Hellebaard

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zweedse hellebaard
Uitrusting van de Zwitserse Garde in Vaticaanstad
Hellebaardierkorps uit Schotland

Een hellebaard is een houw- en stootwapen uit de Middeleeuwen dat bestaat uit een lange houten stok met een ijzeren punt, en daaronder, tegenover elkaar geplaatst, een bijl en een haak. Een soldaat die bewapend is met een hellebaard wordt een hellebaardier genoemd.

Voorlopers[bewerken]

Aan het einde van het neolithicum tot in de vroege bronstijd werd ook een voorwerp gebruikt dat een hellebaard wordt genoemd. Dit was een koperen of bronzen driehoek, die met behulp van klinknagels haaks aan een lange houten steel werd bevestigd. Waarschijnlijk had dit voorwerp een symbolische betekenis en werd het niet gebruikt als wapen. Dit omdat deze hellebaarden uitermate breekbaar waren.[1] Er zijn diverse van deze hellebaarden gevonden, zoals de Hellebaarden van Melz.
Een ander woord voor deze hellebaard is stafdolk, naar het Duitse woord stabdolche. Dit voorwerp verdween echter in de midden-bronstijd, en staat niet in verband met de middeleeuwse hellebaarden. De middeleeuwse hellebaarden worden beschouwd als de eerste echte wapens in Noordwest-Europa die niet voor andere doeleinden dan de jacht gebruikt werden.

Middeleeuwen[bewerken]

Veel middeleeuwse wapens (bijl, zwaard, dolk) reikten niet hoog genoeg om een ernstige bedreiging voor een man te paard te vormen. Al in de dertiende eeuw worden stokwapens opgenomen in de algemene bewapening der voetsoldaten. Onder stokwapens worden de op lange houten stokken of schachten gemonteerde wapens verstaan, die hoofdzakelijk om te houwen worden gebruikt. Maar steken kan men er ook mee. Het bekendste stokwapen is de hellebaard. In de dertiende eeuw wordt gestreefd naar een gecombineerd houw- en stootwapen. Aanvankelijk is de strijdbijl nog in de hellebaard te herkennen. In de veertiende eeuw wordt een sterke haak aan de rugzijde geplaatst die er onder andere voor dient om ruiters van hun paard te trekken of hun wapenrustingen te doorboren. Hierdoor werden de voetsoldaten tot geduchte en in vele gevallen zelfs superieure tegenstanders van de ruiters. Bekend is de Guldensporenslag (1302) waarbij een Vlaams 'volksleger' bestaande uit voetvolk maar bewapend met hellebaarden een Frans ridderleger versloeg door hen met de hellebaarden van hun paarden te trekken en vervolgens af te slachten.

Dat de hellebaard een verschrikkelijk wapen is, blijkt wel uit beschrijvingen die melden dat "ros unde man diu beide" worden doorkliefd. De verwondingen van dit wapen zijn erg groot doordat een goed geoefende infanterist bij een flinke zwaai met de lange stok een behoorlijke kinetische energie opbouwt. Bij een treffen met bv. de bijlzijde zal deze vaak dwars door een harnas heengaan.

De hellebaard was een vast onderdeel van de bewapening van het voetvolk tot de opkomst van de eerste vuurwapens. Heden is het een sierwapen dat sommige regimenten bij parades nog bij zich dragen. Tegenwoordig maakt het nog deel uit van de uitrusting van de Zwitserse Garde in Vaticaanstad.

Symboliek[bewerken]

In de christelijke iconografie is een hellebaard het attribuut van de apostel Judas Taddeüs.[2]

Literatuurverwijzingen[bewerken]

  1. Bergen C., Niekus, M.J.L.Th., Vilsteren van, V.T. (2002). Schatten uit het Veen. Zwolle: Waanders. ISBN 90-400-9662-7
  2. Hall, J. (2000). Hall's Iconografisch Handboek. Leiden: Primavera Pers.

Externe link[bewerken]