Agglutinatie (taalkunde)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Agglutinatie is een morfologisch verschijnsel waarbij affixen zoals achtervoegsels aan een woord worden toegevoegd, die de betekenis ervan verder specificeren. Talen waarin gebruik wordt gemaakt van agglutinatie - hetgeen wil zeggen dat woorden in morfemen met elk een eigen betekenis kunnen worden opgesplitst - heten agglutinerende talen. Een voorbeeld hiervan is het Turks.

Het begrip agglutinatie werd in 1836 door Wilhelm von Humboldt geïntroduceerd om talen uit morfologisch oogpunt te classificeren. Het is afgeleid van het Latijnse werkwoord agglutinare, dat samenlijmen betekent.

Agglutinatie in analytische talen[bewerken]

Analytische talen als het Nederlands, Frans en Engels kennen weinig van dit soort woordvormen. En als er toch sprake is van een achtervoegsel (bijvoorbeeld huis-je), heeft het vrijwel altijd niet meer dan één betekenis. Hoewel agglutinatie in deze talen in zekere mate kan voorkomen, worden ze doorgaans niet tot de agglutinerende talen gerekend.

Illustratie[bewerken]

Het Nederlands is geen sterk agglutinerende taal. Niettemin illustreert het volgende voorbeeld het verschijnsel:

Stam Affix 1 Affix 2 Toelichting
huis stam van het woord
huis -je het achtervoegsel '-je' drukt uit dat het om een klein object gaat
huis -je- -s de uitgang '-s' drukt uit dat het om meer dan één object gaat

Dit voorbeeld illustreert tegelijkertijd dat er volgorderegels kunnen bestaan. Zo kan in het Nederlands en in het Engels een achtervoegsel (waarmee een afleiding gevormd wordt) nog worden gevolgd door een (verbuigings)uitgang

kijkkijkerkijkers

maar het omgekeerde is niet het geval: de uitgang kan niet aan het afleidingsachtervoegsel voorafgaan, en het woord kijk-s-er is geen welgevormd Nederlands woord.

Functies van affixen[bewerken]

Indien er in een taal niet alleen agglutinatie is maar de grenzen tussen de morfemen bovendien minder scherp zijn, kan een morfeem tevens meer dan één betekenis tegelijk in zich dragen (zie ook portmanteaumorfeem). Om begripsverwarring te vermijden worden dergelijke talen bij voorkeur niet "agglutinerend" genoemd, maar "flecterend" of "polysynthetisch".

Voorbeelden van flecterende talen zijn het Latijn, de Hongaarse taal en het Turks. Dit zijn talen waarin de woorden worden verbogen door middel van aan de stam "vastgelijmde" achtervoegsels die meerdere betekenisaspecten tegelijk uitdrukken, bijvoorbeeld "persoon + tijd + modus" bij een werkwoord, of "grammaticale functie + getal" bij een zelfstandig naamwoord.

In (poly)synthetische talen drukken affixen dus vaak veel betekenissen uit, zoals de bezitter van het object, het geslacht van die persoon, de locatie van het object (of de richting, als het in beweging is), de tijd (zoals verleden tijd, toekomende tijd), enzovoorts. Wat precies met de affixen uitgedrukt kan worden, verschilt per synthetische taal.

Vanzelfsprekend worden woorden steeds langer naarmate er meer affixen aan toegevoegd worden. In polysynthetische talen kunnen afzonderlijke woorden op deze manier soms dienst doen als hele zin.

Een voorbeeld uit het Turks:

Woord Affix 1 Affix 2 Affix 3 Toelichting
ev Stam van het woord.
ev -im Het achtervoegsel '-(I)m' geeft dat het bezit aan (het huis is van mij).
ev -im -de Het achtervoegsel '-(y)dE' drukt de plaats uit (in dit geval 'in').
ev -im -de -yim Het achtervoegsel '-(y)Im' drukt de eerste persoon enkelvoud van 'zijn' uit.

Het Turkse evimdeyim betekent dus ik ben in mijn huis.

Een bekende woordgrap in het Turks is Çekoslovakyalılaştıramadıklarımızdanmısınız?, waarbij het woord Çekoslovakya een maximaal aantal achtervoegsels krijgt. Het betekent zoveel als Behoort u tot degenen die wij niet Tsjecho-Slowaaks hebben weten te maken?.

Zie ook[bewerken]