Oeros

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Oeros
Status: Uitgestorven (1627)[1] (2008)
Tekening van een oeros.
Tekening van een oeros.
Taxonomische indeling
Rijk: Animalia (Dieren)
Stam: Chordata (Chordadieren)
Klasse: Mammalia (Zoogdieren)
Orde: Artiodactyla (Evenhoevigen)
Familie: Bovidae (Holhoornigen)
Geslacht: Bos
Soort: Bos primigenius
Ondersoort
Bos primigenius primigenius
Afbeeldingen Oeros op Wikimedia Commons Wikimedia Commons
Oeros op Wikispecies Wikispecies
Portaal  Portaalicoon   Biologie

De oeros of het oerrund (Bos primigenius primigenius) is een uitgestorven rund. De tegenwoordige gedomesticeerde runderen stammen af van deze nominaatvorm van de soort.

Uiterlijk[bewerken]

Reconstructie van de oeros.

Hoewel de tegenwoordige gedomesticeerde runderen van het oerrund afstammen, was het oerrund een stuk groter. De schofthoogte van een oerosstier was waarschijnlijk tussen de 160 en 185 cm en die van de oeroskoe rond de 150 cm. Een volwassen stier woog tot een kilo of 1000. Opvallend zijn de kleurverschillen tussen de stier en de koe. Koe en kalf waren roodbruin terwijl de stier zwartbruin tot zwart was, met een smalle lichte aalstreep over zijn rug en een witte ring om kin en neus. De hoorns van de oeros waren karakteristiek voor deze soort en stonden naar voren gericht en naar binnen gekromd. Ze waren tot ongeveer 80 cm lang. Er bestonden kleine variaties zoals de lengte, dikte, mate van kromming en stand ten opzichte van het voorhoofd. De uiers van de koe waren klein en nauwelijks zichtbaar.

Voortplanting[bewerken]

De stieren leefden apart van de kudde met koeien en kalveren. Wanneer de paartijd aanbrak, trokken de stieren naar de kuddes toe om de koeien te dekken. De paartijd viel ongeveer in de nazomer en de jongen werden laat in de lente geboren.

Leefgebied[bewerken]

De oeros leefde ooit in bijna heel Europa met uitzondering van Ierland en het noorden van Scandinavië. Ook een groot gedeelte van Azië en Afrika behoorde tot zijn leefgebied.

De oeros leefde waarschijnlijk vooral in en bij vochtige, moerasachtige gebieden: moerasbossen, rivierdalen, rivierdelta’s en kwelders. Daarnaast kwam de oeros in Europa ook voor in bossen op drogere gronden, maar dat lijkt meer de habitat van de wisent te zijn geweest.

Voeding[bewerken]

De oeros at in voorjaar en zomer vooral kruiden en daarnaast bladeren van bomen en struiken. In de herfst bestond het dieet overwegend uit bladeren en boomvruchten (zoals eikels) en in de winter uit takjes en bast.

Geschiedenis[bewerken]

De oeros leefde vanaf de tweede helft van het Pleistoceen in Europa en was afkomstig uit India. In Europa verdween de oeros in de periode 1200–1400, waarschijnlijk door de bejaging door mensen. In Litouwen en Polen heeft de oeros nog het langst bestaan. Men gaat ervan uit dat de laatste oeros in 1627 is gestorven in een klein koninklijk jachtreservaat, de Puszcza Jaktorowska, ongeveer 50 kilometer ten zuidwesten van Warschau. Vanwege haar zeer kleine omvang was de populatie hier al geruime tijd zeer kwetsbaar geweest. In Noord-Nederland verdwenen de laatste oerossen in de 7e eeuw.[2]

Er bestonden drie ondersoorten, Bos primigenius namadicus uit India, Bos primigenius mauretanicus uit Noord-Afrika en Bos primigenius primigenius uit Europa en het Midden-Oosten. Alleen B. p. primigenius heeft tot relatief recente tijden geleefd.

Op de oeros werd veel gejaagd. Uit het Oude Egypte zijn jachten op het rund bekend van bijvoorbeeld farao Ramses II in 1197-1165 v.Chr. De Romeinen probeerden de dieren levend te vangen voor arenagevechten. In latere tijden werd er ook op de oeros gejaagd omdat hij een bedreiging zou zijn voor de landbouw. Men neemt aan dat dit de reden is dat de dieren zijn uitgestorven.[bron?]

Prehistorie[bewerken]

De oeros verscheen ongeveer 700.000 jaar geleden in Spanje. In Duitsland zijn de oudste fossielen 275.000 jaar oud. Zowel de neanderthaler als de cro-magnonmens joegen in de prehistorie op dit dier. De cro-magnonmens schilderde al 10.000-20.000 jaar geleden in grotten de jacht op de oeros (en andere dieren).

Heckrund en andere oeros-achtige fokrunderen[bewerken]

Maronesa uit Portugal.

De Duitse broers Lutz en Heinz Heck hebben in de jaren twintig getracht om de oeros terug te fokken, uitgaande van enkele primitieve en oorspronkelijk geachte runderrassen. Bij het fokken is niet alleen gekeken naar het uiterlijk, maar ook naar de mate waarin de dieren bestand zijn tegen het leven in de vrije natuur, behendigheid en alertheid. Het resultaat, het Heckrund, lijkt waarschijnlijk echter minder op de oeros dan het huidige Spaanse vechtrund. Dit vechtrund zou de meeste gelijkenis tonen met de oeros wat betreft de vachtkleur en de stand van de horens. De hoornvorm en de lichaamsgrootte van het Heckrund wijken af van die van de oeros. Ook vinden we bij Heckrunderen nog vaak recessieve kenmerken afkomstig van tijdens de fok gebruikte gedomesticeerde Europese runderrassen, zoals vlekpatronen, die bij een nieuwe generatie plotseling zichtbaar kunnen worden. Aan het eind van de 20e - en het begin van de 21e eeuw zijn wederom pogingen gedaan oeros-achtige runderen te fokken, waarbij onder meer gebruik is gemaakt van Spaanse en Schotse runderrassen. Deze nieuwe oeros zou meer op de oude oeros moeten lijken dan het Heckrund en geschikt moeten zijn voor diverse Europese natuurrervaten. Bij sommige fokprogramma's was het doel bovendien een minder voor mensen gevaarlijk ras te krijgen dan het Heckrund. [3]

Zie ook[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  • International Commission on Zoological Nomenclature. 2003. Opinion 2027 (Case 3010). Usage of 17 specific names based on wild species which are pre-dated by or contemporary with those based on domestic animals (Lepidoptera, Osteichthyes, Mammalia): conserved. Bull.Zool.Nomencl., 60:81-84.
  • Vuure, C. van. 2003. De Oeros - Het spoor terug. Wetenschapswinkel Wageningen UR, Wageningen.
  1. (en) Oeros op de IUCN Red List of Threatened Species.
  2. de recentst gedateerde vondsten zijn van rond het jaar 600.
  3. Cis van Vuure: Retracing the Aurochs - History, Morphology and Ecology of an extinct wild Ox. 2005, ISBN 954-642-235-5.