Abbas I van Perzië
Abbas I de Grote (27 januari 1557 - 19 januari 1628) was sjah van Perzië van 1586 tot 1628. Hij was afkomstig uit de dynastie van de Safawiden.
Hij was de zoon van sjah Mohammed Chodabende. Tijdens de woelige regeringsperiode van zijn vader, waarin het rijk verzwakte, was hij landvoogd van de streek Khorasan. Na de moord op zijn oudere broer en de troonsafstand van zijn vader kwam hij in 1586 aan het bewind. Met een door hem gemoderniseerd leger overwon hij de Oezbeken in het oosten en heroverde hij de steden Mashhad en Herat.
In 1621 ontnam hij Kandahar op het Mogolrijk. Hij versloeg het Ottomaanse Rijk in 1606 en heroverde Azerbeidzjan en Armenië. Voorts bezette hij Bagdad en de sjiitische heilige plaatsen Najaf en Karbala in Irak.
Hij slaagde er echter niet in Europa tot een verbond tegen het Ottomaanse rijk te bewegen. Daardoor was hij genoodzaakt in Georgië een inlandse prins te laten regeren.
Met hulp van de Engelsen ontnam hij Hormoez, een eiland in de Perzische Golf, aan de Portugezen en stichtte hij in die omgeving de haven Bandar Abbas.
Verscheidene provincies van Perzië kwamen tot rust. Hij verhief Isfahan tot zijn residentie. Hij liet er grote bouwwerken optrekken aan het door hem aangelegde plein Naghshe Jahan en bracht er 3000 Armeense gezinnen naartoe. Onder zijn bewind kwam de cultuur tot grote bloei. Hij zorgde voor wegen en bruggen.
Ook de Nederlandse VOC kreeg van Abbas I toestemming om handelsposten in onder andere Isfahan te stichten.
Christelijke geestelijke orden werden onder zijn regering in Perzië toegelaten. Hij was zeer begaafd, maar gedroeg zich als een wreed despoot: hij liet twee broers en één van zijn zonen blind maken en zijn oudste zoon terechtstellen.
Na zijn dood in 1628 werd hij opgevolgd door zijn kleinzoon Safi.
[bewerken] Zie ook
| Zie de categorie Abbas I of Persia van Wikimedia Commons voor meer mediabestanden. |