zich, welke elders nuttiger gebruikt konden worden. Kolonel-generaal Konstantin Rokossovsky, opperbevelhebber van het Don Front, kwam tot de conclusie dat de Duitse troepen in de Kessel alleen via een grootscheepse aanval konden worden vernietigd.

Kolonel-generaal Nikolaj Voronov, de vertegenwoordiger van Stavka, en Rokossovsky, besloten een aanbod van eervolle capitulatie af te wachten. Een paar afgezanten met een door Voronov en Rokossovsky opgesteld capitulatie-aanbod, werden op 8 januari naar de Duitsers gestuurd. Paulus was niet wilskrachtig genoeg om de vastbesloten Schmidt te doen zwichten, en dus werden de voorwaarden verworpen. Daarom besloten Voronov en Rokossovsky om op 10 januari een nieuwe operatie te starten. Deze operatie droeg de codenaam Koltso (wat "ring" betekent). Vanuit het noorden, westen en zuiden zouden de Sovjetlegers de Duitsers aanvallen, met als doel het splitsen van de Duitse troepen in de Kessel.

[bewerken] Operatie Ring

De operatie werd ingeleid met een groot bombardement. In de vroege morgen van 10 januari beschoten duizenden kanonnen en mortieren 55 minuten lang de Duitse stellingen, terwijl honderden vliegtuigen boven diezelfde stellingen hun bommen afwierpen. Om 9:00 uur vielen de grondtroepen vanuit alle richtingen aan. De grond die de Duitsers in weken tijd hadden weten te veroveren, werden nu door de Sovjets in enkele dagen heroverd. Vier dagen na het begin van de aanval, 14 januari, verloren de Duitsers het belangrijkste vliegveld, Pitomnik. Op 21 januari werd Goemrak veroverd, waarop de Duitsers een dag later het vliegveld Stalingradsky in dienst stelden. Dit vliegveld lag in de buitenwijken van de stad, maar werd al na één dag veroverd door het Rode Leger. Vanaf dat moment moesten alle voorraden per parachute worden gedropt.

Veel Duitse generaals en andere hoge officieren hadden zichzelf in veiligheid weten te brengen door op het laatste moment nog uit het omsingelde gebied te vliegen. Ze lieten veel zieke en gewonden achter, terwijl ze zelf gezond waren. Onder de officieren waren vooral veel ‘specialisten’, welke moesten helpen bij het opnieuw formeren van de vernietigde eenheden. Veel soldaten en officieren deden vaak alsof ze ziek of gewond waren om zo een plekje aan boord van een van de vliegtuigen te bemachtigen. De Feldgendarmerie, die controleerde wie er allemaal in de vliegtuigen stapte, handhaafde de orde echter met harde hand.

Het Don Front viel op 24 januari Stalingrad ten westen aan van de Mamayev Kurgan. Op 26 januari maakten de voorste eenheden van het 21e leger en het 65e leger van het Don Front contact met voorste eenheden van de 13e Garde-Jagerdivisie van het 62e leger. De troepen van de Asmogenheden in de Kessel waren nu in tweeën gesplitst. Er was nu sprake van een zuidelijke Kessel en een noordelijke Kessel. De zuidelijke Kessel stond onder leiding van generaal Paulus en bestond uit vier korpsen en de legerstaf. De noordelijke Kessel bestond uit het gebied rond de tractorfabriek ‘Dzerzhinsky’, waar de troepen van het 11e pantserkorps waren gevestigd en stond onder leiding van generaal Karl Strecker. Op 29 januari werd de zuidelijke Kessel door Rokossovky's eveneens in tweeën gedeeld.

[bewerken] Overgave

Paulus had na de val van Goemrak zijn hoofdkwartier verplaatst naar het warenhuis ‘Univermag’ in het centrum van Stalingrad. Luitenant-generaal Mikhail Shumilov, de opperbevelhebber van het 64e leger, had het bevel over de troepen in de sector waar het warenhuis lag. Hij kwam op 30 januari te weten dat Paulus het hoofdkwartier daar had gevestigd. Op de vroege morgen van 31 januari werd diens hoofdkwartier omsingeld.

Paulus werd kort daarna bevorderd tot veldmaarschalk. Ook werden de overige 118 andere officieren gepromoveerd. Sommigen hiervan hadden zich overigens al overgegeven. Nog nooit eerder in de Duitse krijgsgeschiedenis had een Duitse veldmaarschalk zich overgegeven, dus Hitler verwachtte van Paulus dat hij zou vechten tot de dood of zelfmoord zou plegen. Paulus gaf geen gehoor aan deze laatste wenk van de Führer. De fanatieke Chef van de Generale Staf Schmidt drong bij er bij Paulus op aan om door te vechten tot het bittere einde om zo, door dit offer, de Duitse legers nog jaren te kunnen inspireren. Paulus luisterde hier echter niet meer naar. Later op de dag kwamen Sovjetofficieren het souterrain binnen. Paulus lag op bed. Daarna werd hij, nog met het uniform van een kolonel-generaal aan, naar Shumilov gebracht. Paulus had het 6e leger geen bevel gegeven om te capituleren, maar de middelste en de zuidelijke Kessel gaven zich dezelfde dag uit zichzelf over.

[bewerken] Laatste volhouders in de stad

In de noordelijke Kessel, waar het 11e Pantserkorps met zes zwaar gehavende divisies gelegerd was, werd nog steeds gevochten. Op 1 februari gaf Hitler Strecker het bevel om de Kessel te behouden tot de laatste man. De Sovjets waren woedend vanwege het feit dat de Duitsers hier weerbarstig bléven weigeren om te capituleren. Rokossovsky liet daarop de artillerie van zijn Don Front het Duitse Korps met een enorme beschieting vernietigen. Op 2 februari om 08:40 stuurde Strecker een allerlaatste boodschap naar Hitler:

“Het XI. Armeekorps en haar divisies hebben tot de laatste man gevochten tegen een enorme overmacht. Lang leve Duitsland.”

Er zijn bronnen die melden dat Hitler Strecker nog had bevorderd tot kolonel-generaal. Het is echter niet duidelijk of Strecker deze boodschap nog ontvangen heeft. Omstreeks 10:00 uur capituleerden ook de troepen van Strecker met ruim 33.000 man.

Op 3 februari waren er echter nog steeds kleine gevechten gaande. Kleine groepjes soldaten probeerden uit te breken of het waren gevechten van soldaten die nog geen flauw idee hadden van de Duitse overgave. Later die dag werd het stil in Stalingrad. De Slag om Stalingrad was ten einde gekomen. Op 4 februari, de dag na de slag, maakte het OKW de nederlaag bekend: “Sie starben, damit Deutschland lebe.” (Nederlands: “Zij stierven, opdat Duitsland moge leven.”). Met de nederlaag bij Stalingrad begon het tij voor de As-mogendheden echter te keren.

[bewerken] Krijgsgevangenschap

Generaal Rokossovsky, Maarschalk Voronov en de Duitse veldmaarschalk Friedrich Paulus

Het Rode Leger nam ruim 130.000 man van de Asmogendheden gevangen, waarvan de meesten Duitser waren. Dit enorme aantal werd overgebracht naar krijgsgevangenenkampen in de Sovjet-Unie.

De lichamelijke toestand van de Duitse krijgsgevangenen was erg slecht. Velen stierven kort na hun gevangenneming. Ook de lange marsen door de kou naar krijgsgevangenenkampen zorgden voor veel slachtoffers. Wie te vermoeid was om door te lopen werd neergeschoten of achtergelaten. In de lente was al meer dan de helft van de krijgsgevangen gestorven. Dit kwam mede doordat de Sovjets zich behoorlijk hadden verkeken op het aantal krijgsgevangenen, waardoor ze te weinig voedsel beschikbaar hadden.

De generaals en hoge officieren hadden het stukken beter dan de normale soldaten. In een luxe trein werden de generaals naar een kamp nabij Moskou gebracht. De kans om te overleven hing sterk van de rang af. Van de normale soldaten en onderofficieren stierf ruim 95%, terwijl van de officieren 55% het niet haalde. De hoofdofficieren kwamen er met maar 5% overledenen een stuk beter vanaf. In de lente werden ook de andere officieren en manschappen verplaatst. Aan de omstandigheden bij hun transport werd aanzienlijk minder aandacht besteed dan bij de generaals en de hoge officieren. Door de barre omstandigheden stierven wederom veel soldaten. De soldaten en officieren werden door de gehele Sovjet-Unie verspreid.

Er bleven ook een aantal soldaten in Stalingrad om de stad te herbouwen en om de schepen van de bodem van de Wolga te halen. Langzaam aan werd de stad weer opgebouwd met hulp van de Duitse soldaten.

Na de oorlog, tussen 1945 en 1955, werden er ruim 6.000 gevangenen vrijgelaten. Deze zagen, in tegenstelling tot de overgrote meerderheid van hun kameraden, hun vaderland nog terug. Paulus, voormalig opperbevelhebber van het 6e leger, werd in 1953 vrijgelaten. Hij overleed in 1957 op 67-jarige leeftijd aan kanker.

[bewerken] Gevolgen

[bewerken] De balans

In de weken na de slag begonnen de Stavka en het OKW met het opmaken van de balans. De Asmogendheden hadden zowel militair, humanitair als psychologisch een gigantische klap gekregen. Bijna zes legers waren geheel vernietigd. De Duitsers verloren het gehele zesde leger, terwijl het 4e pantserleger zeer zware verliezen had geleden. De Roemenen verloren bijna twee legers. Het 3e en 4e leger waren dusdanig toegetakeld, dat de troepen werden ingevoegd bij andere legers. De Italianen verloren het 8e leger, terwijl de Hongaren het verder moesten stellen zonder hun 2e leger.

Tijdens de Slag om Stalingrad werden in totaal 700.000 Sovjetsoldaten en meer dan 100.000 Sovjetburgers gedood. Men stelde vast dat bijna 10.000 burgers in de ruïnes van de stad de gevechten hadden overleefd. Daaronder waren bijna 1.000 kinderen, waarvan er uiteindelijk maar negen werden herenigd met hun ouders.
Aan de andere zijde sneuvelden er ruim 470.000 soldaten van de Asmogendheden, terwijl er nog eens 130.000 krijgsgevangen werden gemaakt. Van deze 130.000 werden er 91.000 gevangengenomen tussen 31 januari en 2 februari. In totaal werden er 30 generaals gevangen genomen, wisten er acht de Kessel te ontkomen en werden er zes gedood. De Luftwaffe verloor in totaal 575 vliegtuigen tijdens de bevoorrading van de ingesloten troepen. Desondanks wisten ze wel meer dan 25.000 man uit de Kessel te evacueren.

Aan beide zijdes ging ook heel wat materiaal verloren. De Asmogendheden verloren samen 3.500 pantservoertuigen. Bovendien verloren ze ruim 3.000 vliegtuigen, hetgeen ze hun overwicht in de lucht kostte. De uitrusting die verloren ging, zou naar schatting voldoende zijn geweest om 75 divisies mee uit te kunnen rusten.
De Sovjets verloren nog meer materieel. Ongeveer 4.500 pantservoertuigen, 16.000 kanonnen en 3.000 vliegtuigen werden vernietigd. Overigens berustten deze schattingen allemaal op gepubliceerde documenten van de Duitse en Russische overheid, maar het is onmogelijk om alle verliezen in cijfers uit te drukken.

[bewerken] Stalingrad

Zie Wolgograd voor het hoofdartikel over dit onderwerp.
De stad nadat de slag is gestreden.

Al in maart, één maand na de slag, werd er begonnen met de wederopbouw van de stad. Duizenden mensen, waaronder Duitse krijgsgevangenen, gingen aan de slag om de stad weer zo snel mogelijk erbovenop te krijgen. Desondanks duurde het tot 1975 alvorens de stad weer volledig was herbouwd.

Op 1 mei 1945 kreeg de stad de eervolle titel 'Heldenstad'. In totaal kregen twaalf steden deze titel. Ook schonk Koning George VI van Groot-Brittannië een juwelen zwaard aan de inwoners van Stalingrad als dank voor de dapperheid die ze hadden getoond. Op de Mamajev Kurgan, de Tataarse grafheuvel in de stad, werd een groot standbeeld gebouwd ter nagedachtenis aan de gevechten om Stalingrad, genaamd 'Moeder Moederland' ('Rodina Mat'), ook wel 'Het Moederland Roept' genoemd.

Nadat Stalin in 1953 was overleden, kwam Nikita Chroesjtsjov, voormalig commissaris bij Stalingrad, aan de leiding. Hij hernoemde de stad op 10 november 1961 naar Wolgograd, als onderdeel van de destalinisatie. Veel mensen wilden, en willen, dat de naam weer wordt hersteld naar Stalingrad, omdat deze slag zo'n belangrijk onderdeel van de geschiedenis van de stad en land was geweest en deze nooit vergeten mocht worden.
Tijdens de 20e herdenking van de overwinning in de 'Grote Patriottische Oorlog', op 8 mei 1965, werd de Heldenstad Wolgograd onderscheiden met de Orde van Lenin en de Medaille van de Gouden Ster.

[bewerken] Media

Zie Slag om Stalingrad in de media voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Slag om Stalingrad, een doorslaggevend gevecht in de Tweede Wereldoorlog en wellicht het meest bloedige gevecht in de geschiedenis van de mensheid, is erg populair bij media als films en computergames. Ook zijn er vele boeken over geschreven en zijn er zelfs enkele liedjes over geschreven.
De Slag om Stalingrad is vanwege zijn grote omvang en de populariteit in de media uitgegroeid tot één van de bekendste veldslagen die ooit heeft plaatsgevonden en het staat symbool voor het keerpunt aan het Oostfront.

[bewerken] Literatuur

  • A. Sax: Geen stap terug, Uitgeverij Clavis, 2005
  • David L. Robbins: De rattenoorlog, Uitgeverij Meulenhoff, 2002
  • Stephen Walsh: De Hel van Stalingrad, Zuid-Nederlandse Uitgeverij N.V., 2003
  • Geoffrey Jukes: Stalingrad, Standaard Uitgeverij Antwerpen, 1972
  • Derek Lambert: Sluipschutters in Stalingrad, Phoenix, 1986
  • R. Seth: Slag om Stalingrad, Uitgeverij het Spectrum, 2006
  • J.N. Ross: Het geheim van Stalingrad, A.W. Bruna Uitgevers, 2007
  • Antony Beevor: Stalingrad, Olympus non-fictie, 2001.
  • J. Bauwens, P. Terlouw en H. Ebeling: Stalingrad: Het Graf (Serie: Dossier 1940-1945), Uitgeverij de Goudvink
  • S. Walsh: De slag om Stalingrad, Uitgeverij Deltas, 2000
  • Vasili Grossman: Leven & Lot, Balans, 2009

[bewerken] Externe links

[bewerken] Bronnen, noten en/of referenties

Bronnen, noten en/of referenties:


  1. a b c Paape, A.H., Bericht van de Tweede Wereldoorlog, deel 7, Amsterdam, Uitgeverij Amsterdam Boek, 1970-1975, pag. 1010
  2. a b c d e f Paape, A.H., Bericht van de Tweede Wereldoorlog, deel 7, Amsterdam, Uitgeverij Amsterdam Boek, 1970-1975, pag. 1011

 
Persoonlijke instellingen
Boek maken