Hurrieten

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Hurrieten,[1] Choerrieten,[1] Khurrieten,[2] Horit,[bron?] Horim[bron?] of Hurri[bron?] waren een volk uit het oude Nabije Oosten, dat vanaf ongeveer 2500 v.Chr. in het noorden van Mesopotamië en de nabijgelegen gebieden ten oosten en westen daarvan leefde. Vermoedelijk waren zij uit de Kaukasus afkomstig en drongen vanuit het noorden Mesopotamië binnen, maar zeker is dat niet. Ze kwamen uit Subar, de Khaburvallei, en vestigden zich later als heersers van de kleine koninkrijken in Noord-Mesopotamië en -Syrië. De grootste en invloedrijkste Hurritische natie was vanaf ca. 1500 v.Chr. echter het koninkrijk van de Mitanni.

Over de prehistorische cultuur van Noord-Mesopotamië kan men meer informatie vinden in de artikelen over Tell Halaf, Tell Brak, Obeid en de Urukperiode. De Hurrieten speelden bovendien een wezenlijke rol in de geschiedenis van de Hettieten, die ongeveer 500 jaar na hen, rond ca. 2000 v.Chr., in de streek opdoken en tot Anatolië doordrongen.

Situatiekaart ten tijde van de Hurrieten

Volk[bewerken]

Een aantal auteurs denkt dat niet de meerderheid der Hurrieten Indo-Europeanen waren, maar dat zij zich door een Indo-Europese kaste van strijders en koningen lieten leiden. Saggs[3] leidt dit onder meer af uit het feit dat de koningen van Mitanni geen Hurrietische maar Indo-Europese namen droegen en dat bovendien de oude Indiase goden[4] werden vereerd.

Volgens archeoloog Gurney [5] zou de herkomst van deze halfnomaden Noord-Iran zijn. Hij meldt dat ze zich sinds ca. 2300 v.Chr. geleidelijk naar het zuiden en het westen verspreidden vanuit hun hoofdplaats in de bergstreek ten zuiden van de Kaspische Zee, en dat ze zich gedurende het 2e millennium tot machtige koninkrijken organiseerden in de nabijheid van de bovenloop van de Eufraat en de Khabur.

De Hurrieten hadden zich intussen in het 2e millennium v.Chr. vrijwel overal in het oude Nabije Oosten verspreid gevestigd, en waren vermoedelijk de grootste etnische groep in het gebied, waar zij vanaf 1800 langzaam een wig drijven tussen Assyrië en Klein-Azië.[6] Toch waren ze in de meeste delen slechts een minderheid onder de bevolking. Een Hurrietische bevolkingsmeerderheid bestond enkel in de Khaburvallei en in het koninkrijk van Arrapha. Zij hadden zeer nauw contact met de Luviërs of Luvieten, die eveneens met de Hettieten in nauw contact waren (en er een tijdlang zelfs mee werden geïdentificeerd).

De Hurrieten, die tot de 15e eeuw v.Chr. vooral in Syrië bekend waren, doken vanaf dan ook in Palestina op, wat herkenbaar is aan sporen van hun typische taal met Kaukasische affiniteiten. Tegen het 1e millennium v.Chr. hadden de Hurrieten zich overal met andere volkeren vermengd, behalve misschien in het koninkrijk van Urartu.

Etymologie[bewerken]

De naam wordt soms in verband gebracht met het Iraanse woord hara dat 'berg' betekent, evenals het Hebreeuwse har en het Akkadische hur (zoals in Ninhursag, de Godin van de Berg). Het gaat dus oorspronkelijk om een bergvolk, of een volk dat uit de bergen afkomstig is. Een andere verklaring wordt aangereikt vanuit het Sanskriet woord hari, dat 'gouden' betekent. Dit predicaat wordt gewoonlijk met Indra in verband gebracht, de god van de bergen. Het 'bezit van goud' is in het Sanskriet hiran (later in het Latijn aurum).
Beide woordgroepen samen verwijzen mogelijk naar een vroeger idee van 'een gouden berg', een gebied van eeuwig licht, waar de Indo-Europese voorouders verondersteld werden na hun dood te verblijven. Het is een beeld dat onder meer wordt weergegeven in dat van de latere Ahoera in zijn stralend verblijf bovenop de berg Hara, verwant[7]. aan de berg Horeb van Mozes.
Ook de naam van de Egyptische godin Hat-hor (lett. Huis van Hor) zou verband houden met hurritische oorsprong van een cultus via de Shemsu-Hor, een stam die in de verre prehistorie in Egypte voor kwam[8].

In de Tenach wordt over hen gerapporteerd als 'Horiten' of 'Hivieten', en mogelijk ook 'Jebusieten'.[9]

Taal[bewerken]

De Hurrieten spraken een ergatief-agglutinerende taal; het Hurritisch, dat niet verwant was met de naburige Semitische of Indo-Europese talen, maar wel duidelijk verwant was met het Urartisch en mogelijk verre familie is van de hedendaagse Dagestaanse talen. Veel onderzoekers die het Hurritisch als een proto-Koerdische taal beschouwen, wijzen op de sterke ergativiteit in het Koerdisch als een van de belangrijkste syntactische overeenkomsten tussen de twee talen. Naast de grammaticale overeenkomsten komen er ook veel Hurritische woorden voor in het Koerdisch.

Omstreeks 2000 v.Chr. namen de Hurrieten het Akkadische spijkerschrift over als het officiële Hurritische schrift. Aan deze overgang is het te danken dat men tegenwoordig de Hurritische geschriften kan lezen. In het Hurritisch werden ook logogrammen uit het Sumerisch gebruikt, waarvan onderzoekers tegenwoordig de Hurritische uitspraak niet kennen. Daardoor is het Hurritisch nog lang niet helemaal ontcijferd, en zitten er veel leemten in de hedendaagse kennis van de Hurritische woordenschat.

Teksten in het Hurritisch zijn gevonden in Hattusa en Ugarit (Ras Shamra). De belangrijkste taalkundige vondst met betrekking tot het Hurritisch was één van de langste Amarna-brieven; geschreven door koning Tushratta van Mitanni, aan farao Amenhotep III. Tot de vondst van een verzameling letterkundige, Hurritische (en van een Hettitische vertaling voorziene) tabletten in Hattusa in 1983 was dat het enige bekende lange in het Hurritisch geschreven geschrift.

Geschiedenis[bewerken]

Het gebied van Hurritische vestiging midden Bronstijd wordt bij benadering in het paars aangegeven.

Waar de Hurrieten vandaan komen is nog steeds een mysterie. Volgens sommige bronnen werden zij te oordelen naar hun namen en die van hun goden door een Arische koningskaste van (kshattriya's) geleid. Omstreeks 2300 v.Chr. hadden ze zich waarschijnlijk verbreid vanaf de uitlopers van de Kaukasus. In de eeuwen daarna duiken Hurritische namen sporadisch op in het noorden van Mesopotamië en de streek rond Kirkoek in het moderne Irak. Hun aanwezigheid is geboekstaafd bij Nuzi, Urkesh en andere sites. Uiteindelijk bezetten ze een wijde boog vruchtbaar akkerland dat zich uitstrekte van het dal van de Khabur tot de uitlopers van het Zagrosgebergte. Hethietische kronieken zinspelen rond 1500 v.Chr. op meerdere Hurrietische landen dan enkel Mitanni, en op verdragen met hen.

De stadstaat Urkesh[bewerken]

Het dal van de Khabur vormde duizend jaar lang het hart van het land van de Hurrieten. Het eerste bekende Hurritische koninkrijk ontstond aan het eind van het 3e millennium v.Chr. rondom de stad Urkesh. Het einde van het Akkadische rijk stelde de Hurrieten daar in staat controle over dit gebied te verwerven. De streek was lange tijd middelpunt van rijke culturen (zie Tell Halaf en Tell Brak). Nu konden de Hurrieten daarvan profiteren en er hun eigen hoogontwikkelde stadstaat organiseren.

De stadstaat van Urkesh had echter nog een paar machtige buren. Ergens aan het begin van het 2e millennium v.Chr. werd Urkesh dan ook een vazalstaat van het zuidelijker gelegen Amoritische koninktijk van Mari. In een voortdurende machtsstrijd om Mesopotamië maakte zich in de 18e eeuw v.Chr. een andere Amoritische dynastie meester van Mari. De hoofdstad van dit Oud-Assyrische koninkrijk, Shubat-Enlil geheten, werd op enige afstand van Urkesh gesticht bij een andere Hurritische nederzetting in het dal van de Khabur.

Het koninkrijk van Yamhad en Kizzuwatna[bewerken]

Syrië in het tweede millennium v.Chr., met o.m. de locatie van Urkesh en Alalakh
Nuvola single chevron right.svg Zie Geschiedenis van Kizzuwatna voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Hurrieten trokken in deze periode ook naar het westen. Tegen 1725 v.Chr. worden ze ook aangetroffen in het noorden van Syrië, zoals in Alalakh. De Hurrieten vestigden zich ook in de kuststreek van Adaniya in het land van Kizzuwatna, rijk aan obsidiaan- en zilvermijnen. In de machtsstrijd tussen de Hettieten en het Hurritisch koninkrijk van Mitanni werd Kizzuwatna een gewilde partner vanwege de strategische ligging. Over het Amoritisch-Hurritische koninkrijk van Yamhad is geschreven dat het omstreeks 1600 v.Chr. met de vroeg Hettitische koning Hattusilis I om dit gebied streed. Yamhad bezweek uiteindelijk voor de machtige Hettieten, maar dat opende ook de weg naar Anatolië voor de culturele invloeden van de Hurrieten. De Hettieten werden gedurende enkele eeuwen die daarop volgden door de Hurritische cultuur beïnvloed.

De opkomst van Mitanni[bewerken]

Het Nabije-Oosten circa 1400 v.Chr. met het Koninkrijk Mitanni op zijn grootst.
Nuvola single chevron right.svg Zie Mitanni voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De Hettieten zetten hun expansie naar het zuiden na de val van Yamhad voort. Het leger van de Hittitische koning Mursili I drong door tot Babylon en plunderde de stad. De vernietiging van het Babylonische koninkrijk en van dat van Yamhad droeg bij aan de opkomst van een andere Hurritische dynastie. De stichting van hun koninkrijk had plaats onder een Indo-Europese Mitanni aristocratie nabij Harran. Deze adel was van Indo-Arisch ras blijkens namen van hun goden. De eerste heerser was een legendarische koning, genaamd Kirta, die omstreeks 1500 v.Chr. het koninkrijk van Mitanni vestigde. Gedurende de 18e Dynastie van Egypte (van 1530-1300 v.Chr.) werden eerst Hurritische en pas later Hettitische prinsessen als bijvrouwen voor de farao naar Egypte gestuurd.
Mitanni groeide geleidelijk vanuit het dal van de Khabur en werd tussen ca. 1450 en 1350 v.Chr. het machtigste koninkrijk van het Nabije Oosten. De lichte strijdwagens, die na 1800 v.Chr. algemeen werden, konden deze Hurrieten heel goed besturen, en ze gebruikten een composiet boog (uit hoorn gecombineerd met hout in meerdere lagen) waartegen het invoeren van bronzen beschermplaten voor man en paard nodig werd.
De Hurrieten die tot dan in Syrië bekend waren, doken nu ook op in Palestina, wat herkenbaar is aan sporen van hun typische taal met Kaukasische affiniteiten, zoals blijkt uit een Egyptisch archief en uit Palestijnse kleitabletten.
Sedert de regering van Muwatallis I duiken, als een soort nieuwe mode, Hurrietische namen op in de koninklijke familie van de Hettieten, en ook nieuwe godennamen.

De staat van Arrapha[bewerken]

Ook een ander Hurritisch koninkrijk profiteerde van de ondergang van de Babylonische grootmacht in de 16e eeuw v.Chr. Er woonden al Hurrieten in de streek ten noorden van de Tigris, om wat nu de Koerdische stad Kirkoek is. Dit was het koninkrijk van Arrapha. Opgravingen bij Yorgan Tepe, het oude Nuzi, leverden een van de belangrijkste sites op voor onze kennis over de Hurrieten. Hurritische koningen zoals Ithi-Teshup en Ithiya heersten over Arrapha, maar tegen het midden van de 15e eeuw v.Chr. waren ze vazallen geworden van de Grote Koning van Mitanni. Arrapha zelf werd in de 14e eeuw v.Chr. verwoest door de Assyriërs.

Het einde van de Hurrieten[bewerken]

Tegen de 13e eeuw v.Chr. waren alle Hurritische staten overwonnen door andere volken. Het hart van het land van de Hurrieten, het dal van de Khabur, werd een Assyrische provincie. Het is niet duidelijk wat er aan het eind van de bronstijd met het Hurritische volk gebeurd is. Volgens sommige onderzoekers woonden de Hurrieten aan het begin van de ijzertijd in het land Subria ten noorden van Assyrië.

De Hurritische bevolking van Syrië schijnt in de volgende eeuwen haar taal te hebben ingeruild voor een Assyrische dialect van het Akkadisch, of, waarschijnlijker, het Aramees. In ongeveer dezelfde periode schijnt een Urartisch, (een taal die lijkt op oud-Hurritisch) sprekende aristocratie de toenmalige bevolking van de streek rond het Vanmeer te hebben onderworpen, waarmee het koninkrijk Urartu ontstond.


Cultuur en maatschappij[bewerken]

De kennis over de Hurritische cultuur berust op archeologische opgravingen bij plaatsen zoals Nuzi en Alalakh en op spijkerschrifttabletten, vooral die uit Hattusa (Boghazköy), de hoofdstad van de Hettieten, want de Hurrieten hadden veel invloed op de Hettitische beschaving. Tabletten uit Nuzi, Alalakh en ande steden met een Hurritische bevolking (wat blijkt uit namen van personsn) onthullen ook Hurritische culturele invloeden, zelfs al zijn ze in het Akkadisch geschreven. Hurritische rolzegels werden zorgvuldig uitgesneden en bevatten vaak mythologische motieven. Ze vormen een sleutel tot het begrip van de Hurritische cultuur en geschiedenis.

Keramiek[bewerken]

De Hurrieten waren uitstekende pottenbakkers. Hun keramiek wordt overal in Mesopotamië en in de landen ten westen van de Eufraat aangetroffen, in het verre Egypte werd het tijdens het Nieuwe Rijk zeer gewaardeerd. Archeologen gebruiken de termen Khabur ware en Nuzi ware voor het op een pottenbakkerswiel gemaakte Hurritische aardewerk. Het wordt gekenmerkt door rode, soms bruine of zwarte geschilderde lijnen in een geometrisch patroon en met stippen.

Metallurgie[bewerken]

De Hurrieten waren vermaard om hun metallurgie. De Sumeriërs ontleenden hun koperterminologie aan het Hurritische vocabulaire. Koper werd vanuit het hoogland van Anatolië naar Mesopotamië verhandeld. Het dal van de Khabur had een centrale rol in de metaalhandel. Koper, zilver en zelfs tin was in de door de Hurrieten overheerste landen Kizzuwatna en Ishuwa in het Anatolische hoogland te krijgen. Goud moest echter worden geïmporteerd uit Egypte, leren we uit de Amarna-brieven. Er zijn niet veel Hurritische metalen voorwerpen beward gebleven, behalve in het latere Urartu. Bij Urkesh zijn wat kleine fraaie leeuwenfiguurtjes ontdekt.

Het paard[bewerken]

De Hurrieten zijn moeilijk los te zien van het paard. Mogelijk hebben ze het zelfs ca. 2000 v.Chr. vanuit Cetraal-Azië in het Nabije Oosten geïntroduceerd. De Hethieten leerden met zekerheid van hen het dresseren van paarden. De naam van het land Ishuwa, waar een flinke Hurritische bevolkingsgroep gezeten kan hebben, betekende 'paardenland'. Een beroemde tekst die bij Hattusa ontdekt is gaat over het trainen van paarden. De man die in Hattusa verantwoordelijk was voor het trainen van paarden was een Hurriet met de naam Kikkuli. De terminologie die in verband met het trainen van paarden wordt gebruikt, kent veel leenwoorden uit Indo-Iraanse talen (Mayrhofer, 1974). Dat overtuigde eerdere onerzoekers ervan dat de elite van de Hurritische maatschappij een Indo-Arische etnische groep was die het land met hun paarden en strijdwagens waren binnengevallen, net zoals de Vedische Indiërs.

Muziek[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Hurritische muziek voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Tussen de in Ugarit gevonden Hurritische teksten bevonden zich ook de oudste bekende voorbeelden van bladmuziek, daterend uit ca. 1800 v.Chr. Op de webpagina van Urkesh is een reconstructie van een hymne te horen.

Religie[bewerken]

Volgens archeoloog O.R. Gurney (1952 The Hittits) was het oorspronkelijk land van herkomst van de Hurrieten Noord-Iran, wanwaar zij zich vanaf 2300 v.Chr. geleidelijk naar het zuiden en het westen verspreidden. Deze en andere auteurs gaan ervan uit dat de Hurrieten, zelf geen Indo-Europeanen, wel door een Arische koningskaste werden geleid. De koningen van Mitanni droegen Indo-Europese namen en vereerden de oude Indiase goden Mithra, Varuna en Indra. Waarschijnlijk was de legende van Indra bekend, aangezien hij in de Hurrietische tabletten wordt vernoemd.[10].
De Hurritische cultuur had veel invloed op de religie van de Hettieten. Vanuit het Hurritische religieuze centrum in Kummanni in Kizzuwatna verspreidde de Hurritische godsdienst zich onder de Hettitische bevolking. Door syncretisme vermengden de Oud-Hettitische en Hurritische religies zich met elkaar. De Hurritische religie verspreidde zich naar Syrië, waar Baäl de tegenhanger werd van Teshub. Het latere koninkrijk van Urartu vereerde ook goden van Hurritische origine. De Hurritische religie besloeg in verschillende vormen het hele oude nabije oosten, behalve Egypte en het zuiden van Mesopotamië.

Goden[bewerken]

Hoofdgoden zijn Hepat (ook Chepat/Hepit/Hebat), de Zonnegodin, en haar gemaal van Hettitische origine, de weergod Teshub. Sharruma die als hun zoon beschouwd werd genoot verering in Uda en Kummani. De oergodheid Kumarbi en de maangod Kushuh speelden een geringere rol. Kumarbi wordt gedeeltelijk met Dagan gelijkgesteld en werd op die manier de gemaal van Šala. De grootvizier van Kummarbi is Mukišanu volgens een tekst uit Alalakh. Op afbeeldingen staat Hepat gewoonlijk boven op een leeuw, haar symbooldier. Andere attributen zijn niet bekend. Zij werd vereerd in Aleppo, Apzisna, Samuha, Kummani, Uda en Hurma.

De godin Šawuška wordt gewoonlijk aan Ishtar gelijkgesteld en steeds eveneens op een leeuw, maar zij heeft in tegenstelling tot Hepat vaak ook vleugels. Haar begeleidsters zijn Ninatta en Kulitta.

Hurritische rolzegels beelden vaak mythologische schepsels af zoals gevleugelde mensen of dieren, draken en andere monsters. De interpretatie van deze afbeeldingen van goden en demonen is onzeker. Misschien waren het zowel beschermende (apotrope) als boosaardige wezens. Een deel ervan doet denken aan de Assyrische shedu.

De belangrijkste goden in het pantheon van de Hurritische mythologie:

  • Hepat, Hepa; de moedergodin, door de Hettieten beschouwd als gelijk aan de zonnegodin Arinna.
  • Teshub, Teshup; de machtige stormgod aan wiens zijde zij staat.
  • Sharruma, of Sarruma, Šarruma; hun zoon.
  • Kumarbi; de oervader van alle goden, met Urkish als hoofdvestiging.
  • Shaushka, of Shawushka, Šauska; was de Hurritische tegenhangster van de Assyrische Ishtar, en een godin van de geneeskunst.
  • Shimegi, Šimegi; de zonnegod.
  • Kushuh, Kušuh; de maangod. Symbolen van de zon en de halve maan verschijnen naast elkaar in de Hurritische iconografie.
  • Nergal; een Babylonische god van de onderwereld, de Hurritische naam is onbekend.

De namen van de geïmporteerde Indo-Arische goden uit de Vedische religie zijn in teksten en namen van personen overgeleverd, maar het is niet bekend of er een algemene eredienst of tempels in steen voor hen waren.

Cultusplaatsen[bewerken]

De voornaamste Hurritische goden hadden wel tempels, maar waarschijnlijk geen tempels als "eigen woonst" zoals in de Mesopotamische en Egyptische godsdiensten. Belangrijke centra voor de eredienst waren Kummanni in Kizzuwatna en het Hettitische Yazılıkaya. Harran was in elk geval later een religieus centrum voor de maangod en Shauskha had een belangrijke tempel in Ninive toen die stad door de Hurrieten bestuurd werd. Er is een tempel voor Nergal gebouwd in Urkesh aan het eind van het derde millennium v.Chr. De stad Kahat was een religieus centrum in het koninkrijk Mitanni.

Mythen en overlevering[bewerken]

De Hurritische mythe "De liederen van Ullikumni" die bij de Hettieten bewaard is gebleven, is een parallel van de Theogonia van Hesiodus: de castratie van Uranus door Chronos kan afgeleid zijn van de castratie van Anu door Kumarbi, terwijl de onderwerping van Chronos door Zeus en het uitbraken van de door Chronos verslonden goden op de Hurritische mythe van Teshub en Kumarbi lijkt{ref>Güterbock, Hans Gustav: "Hittite Religion"; in Forgotten Religions: Including Some Living Primitive Religions (ed. Vergilius Ferm) (NY, Philosophical Library, 1950), pp. 88–89, 103–104</ref>. Er is voorgesteld dat dat de cultus van Attis ontleend is aan de Hurritische mythologie.[11]. De Frygische godin Cybele zou dan de pendant zijn van de Hurritische godin Hebat.

Urbanisatie[bewerken]

De Hurritische stedelijke cultuur werd niet vertegenwoordigd door een groot aantal steden. Urkesh was de enige Hurritische stad uit het 3e millennium v.Chr. Uit het 2e millenniumm v.Chr. kennen we een aantal Hurritische steden, zoals Arrapha, Harran, Kahat, Nuzi, Taite en Washukanni – de hoofdstad van Mitanni. De ligging van Washukanni, wel geïdentificeerd met Tell Fakhariya, is onzeker, maar geen enkele tell (heuvel) in het dal van de Khabur heeft een oppervlakte van meer dan 1 km², en de meeste vindplaatsen zijn veel kleiner. De stedelijke cultuur van de Hurrieten verschilde kennelijk radicaal van de gecentraliseerd bestuurde staten van Assyrië en het oude Egypte. En mogelijke verklaring is dat de feodale structuur van de Hurritische koninkrijken de ontwikkeling van grote paleis- en tempelcomplexen onmogelijk maakte.

Archeologie[bewerken]

De Hurritische nederzettingen liggen verspreid over drie moderne landen, Irak, Syrië en Turkije. Het centrum van de wereld van de Hurrieten wordt door de moderne grens tussen Syrië en Turkije in tweeën gedeeld. Verschillende vindplaatsen liggen in het grensgebied, waardoor ze moeilijk toegankelijk zijn voor archeologisch onderzoek. De plannen om de Eufraat, de Tigris en de Khabur af te dammen vormen een bedreiging voor de oude plaatsen. Er zijn al verschillende reddingsoperaties ondernomen wanneer door de bouw van een dam een heel dal onder water kwam te staan.

De eerste omvangrijke opgravingen van Hurritische vindplaatsen in Irak en Syrië begonnen in de jaren 20 en 30 van de twintigste eeuw. De opgravingen bij Yorghan Tepe (Nuzi) werden uitgevoerd onder leiding van de Amerikaanse archeoloog Edward Chiera, die bij Chagar Bazar en Tell Brak onder leiding van de Britse archeoloog Max Mallowan. Recente opgravingen en lopende onderzoeken werden en worden uitgevoerd door teams met een internationale samenstelling, er doen Nederlandse, Belgische, Amerikaanse, Deense, Franse, Duitse en Italiaanse archeologen aan mee in samenwerking met het Syrische Departement van Oudheden. De tells of heuvels laten vaak een langdurige bewoning zien die al begint in het neolithicum en pas eindigt in de Romeinse tijd of nog later. Het karakteristieke Huritische aardewerk, de Khabur ware, maakt het bepalen van de verschillende bevolkingslagen makkelijker. De Hurritische nederzettingen worden meestal geïdentificeerd met de periode vanaf het midden van de bronstijd tot het einde ervan; Tell Mozan (Urkesh) is daar de belangrijkste uitzondering op.

Belangrijke vindplaatsen[bewerken]

Op de volgende lijst staan een paar belangrijke vindplaatsen uit het gebied dat door de Hurrieten beheerst werd. Verslagen van opgravingen en afbeeldingen zijn te vinden op de vermelde websites. Hierboven is al vermeld dat er ook belangrijke ontdekkingen over de Hurritische cultuur en geschiedenis zijn gedaan bij Alalakh, Amarna, Hattusa en Ugarit. Alle websites zijn Engelstalig, tenzij anders vermeld.


Bibliografie[bewerken]

  • Asimov Isaac, The Near East: 10,000 Years of History, Boston: Houghton Mifflin, 1968.
  • Diakonov I.M., Starostin S.A. Hurro-Urartian as an Eastern Caucasian Languages. Münchener Studien zur Sprachwissenschaft, R. Kitzinger, München, 1986.
  • Gaal E., De economische rol van Hanilgalbat in het begin van de Neo-Assyrische expansie. In: Hans-Jörg Nissen/Johannes Renger (eds.), Mesopotamien und seine Nachbarn. Politische und kulturelle Wechselbeziehungen im Alten Orient vom 4. bis 1. Jahrtausend v.Chr. Berliner Beiträge zum Vorderen Orient 1 (Berlin, Reimer 1982), 349-354.
  • Gelb Ignace J., Hurrians and Subarians, Studies in Ancient Oriental Civilization No. 22, Illinois, University of Chicago Press, 1944.
  • Gernot Wilhelm, (ed.): Nuzi at seventy-five (Studies in the Civilization and Culture of Nuzi and the Hurrians), Capital Decisions Ltd Bethesda, 1999.
  • Gernot Wilhelm,: The Hurrians, Aris & Philips Warminster, 1989.
  • Gernot Wilhelm,: The Hurrians, Aris & Philips Warminster 1989.
  • Harrak Amir, "Assyrië en Hanilgalbat. Een historische reconstructie van de bilaterale relaties van het midden van de 14e tot het einde van de 12e eeuw v.Chr." Studien zur Orientalistik (Hildesheim, Olms 1987).
  • Kühne C., Politische Szenerie und internationale Beziehungen Vorderasiens um die Mitte des 2. Jahrtausends vor Chr. (zugleich ein Konzept der Kurzchronologie). Mit einer Zeittafel. In: Hans-Jörg Nissen/Johannes Renger (eds.), Mesopotamien und seine Nachbarn. Politische und kulturelle Wechselbeziehungen im Alten Orient vom 4. bis 1. Jahrtausend v.Chr. Berliner Beiträge zum Vorderen Orient 1 (Berlin, Reimer 1982), 203-264.
  • Magnussen, M. 1978: Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, Westland, Schoten, ISBN 9024670209
  • Mayrhofer, Manfred: Die Arier im Vorderen Orient - ein Mythos?, Wenen, 1974.
  • Moorey P.R.S., Boardman John, Gray Basil, prof. Oates David, Byblical Lands, Elsevier SA, Lausanne, 1975.
  • Riemschneider Margarete dr., Bossert Helmuth Th. dr. (Ed.), Grote culturen der Oudheid - De wereld der Hethieten, Uitg. Mij. Holland, Amsterdam, 1958
  • Starr R. F. S., Nuzi (London 1938).
  • Stone M., Eens was God als Vrouw belichaamd. De onderdrukking van de riten van de vrouw, Katwijk, 1979. ISBN 9060775821
  • Thieme, P., The 'Aryan Gods' of the Mitanni Treaties, Journal of the American Oriental Society 80, 301-317 (1960)
  • Weidner, Assyrien und Hanilgalbat. Ugaritica 6 (1969)

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Bronnen, noten en/of referenties
  1. a b L. de Blois & R.J. van der Spek, Een kennismaking met de Oude Wereld (2004) 34. Bussum: Uitgeverij Coutinho.
  2. Art. Hittites, in The Columbia Encyclopedia6 (2001-05).]
  3. W.F. Saggs, The Greatness that was Babylon, Praeger, New York, 1968.
  4. Indra, Mithra, Varuna
  5. O.R. Gurney, The Hittites, Penguin, 1952.
  6. dr. Margarete Riemschneider, dr. Helmuth Th. Bossert (Ed.), Grote curluren der Oudheid - De wereld der Hethieten, p. 27
  7. M. Stone Eens was God als Vrouw belichaamd (1979), Servire, Katwijk, p.134 e.v.
  8. M. Stone Eens was God als Vrouw belichaamd (1979), Servire, Katwijk, p.112
  9. Magnussen, M. Graven in Bijbelse Bodem - Archeologie van de landen van de Bijbel, p. 48
  10. Merlin Stone, Eens was God als Vrouw belichaamd (1979) p. 98 (Gurney en Saggs)
  11. Gesuggereerd door Jane Lightfoot in Times Literary Supplement 22 July 2005 p 27, in haar verslag van Philippe Borgeaud, Mother of the Gods: from Cybele to the Virgin Mary, Johns Hopkins 2005 ISBN080187985X.