Schofthoogte

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

Ga naar: navigatie, zoeken
afbeelding die de schoft van een paard toont

De schofthoogte of schouderhoogte (ook wel de stokmaat genoemd) is de afstand tussen de grond en de schoft, van het uiteinde van de voorpoot tot aan de bovenrand van de wervelkolom, ter hoogte van de schouder. Deze maat wordt meestal gebruikt om aan te geven welke hoogte een volgroeid exemplaar van een bepaalde diersoort of -groep, meestal een middelgroot tot groot vierpotig landdier als een hoefdier of een roofdier, in principe moet kunnen bereiken.

De schofthoogte is betrouwbaarder dan de hoogte van de kop, aangezien de kop zelfs in stilstand in verscheidene posities kan staan, terwijl de schoft in stilstand altijd een vaste positie heeft. De schoft is over het algemeen in stilstand het hoogste punt van een dier op de kop en de nek na, en het hoogste gedeelte van de rug. Een uitzondering zijn de kameel en de dromedaris, waarbij immers de bult het hoogste punt van de rug is.

De schofthoogte wordt voornamelijk gebruikt bij paarden en honden als een standaardmaat voor bepaalde rassen. Zo geldt voor de reu van een Ierse wolfshond een minimale schofthoogte van 79 centimeter, terwijl voor de foxterriër een maximale hoogte van 39 centimeter geldt.


Maximale schofthoogte van enkele mannetjesdieren (centimeter)
Savanneolifant 340 cm
Giraffe 330 cm
Aziatische olifant 300 cm
Eland 230 cm
Kameel 200 cm
Bizon 200 cm
Witte neushoorn 185 cm
Bruine beer 150 cm
Przewalskipaard 145 cm
Nijlpaard 140 cm
Edelhert 127 cm

[bewerken] Zie ook

Persoonlijke instellingen