Panzerkampfwagen III

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Panzerkampfwagen III
SdKz141-1-1.jpg
Soort
Bemanning 5
Lengte 5,52 m
Breedte 2,9 m
Hoogte 2,5 m
Gewicht 22 ton
Pantser en bewapening
Pantser 70 mm
Hoofdbewapening Ausf. A-F: 1× 37 mm KwK 36 L/46.5
Ausf. F-J: 1x 50 mm KwK 38 L/42
Ausf. J/1-M: 1x 50 mm KwK 39 L/60
Ausf. N: 1x 75 mm KwK 37 L/24
Secundaire bewapening 2x 7,92 mm machinegeweer
Motor Maybach 12-cilinder benzinemotor 197 kW
Snelheid (op wegen) 40 km/u
Rijbereik 155 km

De Panzerkampfwagen III (PzKpfw III), die meestal de Panzer III genoemd wordt, was een tank die in de jaren '30 van de 20e eeuw door de Duitsers ontwikkeld is en in de Tweede Wereldoorlog veel gebruikt is. De Panzer III was ontworpen om andere pantservoertuigen uit te schakelen samen met de ondersteunende Panzer IV, die vooral zachte doelen moest uitschakelen. Deze samenwerking werd echter snel overbodig omdat de Panzer III al snel achterliep in de wedloop van steeds sterker wordende antitankwapens en bepantsering. Uiteindelijk werd de III vervangen door de grotere Panzer IV's als gevechtstank. De Panzer III werd hierna nog wel aan enkele bondgenoten geleverd terwijl het onderstel werd gebruikt voor de zeer succesvolle Sturmgeschütz III.

Ontwikkeling[bewerken]

In 1934 werden de plannen voor de Panzer III gemaakt volgens de specificaties van Heinz Guderian: een middelzware tank met een maximumgewicht van 24 ton, en een maximumsnelheid van 35 km/u. De tank zou het grootste deel van de Panzerdivisies uitmaken, in een antitankrol. De panzerkampfwagen IV was bestemd als mobiel geschut tegen kanonnen en bunkers ter ondersteuning van de III. De pzkfw I en II zouden lichte machinegeweer tanks worden en ook als eerste geproduceerd worden, voor training en verkenning. Bij het uitbreken van de oorlog had de productie van de tanks echter zo veel achterstand opegelopen ten opzichte van de politieke ontwikkelingen, dat er vooral lichtere tanks in grote getallen waren.

Verscheidene prototypes werden gebouwd door MAN, Krupp, Daimler-Benz, en Rheinmetall. Deze werden getest in 1936 en 1937, en het model van Daimler-Benz werd gekozen voor productie. De eerste Panzer III A werd gebouwd in mei 1937, en gedurende dat jaar werden nog tien andere gebouwd. De massaproductie startte pas in 1939, met de Panzer III F.

De tank was vooreerst ontworpen om andere tanks uit te schakelen, alhoewel de eerste modellen ook drie machinegeweren hadden die grote vuurkracht gaven tegen "zachte" doelwitten. De Panzer III was ontworpen met een koepel voor drie bemanningsleden (kanonnier, lader, en bevelhebber)net zoals de Panzer IV. De bevelhebber kon zich concentreren op het overzicht bewaren en bevelen geven. De meeste tanks van de late jaren '30 hadden koepels voor een of twee bemanningsleden, waardoor de bevelhebber andere taken op zich moest nemen. Deze 3-manskoepel was wellicht een van de sterkere punten van de Duitse tanks, waardoor de zwaktes konden gecompenseerd worden. Het kon in het begin van WWII de meeste van de vijandelijke tanks aan, maar kon niet op tegen de Sovjet T-34 en KV-tanks. Om dit gebrek te overkomen werd het 37 mm kanon vervangen door een 50mm KwK 39 L/60-kanon, en werd de bepantsering vergroot. Hierdoor kon de Panzer III het vooreerst nog net tegen de T-34 opnemen. De KV-tanks vormden sowieso nog altijd een probleem. Maar ook de T-34 werden geleidelijk opgewaardeerd, terwijl de panzer III zijn grens had bereikt. Na 1942 werd de rol van de Panzer III overgenomen door tankjagers en latere versies van de Panzer IV, die wel instaat waren een groter kanon te dragen.

In 1942 werd het N model van de Panzer III ontworpen, met een 7.5 cm KwK 37 L/24 kanon, met als doel vijandelijke infanterie uit te schakelen, en steun te geven aan eigen infanterie.

Bepantsering[bewerken]

De Panzer III model A tot C had een 15 mm bepantsering aan de zijkanten, dit werd al gauw als te licht bevonden, en werd uitgebreid tot 30 mm in de latere D,E,F en G modellen. Het H-model had een extra 30 mm pantserplaat aan de voor- en achterkant. De J,L en M modellen hadden 20 mm bepantsering extra aan de voorkant. Deze extra bepantsering gaf een betere bescherming tegen Britse en Sovjet antitankwapens tijdens 1941 en 1942, maar de zijkanten waren nog steeds kwetsbaar voor vijandelijk vuur.

Bewapening[bewerken]

Twee Pzkpfw III exemplaren in Noorse dienst. Links een Ausf N voorzien met de korte 7.5 cm KwK 37 L/24 kanon, rechts een Ausf J/1 met de lange 50 mm KwK 39 L/60 kanon.

Hoewel de Panzer III in een antitankrol moest fungeren, werden de eerste modellen uitgerust met een 37 mm kanon, omdat de infanterie deze ook gebruikte, en men een standaard wilde invoeren. De mogelijkheid om uit te breiden naar een 50 mm kanon bestond wel, omdat de koepel groot genoeg was.

De eerste modellen (A tot E) werden uitgerust met het korte 37 mm KwK/36 L46.5 kanon, dat voldoende presteerde tijdens de acties in 1939 en 1940. Latere modellen (F tot M) werden uitgerust met het zwaardere 50 mm KwK37 L/42 en 50 mm KwK39 L/60 kanon, als reactie op de beter bewapende en bepantserde tegenstanders.

In 1942 werd beslist om de Panzer IV de rol van de Panzer III te laten overnemen. De Panzer III zou wel nog in productie blijven als ondersteuningsvoertuig. Het N model had een 75 mm KwK37 L/24 kanon, met lage mondingssnelheid, om in een ondersteuningsrol voor de infanterie te fungeren. De rol van de Panzer III en IV werd dus letterlijk omgewisseld.

Alle vroege modellen tot en met F hadden twee 7.92 mm MG34 machinegeweren bij het kanon, en een MG34 in de romp. Vanaf de G versie werd een MG34 bij het kanon en een in de romp ingebouwd.

Operationeel Gebruik[bewerken]

De Panzer III werd gebruikt in de veldtochten tegen Polen, Frankrijk, de Sovjet-Unie en in Noord-Afrika. Tijdens de Poolse en Franse campagnes maakte de Panzer III slechts een klein deel uit van de pantservoertuigen. Enkele honderden A tot F modellen waren beschikbaar, meestal bewapend met het 37 mm kanon. Het was de beste middelzware tank toen beschikbaar voor de Duitsers, en was de meerdere van de Poolse 7TP en de Franse Renault R35 en Hotchkiss H35. In de praktijk bleek het pantser wel ruim beneden peil en veel tanks gingen compleet verloren aan anti-tank geschut. Dit was zeker het geval in Polen.

Bij de start van Operatie Barbarossa (de invasie van de Sovjet-Unie) maakte de Panzer III het grootste deel van de Duitse tanks uit. De meeste waren uitgerust met het 50 mm L/42 kanon en versterkte bepantsering. Voordat de Panzer III met het 50mm L/60 kanon uitgerust werd, kon die niet op tegen de Sovjet T-34 en de KV serie tanks. De Sovjet tanktroepen bestonden wel hoofdzakelijk uit de lichter bepantserde modellen, zoals de T-26 en de BT tanks (BT-5 en BT-7. Samen met de superieure Duitse training en tactiek zorgde dit ervoor dat de Duitse tanks in 1941 een goede 6:1 ratio hadden.

Met de opkomst van de T-34 werd de uitbreiding naar het krachtiger 50mm L/60 kanon noodzakelijk. De J en L versies hadden dit kanon, en ook meer bepantsering. Deze versies werden in gebruik genomen in 1942. Vanaf dan werd de Panzer III teruggedrongen naar een ondersteuningsrol, en vervangen door de Panzer IV en de Panther. De laatste versie, de N, had een kort 75 mm kanon voor infanterie-ondersteuning.

De 3-mans koepel - ook de Panzer IV had een 3-manskoepel - gaf de Panzer III het overwicht tegen tanks die op papier even sterk of sterker leken, zoals de Franse Somua S-35. Deze had een sterke bewapening en bepantsering, maar was de mindere van de Panzer III door de eenmanskoepel. Hierdoor was het herladen immers traag en ook het tacische inzicht beperkt. Dit voordeel werd ook duidelijk in de eerste maanden van de inval in de Sovjet-Unie. De T34 en KV tanks waren op papier veel sterker en vaak kon één zware Russische tank vele Duitse blokkeren in hun opmars. Maar in de mobiele oorlog zorgden de tweemanskoepel en het gebrek aan radiocommunicatie bij de Sovjet-tankeenheden in het begin voor een zeer grote tactische inefficiëntie, waardoor de Duitsers met groter gemak konden ontwijken en omcirkelen. Mede door deze omstandigheden was de lichtere Pzkfw III in staat om tot in 1942 alsnog zijn rol te vervullen. Vanaf dit tijdstip zwakte het belang van het type af werd de pzkfw IV de hoofdtank. De pzkfw III was dus in feite ondanks enkele zwaktes de tank die Hitler in de eerste veldtochten het dichtst bij zijn dromen bracht. Het is kenmerkend voor de Duitse oorlogsinspanning op de grond dat het beter worden van de tanks samenhing met het slechter worden van de situatie en - deels verklarend - het verlies van luchtoverwicht.