Zwaard (wapen)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Moderne gevechtszwaarden
Middeleeuws zwaardgevecht

Het zwaard is een gevechtswapen. Qua vorm is het vergelijkbaar met een mes, maar met een (aanzienlijk) groter blad.

Algemeen[bewerken]

De enorme diversiteit in wapens door de geschiedenis heen maakt het moeilijk om deze categorie strikt af te bakenen. In basis kan gesteld worden dat een zwaard een langwerpig wapen is, bedoeld om mee te snijden en/of steken met een (al dan niet deels) scherp metalen blad en een handvat. Een wacht (ook wel pareerstang, stootplaat) is optioneel.

Andere kenmerken van een zwaard zijn dat het:

  • in de hand gehouden wordt tijdens het gevecht
  • een langwerpig blad (kling) als voornaamste onderdeel heeft
  • onder het blad geen verlengstuk heeft met als doel het bereik te vergroten (zoals bijvoorbeeld een hellebaard)
  • het op zijn minst geschikt is om te houwen en te snijden (hoewel algemeen wordt verondersteld dat men er ook mee kan steken en pareren)

Volgens bovenstaande definitie worden de volgende wapens niet als zwaard beschouwd:

Het zwaard werd gebruikt in lijf-aan-lijfgevechten of te paard, en is vanwege zijn diversiteit uitermate geschikt voor duels. Korte zwaarden werden vaak als reservewapen gedragen door schutters of speermannen in formatie. Het lage gewicht en korte lengte voorkomen hinder en verwonding van strijdmakkers. Lange(re) zwaarden werden vooral gebruikt door de ruiterij, door offensieve troepen (in losse formatie) en tijdens duels. Extra lange, tweehandig bediende zwaarden werden gebruikt voor executies door onthoofding, en door gespecialiseerde vechters tegen cavalerie en tegen speermannen.

Het is een wapen dat afhankelijk van de uitvoering een zekere lichamelijke kracht vereist, maar met name een aanzienlijke vaardigheid. In de middeleeuwen werd van iedere ridder verwacht dat hij een zwaard had en het kon hanteren.

Wanneer een zwaard niet wordt gebruikt, wordt het bij voorkeur in een schede opgeborgen om het te beschermen tegen vocht en beschadigingen, en om te voorkomen dat het onbedoeld iemand verwondt. De schede, die in Europa meestal met leer of stof is bekleed, hangt met een riem aan de linkerzijde van de drager op heuphoogte; zo kan het zwaard gemakkelijk en snel getrokken worden.

Zwaard in delen[bewerken]

Een Zwitsers zwaard.

Aan het zwaard kunnen volgende onderdelen onderscheiden worden:

Gevest[bewerken]

Het gevest is het deel dat houvast biedt, en bestaat typisch uit:

  • de greep, waar de hand past
  • de pareerstang (stootplaat) is een metalen stang tussen greep en kling, dat gebruikt kan worden om het wapen van de tegenstander op te vangen. Soms is dit onderdeel schijfvormig, soms ontbreekt het. (Vindt zijn oorsprong in het enkelhandig zwaardvechten tegen schild. Zonder deze stootplaat zou een slag tegen een schild namelijk de handen van de aanvaller erg beschadigen.)
  • de pommel (knop) bevindt zich onderaan het gevest. Het heeft verschillende functies: het uitbalanceren van het zwaard, voorkomen dat de hand van de greep glijdt, extra houvast voor de andere hand, en soms ook als bevestiging van de kling aan het gevest. Tevens kon de pommel met behulp van bepaalde technieken gebruikt worden om klappen mee uit de delen. Is niet altijd aanwezig.

Kling[bewerken]

Verschillende versies van een kling

De kling is het blad (lemmet) van het zwaard, en is steeds van metaal (staal) gemaakt.

  • de punt is het bovenste, puntige gedeelte. Sommige zwaarden die enkel worden gebruikt om te houwen, hebben geen punt.
  • de snede is de scherpe kant van het zwaard. Dubbelzijdige zwaarden hebben een snede aan beide zijden van de kling.
  • de rug is bij enkelzijdige zwaarden de kant die niet scherp is.
  • de geul is een ondiepe uitsparing aan de zijkant en in de lengte van de kling. Het dient in de eerste plaats om gewicht te besparen, maar heeft wellicht ook een esthetische waarde. De meeste zwaarden hebben geen geul of één geul, sommige hebben er 2.
  • onderaan de kling, boven de pareerstang, zit soms een ongescherpt deel: het ricasso. Hier wordt vaak de stempel van de maker gezet. Bij tweehandige zwaarden is dit onderdeel soms extra groot en met leder bekleed om houvast te geven aan de andere hand.
  • de angel is het niet zichtbare deel onderaan de kling, dat voor de verankering in het gevest zorgt.

Smeden van de kling[bewerken]

De kling van een zwaard bestaat meestal uit staal (ijzer met koolstof en eventueel andere elementen). Vroeger werd ijzer vele malen uitgesmeed waarbij het steeds een klein beetje koolstof van het smidsvuur opnam. Het lange uitgesmede stuk staal werd enkele malen gevouwen en opnieuw uitgesmeed, waarbij weer koolstof opgenomen werd. Dit gebeurde vele malen achter elkaar waardoor dit soort staal erg kostbaar werd. Door dit proces krijgt de kling een gelaagde structuur. Met de tijd werden deze lagen zichtbaar als een patroon 'in' het staal.

Staal met een relatief hoog koolstofgehalte (vanaf ca. 0,5%) kan gehard worden. Hierbij wordt het metaal tot een kritische temperatuur verhoogd en een tijd gehouden (grofweg tussen de 800 en 1050 graden Celsius, afhankelijk van de legering). Vervolgens wordt het staal snel afgekoeld (met lucht, olie of water, ook afhankelijk van de legering). Nu heeft het staal een maximale hardheid, maar is het ook erg breekbaar (net als glas erg hard is maar ook breekbaar).

Vervolgens wordt het geharde staal weer verwarmd waarbij een deel van de hardheid verloren gaat, maar taaiheid gewonnen wordt. Dit kan één keer gebeuren of meerdere keren achter elkaar waarbij het staal rustig afkoelt tot kamertemperatuur. Hoe hoger de temperatuur hoe meer hardheid 'ingewisseld' wordt voor taaiheid. De temperaturen liggen hierbij ongeveer tussen de 180 en 220 graden Celsius, waarbij deze temperatuur vaak een uur aangehouden wordt.

Vroeger werd als materiaal voor de kling gebruikt: koper, daarna brons, gevolgd door ijzer.

Schede[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Schede (zwaard) voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De schede dient om het zwaard in op te bergen als het niet gebruikt wordt. Gewoonlijk herbergt het enkel de kling van het zwaard. Het beschermt enerzijds het zwaard tegen aantasting en anderzijds de drager en omstaanders tegen accidentele verwondingen.

Smeedkunst en constructie[bewerken]

De wapensmeedkunst bereikt haar hoogtepunt in het smeden van zwaarden. De vereisten voor de goede eigenschappen van een zwaard zijn velerlei en soms tegenstrijdig. Het moet kunnen dienen om te steken, houwen, snijden en pareren. Een goed zwaard moet vooral scherp en duurzaam zijn. Voor de snede betekent dit dat het metaal hard en slijtvast moet zijn. Een volledige kling in zulk staal zal echter makkelijk breken omdat het niet flexibel genoeg is om de energie van de slag te absorberen. Daarom wordt de rest van de kling uit 'zacht' staal gemaakt. Zowel de chemische samenstelling van het staal als de microscopische structuur speelt daarbij een rol:

  • De regeling van het koolstofgehalte in het staal gebeurt al zeer vroeg in de geschiedenis, en kenmerkt wat vaak de overgang van 'ijzer' naar 'staal' wordt genoemd. Subtiele toevoeging van andere metalen perfectioneert de legering verder.
  • Door staal afwisselend plots af te koelen en weer te temperen wordt de korrelstructuur van het staal beïnvloed, en zo de hardheid van verschillende zones van de kling.
  • Door heterogene samenstelling van verschillende typen staal, kunnen de eigenschappen ervan gecombineerd worden: koolstof-rijk (hard) staal wordt met koolstof-arm (zacht, flexibel) staal samen gesmeed, en door het herhaaldelijk plooien en weer plat smeden tot een meerlagige kling verwerkt (dit heet "gevouwen staal" of bij verschillende typen staal "damaststaal").

Deze processen ontwikkelen zich door de geschiedenis, bij verschillende culturen. Het hoogtepunt wordt wellicht bereikt met damaststaal, dat in Zuid-Azië tot in de 18e eeuw geperfectioneerd werd, een niveau dat pas recent werd herontdekt door intensieve studie van dit materiaal. Wapens uit damast worden ook tegenwoordig door verzamelaars nog hoog gewaardeerd, vanwege het prachtige patroon dat zichtbaar wordt bij het etsen het staal.

Het zwaard wordt uitgebalanceerd door de gewichtsverdeling zo te regelen dat het zwaard 'goed in de hand voelt'. Materiaal, lengte en vooral vorm spelen daarbij een belangrijke rol. Door het zwaartepunt dicht bij de pareerstang te brengen wordt het minder vermoeiend om het zwaard vast te houden, en makkelijker om het te hanteren (zwaaien, pareren, etc). Door het percussiecentrum dichter bij de punt te brengen, wordt dan weer de efficiëntie van het klieven verhoogd, doordat de kling met meer kracht kan inhouwen. Voor iedere gebruiker is het weer anders welke balans zijn voorkeur heeft en het best bij zijn vechtstijl past.

Deze technologieën werden slechts beperkt gebruikt tijdens de productie van het overgrote deel van de zwaarden, vanwege de hoge kosten, de veeleisendheid, of vanwege de beperkte kennis van de wapensmid; de ambachtelijke kennis werd vaak enkel mondeling overgeleverd en geheimgehouden.

Zwaarden uit staal moeten goed geolied worden om roest te voorkomen. Hedendaagse sierzwaarden worden weliswaar uit roestvast staal gemaakt, maar zijn niet geschikt als wapen vanwege de breekbaarheid: het is meermalen voorgekomen dat een dergelijk zwaard brak tijdens oefeningen en de persoon in kwestie verwondde. In de handel wordt daarom vaak de kwalificatie "practical" of "battle ready" gehanteerd om aan te geven dat het zwaard wel bruikbaar is.

Het ontstaan en de ontwikkeling van het zwaard[bewerken]

Middeleeuwse gevechtsuitrusting met zwaard

Zwaarden behoren tot de eerste echte wapens, die niet in eerste instantie voor jacht of andere toepassingen werden gemaakt. De oudste zwaarden ter wereld zijn van koper. Deze zijn gevonden in Turkije, en stammen uit 3300 v.Chr. In Europa ontstonden zwaarden pas in de bronstijd. Dit waren aanvankelijk verlengde bronzen dolken, die als steekwapens werden gebruikt. Het oudste zwaard in Nederland stamt uit 1700 v.Chr., en is gevonden in het graf van de Hoofdman van Drouwen.

Later in de bronstijd veranderde de vorm van het zwaard, waardoor het zowel als slag- als als steekwapen gebruikt kon worden (zie voorbeeld in de foto boven). Er wordt wel vermoed dat de golf van vernietiging die zich in de tijd van de brandcatastrofe rond 1180 v.Chr. over de steden van het oostelijke Middellandse Zeegebied verspreidde te maken had met een meer op het zwaard gebaseerde vorm van oorlogsvoering. Met de introductie van het ijzer in de ijzertijd, niet lang daarna (in Nederland pas rond 800 v.Chr.), werden zwaarden ook van ijzer gemaakt. In tegenstelling tot brons, dat in vorm gegoten werd, werden 'ijzeren' zwaarden in vorm gesmeed. De eerste ijzeren zwaarden hadden dezelfde vorm als de bronzen zwaarden. Het ijzeren zwaard was aanvankelijk nauwelijks beter, vaak zelfs slechter van kwaliteit. Later in de ijzertijd kregen zwaarden een lange, rechte kling. Dit waren de zogenaamde spatha's, ook wel gezien als ruiterzwaarden. Dit type zwaard bleef tot ver in de Middeleeuwen in gebruik. De Romeinen gebruikten naast de spatha ook de gladius, een kort en breed steekzwaard.

Aanvankelijk varieerde het staal sterk in kwaliteit. Tijdens de Romeinse tijd werd hoger koolstof-staal samen met lager koolstof-staal gecombineerd in zwaarden. In de vroege Middeleeuwen was dit een algemeen gebruik. Door het in elkaar draaien van stroken hoog en laag koolstof-staal, kreeg het zwaard een fraai donker en licht streepjespatroon, ook wel damast genoemd. Tijdens de Vikingtijd kwam naast het damaststaal ook monostaal in gebruik. Dit betekende dat het hele zwaard uit een hoge kwaliteit staalsoort werd gemaakt, en dus niet meer het streepjespatroon had. In de late Middeleeuwen werd alleen nog monostaal gebruikt. In deze tijd kreeg het zwaard de meest bekende vorm, een lange slanke kling, een lange dwarsbescherming voor de pols en een handvat met massieve metalen knop voor balans. Zwaarden na de Middeleeuwen kregen een nog meer effectieve bescherming van de hand, die de hele hand bedekte. Dit waren de zogenaamde sabels, zwaarden met een dunne gekromde en eenzijdige kling. Het zwaard is nog eeuwen lang naast vuurwapens gebruikt, maar werd uiteindelijk volledig vervangen als wapen. In het leger heeft het nu alleen nog een symbolische betekenis.

Zwaarden als statussymbool[bewerken]

Zwaarden en de smid die zwaarden vervaardigen kon, hebben altijd een hoge status gehad. Ze stonden altijd aan de top van de metaalbewerkingstechniek, en werden gebruikt om de status van de eigenaar aan te geven. Daardoor werden ze vaak rijkelijk versierd en werd er veel meer werk aan besteed dan nodig om er een functioneel wapen van te maken. In de prehistorie werden zwaarden ook vaak geofferd in rivieren en moerassen, aangezien het zwaard het meest waardevolle bezit was dat aan de goden geschonken kon worden.

Het aanzien van zwaarden is ook duidelijk te zien door hun centrale rol in allerlei mythologieën. Een aantal zwaarden kreeg een eigen naam. Bekende voorbeelden zijn: Excalibur (het zwaard van Arthur), het zwaard van Francesco Grimaldi van Monaco, Caladbolg in de Ierse mythologie, Nothung in de opera Siegfried, Peters zwaard Rhindon in de boeken van C.S. Lewis, Prik (of Sting) van Frodo en Anduril van Aragorn in In de Ban van de Ring van J. R. R. Tolkien.

Misverstanden over zwaarden[bewerken]

Over zwaarden bestaan verschillende misverstanden. De waarheid is:

  • Zwaarden waren niet onverwoestbaar. Ze waren absoluut niet bedoeld om harde materialen of daarvan gemaakte voorwerpen te splijten of te doorboren, zoals harnassen. Er was altijd een compromis tussen scherpte en duurzaamheid; Hoe scherper de snede, hoe sneller deze beschadigt.
  • Zwaarden braken doorgaans niet. Het kwam voor dat een zwaard van een zachter metaal boog, maar het brak over het algemeen niet, behalve als er defecten in de kling aanwezig waren (slakken, barsten, holtes etc.) of als de kling een slechte verbinding met het handvat had. Goedkope moderne zwaarden van roestvast staal breken echter wel, en het bezwijken van een dergelijk zwaard kan dodelijke verwondingen veroorzaken! Deze worden daarom ook niet voor niets "muurhangers" genoemd. De tegenhangers hiervan zijn de zwaarden bedoeld voor het showgevecht, deze zijn over het algemeen van een zachtere staalsoort en niet scherp geslepen.
  • De groeve die bij sommige zwaarden over (een gedeelte van) de lengte van de kling loopt heeft te maken met gewichtsbesparing. Deze groef wordt vaak abusievelijk een 'bloedgeul' genoemd, wat de indruk wekt dat het bedoeld zou zijn om bloed uit een wond af te voeren. Deze geul zou tot doel hebben het "vacuüm trekken" van het lichaam na het steken of klieven tegen te gaan, maar dit is een fabeltje; de enige werkelijke functie van een bloedgleuf is gewichtsbesparing. Bloed kleeft trouwens niet aan staal.

Symboliek[bewerken]

  • Het zwaard is een symbool van macht of weerbaarheid.
  • Twee gekruiste zwaarden symboliseren een strijd.
  • Een verticaal geplaatst zwaard met de punt naar beneden is een kruissymbool.
  • In sommige culturen kon iemand tot ridder worden benoemd door de zogenaamde zwaardslag, hij ontving dan een ridderslag met een zwaard (meestal een kleine tik op de linkerschouder).
  • Binnen de vrijmetselarij is het zwaard een symbool voor een "vrij man" zijn. Een vrij man mag zichzelf en zijn waarden verdedigen.

Spreekwoorden[bewerken]

Zwaarden komen vaak voor in spreekwoorden en gezegden. Een voorbeeld is het spreekwoord "over de kling jagen", wat de ondergang bewerkstelligen of doden betekent. Volgens Stoet (1923-1925) betekende het van oorsprong een vluchtenden vijand geen kwartier geven, maar wordt het tegenwoordig ook gebezigd in de zin van iemand tot faillissement dwingen. De volledige uitdrukking zou volgens Stoett zijn 'iemand het hoofd over de kling jagen', dus: onthoofden.[1]

Externe link[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. F.A. Stoett, Nederlandsche spreekwoorden, spreekwijzen, uitdrukkingen en gezegden. W.J. Thieme & Cie, Zutphen 1923-1925 (vierde druk)