Filistijnen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De zuidelijke Levant, ca.830 v.Chr.

██ Koninkrijk Juda

██ Koninkrijk Israël

██ Filistijnse stadstaten

██ Fenicische stadstaten

██ Koninkrijk Ammon

██ Koninkrijk Edom

██ Koninkrijk Aram-Damascus

██ Arameeërs

██ Arabische stammen

██ Nabateeërs

██ Nieuw-Assyrische Rijk

██ Koninkrijk Moab

De Filistijnen waren een (zeevarend) volk dat zich aan het eind van het 2e millennium v.Chr. op de kuststrook in het zuiden van Kanaän vestigde en intensieve contacten lijkt te hebben onderhouden met Alashia (Cyprus), Myceens Griekenland en Minoïsch Kreta.[1] De Filistijnen stichtten vijf onafhankelijke stadstaten, die een soort stedenbond vormden (pentapolis). Gedurende de twaalfde en elfde eeuw v.Chr. hadden de Filistijnen de hegemonie in het gebied, maar in de eeuwen daarna werd hun macht steeds meer ingeperkt. Tijdens de neo-Assyrische periode (ca. 800-626 v.Chr.) beleefden de Filistijnse steden opnieuw een periode van bloei. Na de verovering door de Babyloniërs in 604 v.Chr. zijn de Filistijnen geleidelijk opgegaan in omliggende volken.

Dankzij opgravingen in Filistijnse plaatsen wordt er steeds meer bekend over de Filistijnse cultuur. Van belang is met name het Filistijns aardewerk, dat zich door kunstige patronen onderscheidt van Kanaänitisch aardewerk uit deze periode en dat vaak wordt gebruikt om Filistijnse archeologische vondsten te kunnen dateren. Uit de archeologische gegevens blijkt dat de cultuur van de Filistijnen zich in de twaalfde en elfde eeuw sterk onderscheidt van die van de andere volken in de levant, maar dat er vanaf de tiende eeuw steeds meer sprake is van culturele assimilatie aan omliggende culturen. Dit blijkt op gebieden als voeding of taal en schrift, maar ook op het gebied van de godsdienst. Aanvankelijk vereerden de Filistijnen een godin, vermoedelijk de moedergodin uit de Myceense en/of Minoïsche beschaving. Later namen zij ook Kanaänitische en Egyptische goden op in hun pantheon.

In de Hebreeuwse Bijbel worden de Filistijnen vaak genoemd als tegenstanders van de Israëlieten. Daarnaast worden de Filistijnen vermeld in Egyptische, Assyrische en Babylonische bronnen. Ook uit enkele meer recent gevonden Filistijnse inscripties kunnen gegevens worden afgeleid met betrekking tot de Filistijnen.

Etymologie[bewerken]

Het begrip 'Filistijnen' komt, evenals de aanduidingen voor dit volk in andere moderne Europese talen, via het Latijn (Philistinus) en het Grieks (Φιλιστίνοι / Philistínoi),[2] van het Hebreeuwse פלשתים (pəlištîm), de aanduiding van het volk in de Hebreeuwse Bijbel. Pəlištîm wordt gewoonlijk geïnterpreteerd als "inwoners van pəlišet", de zuidwestkust van Kanaän.[3]

Omdat in gelijktijdige of eerdere historische bronnen verwante aanduidingen worden gebruikt (Oud-Egyptisch: Prst, Peleset; Assyrisch-Akkadisch: Palastu en Pilistu),[4] is het aannemelijk dat de Hebreeuwse, Egyptische en Assyrische schrijfwijze een transliteratie vormen van de naam waarmee de Filistijnen zelf hun volk aanduidden.[5] Vergelijk ook de Arabische aanduiding van de Filistijnen (فلسطينيون / filasṭīnīun), waarvan de etymologie niet via het Latijn loopt.

Vaak wordt de volksaanduiding in verband gebracht met de Semitische woordstam p-l-š '(zich) wentelen, (met stof of as) bedekken',[6] dat ook wel met 'migrant' in verband wordt gebracht.[7]

Op grond van de lang vermeende Europese herkomst van de Filistijnen trachten sommigen de etymologie van de volksaanduiding af te leiden uit de Indo-Europese talen. A. Jones stelt dat de naam 'Filistijnen' een verbastering is van het Oud-Griekse φυλὴ ἱστία (phylè histía, met de Ionische spelling ἱστία / histía voor ἑστία / hestía), dat zich laat vertalen als 'stam van de haard'.[8] Hij meent dat het de Filistijnen waren die het gebruik van haarden introduceerden in de Levant. Hij deed deze suggestie nog voordat bij opgravingen in Tel Qasile en Ekron inderdaad haarden zijn aangetroffen in Filistijnse tempels en openbare gebouwen.

Geschiedenis[bewerken]

Oorsprong[bewerken]

Filistijns oorlogsschip, op de dodentempel van Ramses III in Medinet Haboe.

De Filistijnen behoren tot de "zeevolken".[9] Ze worden gewoonlijk gelijkgesteld met de plst (peleset) die in Egyptische bronnen genoemd worden, maar er is ook wel geopperd dat het woord "Filistijnen" door de Israëlieten werd gebruikt om alle zogenaamde "Zeevolken" mee aan te duiden,[10] waartoe dan in ieder geval ook de Sherden en de Tjekker gerekend moeten worden, die in het onomasticon van Amenope (ca. 1100) samen met de prst genoemd worden in verband met Ashkelon, Ashdod en Gaza.[4]

De Filistijnen (plst) worden in Egyptische bronnen genoemd vanaf het eind van de 13e eeuw, maar over de vraag waar zij oorspronkelijk vandaan komen zijn de historici het niet eens.[11] De verschillende volkeren die zijn voorgesteld, zijn: de Myceners, de Minoërs, de Pelasgen en de Hettieten.

De Hebreeuwse Bijbel noemt als plaats van herkomst van de Filistijnen Kafthor,[12] dat vaak wordt gelijkgesteld aan het Egyptische woord Keftiu.[13] Meestal neemt men aan dat hiermee Kreta is bedoeld,[14] hoewel anderen het identificeren als Cyprus.

De meest aanvaarde theorie onder archeologen is tegenwoordig dat de Filistijnen afkomstig zijn uit de Myceense beschaving in Griekenland en via Cyprus aan het eind van de 13e eeuw v.Chr. naar Egypte en Kanaän kwamen.[15] Omstreeks deze tijd ontstonden allerlei volksverhuizingen waarin volkeren zuidwaarts trokken, mogelijk na een catastrofe (een aardbeving, brand, hongersnood of de inval van een ander volk).[16] Voor een herkomst uit Myceens Griekenland en een verband met Cyprus pleiten archeologische vondsten, waaronder aardewerk, architectuur en inscripties. Dit sluit echter een oorspronkelijke herkomst uit het Minoïsch Kreta, die met name in oudere literatuur genoemd wordt,[13] niet uit, aangezien de Minoïsche beschaving vaak beschouwd wordt als de voorloper van de Myceense beschaving.

Sommigen vermoeden dat de Filistijnen Myceense strijders waren, op drift na de val van Troje, waarna ze over zee Egypte en Judea bereikten.[17] De meesten die uitgaan van een Myceense herkomst van de Filistijnen zijn echter minder specifiek in hun aanduiding.

Een afkomst van de Pelasgen is ook voorgesteld op basis van de naamsverwantschap tussen Pelasgen en Kafthor en Keftiu.[18]

Enkelen zoeken de afkomst van de Filistijnen in zuidwestelijk Klein-Azië en menen dat de Filistijnen Hettieten zouden zijn.[19] Als eerste argument haalt men aan dat in bijbelvertalingen tot de 5e eeuw (Septuagint, Vulgata, Pesjitta, Targum) Kafthor wordt vertaald als Cappadocië, dat was gelegen in het Hettietenrijk.[20] De inwoners van Ashdod worden door Sargon II in 711 v.Chr. Hettieten genoemd. De Hettieten hadden een monopolie op ijzerbewerking, wat ook voor de Filistijnen zou gelden. De Hettieten hadden net als de Israëlieten ook richteren (tarawanas). De Hettitische oppergod Dagan-zipas en een andere Hettitische god Zababa of Ziparwa lijken dezelfde te zijn als de door de Filistijnen vereerde Dagan en Baäl-Zebub. Riemschneider, de verdediger van deze theorie, stelt ook dat het aardewerk dat als Filistijns wordt bestempeld in het hele oostelijk Middellandse Zeegebied wordt aangetroffen en dus niet als argument kan worden gebruikt.[21]

De "Genesis Filistijnen" (2e millennium v.Chr.)[bewerken]

De Filistijnen worden enkele malen genoemd in Genesis (in de Hebreeuwse Bijbel) in verband met Abraham en Isaak.[22] Daarmee wordt de term 'Filistijnen' gebruikt met betrekking tot een periode die veel eerder in het tweede millennium ligt dan de tijd dat de Filistijnen zich aan de zuidwestkust van Kanaän vestigden.

De meeste onderzoekers beschouwen de vermelding van de Filistijnen in deze gevallen als een anachronisme: Genesis gebruikt terminologie uit later tijd, waaraan niet te veel historische waarde gehecht moet worden.[23]

Anderen wijzen deze opvatting af en nemen aan dat gedoeld wordt op een eerdere invasie van zeevolken in het gebied, die vanwege de verwante afkomst door Genesis worden aangeduid als 'Filistijnen'.[24] Daarbij wordt soms verwezen naar archeologische vondsten die vóór de twaalfde eeuw gedateerd moeten worden en een Myceens karakter hebben, zoals een Myceens graf bij Tel Dan en een nederzetting van Shardana bij El-Ahwat.[25] Beide vondsten kunnen niet goed verklaard worden vanuit handelscontacten (zoals wel het geval is bij de talrijke Myceense aardewerkvondsten die dateren van vóór de twaalfde eeuw).

Uitgaande van een oorspronkelijk Minoïsche afkomst wijst B.G. Wood bovendien op de Schijf van Phaistos, die nog niet is ontcijferd, maar waarop het meest voorkomende teken een gevederd hoofd is, dat duidelijk overeenkomsten vertoont met de afbeelding van Filistijnen (of verwante zeevolken) op de dodentempel van Ramses III in Medinet Haboe.[26] Ook wijst hij op aanwijzingen dat handelaren vanuit de Minoïsche beschaving handelskolonies stichtten in Syrië, Kanaän en Egypte, evenals de vergelijkbare wijze waarop havens op Kreta en in de Levant waren gebouwd en op de vondst van uit Kreta geïmporteerd Minoïsch aardewerk met inscripties op Tel Haror, het Gerar uit Genesis.[26]

Als er inderdaad al aan de Filistijnen verwante volken in Kanaän woonden, is het mogelijk dat sommige archeologische vondsten in Kanaän die een Myceens of Minoïsch karakter dragen met de Filistijnen in verband staan. Maar anders dan de Filistijnen die zich vanaf ca. 1175 in Kanaän vestigden, onderscheidden zij zich cultureel minder van de inheemse Kanaänitische bevolking. Dit behoeft op zich niet vreemd te zijn, omdat een bevolkingsgroep die in de minderheid is (en daardoor lager op de sociale ladder staat) eerder de neiging heeft zich te assimileren aan de cultuur waarin deze leeft.[25]

De vestiging van de Filistijnen in de Levant (ca. 1200-1175 v.Chr.)[bewerken]

Filistijnse (?) (en andere) krijgsgevangenen op de dodentempel van Ramses III in Medinet Haboe.

Aan het begin van de 12e eeuw v.Chr. (ca. 1200-1175 v.Chr.) vestigden de Filistijnen zich aan de zuidwestkust van Kanaän.

De oudste theorie rond de vestiging van de Filistijnen in de Levant is dat ze krijgsgevangengenomen waren in de strijd van Ramses III tegen de Zeevolkeren en vervolgens werden ingezet als een soort van huurlingen om de oostgrens van Egypte (die toen reikte tot aan de Levant) te beschermen.[27] In deze theorie zou in 1187 v.Chr. bij tegenaanvallen van de farao tegen de invasies van de Zeevolken het deel van Kanaän vernietigd worden dat later Israël en Judah werd. Later zouden deze volken (Filistijnen, Tjekker en mogelijk ook Denyen) zich aan de kustweg mogen vestigen ("De weg van de Filistijnen"). Men baseerde zich hierbij vooral op de Papyrus Harris I.[28] en de inscripties op de dodentempel in Medinet Habu van Ramses III. Volgens een andere theorie zouden de Filistijnen via Anatolië naar het zuiden zijn getrokken, waarbij hen pas een halt werd toegeroepen door de Egyptenaren. Na een onbesliste strijd zouden ze zich gevestigd hebben aan de zuidwestkust van de Levant op de vruchtbare vlakte die ze kort tevoren al plunderend waren doorgetrokken.[29] Sommige historici vragen zich echter af, of de Filistijnen wel ooit zijn verslagen.[30] Het is zelfs mogelijk dat Ramses III een nederlaag leed tegen de zeevolkeren (en Filistijnen?), want de Egyptische invloedssfeer lijkt in die periode te krimpen. Hier is tegen ingebracht dat buiten het gebied van de Filistijnen bepaalde steden nog wel onder Egyptische invloed stonden (o.a. Lachis en Beet She'an).[31] Omdat de Filistijnen zich meestal vestigden op de restanten van verwoeste Kanaänitische steden, stellen sommige historici dat deze door de Filistijnen zelf moeten zijn verwoest.[32] Anderen wijzen er echter op dat de Filistijnse cultuur te veel een mengcultuur was om die van veroveraars te zijn en dat het veel waarschijnlijker is dat ze gewoon hebben geprofiteerd van de situatie (zoals die was geworden door de invallen van de zeevolkeren) om zich te vestigen in de Levant.[33]

Onafhankelijke Filistijnse pentapolis[bewerken]

Oprichting en opkomst (ca. 1175-1000 v.Chr.)[bewerken]

Overblijfselen van een opslagplaats voor voorraden in Tel Qasile (11e eeuw).

Aan de zuidwestkust van Kanaän stichtten de Filistijnen vijf stadstaten, die zich verenigden in een pentapolis (vijfstedenbond), een soort handelsliga en militaire coalitie.[34] Tot de pentapolis behoorden Ashkelon, Ashdod, Gaza, Ekron en Gat.

De Bijbel vermeldt met betrekking tot de 12e en 11e eeuw verschillende confrontaties tussen de Filistijnen en de Israëlieten, waarbij de Filistijnen meestal de overhand hebben. Bekend zijn de verhalen over Simson, de wegvoering van de Ark van het Verbond, en het gevecht waarbij David de reus Goliath om het leven brengt.[35] De bijbelse beschrijving is mede door ideologie ingegeven: de machtige Filistijnen hebben de overhand op Israël, tenzij JHWH de Israëlieten te hulp komt.[36] Dat de Filistijnen in deze periode niet veel militaire dreiging ervoeren, blijkt uit het gegeven dat zij hun steden uitbreidden buiten de stadsmuren.[37] De toenemende verspreiding van Filistijns aardewerk in deze periode duidt bovendien op handelscontacten tussen Filistijnen en Israëlieten, zij het op beperkte schaal.[38]

Tegen het einde van de elfde eeuw hadden de Filistijnen de hegemonie in het gebied.[39] In de Bijbel wordt dit verklaard doordat zij het monopolie op ijzerbewerking zouden hebben.[40] Vanuit de archeologie gezien is het inderdaad aannemelijk dat de Filistijnen degenen waren die ijzer in het gebied introduceerden,[41] al zal dit niet de enige oorzaak voor de Filistijnse hegemonie zijn geweest.

De Filistijnse cultuur in deze periode onderscheidt zich sterk van die van de andere volken in Kanaän. Het beeld van een inferieure Filistijnse cultuur, dat sommigen uit de Bijbeltekst opmaken, is echter niet correct. Tekstvondsten uit Ashkelon (in een aan het Cypro-Minoïsch verwant schrift) laten zien dat de Filistijnen geletterd waren en uit tekstvondsten in Ugarit blijkt dat de Filistijnen in deze periode actief handel dreven over zee.[42] De Filistijnse cultuur onderscheidt zich in deze periode duidelijk van die van de andere volken in Kanaän en vertoont overeenkomsten met de Griekse (in het bijzonder de Myceense) cultuur. Er is echter in toenemende mate sprake van culturele uitwisseling met de Israëlieten over en weer, en tegen het einde van deze periode vindt er steeds meer culturele assimilatie plaats aan met name de Fenicische en Egyptische cultuur.[43]

Filistijnen tussen de machten (ca. 1000-800 v.Chr.)[bewerken]

Aan het begin van de tiende eeuw kwam er een einde aan de Filistijnse hegemonie in het gebied. Rond 980 werden Ashdod,[44] Ekron[45] en Tel Qasile[46] verwoest en Timna werd verlaten.[47] De verwoestingen worden vaak toegeschreven aan koning David,[46] maar er is ook wel geopperd dat farao Siamun hiervoor verantwoordelijk was.[48] Ashdod en Ekron bleven in Filistijnse handen, al bleef Ekron tot aan de Neo-Assyrische periode een relatief kleine plaats. Ashdod werd zwaar versterkt,[44] wat impliceert dat men zich bewust was van militaire dreiging. Tel Qasile en Timna werden na enige tijd herbouwd als Israëlitische plaatsen. Daarmee lijkt het erop dat de Filistijnen met name het noordelijk deel van hun gebied moesten afstaan aan de Israëlieten, die juist in die tijd op het toppunt van hun macht waren onder David en Salomo. Ook de Hebreeuwse Bijbel geeft aan dat de Israëlieten in deze tijd steeds vaker de overhand hadden over de Filistijnen.[49] Er is wel geopperd dat de Filistijnen in deze periode vazallen van Israël waren,[39] maar anderen trekken deze bewering in twijfel.[23] Hoe het ook zij, opgravingen maken duidelijk dat in ieder geval Gat in deze periode juist bleef groeien in omvang en welvaart.[50]

Het lijkt erop dat de Filistijnen in deze periode goede relaties onderhielden met Egypte, want bij de veldtocht van farao Sjosjenq I in Kanaän aan het begin van de tiende eeuw, werd het gebied van de Filistijnen ontzien.[39] Hieruit wordt wel opgemaakt dat de Filistijnen in deze periode een verdrag hadden met Egypte, om zo sterker te staan tegenover het Israëlitische rijk.[51]

Vanaf het einde van de tiende eeuw hadden de Filistijnen van de Israëlieten niet veel meer te vrezen. Het koninkrijk van David en Salomo viel in die tijd uiteen in een noordelijk koninkrijk Israël en een zuidelijk koninkrijk Juda. De Hebreeuwse Bijbel vermeldt nog wel enkele schermutselingen,[52] maar deze lijken beperkt van omvang en zonder veel gevolgen.[23] De omvang en betekenis van Ekron nam in de negende eeuw weliswaar nog iets verder af, maar Ashdod groeide snel en de plaats Gath bereikte zelfs het hoogtepunt van haar bloei.[53]

Aan het einde van de 9e eeuw werd Aram-Damascus een factor van betekenis en de Aramese koning Hazaël ondernam een veldtocht in het gebied.[54] Daarbij werd Gat zwaar verwoest.[55] Uit opgravingen blijkt dat aan de verwoesting een zware belegering voorafging, waarvan de resten nog steeds duidelijk zichtbaar zijn.[56] Hoewel een klein deel van de stad herbouwd werd, zou deze in de verdere Filistijnse geschiedenis geen rol van betekenis meer spelen.[55] De overige Filistijnse steden lijken overigens niet te lijden gehad onder Aram-Damascus.

Neo-Assyrische periode (ca. 800-626 v.Chr.)[bewerken]

In de Neo-Assyrische periode zijn de Filistijnen, zoals ook andere volken in het gebied, schatplichtig aan de Assyriërs, zoals blijkt uit een inscriptie van Adad-Nirari III uit 796 v.Chr. die de Filistijnen vermeldt onder de vele tribuutplichtige volkeren.[57] Adad-Nirari's inscriptie is de oudste vermelding van de Filistijnen in Assyrische bronnen. Onder de Assyriërs kende Filistia een culturele en economische heropleving.[58]

In 734 v.Chr. veroverde Tiglat-Pileser III Gaza.[59] Toch ging hij niet tot deportaties over, zoals de gebruikelijke reactie was van de Assyriërs op een opstand.[60] Bovendien mocht Chanunu, de koning van Gaza die naar Egypte was gevlucht, naar Gaza terugkeren als vazalkoning onder de Assyriërs. Daaruit wordt wel opgemaakt dat de Assyrische verovering van Gaza niet zozeer door een opstand van de koning van Gaza werd ingegeven, maar eerder door economische belangen.[61] Controle over Gaza was voor de Assyriërs zowel strategisch van belang (als bruggenhoofd dichtbij Egypte) als economisch, omdat het hen controle opleverde over belangrijke handelsroutes, zowel over zee als over land.[23] Ook de maatregelen die de Assyriërs na de verovering namen, wijzen in deze richting. Zij stelden een handelsboycot in tegen het machtige Tyrus, dat voor die tijd handel dreef met de Filistijnen en via de haven van Gaza met Egypte. Ook hieven zij tol over de goederen die in Gaza verhandeld werden.[62]

Aanvankelijk werd Mitinti van Ashkelon, samen met Khazatti van Gaza, nog genoemd onder de koningen die schatting afdroegen aan Tiglat Pileser,[63] maar in 733 kwam Ashkelon tegen Tiglat-Pileser III in opstand, doordat Mitinti zich aansloot bij een anti-Assyrisch bondgenootschap van de koningen van Damascus en Israël. De coalitie leed echter een nederlaag tegen de Assyriërs. De inwoners van Ashkelon wisten ingrijpen van Tiglat-Pileser echter te voorkomen door Mitinti af te zetten en hem te vervangen door de pro-Assyrische Rukibtu.[64]

Ekroninscriptie (Israel Museum, Jeruzalem).

Na de dood van de Assyrische koning Salmanasser V kwamen verschillende vazallen van de Assyriërs in opstand, waaronder ook Chanunu, die nog steeds heerste over Gaza en nu de zijde van Egypte koos. Sargon II, de nieuwe Assyrische koning, veroverde Gaza echter en zette Chanunu af (ca. 720 v.Chr.). Enkele jaren later kwam Ashkelon in opstand, maar Sargon wist ook deze stad weer onder Assyrische heerschappij te krijgen (713-711 v.Chr.).[23] Ook Ashdod kwam kennelijk in opstand, want Sargon richtte ook hier zware verwoestingen aan met veel slachtoffers.[44] De laatste Filistijnse opstand die in Assyrische bronnen vermeld wordt, vond plaats na de dood van Sargon II, toen de Filistijnen zich aansloten bij een anti-Assyrische coalitie, geleid door Hizkia van Juda. Padi, de kennelijk pro-Assyrische vorst van Ekron, was daarbij door de inwoners van Ekron uitgeleverd aan Hizkia. Ondanks Egyptische steun aan de coalitie, slaagde de nieuwe Assyrische koning Sanherib erin het gebied te heroveren (701). De koning van Askalon, zijn vrouw, zonen, dochters en broers werden als ballingen meegenomen naar Assyrië. Ashkelon, Ekron en Gat werden ingenomen en pro-Assyrische vorsten werden over de Filistijnse steden aangesteld.[65] Ashdod werd tot een Assyrische provincie gemaakt.[66]

Tijdens de laatste 50 jaar dat de Assyriërs de heerschappij over het gebied voerden, bleven de Filistijnen loyaal aan de overheersers. Vier Filistijnse vorsten worden zelfs met name genoemd als bondgenoten van Assurbanipal, tijdens zijn veldtocht naar Egypte (667).[23] In deze periode werd Ekron een economische factor van betekenis in het gebied. Met meer dan 115 olijfolieinstallaties werd de stad de grootste olijfolieproducent die tot nu toe uit de oudheid bekend is.[67] De stad werd bovendien uitgebreid met een grote tempel, gewijd aan de godin van de stad (Asherah?), zoals blijkt uit de Ekroninscriptie (waarop tevens de namen van vijf generaties koningen van Ekron vermeld staan).

Neo-Babylonische periode (ca. 626-600 v.Chr.)[bewerken]

De opkomst van het Neo-Babylonische rijk betekende een terugslag voor het gebied van de Filistijnen. De ondergang van het Assyrische Rijk beroofde hen van een belangrijke afzetmarkt voor de producten die ze exporteerden. De economie van Ekron en Ashdod, die in de Neo-Assyrische periode tot een hoogtepunt was gekomen, liep nu terug.[68]

Uiteindelijk overleefde de Filistijnse pentapolis de Babylonische periode niet. De Babylonische koning Nebukadnezar II lijfde het gebied in 604, kort na het begin van zijn regering, in bij het Babylonische rijk, waarbij een deel van de bevolking (in ieder geval de elite) in ballingschap werd weggevoerd.[23] Uit een in Saqqara gevonden brief blijkt dat de laatste koning van Ekron nog wel de hulp had ingeroepen van de Egyptenaren, maar kennelijk tevergeefs.[69] De Filistijnen (of in ieder geval de Filistijnse aristocraten) werden weggevoerd in ballingschap naar Babylonië. In een administratieve tekst uit Babylonië wordt melding gemaakt van de koningen van Gaza en Ashdod, die daar in ballingschap verblijven.[70] Hiermee verdwijnen de Filistijnen als volk uit de geschiedschrijving van de oudheid. Wel wordt het gebied waar de pentapolis zich bevond nog geruime tijd aangeduid als het "land van de Filistijnen".[71]

Filistijnse stadstaten[bewerken]

██ Steden behorend tot de Filistijnse pentapolis

██ Steden buiten het Filistijnse gebied

Vijf Filistijnse stadstaten zouden zich verenigen in een pentapolis (vijfstedenbond), een soort handelsliga en militaire coalitie, die bestond uit Ashkelon, Ashdod, Gaza, Ekron en Gat. Daarnaast waren er nog enkele kleinere Filistijnse plaatsen die geen zelfstandige positie binnen de stedenbond hadden en afhankelijk waren van de steden van de pentapolis. Enkele van deze kleinere plaatsen zijn Timna, dat onder het bestuur van Ekron viel, en Tel Qasile, vermoedelijk bestuurd vanuit Ashdod.[72]

De vijfstedenbond stond onder leiding van de sərānîm (סְרָנִים, "heren" of "koningen", cf. tyrannos) van de vijf steden.[73] Deze "vorsten" worden in de Hebreeuwse Bijbel altijd in het meervoud vermeld en schijnen gelijkwaardig te zijn geweest. Op de Ekroninscriptie wordt de vorst van Ekron aangeduid als Phoenician res.pngPhoenician sin.png (šr), dat in klank verwant is aan de enkelvoudsvorm van sərānîm. Assyrische bronnen spreken over 'koningen', maar vergelijking met de Ekroninscriptie toont dat hiermee nog steeds is gedoeld op dergelijke stadsvorsten.

Vermoedelijk hadden de Filistijnen van het begin af aan een stedelijke cultuur en woonden de meeste Filistijnen in een van de vijf steden van de pentapolis. Hiervoor pleit het geringe aantal nederzettingen met een meer agrarisch karakter in het gebied,[72] hoewel zowel landbouw als veeteelt (met name schapenhouderij) er wel voorkwam.[74]

De Filistijnen bouwden hun steden op de resten van door hen verwoeste Kanaänitische steden. De bouw van de nieuwe steden vond plaats volgens een duidelijk ontwerp. In Ekron waren bijvoorbeeld aparte stadsdelen voor de aristocraten, voor industrie en voor bewoning door gewone burgers.[74] Niet alleen de steden van de pentapolis, maar ook een aantal kleinere Filistijnse steden, werden omgeven door stadsmuren en andere versterkingen, waardoor ze goed te verdedigen waren.[75]

De bevolking in de Filistijnse steden leefde vooral van de industrie en de handel. De havens van Gaza en Ashkelon maakten handel over zee mogelijk.[74] Ashkelon was bovendien een groot wijnproducent en -exporteur.[76] Ekron groeide in de zevende eeuw uit tot de grootste olijfolieproducent uit de oudheid[67] en exporteerde daarnaast nog wol.[77] Ashkelon had vermoedelijk weverijen.[74] Bij opgravingen in Gat is een benen gereedschapwerkplaats gevonden.[78]

Cultuur[bewerken]

Filistijns aardewerk[bewerken]

Filistijns aardewerk
Filistijnse bierkruik. Naast lineaire en cirkelvormige motieven, waren afbeeldingen van vissen (hier aan de bovenzijde van de kruik) of vogels een geliefd thema op Filistijns aardewerk

De vroegste Filistijnse monochrome keramiek dateert uit de vroege ijzertijd. Doordat er een opvallende gelijkenis is met het Myceense monochrome aardewerk uit de late bronstijd (1550-1220/1150 v.Chr.) wordt deze fase in het wetenschappelijk onderzoek "Myceens III C:1" genoemd.[79] De meest voorkomende types waren skyphoi (klokvormige (drink)kommen), kraters, kommen met gerond of geknikt profiel en handvatten, kalathoi (lelievormige kruiken), stijgbeugelkannen (kruiken met "stijgbeugel"-handvatten), (zeef- of kook-)kruiken en babyflessen.[80] Het vaatwerk werd met mat rode of bruine geometrische, lineaire of andere motieven (zelden picturale) op een licht vaalgele achtergrond versierd.[80] Hoewel men vroeger heeft gesuggereerd dat deze keramiekstijl zou wijzen op een pre-Filistijnse immigratie,[81] is de huidige opvatting dat zowel het "Myceens III C:1" als het latere ijzertijd I-aardewerk een fase is in de ontwikkeling van eenzelfde cultuur.[82]

In de 12e eeuw v.Chr. ontstaat het Filistijnse bichrome aardewerk, waarbij de vormen van de "Myceens III C:1" deels zullen worden bewaard maar ook nieuwe vormen van de aangrenzende gebieden worden overgenomen, zoals cilindrische flessen en hoornvormige vaten (Cyprus), kruiken met een hoge hals (Egypte) en "bar-handled" kommen en pyxides (Kanaän).[83] Het vaatwerk wordt nu in een bichrome stijl versierd waarbij de motieven uit de "Myceens III C:1"-stijl worden behouden en nieuwe motieven van naburige volkeren worden overgenomen. Deze motieven worden in zwart en rood op een door een dikke witte sliblaag gevormde achtergrond aangebracht.[83] De door Trude Dothan voorgestelde drie fasentheorie stelt dat in een eerste fase (12e eeuw v.Chr.) er nog een sterke invloed van de "Myceens III C:1"-stijl was en men complexe motieven op bichrome wijze aanbracht op een dikke witte slibachtergrond. Vervolgens nam in een tweede fase (eind 12e - begin 11e eeuw v.Chr.) het gebruik van wit slib als achtergrond en complexe decoratieve motieven af. In een derde fase tenslotte (tweede helft 11e eeuw - begin 10e eeuw v.Chr.) was degeneratie in vorm en decoratie te zien waarbij de bichrome beschildering plaats moest maken voor een zwarte monochrome beschildering (soms op een rode slibachtergrond).[81] Opgravingen in Tel Qasile hebben echter aangetoond dat er overlapping bestond tussen deze drie fases.[84] Desalniettemin blijft Dothans theorie van een ontwikkeling in drie fasen interessant voor de indeling van het aardewerk in deze periode.[83]

Andere archeologische opgravingen[bewerken]

Het archeologisch onderzoek met betrekking tot de Filistijnen is pas rond 1960 op gang gekomen.[23] Inmiddels zijn of worden echter in vier van de vijf steden van de pentapolis grootschalige opgravingen verricht. Alleen in Gaza is dit niet mogelijk, omdat de oude stad onder de moderne stad ligt.[23] Ook in enkele kleinere Filistijnse plaatsen zijn opgravingen verricht, waarvan vooral de opgravingen in Tel Qasile van belang zijn voor de kennis over de Filistijnse cultuur en godsdienst. In Nahal Patish is in 2007-2008 een met Tel Qasile vergelijkbare Filistijnse nederzetting opgegraven. Daarbij is een tempel met Filistijnse cultusobjecten aangetroffen, maar de resultaten van de opgraving zijn nog niet officieel gepubliceerd.[85]

Ook enkele vondsten van buiten het Filistijnse gebied (onder meer Beet She'an en Bet Shemesh) werpen mogelijk licht op de cultuur van de Filistijnen, al onderschrijven niet alle onderzoekers het Filistijnse karakter van deze vondsten.

Ashdod[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Ashdod voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Ashdod is de eerste stad van de pentapolis waar systematische opgravingen zijn verricht (1962-1972, onder leiding van Moshe Dothan). De aardewerkvondsten die bij deze opgravingen zijn gedaan, hebben een belangrijke rol gespeeld in het onderzoek naar de fasering en datering van het Filistijns aardewerk.[86]

De belangrijkste vondst uit de vroege Filistijnse periode (1200-1000 v.Chr.) is een figurine van een godin, gezeten op een troon (een zgn. "Ashdoda", genoemd naar Ashdod). De figurine is typisch Filistijns, maar vertoont sterke overeenkomsten met afbeeldingen van de Moedergodin, zoals die in Mycenië vereerd werd.[87] Bij latere opgravingen in andere Filistijnse steden zijn soortgelijke figurines uit dezelfde periode aangetroffen.

Uit de periode 1000-800 v.Chr. is een cultusstandaard gevonden, waarop 5 figurines staan afgebeeld die muziekinstrumenten bespelen, onder een processie.[88] De vondst wijst mogelijk op de opkomst van de Dagonverering, die in deze periode aan Ashdod wordt toegeschreven.[89]

Ekron[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Ekron en Ekroninscriptie voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

In Ekron (Tel Miqne) zijn van 1981 tot 1996 opgravingen verricht onder leiding van Trude Dothan en Seymour Gitin. Daarbij is een tempel gevonden uit de periode 1200-1000 v.Chr. De architectuur van de tempel heeft dezelfde kenmerken als de tempels in Tel Qasile (licht gekromd, met een haard in de centrale ruimte) en vertoont daarmee overeenkomsten met Cypriotische heiligdommen in Enkomi en Kition.[45]

De vondsten uit de 7e eeuw v.Chr. bieden een goed beeld van de welvaart en economie van de stad. Uit deze periode is een grote tempel aangetroffen, die blijkens de Ekroninscriptie is opgedragen aan een godin. De inscriptie is van belang omdat het de identificatie Tel Miqne met Ekron zeker maakt, maar ook met betrekking tot de gegevens die het biedt voor de bestudering van de Filistijnse geschiedenis, taal en godsdienst.

Tel Qasile[bewerken]

Straat uit de woonwijk van Filistijns Tel Qasile
Nuvola single chevron right.svg Zie Tel Qasile voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

In Tel Qasile zijn meerdere opgravingen verricht, eerst door Benjamin Mazar (1949-1951, 1956), later door zijn neef Amihai Mazar (1971-1974, 1982-1992). De tell is slechts van 1150 tot 980 door Filistijnen bewoond, maar de vondsten van Tel Qasile worden binnen het Filistijnenonderzoek op hoge waarde geschat. In Tel Qasile is een dichtbevolkte Filistijnse woonwijk opgegraven, bestaande uit lange, rechte straten met aan beide zijden regelmatige huizenblokken.[90]

De belangrijkste vondst in Tel Qasile is echter die van drie tempels die achtereenvolgens in de stad hebben gestaan. De tempels zijn gebouwd met een lichte kromming in de as van het gebouw en met een haard in de centrale ruimte en zitbanken langs de binnenmuren. Een kleine, afgescheiden ruimte die in de tempels is aangetroffen, deed mogelijk dienst als 'heilige der heiligen'.[86] Evenals de tempel in Ekron in deze periode, vertonen de tempels van Tel Qasile grote overeenkomsten met tempels op Cyprus en zuidelijk Griekenland uit de periode van de Myceense beschaving.[91] Het 'huis' van de Kanaänitische god Horon, daterend uit de 12e eeuw v.Chr. is in dit Filistijns stadje nabij Tel Aviv op maagdelijke grond gebouwd.[92] Bij het tempelcomplex is een groot aantal cultusvoorwerpen gevonden.

Gat[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Gat en Goliathinscriptie voor de hoofdartikelen over dit onderwerp.

In Gat worden vanaf 1996 opgravingen verricht, onder leiding van Aren Maeir. Het archeologisch belang van Gat is onder meer dat juist in de 9e eeuw v.Chr. de stad haar bloeitijd beleefde, terwijl de andere Filistijnse steden in deze periode juist klein waren. Ook in Gat zijn veel cultusobjecten aangetroffen. Opmerkelijk is de vondst van een set Egyptische godenbeeldjes uit het einde van de 10e of het begin van de 9e eeuw v.Chr., die getuigt van culturele assimilatie aan de omliggende culturen.[93]

De Goliathinscriptie is een van de belangrijkste vondsten uit het Filistijns Gat en biedt waardevolle gegevens voor de ontwikkeling van de Filistijnse taal en het Filistijnse schrift.

Ashkelon[bewerken]

In Ashkelon is tussen 1920 en 1924 kleinschalig archeologisch onderzoeken verricht, maar vanaf 1985 vinden er systematische opgravingen plaats, onder leiding van Lawrence E. Stager en Douglas W. Esse. In Ashkelon is een aantal handvatten van lokaal vervaardigde aardewerken kruiken gevonden uit de twaalfde of elfde eeuw v.Chr., die inscripties bevatten in Cypro-Minoïsch schrift en daardoor niet alleen pleiten voor een afkomst van Cyprus, maar ook aantonen dat de Filistijnse cultuur reeds in deze periode een geletterde cultuur was.[94] Het beeld dat uit de opgravingen bij Ashkelon naar voren komt met betrekking tot het voedsel van de Filistijnen, komt overeen met dat van Ekron en Gat.[23]

Beit She'an[bewerken]

In Beet She'an (Kanaän) zijn opgravingen verricht tussen 1921 en 1933, en later in 1983 en vanaf 1989 tot 1996. Uit de opgravingen blijkt dat in de stad tussen de 13e en de 10e eeuw zowel Kanaänieten woonden als groepen die tot de zeevolken behoren en daarmee verwant zijn aan de Filistijnen. Er zijn verschillende tempels uit deze periode opgegraven, waaronder twee naast elkaar gelegen tempels in het lagere deel van Beit She'an, die bij de eerste opgravingen zijn gekarakteriseerd als de in de Hebreeuwse Bijbel genoemde Filistijnse 'tempel van Ashtoreth' (I Samuël 31:10) en 'tempel van Dagon' (I Kronieken 10:10) in Beit She'an, al is deze identificatie niet door inscripties bevestigd.[95] De Bijbel vertelt wel dat het in dit Huis van Ashtoreth in Beit She'an was dat de Filistijnen triomfantelijk de wapenrusting van de verslagen Hebreeuwse koning Saul tentoonstelden.

Een terracotta staander voor gebruik in de tempel en daterend uit de bronstijd (2000-1600 v.Chr.) beeldt een huis in drie verdiepingen uit, met in het open raam van de bovenste een vrouw, in het midden een man, en onderaan een slang die uit een venster naar boven kruipt. Over het gebruik van dit voorwerp in een cultus tast men nog in het duister.[96]

Ook de triomfstele Seti I, gedateerd 1305-1290 v.Chr., is in Beth She'an gevonden, waarop hij zijn overwinning op 'Palestijnen' en Syriërs vermeldt.[97] In deze stad was in die dagen een Egyptisch garnizoen gelegerd.

Verder zijn in Beth She'an verschillende terracotta sarcofagen gevonden uit de 12e eeuw v.Chr., met een anthropoïde vorm in Egyptische stijl, waarvan er in elk geval vijf met de Zeevolken in verband worden gebracht, omdat op deze sarcofagen hoofdtooien zijn aangebracht die vergelijkbaar zijn met die van de Zeevolken op de reliëfs van Medinet Habu.[98]

Slangencultus voorwerpen uit meerdere plaatsen[bewerken]

In de tempels van Beit She'an zijn diverse cilindervormige cultusstandaarden die op een slangencultus wijzen gevonden, versierd met slangen.[99] Ook is hier een slangenkoker uit de tijd van Ramses II (ca. 1292-1225) opgegraven die overeenkomsten vertoont met op Kreta gevonden slagenkokers, samen met Astarteplaketjes die allemaal een priesteres met slang rond de nek afbeelden.[100]

Hutchinson is samen met Evans van mening dat slangenkokers met een huiseredienst van de slang[101] verband houden, zoals die over de Middellandse Zeekust verbreid was met steunpunt in (oorspronkelijk Minoïsch) Kreta, waar door Evans, in Knossos ook het beeld van de Slangengodin is gevonden.

Een ander stuk dat in Beit She'an werd gevonden beeldt de godin of opperpriesteres (Baälat) af, uit het raam van een heiligdom leunend, met een slang die vanuit een dieper gelegen ruimte tevoorschijn komt. Nog een interessante ontdekking in deze tempel was een terracottaslang met vrouwenborsten, symbool van de wijze vrouwelijke scheppingskracht uit de oertijd.

Op andere plaatsen in Kanaän zijn vergelijkbare vondsten gedaan, maar in die gevallen is de relatie met de Filistijnen niet algemeen aanvaard.

In Beth Shemesh werden kruiken met slangen opgegraven samen met een figuur van de godin met een slang die over haar schouder neerdaalde.[102] Beth Shemesh lag dicht bij Ekron, Timna en Tel Qasile die zich ongetwijfeld in Filistijns gebied bevonden. In Beth Shemesh is uit de periode 1200-1050 inderdaad ook Filistijns aardewerk opgegraven, al is de architectuur van het stadje uit deze periode niet Filistijns, maar Kanaänitisch.[103] Dat in de nabijgelegen Filistijnse plaatsen geen slangenvondsten uit deze periode zijn aangetroffen, zou het twijfelachtig kunnen maken of de kruikenvondst in Beth-Shemesh wel aan de Filistijnen moet worden toegeschreven, maar voor het ontbreken daarvan kunnen ook andere redenen zijn. Zo merkt Merlin Stone op, dat het waarschijnlijk lijkt dat het merendeel van beelden en kunstvoorwerpen in Kanaän, die met de vrouwelijke godheid en haar slang hadden te maken, is vernietigd ten tijde van de door de Levieten geleide Hebreeuwse bezetting.[102]

In Taänach zijn slangenhoofden gevonden samen met een klein figuurtje dat een slang vasthield. Daar was ook een bronzen figuur van Ashtoreth met de inscriptie dat de Godin orakels gaf door met de vinger te wijzen.[102] Hoewel er enig Myceens aardewerk uit de 14e eeuw v.Chr. is gevonden, worden de cultische vondsten uit Taänach algemeen als Kanaänitisch (en niet als specifiek Filistijns) gekarakteriseerd.[104]

Ook in Tel Beit Mersim zijn veel Astarteplaketten gevonden, waaronder een met alweer een slang die rond de godin kronkelt. Het stuk is zwaar verminkt, maar de slang is duidelijk zichtbaar. Daar is ook een zuil gevonden in een laag uit ongeveer 1600 v.Chr., gebeeldhouwd met de voorstelling van een godin met een slang rond haar lichaam kronkelend.[105] Zij dateert uit ongeveer dezelfde tijd als de aardewerk figuur van de Slangengodin die in de tempelschatkamers van Knossos werd gevonden, aldus Hutchinson, die daaruit concludeert: "een soortgelijke Slangengodin schijnt in het Bronstijdperk in Palestina vereerd te zijn".[106] Bij de opgravingen in Tel Beit Mersim concludeerde William F. Albright die de opgravingen verrichtte, op grond van Filistijnse aardewerkvondsten, dat de plaats in de periode 1175-1000 door Filistijnen bewoond was.[107] en op grond van die identificatie typeert Merlin Stone Tel Beit Mersim als een Filistijns bolwerk en verbindt zij de slangenvondsten met de Filistijnen.[108] Latere studies benadrukken echter dat het Filistijns aardewerk slechts een klein percentage van het totale gevonden aardewerk (voornamelijk Kanaänitisch van aard) uitmaakt en zien Tel Beit Mersim als Kanaänitische plaats.[109]

Filistijnse taal[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Filistijns voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Over de taal van de Filistijnen is maar weinig bekend, vanwege het geringe aantal Filistijnse tekstvondsten. Uit de Ekroninscriptie blijkt dat laat in de Neo-Assyrische periode het Filistijns verwantschap vertoont met het Fenicisch.[110]

Enkele Filistijnse woorden en namen in de Hebreeuwse Bijbel en inscripties (zoals de Goliathinscriptie) laten zich echter het beste verklaren vanuit een Indo-Europese oorsprong, zoals gezien de herkomst van de Filistijnen ook te verwachten zou zijn.

Ook de ontwikkeling in het gebruikte alfabet wijst in deze richting. Uit inscripties gevonden in Ashkelon blijkt dat de Filistijnen voor de 10e eeuw v.Chr. een schrift gebruikten dat nauw verwant is aan het Cypro-Minoïsch schrift.[111] De Goliathinscriptie maakt duidelijk dat de Filistijnen vanaf de 10e of begin 9e eeuw schreven in het proto-Kanaänitische alfabet, dat nauw verwant is aan het Fenicisch alfabet. De verandering van schrift vormt een belangrijke aanwijzing voor de culturele assimilatie van de Filistijnen aan de Semitische cultuur.

Voeding[bewerken]

De culturele eigenheid van de Filistijnen ten opzichte van de andere volken in Kanaän, blijkt eveneens uit hun voedingspatroon, zoals blijkt uit opgravingen bij Ekron en Gat.

Het eerste dat opvalt is de consumptie van varkensvlees, wat in Kanaän vrij ongebruikelijk was. Varkensbotten maken slechts 1-3% uit van de botten van geslachte dieren in Ekron in de Late Bronstijd, maar na de vestiging van de Filistijnen in het gebied, wordt dit ineens ruim 15%, terwijl dit in de eeuw die volgde toenam tot 24%.[112] Dergelijke omwentelingen in het voedingspatroon worden in andere gevallen vaak toegeschreven aan ecologische of socio-economische factoren, maar er zijn geen aanwijzingen dat deze in de Filistijnse gebieden een rol speelden.[113] In Griekenland en Klein-Azië, waar de Filistijnen vermoedelijk vandaan kwamen, was de consumptie van varkensvlees juist zeer gangbaar, zodat het Filistijnse voedingspatroon kan worden gezien als een voortzetting van de eigen culturele eigenheid. De toename van consumptie van varkensvlees kort na de vestiging in Kanaän suggereert dat het tevens een rol speelde in de sociale en economische afgrenzing van andere volken in Kanaän en daarmee het behoud van de eigen culturele identiteit.[114] Vanaf het einde van de elfde eeuw of het begin van de tiende eeuw (stratum IV) zijn nauwelijks meer varkensbotten aangetroffen, waaruit blijkt dat varkensvlees vanaf deze tijd geen deel meer uitmaakte van de Filistijnse voeding.[112]

Ook uit de wijze waarop het voedsel bereid werd, blijkt de culturele eigenheid van de Filistijnen. In Griekenland en Klein-Azië was het gebruikelijk voedsel te bereiden in gesloten kookpotten, op laag vuur, terwijl de meeste volken in Kanaän hun voedsel sneller bereidden in open potten op hoog vuur.[115] De Filistijnen bleven de Grieks-Kleinaziatische wijze van voedsel bereiden gedurende heel de Filistijnse periode volhouden en in verschillende Israëlietische plaatsen werd deze manier van voedselbereiding overgenomen.[115] Op dit punt heeft de Filistijnse cultuur dan ook juist de omliggende culturen beïnvloed, in plaats van het meer gebruikelijke beeld van culturele assimilatie aan de kant van de Filistijnen.[116]

Er zijn aanwijzingen dat de Filistijnen ook wel eens hondenvlees aten, al lijkt dit slechts in beperkte mate te zijn voorgekomen.[115] Vondsten van nijlpaardbotten in Tel Qasile (11e-10e eeuw) maken aannemelijk dat de daar woonachtige Filistijnen ook wel vlees van nijlpaarden aten, die toentertijd vermoedelijk leefden in de rivier de Jarkon bij Tel Qasile.[90]

De Filistijnen dronken graag wijn. Dat blijkt niet alleen uit de omvangrijke wijnproductie in Ashkelon,[76] maar ook zijn bij opgravingen in de Filistijnse steden regelmatig wijnsets gevonden, die gebruikt werden om wijn mee te mengen en te ziften en om wijn uit te drinken.[117]

Filistijnse godsdienst[bewerken]

Tempelcomplex van Tel Qasile (11e eeuw)

Onder de godenafbeeldingen die in de Filistijnse plaatsen uit de vroegste periode van bewoning gevonden zijn, bevinden zich vrijwel uitsluitend afbeeldingen van godinnen. Daaronder vallen met name de Ashdoda's op (figurines van een zittende godin, versmolten met haar troon), die in Ashdod, Ekron en Tell Qasile zijn gevonden en die zijn afgeleid van Myceense afbeeldingen van de moedergodin.[86] Uit de Ashdoda's leidt men gewoonlijk dan ook af dat de Filistijnse cultus oorspronkelijk gecentreerd was rondom een moedergodin,[118] al is niet iedereen daarvan overtuigd.[119] Ook de motieven van vogels en leeuwen, die veelvuldig worden gebruikt op het Filistijns aardewerk, worden gezien als aanwijzing voor de verering van een moedergodin.[23] De verering van de moedergodin past goed bij een veronderstelde afkomst uit Mycenië en Minoïsch Kreta, waar deze godin werd vereerd.

Geleidelijk zou onder invloed van culturele assimilatie het zwaartepunt van de moedergodincultus zijn verlegd naar de verering van mannelijke Semitische godheden,[74] waaronder die van de god Dagon als hoofdgod in de steden Ashdod, Gaza, en Ashkelon. Dagon was een storm- en oorlogsgod aan wie verschillende soorten offers werden gebracht om hem gunstig te stemmen. Dagon werd ook buiten de confederatie van de Filistijnse stadstaten vereerd, zoals in de Fenicische stad Arvad. Latere joodse tradities stellen dat de Filistijnse Dagon een visgod was (vgl. Hebr. דג dag 'vis') en dus afwijkt van de Fenicische Dagan, maar hiervoor bestaan geen aanwijzingen uit de Filistijnse periode zelf en het staat dan ook niet vast dat de aanduiding van Dagon als visgod terecht is.[120] Deze verering van Dagon liep minstens nog tot in de 2e eeuw v.Chr. toen de tempel van Ashdod (inmiddels Azotus geheten) door Jonathan de Makkabeeër werd vernield.[121]

Met betrekking tot het 9e-eeuwse Ekron vermeldt de Hebreeuwse Bijbel de verering van Baäl Zebul, die ook in Ugaritische teksten wordt genoemd (in de bijbeltekst verbasterd tot Baäl zebub, 'heer van de vliegen').[122] Een in Ekron gevonden inscriptie uit de 8e eeuw met de tekst "voor Baäl en Padi" bevestigt dat Baäl in Ekron vereerd werd.[123] De grote zevende-eeuwse tempel in Ekron was echter gewijd aan een godin, waaruit blijkt dat de mannelijke godheden in elk geval in Ekron de godinverering niet hebben verdrongen. Er is discussie over de vraag of de godin van Ekron een Griekse godin was (bijvoorbeeld Gaea)[124] of de Kanaänitische Asherah.[125] Voor deze laatste pleit dat uit andere inscripties blijkt dat Asherah in Ekron in ieder geval vereerd werd.[74]

Ook zijn er aanwijzingen dat de Filistijnen Egyptische goden vereerden. Niet alleen wijst de vondst van de Egyptische godenbeeldjes in Gat in deze richting, maar ook is in de Ekrontempel een grote uraeuscobra gevonden.[126] Egyptische invloed op de godsdienst blijkt ook uit de vondst van scarabeeën tussen Filistijnse cultusobjecten in Ashdod.[127]

De archeologische vondsten in Beit She'an wijzen mogelijk op de oeroude cultus van de Slangengodin (verbonden met de moedergodincultus) zoals die voor de Indo-Europese invasies overal rond de Middellandse Zee gangbaar was. De cultus van de Slangengodin gold aanvankelijk evenzeer in het Minoïsche Kreta als in Delphi, en ook in het Oude Egypte, waar de uraeus cobra tot in het Nieuwe Rijk de voorhoofden van godheden en farao's sierde. Het was een teken van diepe verbondenheid met de scheppende kracht van de kosmos en duidde op profetische kennis en wijsheid. De godin Isis-Hathor, wier verering die van Ua Zit, de Cobragodin van Egypte was, bleek ook in delen van de Sinaï en Kanaän algemeen gevestigd. Reeds tijdens de Tweede Dynastie waren er zeehavens en kolonies van Egypte, waar deze cultus leefde. Verbanden komen eveneens aan het licht door de naamverwantschap van de godin. In Egypte was Ashtoreth bekend als Asit, (verwant aan Ua Zit of Au Set wat later Isis werd). In delen van Arabië was de naam Umm Attar, Moeder Attar gangbaar, verwant aan de naam Hathor en aan Attoret, de Kanaänitische naam voor Ashtoreth. Omdat in de Filistijnse plaatsen langs de zuidwestkust van Kanaän echter geen slangenvondsten uit deze periode zijn aangetroffen, lijkt de slangenverering onder de Filistijnen zich tot het sterk onder Egyptische invloed staande Beit She'an te hebben beperkt. Tegenwoordig wordt dit dan ook niet meer genoemd in de meeste besprekingen van de Filistijnse godsdienst.[128]

Ook Byblos was een havenplaats die met Egypte was verbonden. De tempel daar stond op fundamenten van voor 2800 v.Chr. en ook deze Kanaänitische stad vereerde de godin Hathor wier vertegenwoordigende priesteres de titel Baälat droeg, dat wil zeggen vrouwelijke godheid of heerseres (Baäl betekent in het Kanaänitisch Heerser of God, en de uitgang.t dient voor vrouwelijke woorden).

Over veel aspecten van de Filistijnse godsdienst zijn te weinig bronnen beschikbaar om duidelijke conclusies te trekken,[129] en dat geldt ook voor de wijze waarop de Filistijnen hun goden vereerden. Wel leidt men uit de cultusstandaard uit Ashdod af dat in de verering muziek in ieder geval een rol speelde.[130]

De "Filistijnen" na de oudheid[bewerken]

De autonome Filistijnse stadstaten zouden na de Babylonische inval van Nebukadnezar II verdwijnen en het Filistijnse volk assimileerde geleidelijk in de omringende volkeren.[131] Toen enkele eeuwen later de Romeinen binnenvielen en de provincia Iudaea inrichtten, waren de Filistijnen als etnische groep reeds opgegaan in andere volkeren. Na de opstand van de Joden onder aanvoering van Sjimon bar Kochba (132-135) en de daaropvolgende repressie en verbanningen, hernoemden de Romeinen het gehele gebied van Judea tot "Palaestina" als een belediging voor de verslagen vijand (de Filistijnen waren immers de aartsvijanden van de Joden). Na de splitsing van het Romeinse Rijk in een westelijk en een oostelijk (Byzantijns) deel en na de ondergang van het westelijke deel eind vierde eeuw, werd het gebied overheerst door de Byzantijnen. Toen de moslims in 636 het gebied veroverden, noemden ze het naar analogie met het Latijnse Palaestina فلسطين, dat wordt uitgesproken als "Falasṭīn", en deze term is vaak inwisselbaar met die voor de Levant (al-Shām).[132] De nakomelingen van geïslamiseerde Byzantijnse provincialen en Arabieren van Palestina zouden in de 19e en begin 20e eeuw door Britse schrijvers Philistines of "inwoners van Palestina" worden genoemd.[133] Hierdoor ontstond verwarring tussen de namen "Philistines" en "Palestinians". Hieruit kwam de veronderstelling voort dat de Palestijnen feitelijk directe nakomelingen zouden zijn van de Filistijnen, wat door beide zijden in het Palestijns-Israëlisch conflict wordt uitgebuit om het conflict een historische grond te geven.[134] Hoewel het mogelijk is dat onder de voorouders van de Palestijnen Filistijnen waren, is het onwaarschijnlijk dat alle Palestijnen directe afstammelingen zijn van Filistijnen.[135]

Overdrachtelijk taalgebruik[bewerken]

De Nederlandse uitdrukking naar de filistijnen gaan (waarbij filistijnen met een kleine letter geschreven wordt)[136] betekent zoveel als kapot gaan. Hoewel duidelijk is dat de uitdrukking in verband staat met de Bijbelse beschrijving van de Filistijnen, zijn er verschillende opvattingen over de exacte herkomst van de uitdrukking. Er is wel geopperd dat de uitdrukking neerkomt op 'naar de ongelovigen gaan',[137] wat dan als afkeurenswaardig wordt gezien. Anderen brengen het in verband met de richter Simson, die bij Delila zijn intrek nam en door haar toedoen zijn haar en daarmee zijn bijzondere kracht verloor, waardoor hij voor de Israëlieten niet langer van nut was.[138]

Het Duitse philister (en in het verlengde daarvan het Engelse philistine) functioneert in overdrachtelijke zin als de aanduiding van een materialistisch ingestelde cultuurbarbaar. De inburgering van dit woordgebruik wordt vooral toegeschreven aan Goethe.[139] Overigens blijkt uit opgravingen in de Filistijnse steden dat deze typering niet van toepassing is op de historische Filistijnen.

Noten[bewerken]

  1. B.J. Stone, The Philistines and Acculturation: Culture Change and Ethnic Continuity in the Iron Age, in BASOR 298 (1995), pp. 8, 13, C.S. Ehrlich, The Philistines in Transition: A History from ca. 1000-730 B.C.E., Leiden, 1996, p. 11.
  2. Deze Griekse spelling wordt gehanteerd door Flavius Josephus. Ook andere Griekse spellingen komen voor: Φυλιστιείμ / Phylistieím (in de Septuaginta-vertaling van de pentateuch en Jozua); Φιλιστείμ / Philisteím (Jesaja 9:11 in de vertalingen van Aquila, Symmachus en Theodotion); Παλαιστῖνοι / Palaistinoi en Παλαιστίυμ / Palaistíum (Herodotus en soms bij Josephus).
  3. W. Gesenius, Hebräisches und Aramäisches Handwörterbuch über das Alte Testament, Berlijn, 191517 (= 1962), s.v. פלשת. T. Dothan, art. Philistines - Archaeology, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, V, New York, 1992, p. 329.
  4. a b T. Dothan, art. Philistines - Archaeology, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, V, New York, 1992, p. 329.
  5. Etymology Online, s.v. Philistines.
  6. W. Gesenius, Hebräisches und Aramäisches Handwörterbuch über das Alte Testament, Berlijn, 191517 (= 1962), s.v. פלש. F. Brown - S.R. Driver - C.A. Briggs (edd.), The Brown, Driver, Briggs Hebrew and English lexicon: with an appendix containing the Biblical Aramaic, Peabody, 1996, s.v. פלש. Zie voor een Ugaritische parallel ook M. Dietrich - O. Loretz - J. Sanmartín (edd.), Die Keilalphabetischen Texte aus Ugarit, Kevelaer - Neukirchen-Vluyn, 1976 (KTU), 1.5 vi 15-16.
  7. J.P. Pickett - e.a. (edd.), The American Heritage Dictionary of the English Language, Boston, 20004, s.v. plš..
  8. A. Jones, The Philistines and the Hearth: Their Journey to the Levant, in Journal of Near Eastern Studies 31 (1972), pp. 343-350.
  9. R. Kittel, Geschichte des Volkes Israel, II, Gotha, 1922, pp. 86-87, A.R. Burn, Minoans, Philistines and Greek, B.C. 1400-900, Londen, 1930, pp. 145-165. Cf. J. Strange, The Philistine City-states, in H.H. Mogens (ed.), A comparative study of thirty city-state cultures: an investigation conducted by the Copenhagen Polis Centre, Kopenhagen, 2000, pp. 129-130.
  10. J. Strange, Capthor/Keftiu: A new Investigation, Leiden, 1980, p. 165.
  11. Voor een overzicht, zie: J. Bosland, De Filistijnen I. De herkomst van de Filistijnen, bga.nl (1999).
  12. Jeremia 47:4, Amos 9:7. Merk op dat in de meest recente Bijbelvertalingen Kafthor wordt vertaald als Kreta.
  13. a b J. Bosland, De Filistijnen I. De herkomst van de Filistijnen, bga.nl (1999).
  14. Dit is echter recentelijk in twijfel getrokken, zie: C. Vandersleyen, Keftiu: a cautionary note, in Oxford Journal of Archaeology 22 (2003), pp. 209-212..
  15. C.S. Ehrlich, art. Philister, WiBiLex.de (2007). T. Dothan, art. Philistines - Archaeology, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, V, New York, 1992, p. 329.
  16. A. Mazar, Archaeology of the Land of the Bible, 10.000-586 B.C.E., New York, pp. 307-308. Cf. J. Bosland, De Filistijnen I. De herkomst van de Filistijnen, bga.nl (1999).
  17. L.E. Stager, When Canaanites and Philistines ruled Ashkelon, in Biblical Archaeological Review 17 (1991), pp. 40-42.
  18. W.F. Albright, A Colony of Cretan Mercenaries on the Coast of the Negeb, in Journal of the Palestine Oriental Society 1 (1920-1921), p. 193.
  19. M. Riemschneider, Die Herkunft der Philister, in Acta Antiqua 4 (1956), pp. 17-29.
  20. M. Riemschneider, Die Herkunft der Philister, in Acta Antiqua 4 (1956), p. 20.
  21. J. Bosland, De Filistijnen I. De herkomst van de Filistijnen, bga.nl (1999) (voetnoot 19).
  22. Genesis 21:32-34; 26:1-6; 26:8; 26:18.
  23. a b c d e f g h i j k C.S. Ehrlich, art. Philister, WiBiLex.de (2007).
  24. Bijvoorbeeld V.P. Hamilton, The Book of Genesis, II, Grand Rapids, 1995, p. 94.
  25. a b C.C. Stavleu, De Filistijnen (Studiebijbel van het Oude Testament), oogstpublicaties.nl, 2006, pp. 3-6.
  26. a b B.G. Wood, The Genesis Philistines, ABR.christiananswers.net (2006).
  27. W.F. Albright, A Colony of Cretan Mercenaries on the Coast of the Negeb, in Journal of the Palestine Oriental Society 1 (1920-1921), pp. 187-194, Ibid., The Excavation of Tell Beit Mirsim, I, New Haven, 1932, A. Alt, Ägyptische Tempel in Palästina und die Landnahme der Philister, in Zeitschrift des Deutschen Palästina-Vereins 67 (1944), pp. 1-20; T. Dothan, The Philistines and Their Material Culture, Jeruzalem, 1982, p. 288, I. Singer, The Beginning of Philistine Settlement in Canaan and the Northern Boundary of Philistia, in Tel Aviv 12 (1985), pp. 109-122, Ibid., Egyptians, Canaanites, and Philistines in the Period of the Emergence of Israel, in I. Finkelstein - N. Na'aman (edd.), From Nomadism to Monarchy, Jeruzalem, 1994, pp. 232-238.
  28. ANET, pp. 260-262.
  29. B.G. Wood, The Philistines Enter Canaan: Were they Egyptian Lackeys or Invading Conquerors?, in Biblical Archaeological Review 17 (1991), pp. 44-90, M. Bietak, The Sea Peoples and the End of Egyptian Administration in Canaan, in A. Biran - J. Aviram (edd.), Biblical Archaeology Today, 1990. Proceedings of the Second International Congress on Biblical Archaeology, Jerusalem, June-July, 1990, Jeruzalem, 1993, pp. 292-306, R. Stadelmann, Die Abwehr der Seevölker unter Ramses III, in Saeculum 19 (1968), pp. 156-171, L.E. Stager, The Impact of the Sea Peoples in Canaan (1185-1050 BCE), in T.E. Levy (ed.), The Archaeology of Society in the Holy Land, Leicester, 1995, pp. 340-341.
  30. J. van Gestel, De Egeïsche wereld, Amsterdam, 1993, pp. 69-70.
  31. T. Dothan, The Arrival of the Sea Peoples. Cultural Diversity in Early Iron Age Canaan, in S. Gitin - W.G. Dever (edd.), Recent Excavations in Israel: Studies in Iron Age Archaeology, Winona Lake, 1989, pp. 2-4.
  32. B.G. Wood, The Philistines Enter Canaan: Were they Egyptian Lackeys or Invading Conquerors?, in Biblical Archaeological Review 17 (1991), p. 52.
  33. R. Liwak, art. Philister, in NP 9 (2000).
  34. vgl. Richteren 3:3.
  35. Richteren 3:31; 10:6-7; 13:1; 15-16; I Samuël 4:1-6:18; 7:7-14; 13-14; 17.
  36. T. Dothan - M. Cohn, The Philistine as Other: Biblical Rhetoric and Archaeological Identity, in L.J. Silberstein - R.L. Cohn (ed.), The Other in Jewish Thought and History: Constructions of Jewish Culture and Identity, New York, 1994, pp. 62-65, E. Noort, Die Seevölker in Palästina, Kampen - Leuven, 1994, p. 51.
  37. T. Dothan - M. Cohn, The Philistine as Other: Biblical Rhetoric and Archaeological Identity, in L.J. Silberstein - R.L. Cohn (ed.), The Other in Jewish Thought and History: Constructions of Jewish Culture and Identity, New York, 1994, p. 65.
  38. A. Maeir, art. Philister-Keramik (Philistine ceramics), in Reallexikon der Assyriologie und vorderasiatischen Archaologie X (2005), pp. 534-535.
  39. a b c E. Noort, Die Seevölker in Palästina, Kampen - Leuven, 1994, p. 23.
  40. I Samuël 13:19-22.
  41. C.C. Stavleu, De Filistijnen (Studiebijbel van het Oude Testament), oogstpublicaties.nl, 2006, p. 8. Vgl. H. Geva, Ekron - A Philistine City, in Archaeological Sites in Israel 4 (1999).
  42. T. Dothan - M. Cohn, The Philistine as Other: Biblical Rhetoric and Archaeological Identity, in L.J. Silberstein - R.L. Cohn (ed.), The Other in Jewish Thought and History: Constructions of Jewish Culture and Identity, New York, 1994, p. 67.
  43. T. Dothan - M. Cohn, The Philistine as Other: Biblical Rhetoric and Archaeological Identity, in L.J. Silberstein - R.L. Cohn (ed.), The Other in Jewish Thought and History: Constructions of Jewish Culture and Identity, New York, 1994, p. 65-66.
  44. a b c M. Dothan, art. Ashdod, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, I, New York, 1992, p. 480.
  45. a b T. Dothan - S. Gitin, Tel Miqne-Ekron. Summary of Fourteen Seasons of Excavation 1981-1996, Jeruzalem, 2005, p. 3.
  46. a b art. Qasile (a) (Tell), in Archaeological Encyclopedia of the Holy Land, New York, 2001, p. 415. A. Mazar - G.L. Kelm, art. Tell Qasile, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, V, New York, 1992, p. 577. Vgl. Tell Qasile Excavations, Eretz Israel Museum, Tel Aviv.
  47. art. Batash (Tel); Timna, in Archaeological Encyclopedia of the Holy Land, New York, 2001, p. 69.
  48. M. Dothan, art. Ashdod, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, I, New York, 1992, p. 480. Vgl. T. Dothan - S. Gitin, Tel Miqne-Ekron. Summary of Fourteen Seasons of Excavation 1981-1996, Jeruzalem, 2005, p. 3.
  49. II Samuël 5:17-25, 8:1, 21:15-22.
  50. A. Maeir, The Renewed Excavations: 1996-2002, suppl. The New Encyclopedia of Archaeological Excavations in the Holy Land.
  51. H.J. Katzenstein, art. Philistines - History, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, V, New York, 1992, p. 327.
  52. I Koningen 15:27, 16:15, II Kronieken 17:11, 21:16-17.
  53. A. Mazar, The Spade and the Text: The Interaction between Archaeology and Israelite History Relating to the Tenth-Ninth Century BCE, in H.G.M. Williamson (ed.), Understanding the History of Ancient Israel, Oxford, 2007, p. 162.
  54. II Koningen 12:18. Vgl. E. Noort, Die Seevölker in Palästina, Kampen - Leuven, 1994, p. 23.
  55. a b A. Maeir, The Renewed Excavations: 1996-2002, suppl. The New Encyclopedia of Archaeological Excavations in the Holy Land. A. Mazar, The Spade and the Text: The Interaction between Archaeology and Israelite History Relating to the Tenth-Ninth Century BCE, H.G.M. Williamson (ed.), Understanding the History of Ancient Israel, Oxford, 2007, p. 162.
  56. O. Ackermann - H. Bruins - A. Maeir, A Unique Human-Made Trench at Tell es­-S­afi/Gath, Israel: Anthropogenic Impact and Landscape Response, in Geoarchaeology 20 (2005), pp. 303-328.
  57. Texte aus der Umwelt des Alten Testaments, I, pp. 367-368. C.S. Ehrlich, The Philistines in Transition: A History from ca. 1000-730 B.C.E., Leiden, 1996, pp. 170-171.
  58. S. Gitin, Last Days of the Philistines, in Archaeology 45 (1992), pp. 26-31.
  59. K. Galling (ed.), Textbuch zur Geschichte Israels, Tübingen, 1979, pp. 51-53; Texte aus der Umwelt des Alten Testaments, I, pp. 370-378
  60. C.S. Ehrlich, The Philistines in Transition: A History from ca. 1000-730 B.C.E., Leiden, 1996, pp. 87-88. Cf. H. Donner, The Separate States of Israel and Judah, in J.H. Hayes - J.M. Miller (edd.), Israelite and Judean History, Philadelphia, pp. 381-434, H. Donner, Geschichte des Volkes Israel und seiner Nachbarn in Grundzüge, Göttingen, 1986, pp. 297-300.
  61. E. Noort, Die Seevölker in Palästina, Kampen - Leuven, 1994, pp. 32. Vgl. C.S. Ehrlich, art. Philister, WiBiLex.de (2007), die de opstand van Ashkelon typeert als de enige opstand onder Tiglat Pileser III.
  62. E. Noort, Die Seevölker in Palästina, Kampen - Leuven, 1994, pp. 32.
  63. J. Ménant (trad. ed.), Annales des rois d'Assyrie, Boston, 2005 (= Parijs, 1874), p. 144 (L.57), volgens Noort een verwijzing naar gebeurtenissen in 738 (E. Noort, Die Seevölker in Palästina, Kampen - Leuven, 1994, pp. 31).
  64. C.S. Ehrlich, The Philistines in Transition: A History from ca. 1000-730 B.C.E., Leiden, 1996, pp. 100-102. C.S. Ehrlich, art. Philister, WiBiLex.de (2007). E. Noort, Die Seevölker in Palästina, Kampen - Leuven, 1994, pp. 31.
  65. Prisma van Sanherib, kolommen 2-3.
  66. E. Noort, Die Seevölker in Palästina, Kampen - Leuven, 1994, pp. 22-23.
  67. a b S. Gitin, Ekron of the Philistines in the Late Iron Age II, in Asor Newsletter 49 (1999), pp. 11-12.
  68. Zie m.b.t. Ekron T. Dothan - S. Gitin, Tel Miqne-Ekron. Summary of Fourteen Seasons of Excavation 1981-1996, Jeruzalem, 2005, p. 8. Zie m.b.t. Ashdod M. Dothan, art. Ashdod, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, I, New York, 1992, p. 481.
  69. TUAT I, pp. 633-634.
  70. TUAT I, pp. 405-406.
  71. I Makkabeeën 3:24, 5:66, geschreven rond 100 v.Chr. Als volk worden de Filistijnen alleen nog genoemd in de Hebreeuwse Bijbel, namelijk in Ezechiël 25:16 (ca. 590-570 v.Chr.), tussen vermeldingen van allerlei vijanden van het koninkrijk Juda, dat zelf rond deze tijd ook ten prooi viel aan Nebukadnezar II, en in Zacharia 9:5-7 (ca. 520 v.Chr.).
  72. a b J. Strange, The Philistine City-states, in M.H. Hansen (ed.), A Comparative Study of Thirty City-state Cultures, Kopenhagen, 2000, p. 133.
  73. C.S. Ehrlich, The Philistines in Transition: A History from ca. 1000-730 B.C.E., Leiden, 1996, p. 25 (voetnoot 6).
  74. a b c d e f J. Strange, The Philistine City-states, in M.H. Hansen (ed.), A Comparative Study of Thirty City-state Cultures, Kopenhagen, 2000, p. 134.
  75. J. Strange, The Philistine City-states, in M.H. Hansen (ed.), A Comparative Study of Thirty City-state Cultures, Kopenhagen, 2000, p. 135.
  76. a b B. Johnson - L.E. Stager, Ashkelon: Wine Emporium of the Holy Land, in S. Gitin (ed.), Recent Excavations in Israel: A View to the West, Dubuque, 1995, pp. 95-109.
  77. J. Lev-Tov, The Social Implications of Subsistence Analysis of Faunal Remains from Tel Miqne-Ekron, in Asor Newsletter 49 (1999), p. 15.
  78. L.K. Horwitz, J. Lev-Tov, J.R. Chadwick, S.J. Wimmer, A.M. Maeir, Working Bones: A Unique Iron Age IIA Bone Workshop from Tell es-Sâfi/Gath, in Near Eastern Archaeology 69 (2006), pp. 169-173.
  79. T. Dothan, Initial Philistine Settlement: From Migration to Coexistence, in S. Gitin - A. Mazar - E. Stern (edd.), Mediterranean Peoples in Transition: Thirteenth to Early Tenth Centuries BCE, Jeruzalem, 1998, pp. 148-161, A. Killebrew, Ceramic Typology and Technology of Late Bronze II and Iron I Assemblages from Tel Miqne-Ekron: The Transition from Canaanite to Philistine Culture, in S. Gitin - A. Mazar - E. Stern (edd.), Mediterranean Peoples in Transition: Thirteenth to Early Tenth Centuries BCE, Jeruzalem, 1998, pp. 379-405, T. Dothan - A. Zukerman, A Preliminary Study of the Mycenean IIIC:1 Pottery Assemblages from Tel Miqne-Ekron and Ashdod, in BASOR 333 (2004), pp. 1-54.
  80. a b A. Maeir, art. Philister-Keramik (Philistine ceramics), in Reallexikon der Assyriologie und vorderasiatischen Archaologie X (2005), p. 529.
  81. a b T. Dothan, The Philistines and Their Material Culture, Jeruzalem, 1982.
  82. A. Maeir, art. Philister-Keramik (Philistine ceramics), in Reallexikon der Assyriologie und vorderasiatischen Archaologie X (2005), p. 530.
  83. a b c A. Maeir, art. Philister-Keramik (Philistine ceramics), in Reallexikon der Assyriologie und vorderasiatischen Archaologie X (2005), p. 532.
  84. A. Mazar, Excavations at Tell Qasile. Part II. The Philistine Sanctuary: Various Finds, The Pottery, Conclusions, Appendices, Jeruzalem, 1985.
  85. A. Maeir, Visit to new Philistine temple, 9 april 2008.
  86. a b c T. Dothan, art. Philistines - Archaeology, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, V, New York, 1992, p. 330.
  87. M. Dothan, art. Ashdod, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, I, New York, 1992, p. 479. Ashdoda figurine, Israel Museum, 2008.
  88. De vondst roept volgens Moshe Dothan de associatie op met I Samuël 10:5. Zie M. Dothan, art. Ashdod, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, I, New York, 1992, p. 479.
  89. I Samuël 5:1-5.
  90. a b art. Qasile (a) (Tell), in Archaeological Encyclopedia of the Holy Land, New York, 2001, p. 415.
  91. A. Mazar, G.L. Kelm, art. Tell Qasile, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, V, New York, 1992, p. 577. Tell Qasile Excavations, Eretz Israel Museum, Tel Aviv.
  92. Magnussen, M. 1978: Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, Westland, Schoten, p. 110
  93. J. Uziel, Egyptian Gods at Safi, gath.wordpress.com, 13 augustus 2006.
  94. F.M. Cross, L.E. Stager, Cypro-Minoan Inscriptions Found in Ashkelon, in IEJ 56 (2006), pp. 129-159. Zie ook J.N. Wilford, Philistines, but Less and Less Philistine, New York Times 13 maart 2007.
  95. A. Mazar, art. Tel Beth-Shean and the Northern Cemetry, in E. Stern (ed.), The New Encyclopedia of Archaeological Excavations in the Holy Land, I, Jeruzalem, 1993, p. 219.
  96. P.R.S. Moorey, Byblical Lands, p. 45
  97. P.R.S. Moorey, Byblical Lands, p. 51.
  98. P.R.S. Moorey, Byblical Lands, p. 56. A. Mazar, art. Tel Beth-Shean and the Northern Cemetry, in E. Stern (ed.), The New Encyclopedia of Archaeological Excavations in the Holy Land, I, Jeruzalem, 1993, p. 218. T. Dothan, art. Philistines - Archaeology, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, V, New York, 1992, p. 332.
  99. A. Mazar, art. Tel Beth-Shean and the Northern Cemetry, in E. Stern (ed.), The New Encyclopedia of Archaeological Excavations in the Holy Land, I, Jeruzalem, 1993, pp. 221-222.
  100. R.W. Hutchinson, Prehistoric Crete, Londen, 1962, p. 224(Google books: a): Another tube, found in 'The House of Ashtoreth' on the Philistine site of Beth-Shan dated to the reign of Rameses II of Egypt (c. 1292-1225 BC),1 shows two snakes crawling round and into the tube with two little doves perched on the handles.The cult of the Snake Goddess may even date from Neolithic times in Crete, since figurines of birds have been found along with the female figurines of the...
  101. R.W. Hutchinson, Prehistoric Crete, Londen, 1962, p. 217: "De slangenkokers van Gournia [een stad op Kreta] hebben belangwekkende parallellen buiten Kreta, en Evans vergeleek een overtuigende serie voorbeelden van kokers van klei die met de huiseredienst van de slang verband houden, sommige met geboetseerde slangen die er overheen kronkelen... Enkele van de meer interessante voorbeelden van slangenkokers komen echter helemaal niet uit Kreta, maar uit plaatsen op Cyprus en uit Filistia uit de Late Bronstijd. Een te Kition op Cyprus gevonden koker toont de slangenkoker veranderd in een duiventil... Een andere koker, gevonden in het Huis van Ashtoreth in de Filistijnse plaats Bet Shan, gedateerd tijdens de regering van Ramses II van Egypte (ca 1292-1225 v.Chr.) toont twee slangen die rond en in de koker naar binnen kronkelen..."
  102. a b c M. Stone, Eens was God als Vrouw belichaamd. De onderdrukking van de riten van de vrouw, Katwijk, 1979, p. 225.
  103. D. Bahat, art. Beth-Shemesh, in E. Stern (ed.), The New Encyclopedia of Archaeological Excavations in the Holy Land, I, Jeruzalem, 1993, p. 250 (bij de bespreking van stratum III).
  104. A.E. Glock, art. Taanach, in E. Stern (ed.), The New Encyclopedia of Archaeological Excavations in the Holy Land, IV, Jeruzalem, 1993, pp. 1431-1432.
  105. M. Stone, Eens was God als Vrouw belichaamd. De onderdrukking van de riten van de vrouw, p. 225
  106. R.W. Hutchinson, Prehistoric Crete, Londen, 1962, p. 209: A similar snake goddess seems to have been worshipped during the Bronze Age in Palestine where a stele was found at Tell Beit Mersim in a deposit dated about 1600 BC, carved with a representation of a goddess with her snake curling round her body.
  107. W.F. Albright - R. Greenberg, art. Beit Mirsim, Tell, in E. Stern (ed.), The New Encyclopedia of Archaeological Excavations in the Holy Land, I, Jeruzalem, 1993, p. 179.
  108. M. Stone, When God was a Woman, New York, 1976, p. 209.
  109. R. Greenberg, New Light on the Early Iron Age at Tell Beit Mirsim, in BASOR 265 (1987), pp. 55-80. W.F. Albright, R. Greenberg, art. Beit Mirsim, Tell, in E. Stern (ed.), The New Encyclopedia of Archaeological Excavations in the Holy Land, I, Jeruzalem, 1993, p. 180.
  110. J. Callev, The Canaanite Dialect of the Dedicatory Royal Inscription from Ekron, 2004.
  111. F.M. Cross, L.E. Stager, Cypro-Minoan Inscriptions Found in Ashkelon, IEJ 56 (2006) 129-159. Zie ook J.N. Wilford, Philistines, but Less and Less Philistine, New York Times 13 maart 2007.
  112. a b J. Lev-Tov, The Social Implications of Subsistence Analysis of Faunal Remains from Tel Miqne-Ekron, in Asor Newsletter 49 (1999), p. 14.
  113. A.E. Killebrew, Biblical Peoples and Ethnicity: An Archaeological Study of Egyptians, Canaanites, Philistines, and Early Israel, 1300-1100 B.C.E., Leiden, 2005, p. 219.
  114. J. Lev-Tov, The Social Implications of Subsistence Analysis of Faunal Remains from Tel Miqne-Ekron, in Asor Newsletter 49 (1999), p. 15, A.E. Killebrew, Biblical Peoples and Ethnicity: An Archaeological Study of Egyptians, Canaanites, Philistines, and Early Israel, 1300-1100 B.C.E., Leiden, 2005, p. 219.
  115. a b c O. Ilani, A serving of Philistine culture: Boar, dog and fine wine, in Haaretz (4 september 2007).
  116. D. Ben-Shlomo - I. Shai - A. Zukerman - A. Maeir, Cooking Identites: Aegean-Style Cooking Jugs and Cultural Interaction in Iron Age Philistia and Neighboring Regions, in AJA 112 (2008), pp. 225-246.
  117. A. Maeir, Mixed wine - in the Song of Songs and at Tell es-Safi, gath.wordpress.com, 10 april 2007.
  118. T. Dothan, art. Philistines - Archaeology, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, V, New York, 1992, p. 330. M. Dothan, art. Ashdod, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, I, New York, 1992, p. 479. Ashdoda figurine, Israel Museum, 2008. A. Yasur-Landau, The Mother(s) of all Philistines? Aegean Enthroned Deities of the 12th - 11th Century Philistia, in Aegaeum 22 (2001), pp. 1-15.
  119. E. Noort, Die Seevölker in Palästina, Kampen - Leuven, 1994, pp. 134-137.
  120. J.F. Healey, art. Dagon, in K. van der Toorn - B. Becking - P.W. van der Horst (edd.), Dictionary of Deities and Demons in the Bible, Leiden - Grand Rapids - Cambridge, 19992, pp. 216--219. Vgl. J. Strange, The Philistine City-states, in M.H. Hansen (ed.), A Comparative Study of Thirty City-state Cultures, Kopenhagen, 2000, p. 135.
  121. Flavius Josephus, Ant. XIII 99-100.
  122. II Koningen 1. Zie ook W. Herrmann, art. Baal Zebub, in K. van der Toorn - B. Becking - P.W. van der Horst (edd.), Dictionary of Deities and Demons in the Bible, Leiden - Grand Rapids - Cambridge, 19992, pp. 155-156 en J. Strange, The Philistine City-states, in M.H. Hansen (ed.), A Comparative Study of Thirty City-state Cultures, Kopenhagen, 2000, p. 135.
  123. T. Dothan - S. Gitin, Tel Miqne-Ekron. Summary of Fourteen Seasons of Excavation 1981-1996, Jeruzalem, 2005, pp. 8-9.
  124. A. Yasur-Landau, The Mother(s) of all Philistines? Aegean Enthroned Deities of the 12th - 11th Century Philistia, in Aegaeum 22 (2001), pp. 1-15.
  125. A. Demsky, Discovering a Goddess. A new look at the Ekron inscription identifies a mysterious deity, in BAR 24 (1998). J. Callev, The Canaanite Dialect of the Dedicatory Royal Inscription from Ekron, atto.tau.ac.il, 2004.
  126. T. Dothan - S. Gitin, Tel Miqne-Ekron. Summary of Fouteen Seasons of Excavation 1981-1996, Jeruzalem, 2005, p. 9.
  127. T. Dothan - M. Dothan, People of the Sea. The Search for the Philistines, New York, 1992, p. 152.
  128. C.S. Ehrlich, art. Philister, WiBiLex.de (2007). T. Dothan, art. Philistines - Archaeology, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, V, New York, 1992, pp. 328-333. J. Strange, The Philistine City-states, in M.H. Hansen (ed.), A Comparative Study of Thirty City-state Cultures, Kopenhagen, 2000, pp. 134-135. T. Dothan - M. Cohn, The Philistine as Other: Biblical Rhetoric and Archaeological Identity, in L.J. Silberstein - R.L. Cohn (edd.), The Other in Jewish Thought and History: Constructions of Jewish Culture and Identity, New York, 1994, pp. 67--70.
  129. M. Görg, art. Philister, in Reallexikon der Assyriologie und vorderasiatischen Archaologie X (2005), p. 528, C.S. Ehrlich, art. Philister, WiBiLex.de (2007).
  130. T. Dothan, art. Philistines - Archaeology, in D.N. Freedman (ed.), Anchor Bible Dictionary, V, New York, 1992, p. 331.
  131. E. Noort, Die Seevölker in Palästina, Kampen - Leuven, 1994, pp. 27-----33. De Filistijnen worden nog slechts in Bijbelse context vermeldt: Ezechiël 25:16, Zacharia 9:6, I Makkabeeën 3 ("land van de Filistijnen"). Zie echter ook B.J. Stone, The Philistines and Acculturation: Culture Change and Ethnic Continuity in the Iron Age, in BASOR 298 (1995), pp. 7-32.
  132. M. Gil, A History of Palestine, 634-1099, Cambridge, 1992, pp. 113-114.
  133. Verschillende auteurs, art. Philistines, en.Wikipedia.org (2002-2008).
  134. Verschillende auteurs, art. Philister, de.Wikipedia.org (2004-2008).
  135. De Palestijnen en Filistijnen zijn zeker niet etnisch verwant. Zie: M. Gil, A History of Palestine, 634-1099, Cambridge, 1992, pp. 14-15.
  136. art. filistijnen / Filistijnen, vrt.be.
  137. Muiswerk Woordenboek, s.v. Filistijnen'
  138. J. van der Toorn-Schutte, Verhaal halen. Een zoektocht naar de oorsprong van Nederlandse uitdrukkingen, Amsterdam, 2003, pp. 92-93.
  139. E. Morgan, Goethe and the Philistine, in The Modern Language Review 53 (1958) 374-379.

Antieke bronnen[bewerken]

  • Filistijnse bronnen:
  • Bijbel:
    • Genesis 10:14, 21:32, 21:34, 26:1, 26:8, 26:14-15, 26:18;
    • Exodus 13:17, 15:14, 23:31;
    • Jozua 13:2-3;
    • Richteren 3:3, 3:31, 10:6-7, 10:11, 13:1, 13:5, 14:1-4, 15:3, 15:5-6, 15:9, 15:11-12, 15:14, 15:20, 16:5, 16:8-9, 16:12, 16:14, 16:18, 16:20-21, 16:23, 16:27-28, 16:30;
    • I Samuel 4:1-3, 4:6-7, 4:9-10, 4:17, 5:1-2, 5:8, 5:11, 6:1-2, 6:4, 6:12, 6:16-18, 6:21, 7:3, 7:7-8, 7:10-11, 7:13-14, 9:16, 10:5, 12:9, 13:3-5, 13:11-12, 13:16-17, 13:19-20, 13:23, 14:1, 14:4, 14:11, 14:19, 14:21-22, 14:30-31, 14:36-37, 14:46-47, 14:52, 17:1-4, 17:8, 17:10-11, 17:16, 17:19, 17:21, 17:23, 17:26, 17:32-33, 17:36-37, 17:40-46, 17:48-53, 17:55, 17:57, 18:6, 18:17, 18:21, 18:25, 18:27, 18:30, 19:5, 19:8, 21:9, 22:10, 23:1-5, 23:27-28, 24:1, 27:1, 27:7, 27:11, 28:1, 28:4-5, 28:15, 28:19, 29:1-4, 29:7, 29:9, 29:11, 30:16, 31:1-2, 31:7-9, 31:11;
    • II Samuel 1:20, 3:14, 3:18, 5:17-19, 5:22, 5:24-25, 8:1, 8:12, 19:9, 21:12, 21:15, 21:17-19, 23:9-14, 23:16;
    • I Koningen 4:21, 15:27, 16:15;
    • II Koningen 8:2-3, 18:8;
    • I Kronieken 1:12, 10:1-2, 10:7-9, 10:11, 11:13-16, 11:18, 12:19, 14:8-10, 14:13, 14:15-16, 18:1, 18:11, 20:4-5;
    • II Kronieken 9:26, 17:11, 21:16, 26:6-7, 28:18;
    • Psalmen 60:8, 83:7, 87:4, 108:9;
    • Jesaja 2:6, 9:12, 11:14, 14:29, 14:31;
    • Jeremia 25:20, 47:1, 47:4;
    • Ezechiël 16:27, 16:57, 25:15-16;
    • Joël 3:4;
    • Amos 1:8, 6:2, 9:7;
    • Obadja 1:19;
    • Zefanja 2:5;
    • Zacharia 9:6.
  • Egyptische bronnen (ANET = J. Bennett Pritchard, Ancient Near Eastern Texts Relating to the Old Testament with Supplement, Princeton, 19693.):
  • Mesopotamische bronnen (TGI = Textbuch zur Geschichte Israels; TUAT = Texte aus der Umwelt des Alten Testaments):
    • Inscriptie (tribuutlijst) van Adad-Nirari III (TUAT I, pp. 367–368.)
    • Inscriptie van Tiglat-Pileser III (TGI, pp. 51–53; TUAT I, pp. 370–378)
    • Inscriptie van Sargon II (TUAT I, pp. 378–387.)
    • Inscriptie van Sanherib (TUAT I, pp. 388–391.)
    • Inscriptie van Assurbanipal (ANET, p. 294.)
    • Administratieve tekst uit Babylon (TUAT I, pp. 405–406.)
    • Brief uit Saqqara (Egypte) (TUAT I, pp. 633–634.)

Referenties & verder lezen[bewerken]

Etalagester
Etalagester Dit artikel is op 27 april 2008 in deze versie opgenomen in de etalage.