Gemechaniseerde artillerie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Sowjet 2S5 is een typisch voorbeeld van een stuk gemechaniseerde artillerie dat géén pantserhouwitser is.
De Amerikaanse M109A2/90- pantserhouwitser

Gemechaniseerde artillerie is artillerie die op een rupsaffuit geplaatst is en is voorzien van eigen mechanische voortbeweging. Als er daarnaast sprake is van een gepantserde opbouw, spreekt men meer bepaaldelijk van een pantserhouwitser.

Ontwikkeling[bewerken]

Artillerie werd van oudsher door paarden of ossen getrokken. In de 19e eeuw worden soms stoomtractoren ingezet, in het begin van de twintigste eeuw wat vaker vrachtwagens. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog gebruikt men op kleine schaal rupstractoren. Zelfs die zijn echter niet in staat kanonnen in snel tempo over loopgraafsystemen te verplaatsen. In het begin is dat niet erg relevant omdat het toch niet lukt het vijandelijk front te doorbreken, maar na de introductie van tanks ontstaat de hoop dat die er wél in zullen slagen wat sneller op te rukken dan een honderd meter per dag. In dat geval moet ook de artillerie mee naar voren om de opmars te ondersteunen. De Britten ontwikkelen als hiervoor in 1917 als eerste een stuk gemechaniseerde artillerie: de Gun Carrier Mark I. De Fransen volgen al snel met zowel zeer zware affuiten voor 194 mm en 220 mm stukken (ontwikkeld door Émile François Léon Rimailho), als lichte affuiten op basis van het chassis van de FT-17: de zogenaamde affûts caterpillars automoteurs.

M110 203 mm

Na de oorlog wordt de ontwikkeling van zulke dure voertuigen eerst verwaarloosd. In de jaren dertig begint de Sovjet-Unie op bescheiden schaal met de bouw van nieuwe types, maar als de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, wordt de klemtoon daar volledig gelegd op de productie van tanks. Duitsland daarentegen gaat in toenemende mate over tot de inzet van pantserhouwitsers; onbepantserde rupsaffuiten gebruikt men bij de superzware belegeringsmortieren. Amerika gebruikt zowel gepantserde als ongepantserde affuiten.

Na deze oorlog is er sprake van zowel een geleidelijke vervanging van getrokken door gemechaniseerde artillerie als van een relatieve toeneming van pantserhouwitsers zoals bijvoorbeeld de M109-houwitser, voorzien van 155 mm geschut. Alleen de zware artillerie van 203 mm blijft ongepantserd, zoals de Amerikaanse M107/M110. Deze zware artillerie heeft vaak mede een nucleaire taak.