Sturmgeschütz III

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Sturmgeschütz III Ausf G
Sturmgeschütz III Ausf. G
Sturmgeschütz III Ausf. G
Algemene karakteristieken
Ook bekend als StuG III
Bijzonderheid Nagenoeg op alle WOII fronten ingezet
Type Gemechaniseerd geschut
Leverancier(s) Alkett en MIAG
Aantal geproduceerd 11,300 stuks tussen 1940 en 1945
Bemanning 4
Gewicht 19,6 ton
Lengte 5,38 m
Breedte 2,92 m
Hoogte 1,95 m
Motor Maybach HL120 TR (12-cilinder met 300PS)
Snelheid 40 km/u
Reikwijdte 160 km
Hoofdbewapening 75 mm StuK 37 L/24 en 7.5 cm KwK 40
Munitie 75 mm - 44 granaten

Het Sturmgeschütz III, ook wel StuG III genoemd, was een succesvol gemechaniseerd geschut ingezet door de Wehrmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het was een van de weinige types uit die categorie die gedurende bijna de gehele oorlog op alle fronten dienst deed.

Ontwikkeling[bewerken]

Het Sturmgeschütz III was een gevolg van Erich von Mansteins nota uit 1935 waarin de ontwikkeling bepleit werd van een gemechaniseerd geschut dat directe vuursteun zou kunnen bieden aan de infanterie. Hij stelde voor iedere infanteriedivisie uit te rusten met een organieke compagnie van achttien stuks. Later werd dat bijgesteld tot twaalf, maar ook in dat verlaagde aantal kon niet voorzien worden omdat er simpelweg geen geld was voor de aanschaf. Wel werd er op 15 juni 1936 door het Direktorat der Artillerie opdracht gegeven aan Daimler-Benz een prototype te ontwikkelen en werden er in 1937 vijf voorserievoertuigen met open dak gebouwd bij Alkett op het chassis van de Panzerkampfwagen III Ausf. B, maar het kwam voorlopig niet tot massaproductie. In plaats daarvan nam de Infanterie maar afgedankte Panzerkampfwagen I's over van de Panzerwaffe en concentreerde die in onafhankelijke pantserbrigades. De situatie veranderde in 1938 toen de Infanterie haar getrainde tankbemanningen moest afstaan om nieuwe pantserdivisies te formeren. Men eiste daarop dat er een nieuwe vorm van gemechaniseerde ondersteuning voor in de plaats zou komen. Het Tankwapen zegde daarop toe onderstellen beschikbaar te stellen; de Artillerie bood aan de geschutsbemanningen te leveren op voorwaarde dat de voertuigen ook inderdaad volgens de oorspronkelijke plannen bij dat Wapen werden ondergebracht als Sturmartillerie, net zoals in Frankrijk voor 1920 tanks Artillerie Spéciale waren. "Sturmgeschütz" is afgeleid van het Franse artillerie d'assaut.

Productie eerste hoofdversie[bewerken]

Ook hierna gingen de ontwikkelingen niet bepaald snel (de productie van de PzKpfw III zelf had een grote vertraging opgelopen), pas in januari 1940 kwam de productie op gang van de eerste versie: de Gepanzerter Selbstfahrlafette für Sturmgeschütz 7,5cm Kanone Ausf.A in een aantal van dertig stuks tot eind mei, voldoende om vier batterijen (waarvan de eerste al op 1 november 1939 was opgericht) uit te rusten voor deelname aan Fall Gelb. Het type was Sonderkraftfahrzeug numero 142. Daarna kwam de Ausfuehrung B in een aantal van 320 van juni 1940 tot mei 1941. Vijftig werden gemaakt van Ausf. C en 150 van Ausf. D van mei tot september datzelfde jaar, gevolgd door 272 van de Ausf. E tot maart 1942. Deze laatste versie had als eerste ook een machinegeweer.

Het Sturmgeschütz III was oorspronkelijk een gemechaniseerd 75mm Lang 24 infanteriekanon, gebouwd op de kuip en chassis van een Panzerkampfwagen III middelzware tank. Dit bleek een succesvolle combinatie te zijn. Kenmerkend voor Sturmgeschütze was dat zij niet over een bewegende geschutskoepel beschikten, waardoor zij veel eenvoudiger, en dus goedkoper, te produceren waren. Initieel waren Sturmgeschütze bedoeld om tegen bunkers en andere vaste stellingen in te zetten. In de praktijk bleken zij vanuit een vaste opstelling ook zeer effectief in de verdediging tegen vijandelijke pantservoertuigen die tijdens Operatie Barbarossa voor het merendeel vrij licht bepantserd waren, hoewel maar 15% procent van de munitievoorraad uit antitankgranaten bestond, meestal holleladingsgranaten waarvan het doorslagvermogen onafhankelijk was van de schootsafstand. De trefzekerheid (en doorslagvermogen van de eigenlijke pantsergranaat) van het korte kanon met zijn lage aanvangssnelheid was niet erg goed.

Van infanterieondersteuningswapen naar tankjager[bewerken]

In 1942 werd echter de dreiging van de Sovjet T-34 steeds groter. Omdat de bepantsering van die tank te sterk was voor enig wapen dat de standaard PzKpfw III in zijn toren zou kunnen dragen, nam de Panzerkampfwagen IV, oorspronkelijk ook met het korte 75 mm Lang 24 kanon uitgerust, de taak van hoofdtank over. De productie van de PzKpfw III werd beëindigd. De vrijkomende productiecapaciteit aan PzKpfw III chassis werd hierop omgeschakeld naar de fabricage van het Sturmgeschütz III — maar dit nu veranderd in een primair antitankvoertuig door de inbouw van een langer 75 mm Lang 48 PAK. Een dergelijke wijziging werd trouwens al voorbereid sinds augustus 1938. Op dat moment waren de voorbereidingen voor een enorme verhoging van de productie van de PzKpfw III al zo ver gevorderd dat men zich gedwongen zag de productie van diens chassis volledig door te zetten. Het Sturmgeschütz III werd daardoor het meest gebouwde zwaardere Duitse gevechtsvoertuig uit de geschiedenis. Om toch nog een wapen voor infanterieondersteuning te hebben werd de 10,5cm Sturmhaubitze 42 ontwikkeld. Het oorspronkelijke voertuig werd hierop Sd.Kfz. 142/1.

StuG III Ausf. F/8

De Ausf. F, de eerste 120 nog met een Lang 43 kanon bewapend, werd gebouwd in een aantal van 359 van maart tot september. Hierna werd de romp van de latere Pzkpfw III Ausfuehrungen gebruikt en dit heette men de Ausf. F/8, geproduceerd in een aantal van 334 tot december. Deze versie had al de 50 mm achterkant van het tankmodel, maar nu werd ook de voorkant versterkt door extra 30 mm pantserplaten aan te brengen. Dit model werd in wezen voortgezet in de laatste versie, de Ausf. G, met een verbrede opbouw, waarvan er tot het eind van de oorlog 7720 gebouwd zijn, plus 173 omgebouwd van oudere tanks. Van de Ausf. G bestonden drie varianten. Met de oude geklonken mantel rond het kanon, met de nieuwe gegoten mantel, de zogenaamde Topfblende (en niet Saukopf zoals na de oorlog werd gepubliceerd) zonder machinegeweer in de mantel en met de nieuwe gegoten mantel met machinegeweer in de mantel.

Zo zijn er 9419 gebouwd, waarvan 822 met het Lang 24 kanon: 184 in 1940, 548 in 1941, 789 in 1942 waarvan 90 met het Lang 24, 3011 in 1943, 3840 nieuw en 173 ombouw in 1944, 864 in 1945. De piek in de productie werd bereikt in december 1944 met 452 stuks. In mei en juni 1943 zijn er tien stuks omgebouwd tot Sturmgeschuetz III (Flamm), een vlammenwerper die echter nooit is ingezet.

Op het slagveld[bewerken]

Omdat het StuG III relatief laag gebouwd was, was het moeilijk waar te nemen of te raken. Tegelijkertijd was het wapen ook goedkoop te fabriceren en met zijn 75 mm PAK redelijk goed bewapend. Door het Sturmgeschütz op de juiste manier in te zetten kon ook de goed bepantserde T-34 worden vernietigd. Dit lukte zo goed dat Sovjettankbemanningen de opdracht kregen om nooit een StuG frontaal aan te vallen, maar een omtrekkende beweging te maken en het van opzij of van achter te beschieten. Dit duurde tot 1943 toen er een zwaarder kanon op de T-34 werd gemonteerd. Ook met het verdedigen van posities liet dit kanon zijn sterke kanten zien. De StuG's waren continu in actie waardoor de bemanningen zeer snel gevechtservaring opdeden. Daarom werden StuG-bemanningen later soms bij eenheden ingedeeld die uitgerust waren met de Tiger I tank. De bekendste daarvan was tankcommandant Michael Wittmann. Het StuG III werd op bijna elk front van de Tweede Wereldoorlog ingezet, wat een maatstaf was voor zijn bruikbaarheid.

Achterkant StuG III Ausf. G

Het StuG III werd bij de Artillerie ingezet in onafhankelijke bataljons van 21 voertuigen die in februari 1944 werden hernoemd (maar niet vergroot) tot brigades van 31 voertuigen. Van deze eenheden werden er 57 opgericht. Vier ervan hadden een extra compagnie voor een organieke sterkte van 45. Vaak vormden deze toch bepaald niet al te grote brigades de enige onmiddellijk beschikbare gemechaniseerde reserve op legerniveau. Omdat ze echter geen organieke infanterie of artillerie bezaten, konden ze die rol maar slecht vervullen. Het voertuig was niet erg voor de tegenaanval geschikt: zonder koepel kon het in de beweging slechts langzaam van doel veranderen en was het kwetsbaar in straatgevechten en na storing. Duitse studies tijdens de oorlog toonden aan dat de verliezen in deze functie ongeveer de helft hoger lagen dan bij tanks. Door een schreeuwend tekort aan echte tanks moesten ook de pantserdivisies vaak hun uitgedunde rangen aanvullen met StuG III's. Sommige geprivilegieerde (pantser)infanteriedivisies hadden een organiek StuG III detachement. Ook door een aantal bondgenoten van Duitsland werd het geschut aangeschaft, onder andere door Italië (3), Roemenië (108; Duitse leverstaten melden een aantal van 120), Bulgarije (25; Duitse staten melden een aantal van 55), Spanje (10), Hongarije (40) en Finland (59; 67 volgens Duitse bronnen). Finland gebruikte het StuG III nog tot 1966. Na de oorlog belandden enkele StuGs vanuit Frankrijk in Syrië, dat in 1967 de voertuigen met weinig succes inzette tegen Israël in de Zesdaagse Oorlog.

Technische details[bewerken]

Bepantsering[bewerken]

  • Voor: 50 mm
  • Zijden: 30 mm
  • Achter: 30 mm
  • Dak/Bodemplaat: 19 mm