Tsjetsjenië

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Republiek Tsjetsjenië
Чеченская республика
Autonome republiek in Rusland Vlag van Rusland
Vlag van Republiek Tsjetsjenië Wapen van Republiek Tsjetsjenië
(Details)
Locatie in Rusland
Kaart
Situering
Federaal district Noordelijke Kaukasus
Economische regio Noord-Kaukasus
Hoofdstad Grozny
Algemeen
Oppervlakte 15.680,4 km² (74e)
(0,8% water)
Inwoners
(census 2002)
1.103.686 (49e)
(70,39 inw/km²)
Politiek
President Ramzan Kadyrov
Premier Odes Bajsoeltanov
Overig
Officiële talen Russisch, Tsjetsjeens
Religie soefisme, wahabisme, Russische orthodoxie
Volkslied Volkslied van Tsjetsjenië
Tijdzone UTC+3
ISO 3166-2 CE
Kenteken 20
Officiële website chechnya.gov.ru
Portaal  Portaalicoon   Rusland

Tsjetsjenië, voluit de Tsjetsjeense Republiek (Russisch: Чеченская республика, Tsjetsjenskaja Respoeblika; Tsjetsjeens: Нохчийн Республика, Noxçiyn Respublika[1]), is een autonome republiek van de Russische Federatie, gelegen in de Noordelijke Kaukasus en maakt deel uit van het Federaal District Noordelijke Kaukasus. Het verzet dat strijdt voor onafhankelijkheid gebruikt voor Tsjetsjenië de naam Tsjetsjeense Republiek Itsjkerië.

Geografie[bewerken]

Het gebied grenst aan het land Georgië in het zuiden en aan drie andere autonome republieken van de Russische Federatie: Dagestan (ten oosten en noordoosten), Ingoesjetië (ten westen) en Noord-Ossetië (ten zuidwesten). In het noordwesten grenst het aan de kraj Stavropol.

Geschiedenis[bewerken]

Context[bewerken]

De Noordelijke Kaukasus[bewerken]

Kloof in de Kaukasus (Sergej Prokoedin-Gorski: 1912)
Het door de Russen verwoeste presidentieel paleis in Grozny

De Noordelijke Kaukasus is in de geschiedenis een streek geweest die vele overheersers heeft gekend. Van Mesopotamiërs tot de Romeinen, allen hebben een poging gewaagd deze "mysterieuze bergvolkeren" in de Kaukasus in hun Rijk op te nemen. Omdat de macht vaak wisselde en de grootmachten vooral bezig waren met elkaar, kon er een machtsvacuüm ontstaan waarin er kansen lagen voor verschillende bergstaatjes. Het gebergte dat zich uitstrekt van de Zwarte Zee tot aan de Kaspische Zee heeft in de geschiedenis altijd een hoge diversiteit gekend van volkeren. De etnische diversiteit is enorm. Naast de mysterieuze, oeroude Nakh volkeren die Tsjetsjenië en Ingoestsjetie bevolken, leven er Turkse volken in het uiterste westen en oosten, Circassische in het westen en zijn de Ossetiers een Perzisch volk. De culturele verschillen tussen deze groepen worden nog eens versterkt door de verschillende religies die in de regio voorkomen. De islam (soennisme) is dominant, maar Ossetië is voornamelijk Orthodox christelijk. Door de geografische ligging tussen Europa en Azië heeft het gebied altijd een belangrijke betekenis gehad voor de handel.

Naast de Kaukasus als handelsbrug tussen Europa en Azië, is de regio ook nog eens rijk bedeeld met vele grondstoffen, zoals metalen, mineralen en steenkool. Als in twintigste eeuw ook nog eens grote bronnen aan aardgas en olie ontdekt worden in de Kaspische Zee, is het duidelijk dat de Kaukasus een groot economisch potentieel heeft. Van dit gegeven is Rusland zich altijd bewust geweest, en het lukte de Sovjets dan ook om de Kaukasus tot één van de meest ontwikkelde regio’s van de Sovjet-Unie te maken.

Het Tsjetsjeense gebied[bewerken]

De geschiedenis van Tsjetsjenië wordt gekenmerkt door de fysisch-geografische ligging van het gebied in de Noordelijke Kaukasus en de relaties die het volk dat daar woonde had met de omringende volken gedurende deze geschiedenis. De komst van de Russen in de 16e eeuw was met name van grote invloed op het verdere verloop hiervan. De relaties en conflicten die hierop ontstonden tussen de Russische machthebbers en het Tsjetsjeense volk en zijn leiders zijn van grote invloed geweest op de huidige situatie. De conflicten tussen de Russische machthebbers en de Tsjetsjenen bereikten een hoogtepunt in de jaren 90 van de 20e eeuw waarin twee kortstondige de facto onafhankelijke Tsjetsjeense staten elkaar opvolgden met eveneens twee oorlogen die een grote weerslag hadden op de situatie van de verschillende bevolkingsgroepen binnen het gebied.

De Tsjetsjenen[bewerken]

De Tsjetsjenen en Ingoesjen waren tot de komst van de Russen één volk en noemen zich Vainachen (ons volk). De Tsjetsjenen noemen zichzelf Nochtsji (volk; soms ook vertaald als 'zonen van Noach'). Het Tsjetsjeens valt samen met het Ingoesjetisch en het Batsisch (minderheidstaal in Georgië) binnen de Nach-talen.

De Tsjetsjenen kennen van oudsher een tejp-structuur die nog steeds erg belangrijk is voor het dagelijks leven van veel Tsjetsjenen. Elke tejp (clan) had oorspronkelijk een eigen grondgebied, met een eigen Raad van Ouderen die recht sprak volgens een Kaukasische vorm van de adat. Elke tejp had (en heeft soms nog steeds) een eigen berg en een eigen godheid. Deze natuurgodsdienst leeft voort in de 10e eeuw. De tejps waren (en zijn) gegroepeerd in Toekchoems.

Tsjetsjenië bestaat geografisch gezien uit een relatief vlak gebied in het noorden en midden en een berggebied in het zuiden. De Tsjetsjenen woonden in vredestijd in de valleien en trokken zich in tijden van oorlog terug in de bergen, die beter waren te verdedigen. Dit berggebied waar ze zich terugtrokken wordt door de Tsjetsjenen aangeduid als Itsjkerië (van het Turkse woord 'İçeri' wat 'binnen' betekent en wordt door de Tsjetsjenen aangeduid als 'binnenland').

Oorsprong[bewerken]

De oorsprong van de Tsjetsjenen en Ingoesjen is tot op heden niet met zekerheid vastgesteld. Na een gebrek aan onderzoek hiernaar in de tijd van de Sovjet-Unie, kwam dit onderzoek in de jaren 90 van de 20e eeuw in een stroomversnelling.

Een daarbij opkomend raciaal idee was dat de Tsjetsjenen en Ingoesjen directe afstammelingen zouden zijn van de zoon Sem van Noach, waarmee ze de stichters zouden zijn van het 'Arische ras' en volgens sommigen zelfs van het 'Kaukasische ras'. Dit idee heeft echter nauwelijks invloed gehad. Een ander idee is dat een gedeelte mogelijk een joodse oorsprong heeft en werd verdreven uit het koninkrijk Israël in de tijd van Nebukadnezar I.

De oorsprong van de Vainachen zou mogelijk kunnen liggen in het volk der Hurrieten, al is dit niet archeologisch aangetoond. Het rijk van de Hurrieten was Mitanni, wat werd veroverd door Hettieten in 1335 v.Chr.. Hierop vluchtte een aantal stammen van de Hurrieten naar de moeilijk begaanbare Kaukasus en vermengden zich daar met leden van de Kobancultuur. Hieruit zouden de Vainachen zijn ontstaan. Uit de vroeg-Vainachsche tijd zijn afgodsbeelden en grafheuvels (koerganen) gevonden (zie ook Koerganhypothese).

Geschiedenis tot de komst van de Russen[bewerken]

De eerste bronnen over de Vainachen komen uit de 7e eeuw uit het Armeense koninkrijk.

In de Klassieke Oudheid en Vroege Middeleeuwen kwamen de Vainachen in contact met andere volken. Er was op dat moment een koninkrijk genaamd Serir in de hoogten van de Kaukasus. In de vlaktes ten noorden van de Vainachen heersten de Alanen (zie Noord-Ossetië), die de Vainachen wilden onderwerpen en dat later ook deden. In de eeuwen daaropvolgend namen de Alanen veel elementen van de Vainachsche cultuur over. Hierna kreeg het gebied te maken met de Romeinen, Sassaniden, Arabische kalifaten, de Chazaren en verschillende nomadenstammen.

Tussen de 10e eeuw en de 13e eeuw werden de Vainachen bekeerd tot het christendom vanuit het Koninkrijk Georgië. Er werden toen ook een aantal nederzettingen en versterkingen gebouwd en kerken gesticht. Het christendom werd door de Tsjetsjenen vermengd met hun natuurgodsdienst en met hun cultuur. In de eeuwen daarna verdween het christendom geleidelijk weer. Toen het Mongoolse Rijk zich ten noorden en zuiden van de Kaukasus uitstrekte, trokken de Tsjetsjenen vanuit de valleien de bergen in, om na de val van Timoer Lenk zich weer in de vlakten te vestigen.

In de 16e eeuw verspreidde zich vanuit Dagestan de islam over het gebied. Het soefisme kreeg daarbij de meeste volgers. De Vainachen vermengden deze vorm van de islam eveneens met hun natuurgodsdienst. In die tijd ontstonden ook de eerste vriendschappelijke contacten tussen Tsjetsjenen en kozakken.

De komst van de Russen[bewerken]

De geschiedenis met het Russische rijk begon met de Russische tsaar Ivan de verschrikkelijke. In het jaar 1556 probeerde hij de Kaukasus aan het rijk toe te voegen, zijn invloed bleef echter zeer gering. In 1559 ontstond de eerste Russische vesting bij Tarki (in Dagestan) in opdracht van Ivan en in 1587 ontstond de eerste kozakkennederzetting, waarna de etnische groep de Terek-Kozakken langzamerhand ontstond (uit de Don-Kozakken) en zich verspreidde over de Kaukasus. De Tsjetsjenen woonden op dat moment grotendeels in de bergen en begonnen zich ook langzaam te verspreiden over de vlaktes van het noorden.

Het was pas onder Peter de Grote, in het begin van de achttiende eeuw, dat het Russische Rijk te maken kreeg met de opstandige Tsjetsjenen. Peter de Grote had van het Russische Rijk een goed georganiseerd en sterke militaire macht gemaakt en als vorst droomde hij ervan om het Perzische Rijk te verslaan, waardoor de Noordelijke Kaukasus van cruciaal belang werd. De volkeren van de Kaukasus zagen dit als een bedreiging voor de relatieve onafhankelijkheid die zij genoten. Het lukte de stammen uit de Kaukasus om in 1707 een Russisch fort te vernietigen; in de bronnen over deze tijd komen de Tsjetsjenen voor de eerste keer duidelijk naar voren als volk. Het was ook in deze periode dat de eerste grote strijder van de Tsjetsjenen naar voren kwam: Sjeik Mansoer. Van 1785 tot 1791 leidde Mansoer een groot offensief tegen de Russische overheersing. In dat laatste jaar werd hij door de Russen gevangengenomen, wat hem deed uitgroeien tot een martelaar voor de Tsjetsjeense vrijheid.

In 1817 begon de Kaukasusoorlog, die met tussenpozen bijna 50 jaar zou duren, en waarbij de hele Noordelijke Kaukasus onder het bestuur kwam van de Russische tsaren. In het kader hiervan werd Tsjetsjenië in 1818 onderworpen door de Russische generaal Aleksej Jermolov, die zich schuldig maakte aan etnische zuivering en het uitmoorden van hele dorpen. In deze oorlog diende zich ook het tot op heden belangrijkste boegbeeld van de Tsjetsjenen aan: de Avaar Imam Sjamil. Deze wist als leider van het Kaukasische Imamaat verschillende bergvolkeren te verenigen in de harde strijd tegen de Russen. Toen hij uiteindelijk in 1859 in het Dagestaanse dorpje Goenib gevangen werd genomen, was de strijd dan ook snel afgelopen. Hoewel hij uiteindelijk werd vrijgelaten en zijn zonen bij het Russische Leger gingen, groeide hij uit tot een belangrijk symbool van de Tsjetsjeense onafhankelijkheidsstrijd.

In de 20e eeuw bleef de opstandigheid tegen de Russische overheersing in de Noordelijke Kaukasus een factor van betekenis. In de Russische Burgeroorlog steunden de Tsjetsjenen en andere bergvolkeren de bolsjewieken in de hoop op onafhankelijkheid. Hoewel ze officieel enige autonomie kregen in de vorm van de Sovjetrepubliek der Bergvolkeren, hadden ze in de praktijk weinig in te brengen. In 1924, na het aan de macht komen van Stalin verdween het semi-autonome gebied en werden de Tsjetsjeense gebieden ondergebracht in de Tsjetsjeense autonome oblast, die tien jaar later werd samengevoegd met de Ingoesjetische autonome oblast tot de uiteindelijke Tsjetsjeens-Ingoesjetische ASSR, die ondergeschikt was aan de Russische Socialistische Federatieve Sovjetrepubliek. De bolsjewieken probeerden ook in de Kaukasus de religie uit te bannen en de landbouw zo snel mogelijk te collectiviseren. Mede door het doen emigreren van Russen en andere niet-Kaukasische volken naar de Kaukasus, trachtte de Sovjet-regering de nationalistische gevoelens van de Tsjetsjenen en andere Kaukasische volken zo veel mogelijk te bestrijden. Dit beleid leidde er uiteindelijk toe dat de Tsjetsjenen in eigen land als tweederangsburgers werden gezien.

Met het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ontstond er bij een deel van de Tsjetsjenen eindelijk enige hoop. De Duitsers beloofden de Tsjetsjenen, als ze Rusland zouden weten te verslaan, vrijheid van geloof en een einde aan de landbouwcollectivisering. Ook stelden zij het openstellen van scholen waar in de Tsjetsjeense taal en cultuur onderwezen zou worden, in het vooruitzicht. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een deel van Tsjetsjenen en Ingoesjen onder leiding van Hasan Israilov in 1940 tijdens de Kaukasische opstanden in de Tweede Wereldoorlog, de kant van de Duitsers kozen. Hierbij werkten ze samen met het Duitse Nordkaukasische Sonderkommando Schamil van de Abwehr. Nadat de Sovjettroepen de Duitsers hadden teruggedrongen en de Slag om de Kaukasus voor de autochtone Kaukasische bevolking op niets was uitgelopen, richtte Stalin zijn wraak op de Tsjetsjenen en andere volkeren die de Duitse vijand hadden gesteund en daarvoor volgens de logica van Stalin dienden te worden gestraft. Als represaille liet hij onder leiding van Lavrenti Beria de gehele Tsjetsjeense bevolking in februari 1944 naar Centraal-Azië deporteren, voornamelijk naar Kazachstan.

Zij kwamen daar niet alleen terecht: ruim 3,2 miljoen burgers werden gedeporteerd naar afgelegen gebieden van de Sovjet-Unie wegens "collaboratie". Bij deze deportatie werd geen enkele uitzondering gemaakt: de gehele Tsjetsjeense bevolking werd schuldig bevonden. Zelfs zij die als soldaat in het Rode Leger hadden gediend, werden opgepakt en weggevoerd. In sommige streken gingen de Russen tot genocide over, zoals in het dorp Chaibach, waar de 7000 inwoners allen werden vermoord. Naast dat het een kleine groep was gelukt om uit handen van de Russen te blijven en onder leiding van Sjeik Qureish Belhorev een guerrillaoorlog was begonnen, werd vrijwel de gehele Tsjetsjeense bevolking in korte tijd gedeporteerd. De gedeporteerde Tsjetsjenen kwamen in werkkampen terecht, waar een deel al snel omkwam van de honger, voor zover dit al niet tijdens de reis erheen was gebeurd als gevolg van de ontberingen. Uit onderzoek is gebleken dat 23,7% van de gedeporteerden de reis en de werkkampen niet hebben overleefd. Na de massale deportatie lag de weg voor de Sovjets open om Tsjetsjenië van de kaart te vegen: de grenzen werden opnieuw getrokken en alle plaatsen kregen een Russische naam.

Toen Stalin in 1953 overleed, ontstond er voor de zoveelste maal weer een beetje hoop voor de Tsjetsjenen. De leiders in het Kremlin kwamen er al snel achter dat de Tsjetsjenen (net als de andere gedeporteerde volken) hun land nog lang niet waren vergeten en dat er zelfs al enkelen teruggekeerd waren naar hun moederland. Tijdens zijn bekend geworden anti-Stalin-toespraak in 1957 gaf de nieuwe Sovjet-leider Nikita Chroesjtsjov daarop te kennen, dat de Tsjetsjenen stapsgewijs terug mochten naar hun land, waarna ze in speciale arbeiderskampen terecht zouden komen.

De Tsjetsjenen gingen hier massaal op in: alleen al in 1957 arriveerden er meer dan 200.000 in hun thuisland. Dat waren er veel meer dan waar het vierjarenplan, dat ervoor was opgesteld, in had voorzien. In hun voetspoor volgden de moellahs, de sjeiks en de tejpbestuurders, die zagen dat hun huizen waren ingenomen door Russische migranten en nu werden blootgesteld aan grove discriminatie. De situatie liep volledig uit de hand, mede doordat de moslimgeestelijken opriepen tot een sharia-staat en doordat duizenden wapens meekwamen uit Centraal-Azië. Dit zorgde in combinatie met het grote onrecht dat de Tsjetsjenen was aangedaan tot vele conflicten met de Russische bevolking. De aanwezige Russen, Osseten, Avaren, Oekraïners en andere bevolkingsgroepen, die tijdens hun afwezigheid de huizen van de Tsjetsjenen hadden overgenomen, kregen met de wraakzucht van terugkerende Tsjetsjenen te maken: volgens Russische bronnen ontvluchtten alleen al in 1957 113.000 van hen het gebied.

In 1958 kwam de haat tegen de terugkerende autochtone bevolking tot een kookpunt en brak er in Grozny een pogrom uit. Aanleiding was de dood van een Russische jongen tijdens een steekgevecht met dronken Tsjetsjeense jongeren. De daders werden vrijwel meteen opgepakt, maar het gerucht verspreidde zich snel onder de Russische bevolking en bij de begrafenis ging het mis: ruim 3000 mannen zwoeren wraak en wilden het centrum van Grozny in om verhaal te halen bij het bestuur. De politie, de KGB en de MVD probeerden hen te stoppen en hielden ruim 50 mensen aan. De dag erop verzamelden zich ruim 10.000 mensen rondom het regeringsgebouw in Grozny met de eis tot de vrijlating van hun kameraden die de dag ervoor waren gevangengezet. Toen hieraan geen gehoor werd gegeven werden dit en andere gebouwen van de regering door de menigte bestormd; in de chaos die volgde werden vele Tsjetsjeense burgers op straat en in gebouwen door de menigte doodgeslagen. De pogrom eindigde pas toen de regering met militaire macht de orde herstelde. Hoewel in de periode daarna verschillende mensen werden gearresteerd wegens deelname aan deze gewelddaden, werden slechts enkelen veroordeeld.

Onafhankelijkheidsstrijd[bewerken]

De aanloopfase[bewerken]

Als de Sovjet-Unie is beland in de laatste jaren van zijn bestaan, is de economie in Tsjetsjenië tot erbarmelijk niveau gedaald. Door het collectiviseren van de landbouw is er een enorme overbevolking op het platteland. Daarentegen hebben de industrieën in de steden een groot tekort aan arbeiders. Als gevolg leven de meeste Tsjetsjenen onder de armoedegrens en daarbij is de criminaliteit tot een absoluut hoogtepunt gestegen.

Door de machtsstrijd die zich binnen het Kremlin afspeelt, ziet de voormalige Tsjetsjeense luchtmachtgeneraal, Doedajev, de kans om te profiteren van dit vacuüm. Hij roept in juni 1991 de onafhankelijke staat Tsjetsjenië uit. Van belang is te weten dat Doedajev als veteraan van het Rode Leger, sterk anti-islamitisch was. Tevens was hij een voorstander van Boris Jeltsin en hoopte dan ook dat als Jeltsin als winnaar uit de bus zou komen, Tsjetsjenië definitief onafhankelijk zou worden. Doedajev laat het niet bij halve maatregelen en op 9 oktober 1991 grijpen hij en zijn aanhangers de macht in Grozny. Hierna probeert hij de situatie in Tsjetsjenië zo snel mogelijk te normaliseren en zijn machtsovername zo veel mogelijk te legitimeren. Als in december 1991 de Sovjet-Unie definitief wordt opgeheven, hoopt Doedajev dat de desintegratie van de Russische federatie in hetzelfde tempo zal gaan als het oude Sovjetrijk.

Maar tegen alle verwachtingen van Doedajev in, is de houding van het Kremlin een stuk negatiever. Door middel van overleg en steun aan de oppositie probeert het Doedajev zo snel mogelijk weer uit zijn macht te ontzetten. Als gevolg hiervan worden er drie couppogingen gepleegd tegen de regering van Doedajev, die alle mislukken. Jeltsin besluit het spel nog harder te spelen, sluit de Russische grenzen met Tsjetsjenië en stelt bovendien voor Tsjetsjenië zelf een regering aan onder leiding van Avtoerchanov. Als in de zomer van 1994 de oppositiepartijen zich met Avtoerchanov verenigen en samen de strijd aangaan, breekt daar al snel een burgeroorlog uit.

De eerste oorlogsperiode[bewerken]

De energie die Moskou had gestopt in pogingen om de regering van Doedajev omver te werpen, blijkt nu echter niet voldoende. Op 26 november 1994 slagen de oppositiegroepen met assistentie van de Russische geheime dienst er niet in om Grozny te veroveren. Op 29 november besluit Jeltsin dat er geen weg terug is en geeft hij bevel tot het bombarderen van Grozny. Op 11 december vallen vervolgens de eerste Russische grondtroepen Tsjetsjenië binnen. Als op nieuwjaarsavond 1995 Grozny wordt bestormd door de federale troepen is het startsein gegeven voor de eerste fase van de Tsjetsjeense oorlog.

Als in de lente van 1995 alle rebellen verjaagd zijn uit de steden lijkt het succes van een half jaar oorlog aan Russische zijde. Maar als op 14 juni 200 kilometer buiten Tsjetsjenië door de groep van Sjamil Basajev een ziekenhuis wordt bezet en het leven van meer dan duizend Russische burgers op het spel staat, lijkt Rusland voor een onmogelijke opdracht te staan. Aangezien Rusland nog niet klaar is voor een oorlog die zich ook buiten Tsjetsjenië afspeelt, stuurt het Kremlin al snel aan op onderhandelingen. Het is de Russische minister Viktor Tsjernomyrdin die telefonische onderhandelingen voert met de gijzelnemers.

Als de rebellen een vrije aftocht krijgen naar Tsjetsjenië, is de psychische schade voor Rusland enorm. Bovendien is door het harde optreden van de Russische troepen de interne oppositie in Tsjetsjenië tegen Doedajev gereduceerd tot een kleine groep. Als bij de eerste, door het Kremlin opgezette, Tsjetsjeense verkiezingen de pro-Russische Zavgajev met 93% van de stemmen wint, wordt de positie van de Russen nog problematischer. Het volk, dat de Russen van de verkiezingsfraude beschuldigt, ziet in Zavgajev niet meer dan een marionet van het Kremlin. Mede door deze verkiezingen wordt de haat van de Tsjetsjenen jegens de Russen nog groter, waardoor het conflict een steeds grimmiger karakter krijgt.

Als in januari 1996 een groep onder leiding van de rebel Radoejev 2000 mensen in de stad Kizljar in Dagestan gijzelt, lijkt er zich een herhaling voor te doen van het ziekenhuisdrama. Met enkel dit verschil dat Radoejev tijdens zijn aftocht wordt aangevallen, waarbij vele gijzelnemers de dood vinden. Maar Radoejev weet te ontsnappen. Door al deze gebeurtenissen komt Jeltsin, met verkiezingen in het vooruitzicht, in een lastig parket. Ook door de moordaanslag op Doedajev in april, waarbij deze het leven laat, kan de positie van Jeltsin niet meer veilig worden gesteld. Aangezien een militaire overwinning op de korte termijn uitgesloten is, kan Jeltsin alleen nog met onderhandelingen zijn politieke carrière redden. In juni 1996 vinden de eerste onderhandelingen plaats met Doedajevs opvolger, Jandarbiev, in Nazran. Echte duidelijke overeenkomsten levert dit nog niet op, maar de koers richting vrede is ingezet.

Als Rusland in de zomer al zijn aandacht richt op de verkiezingen, zien de rebellen hun kans. Op de avond van de inauguratie van Jeltsin, na diens verkiezingsoverwinning voor een tweede ambtstermijn, verslaan de rebellen de federale troepen bij Grozny. Met het verlies van Grozny, stuurt Jeltsin de populaire generaal Aleksandr Lebed voor onderhandelingen naar Chasavjoert. Aldaar wordt een staakt-het-vuren getekend, waarmee de eerste Tsjetsjeense oorlog ten einde komt. Hoewel Tsjetsjenië hierdoor de facto onafhankelijk wordt, zal Rusland de onafhankelijkheid van het land uiteindelijk toch niet accepteren.

Drie jaren van vrede[bewerken]

Met een Russische overheid die zich na 1996 afzijdig houdt, breekt er voor een Tsjetsjenië een tijd van informele onafhankelijkheid aan. Desondanks staat men voor een probleem. Jandarbiev toont als opvolger van Doedajev niet het gewenste leiderschap, daarbij heeft Tsjetsjenië geen enkele ervaring met het opbouwen van een natiestaat. Met een poging een legitieme leider te krijgen, worden in januari 1997 de eerste verkiezingen gehouden. Als grote winnaar komt Maschadov uit de bus. Hij was een oude Sovjet-kolonel en had in 1996 de onderhandelingen gevoerd met Lebed. Hiermee heeft het volk een man gekozen met gematigde politieke ideeën, die voor een goede dialoog met Moskou stond. Het volk is de oorlog kennelijk zat.

Met de niet-islamistische Maschadov staat Tsjetsjenië voor een groot probleem, aangezien een groot deel van de politiek juist voor een islamitische staat is. Als zijn vicepresident Basajev na een half jaar opstapt en zich aansluit bij de radicalen, lijkt dit het startsein te zijn voor grootschalige oppositie vanuit de islamitisch radicale hoek. Aangezien Basajev de rechtstreekse confrontatie met Maschadov niet aandurft, besluit hij eerst de islamitische revolutie te ontketenen in de aangrenzende republiek Dagestan, waarna hij hoopt in Tsjetsjenië te worden ontvangen als ware volksheld. Alles loopt echter anders; Basajev en zijn aanhangers worden bij hun invasie van Dagestan in augustus 1999 genadeloos verslagen door de Russen. Niet alleen de islamitische revolutie is hiermee mislukt, maar de gevolgen blijken van grotere aard als voor de tweede keer de Russische troepen naar Tsjetsjenië worden gestuurd.

De tweede oorlogsperiode[bewerken]

Als rechtstreeks gevolg van het buitenlandse avontuur van de mannen van Basajev rijden op 1 oktober 1999 de Russische troepen Tsjetsjenië binnen, in een korte tijd hebben de Russen 80% van de republiek in hun handen. Maar niet alleen voor Tsjetsjenië waren de gevolgen groot, na de actie van Basajev, maar ook voor de machtsverhoudingen binnen het Kremlin waren ze enorm. Jeltsin had, in dezelfde maand dat Basajev zijn invasie pleegde in Dagestan, het hoofd van de veiligheidsdienst naar voren geschoven als premier: Vladimir Poetin. Aangezien Jeltsin in deze maanden meerdere malen in het ziekenhuis lag was het Poetin die de touwtjes in handen had.

Als in september 1999 meerdere aanslagen worden gepleegd op appartementencomplexen in Moskou en andere steden, wordt de vinger al snel gewezen naar de Tsjetsjenen. Afgezien van het feit dat de rebellen dit volledig ontkennen, is de meerderheid van de politiek en het Russische volk voor een gewapend ingrijpen in Tsjetsjenië. Poetin heeft met Tsjetsjenië zijn ideale springplank gevonden naar de macht en wordt dan ook in maart 2000 met een overmacht gekozen als tweede president van de Russische Federatie.

Als de Russische troepen het grootste deel van Tsjetsjenië in handen hebben, schuift Poetin Achmat Kadyrov naar voren als nieuwe leider van de deelrepubliek. De keuze van Kadyrov mag op zijn minst opmerkelijk worden genoemd, aangezien Kadyrov nooit pro-Russisch is geweest. Misschien was het een poging om te voorkomen dat de nieuwe leider zou overkomen als een marionet van het Kremlin. Als dit de gedachte was, dan slaagde deze niet. Aangezien Kadyrov was aangesteld door Poetin, was het feit dat hij niet pro-Russische was niet belangrijk, want in de ogen van het Tsjetsjeense volk was hij enkel een collaborateur. Rusland probeert, ondanks de voortgaande oorlog, de situatie zo snel mogelijk te normaliseren, mede door grote hoeveelheden geld aan ontwikkeling uit te geven proberen ze Tsjetsjenië zo snel mogelijk weer op te bouwen. Ook dit mislukt volkomen, doordat het geld bijna volledig verdwijnt door corruptie. Als gevolg hiervan zakt Tsjetsjenië economisch nog verder weg, waardoor de werkloosheid tot een record stijgt en de scholing volledig stil komt te liggen.

Met de aanwezigheid van een enorme Russische troepenmacht, van rond de 70.000 manschappen, heeft de strijd een nieuwe fase bereikt. De rebellen, die een openlijke confrontatie niet meer kunnen winnen, verplaatsen hun strijdtoneel naar buiten Tsjetsjenië, door middel van terroristische aanslagen op Russische burgerdoelen. In de jacht op de rebellen binnen Tsjetsjenië wordt steeds meer geweld gebruikt, waar vooral het volk de dupe van wordt. Kenmerkend voor de tweede oorlog is het feit, dat de informatie die naar de buitenwereld lekt zeer minimaal is, mede door het feit dat het voor journalisten niet meer veilig is om in Tsjetsjenië te werken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de rebellen steeds gruwelijkere aanslagen plegen om de aandacht op te eisen.

Zo worden er op 23 oktober 2002 in Moskou in een theater honderden bezoekers gegijzeld door Tsjetsjeense rebellen. Niet alleen de rebellen verliezen bij deze actie hun leven, maar ook 129 gijzelaars overlijden, mede door het te sterke chemisch gas dat de Russen gebruikten bij de bevrijding. Veel uitwerking hebben de acties van de rebellen niet, enkel dat de strijd aan beide kanten steeds gewelddadiger wordt. In mei 2004 lukt het de rebellen uiteindelijk de president Kadyrov te vermoorden, door middel van een bomaanslag tijdens een parade in Grozny. Poetin schuift al snel de pro-Russische Aloe Alchanov naar voren bij de verkiezingen. Ondanks de verdenkingen van fraude bij de verkiezingen, wordt Alchanov de nieuwe leider van Tsjetsjenië.

Beide oorlogen worden gekenmerkt door een hoeveelheid aan misdaden tegen de menselijkheid. In deze eerste oorlog leverden de rebellen en Russische troepen strijd in bevolkte gebieden. In de tweede oorlog laten Tsjetsjenen vooral bommen ontploffen, gemunt op Russische burgers. Russische soldaten gebruiken buitensporig geweld in hun strijd tegen de rebellen. Daarbij sneuvelen vele burgers en worden veel huizen vernield. Ook worden Tsjetsjeense mannen vermoord en Tsjetsjeense vrouwen verkracht. Meer dan honderdduizend Tsjetsjenen zijn uit Tsjetsjenië gevlucht.

Bij de twee oorlogen in Tsjetsjenië zijn naar schatting 100.000 burgers, militairen en rebellen gedood, waaronder 3500 Russische soldaten tijdens de Tweede Tsjetsjeense Oorlog (1999-februari 2006; volgens het persbureau Interfax). Het conflict heeft ook veel slachtoffers gemaakt door landmijnen: Op 4 april 2006 maakten Unicef en de Europese Commissie bekend dat in 11 jaar tijd 3030 mensen waren gedood of gewond geraakt door landmijnen.[2]

President Alchanov heeft in september 2006 een voorstel gedaan om de naam van de republiek te veranderen naar Nochtsjiin, omdat volgens hem de inwoners van het gebied nooit Tsjetsjeense Republiek noemen, maar deze naam gebruiken. Premier Kadyrov gaf echter aan hierop tegen te zijn.[3] Tot zijn dertigste mocht Kadyrov formeel namelijk nog geen president zijn, maar had feitelijk wel de macht in het land. Op 15 februari 2007 werd bekendgemaakt dat federaal president Poetin president Alchanov heeft vervangen door Kadyrov, die eerst zal optreden als waarnemend president.[4]

Demografie[bewerken]

Bij de Russische volkstelling van 2002 werden 1.103.686 personen geregistreerd, waarvan de Tsjetsjenen met 1.031.647 (93,5%) verreweg de grootste groep waren. Er waren verder kleine minderheden van Russen 40.645 of 3,7%), Kalmukken (8.883 of 0,8%) en een aantal andere etniciteiten die minder dan 0,5% van de bevolking uitmaakten. Aan het einde van de Sovjetperiode bestond nog 23% van de bevolking uit etnische Russen (294.000 bij de Sovjetvolkstelling van 1989). Door wijdverbreide criminaliteit en vermeende etnische zuivering, die zou worden uitgevoerd door de regering van Dzjochar Doedajev, vluchtten de meeste niet-Tsjetsjenen (vooral Russen, Oekraïners, Ingoesjen en Armenen) en ook een groot aantal Tsjetsjenen het gebied in de jaren 90.[5]

Bevolkingsontwikkeling
1926 1939 1950 1959 1961 1970 1979 1989 2002
539.000 727.000 451.000 710.000 835.000 1.065.000 1.154.000 1.275.000 1.103.686

Religie[bewerken]

Algemeen[bewerken]

Centraal in de Tsjetsjeense samenleving staat de clanstructuur. Het volk is tot de dag van vandaag opgedeeld in clans, stammen en families, die alle van een vorm van onafhankelijkheid genieten. Besluitvorming gaat hierbij via de raad van ouderen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Maskhadov in 1996 voor een moeilijke, zo niet onmogelijke opdracht stond, om op deze clanstructuur een centrale overheid te bouwen. Op gebied van religie kent de Tsjetsjeense samenleving een gelijke complexiteit. Als bewoners van de Noordelijke Kaukasus zijn de Tsjetsjenen in aanraking gekomen met zowel het christendom als de islam. Hoewel het Russische rijk grote inspanning heeft geleverd de Tsjetsjenen te bekeren, bleef het aantal christelijke Tsjetsjenen toch altijd relatief laag.

De islamitische leer had bij de Tsjetsjenen meer succes. Vanaf de 8e eeuw begonnen de Arabieren de volkeren van de Kaukasus actief te bekeren tot de islam. De eigenzinnige Tsjetsjenen maakte van de islam al snel hun eigen versie. De zuivere islam leer werd in Tsjetsjenië gemixt met de heidense tradities, waardoor er een vreemde mengvorm ontstond. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de meeste Tsjetsjenen zich bekeerden tot het soefisme, een mystieke stroming binnen de islam. Waarbij de broederschappen centraal staan en de regels van koran niet letterlijk worden genomen, maar slechts gezien worden als uiterlijke regels. Een vrije interpretatie van het geloof is bij het soefisme toegestaan.

Naast dat er dus op de eerste plaats het soefisme bestaat, bezit Tsjetsjenië meerdere religieuze minderheden. De belangrijkste daarvan is het orthodoxe christendom, maar ook zijn er de zogenoemde 'bergjoden' en de etnische Russen, die het Russisch orthodoxe christendom belijden. Er moet bovendien op gewezen worden dat Tsjetsjenië een grote groep niet-gelovigen bezit. Deze stromingen hebben in de geschiedenis meestal in een relatief tolerant klimaat naast elkaar geleefd, mede vanwege de gezamenlijke vijand Rusland. De val van het communisme stimuleerde onder de volkeren van de Kaukasus een zoektocht naar een collectieve identiteit, met een verminderde tolerantie als gevolg.

De jaren negentig[bewerken]

Het Russische rijk heeft in de geschiedenis meerdere pogingen gedaan om de islamisering van de Kaukasus een halt toe te roepen. In de tijden van de Sovjet-Unie, waar religie tegen de grondbeginselen van het socialisme inging, werd de islamitische cultuur met grof geweld bestreden. Moskeeën werden vernietigd en de spirituele leiders werden vermoord. Dat de Sovjets bij de bestrijding van de islam, niet consistent waren, is duidelijk uit het feit dat in Armenië en Georgië de islam juist keurig werd geïntegreerd in het communistische systeem..

Met de komst van Gorbatsjov, die met zijn plannen van perestrojka en glasnost het communistische systeem probeerde te hervormen, ontstond er meer vrijheid voor de islamitische cultuur. Vele moskeeën werden herbouwd en op vele plaatsen in Tsjetsjenië werden islamitische leerscholen geopend. Als aan het eind van 1991 een einde komt aan de Sovjet-Unie, komt er een golf van nationale bewustwording op onder de volkeren van de voormalige Sovjet-Unie. Aangezien het islamitische aspect altijd een duidelijke scheiding heeft veroorzaakt tussen de Tsjetsjenen en de Russen, is het dan ook niet verwonderlijk dat de religie het bindmiddel werd voor dit ontwakende nationale bewustzijn van de Tsjetsjenen. Niet alleen de moslims waren op zoek naar hun identiteit, maar ook de joden gingen mee in dit proces, waardoor vele het land verlieten om zich te vestigen in Israël.

Bij de ontwikkeling van een nationale identiteit horen nationale helden uit de geschiedenis. Op zoek naar deze helden kwam de naam Sjeik Mansoer al snel naar voren. Mansoer, wat overwinnaar betekent in het Arabisch, startte zijn campagne met een overwinning op de Tsjetsjeense rivier Sunzja. Bij de poging van de troepen van Catharina II om het huis van Mansoer te vernietigen, werden ze genadeloos verslagen door Mansoer en zijn aanhang in de bossen van Tsjetsjenië. Deze grote overwinning, waarin 600 Russische soldaten en officieren de dood vonden, was het grootste succes van Mansoer. In het totaal groeide het leger van Mansoer uit tot 20.000 manschappen.

Na de overwinning in Tsjetsjenië, ging hij verder met zijn heilige oorlog in het aangrenzende Dagestan. ( Zie hier de duidelijke overeenkomst met de acties van Dudayev in 1999, die ook zijn heilige oorlog uitbreidde door Dagestan binnen te vallen). Ondanks de grote aanhang van Mansoer was de strijd tegen het machtige Rusland hopeloos door de enorme macht van Rusland en na 6 jaar werd hij dan ook opgepakt en tot levenslang veroordeeld. Met Mansoer heeft Tsjetsjenië de ideale held, aangezien de problemen van Mansoer weinig verschillen met die van deze tijd, ook de rebellen van de twintigste eeuw vechten voor onafhankelijkheid en het behoud van hun identiteit.

Het wahabisme[bewerken]

Door de aanhang binnen Tsjetsjenië voor het soefisme, dat door veel moslims wordt gezien als heidense stroming, zijn er in de geschiedenis vele pogingen gedaan om de Tsjetsjenen te bekeren tot de zuivere islam, ofwel een leer die de regels van de koran letterlijk neemt. In het klimaat van de jaren negentig, waar nationale en culturele bewustwording weer op de voorgrond kwam, deed opnieuw een islamitische stroming haar intrede in de Tsjetsjeense samenleving: het wahabisme.

Het wahabisme is een fundamentele conservatieve soennitische stroming die haar oorsprong had in Saoedi-Arabië. Een ware moslim moet zich volgens het wahabisme volledig overgeven aan de wetten van god, de sharia. Degene die zich hier niet aan houdt mag dan ook gedood (indien de bewijzen rechtvaardig zijn en de vonnis door de rechter is uitgesproken) worden. De wahabieten zien zichzelf als de enige ware moslims. Het is moeilijk te zeggen hoe groot de aanhang is binnen de Tsjetsjeense samenleving voor het wahabisme, aangezien de cijfers hierover niet bekend zijn. Dit komt, ten eerste, door het feit dat Tsjetsjenië officieel nog steeds bij Rusland hoort. Als gevolg zijn de religieuze verhoudingen vaak geïntegreerd met die van het gehele Russische grondgebied. Ten tweede wordt er geen onderscheid gemaakt tussen verschillende islamitische stromingen, zoals het soefisme en het wahabisme.

De aanhang is vooral te vinden onder de jonge Tsjetsjenen. Zij waren het hardst op zoek naar hun identiteit en zetten zich nog eenvoudiger af tegen de tradities van hun ouders. Het is tijdens de eerste oorlog dat de aanhang voor het wahabisme een grote vaart begint te nemen. Deze Tsjetsjeense beweging werd gefinancierd en getraind door islamitische groeperingen buiten Tsjetsjenië. We praten hier over groeperingen uit bijvoorbeeld Qatar, Koeweit en Jordanië, die vele miljoenen van de Russische munteenheid Roebel overmaakte op de rekeningen van de nieuwe fundamentalistische bewegingen in Tsjetsjenië. Hierdoor werd de Tsjetsjeense strijd financieel volledig afhankelijk van deze fundamentalistische groeperingen.

Mensenrechten[bewerken]

De mensenrechten worden in Tsjetsjenië regelmatig geschonden.

In 2006 berichtte Human Rights Watch dat op grote schaal martelingen voorkwamen bij de ondervraging van separatisten.[6]. In 2009 publiceerde Amnesty International een gedetailleerd rapport over de mensenrechtenschendingen tegen Tsjetsjeense burgers.[7] In 2011 berichtte Human Rights Watch over de schending van vrouwenrechten.[8] Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft Rusland sinds 2005 al verantwoordelijk gesteld voor meer dan tweehonderd doden en verdwijningen.

Ook zijn diverse mensenrechtenactivisten en journalisten die berichtten over schendingen van de mensenrechten in Tsjetsjenië vermoord:

  • De leider van de hulporganisatie "Let's save the Generation", Murad Muradov en een medewerker zijn in april 2005 ontvoerd en vermoord. Ditzelfde overkwam zijn opvolgster Sarema Sadulajeva en haar man in augustus 2009.
  • De journaliste Anna Politkovskaja werd op 7 oktober 2006 in Moskou vermoord. Zij had regelmatig bericht over mensenrechtenschendingen door het Russische leger in Tsjetsjenië.
  • De advocaat Stanislav Markelov, die zich inzette voor slachtoffers van mensenrechtenschendingen, werd in januari 2009 in Moskou doodgeschoten.
  • Natalja Estemirova, een medewerkster van de organisatie Memorial werd in juli 2009 in Grozny ontvoerd en dezelfde dag in een bos vermoord teruggevonden.

Bestuurlijke indeling[bewerken]

Bestuurlijke indeling Tsjetsjenië

Districten[bewerken]

De autonome republiek Tsjetsjenië bestaat uit 15 districten (Russisch: районы, rayoni). Hieronder staan deze districten met de bijbehorende bestuurlijke centra. Zie de kaart hiernaast voor de locaties binnen Tsjetsjenië.

nr. District Bestuurlijk centrum
1 Naoerski (Наурский) Naoersk
2 Sjelkovskoi (Шелковской) Sjelkovsk
3 Nadterezjni (Надтеречный) Nadterezjnoj
4 Groznenski (Грозненский) Grozny
5 Goedermesski (Гудермесский) Goedermes
6 Soenzjenski (Сунженский) Sernovodsk
7 Atsjchoj-Martanovski (Ачхой-Мартановский) Atsjchoj-Martan
8 Oeroes-Martanovski (Урус-Мартановский) Oeroes-Martan
9 Sjalinski (Шалинский) Sjali
10 Koertsjalojevski (Курчалоевский) Koertsjaloj
11 Itoem-Kalinski (Итум-Калинский) Itoem-Kali
12 Sjatojski (Шатойский) Sjatoj
13 Vedenski (Веденский) Vedeno
14 Nozjaj-Joertovski (Ножай-Юртовский) Nozjaj-Joert
15 Sjarojski (Шаройский) Sjaroj

Grote plaatsen[bewerken]

Belangrijkste plaatsen
Grootste plaatsen van Tsjetsjenië (cijfers volkstelling 2002)
Plaats Russisch Inwoners   Plaats Russisch Inwoners
Grozny Грозный 210.720   Gojty Гойты 13.221
Sjali Шали 40.356   Ojschara Ойсхара 12.767
Oeroes-Martan Урус-Мартан 39.982   Geldagan Гелдаган 11.875
Goedermes Гудермес 33.756   Mesker-Joert Мескер-Юрт 11.123
Argoen Аргун 25.698   Samasjki Самашки 10.824
Koertjsaloj Курчалой 20.857   Majrtoep Майртуп 10.754
Avtoery Автуры 18.330   Assinovskaja Ассиновская 10.248
Atsjchoj-Martan Ачхой-Мартан 16.742   Alleroj Аллерой 10.225
Tsotsin-Joert Цоцин-Юрт 15.935   Starye Atagi Старые Атаги 10.161
Batsji-Joert Бачи-Юрт 14.756   Alchan-Kala Алхан-Кала 10.146

Rivieren[bewerken]

Door het gebied stromen drie belangrijke rivieren. Deze zijn in het blauw aangegeven op de kaart.

  1. Terek
  2. Soenzja
  3. Argoen

Literatuur[bewerken]

Externe links[bewerken]

Logo Wikimedia Commons
Commons heeft meer mediabestanden op de pagina Чечня.
  • (en) www.chechnyafree.ru (Website van pro-Russische regering Alchanov)
  • (en) www.chechnya-mfa.info - Website van ministerie van buitenlandse zaken van Itsjkerië (nationalistisch georiënteerde afscheidingsbeweging van Maschadov)
  • (en) www.kavkazcenter.com (Website van de afscheidingsbeweging)
  • (en) www.watchdog.cz (Informatie over de Noordelijke Kaukasus ("mensenrechten, humanitaire situatie, mediatoegang en -dekking en de lokale politieke situatie"), organisatie gesteund door de door de Amerikaanse overheid gesteunde National Endowment for Democracy)
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Tsjetsjeens wordt zowel met cyrillisch als Latijns alfabet geschreven. De laatste variant werd tijdens de kortstondige onafhankelijkheid opgesteld, maar is door de herovering door de Russen nooit officieel ingevoerd en wordt nauwelijks gebruikt
  2. mosnews - 3,030 Killed and Injured in Landmine Blasts in Russia’s Chechnya Over Decade — UN Body - 4 april 2006
  3. Nieuws.nl Tsjetsjeense premier: geen andere naam republiek - 5 september 2006
  4. (nl) Poetin ontslaat president Tsjetsjenië. Nieuws.nl (15 februari 2007)
  5. Dmitri Sokolov-Mitritsj, Vergeten genocide. Izvestia (geraadpleegd 29 oktober 2006) (ru)
  6. Human Rights Watch:Chechnya: Research Shows Widespread and Systematic Use of Torture
  7. Amnesty International:Russian Federation Rule Without Law: Human Rights violations in the North Caucasus, July 1, 2009.
  8. Russia: Chechnya Enforcing Islamic Dress Code, HRW, 10 maart 2011

  • Dunlop, J.B., (1998), Russia Confronts Chechnya: Roots of a Separatist Conflict. Cambridge: Cambridge University Press. ISBN 0-521-63619-1
  • Martin, G., (2003) Understanding terrorism, challenges, perspectives, and issues. Thousand Oaks: Sage Publications, Inc. ISBN 0-7619-2616-X
  • Politkovskaja, A., (2003), A small corner of hell: Dispatches from Chechnya. Chicago: University Of Chicago Press. ISBN 0-226-67432-0
  • Smith, S., (2001), Allah’s mountains: The battle for Chechnya. London: I. B. Tauris & Company. ISBN 1-86064-651-4
  • Trenin, D.V., en Malashenko, A.V., (2004), Russia’s restless frontier: The Chechnya factor in post-soviet Russia. Washington: Carnegie Endowment for International Peace. ISBN 0-87003-203-8