Burgerschap

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Vraagteken
Er wordt getwijfeld aan de juistheid van een of meer onderdelen van dit artikel.
Raadpleeg de bijbehorende overlegpagina voor meer informatie, en pas na controle desgewenst het artikel aan.
Opgegeven reden: Zie opmerkingen op Wikipedia:Te_beoordelen_pagina's/Toegevoegd_20130102.
Dit sjabloon is geplaatst op 16 januari 2013.
Vraagteken

Burgerschap, ook wel staatsburgerschap genoemd, is de status van een natuurlijk persoon - meestal voortvloeiend uit de nationaliteit van deze[1] - toegekend door de gebruiken of wetten van een staat, waardoor deze persoon - die vanaf dan burger van die staat wordt genoemd - bepaalde rechten (te onderscheiden in drie categorieën: civiele, politieke en sociale rechten[2]) en plichten verkrijgt.

Deze term wordt vaak gebruikt in discussies rond integratie.

Dimensies van burgerschap[bewerken]

In de sociologie onderscheidt men vier dimensies van burgerschap:

De rechtspositie gaat over formele eisen, het gaat over het recht om toegelaten te worden tot een land (toelatingseisen) en plichten die samenhangen met burgerschap zoals de plicht om belasting te betalen en de plicht om je aan de wetten van het betreffende land te houden.

Rechten zijn de tegenhanger van plichten, op welke rechten heb je recht als burger van een land? Dat zijn in ieder geval burgerrechten zoals vrijheid van godsdienst, vrijheid van meningsuiting, enzovoorts. Verder heb je in de meeste westerse landen politieke rechten zoals het recht om een partij op te richten, om te stemmen of om je verkiesbaar te stellen. In verzorgingsstaten hebben burgers van een land daarnaast ook sociale rechten, zoals het recht op een uitkering. Onder sociale rechten valt ook het recht op onderwijs, recht op arbeid, enzovoorts.

Participatie betekent dat iemand actief meedoet in de maatschappij waar hij woont. Dat kan door te werken, ook dat is participatie. Door onderwijs te volgen, door vrijwilligerswerk te doen. Maar ook door culturele activiteiten, zoals het bezoeken van een museum, concert, enzovoorts. Participatie slaat dus niet alleen op werken, maar is veel breder dan dat. Het komt er op neer dat iemand 'meedoet' in de maatschappij waarin hij leeft.

De laatste dimensie noemen sociologen identiteit, het betekent dat iemand zich betrokken voelt bij het land waarin hij of zij woont. Hij voelt een loyaliteit met het land, identificeert zich met het land en voelt solidariteit met het land en de andere burgers van dat land. Mensen die afstammen van families die al generaties in een land wonen, voelen zich bijna automatisch betrokken bij 'hun' land. Ze hebben een gedeelde geschiedenis, spreken dezelfde taal, kennen de normen en waarden van de gemeenschap. Bij nieuwkomers (immigranten) ligt dat vaak anders, zij voelen zich vaak veel minder verbonden met hun nieuwe land en identificeren zich vaker met hun 'vaderland'. Die dubbele loyaliteit heet: transnationalisme.

Verschillende visies op burgerschap[bewerken]

Voor de één is het voldoende als mensen voldoen aan de meest basale vereisten. Heeft iemand formeel het burgerschap en houdt hij zich aan de wetten van het land? Dan is hij burger en kan hij ook gebruikmaken van de rechten die samenhangen met het burgerschap. Actief participeren of zich identificeren met de natie, is niet nodig. Aan de andere kant van het spectrum vinden we mensen die menen dat er pas sprake is van burgerschap als mensen voldoen aan alle dimensies van het burgerschap: ze hebben de formele rechten en plichten, doen actief mee én identificeren zich met het land en de mensen die er wonen. We onderscheiden drie belangrijke stromingen:

  • De liberale opvatting
  • De neo-republikeinse opvatting
  • De communitaristische opvatting

De liberale opvatting[bewerken]

Dit is de minst vergaande opvatting. De nadruk ligt op de juridische status van de burger, de rechtspositie dus. Is die rechtspositie in orde – is iemand legaal in een land – en houdt hij zich aan de wet, dan is hij burger en kan hij burgerschapsrechten claimen. Actief meedoen of identificatie is niet nodig. De klassieke vrijheidsrechten zijn erg belangrijk binnen deze opvatting. Naast vrijheidsrechten hebben alle burgers sociale rechten: recht op werk, onderwijs, scholing, huisvesting, gezondheidszorg en andere rechten binnen de verzorgingsstaat.

De neo-republikeinse opvatting[bewerken]

De neo-republikeinen gaan een stapje verder dan de liberalen, de nadruk ligt op participatie. Deze opvatting vraagt een actieve inzet van de burger. Participatie zien de neo-republikeinen als doel en middel tegelijk: door te participeren gaan mensen deel uitmaken van de maatschappij waarin ze leven. Het kunnen spreken van de taal is belangrijk binnen deze visie. Participatie gaat verder dan alleen meedoen op de arbeidsmarkt of in het onderwijs, het omvat ook politieke participatie. Bedoeling is dat de burgers van een land samen vormgeven aan het publieke leven, dat publieke leven kan trouwens pluriform zijn. Er is niet één dominante cultuur volgens de neo-republikeinen.

De communitaristische opvatting[bewerken]

De communitaristische opvatting gaat het meest ver. Participeren alleen is niet genoeg, een burger is pas écht burger als hij of zij betrokkenheid voelt bij de samenleving waarin hij leeft. Bij deze opvatting staan burgerzin, gemeenschapsdenken en lidmaatschap (het gevoel erbij te horen) centraal. De communitaristische opvatting vereist een zekere loyaliteit en een sterke binding en identificatie met de samenleving. Pas als daar sprake van is, is er sprake van burgerschap.

Burgerschap in Nederland[bewerken]

In immigratielanden zoals de VS, Canada en Australië, speelt de burgerschapsdiscussie al lange tijd een rol. Het was voor die landen al vroeg belangrijk om te bepalen wie burger is en wie niet en wie de met burgerschap samenhangende rechten kan claimen. In Nederland was dat niet het geval, iedereen die in Nederland woonde was burger en kon aanspraak maken op alle rechten die daarmee samenhangen. Sinds de jaren 70 van de 20e eeuw kwamen er steeds meer immigranten naar Nederland. Dat maakte de discussie ook hier relevant. De term burgerschap wordt in het kader van het integratiebeleid (de integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving) voor het eerst officieel genoemd in 1994 (Contourennota 1994). Vanaf dat moment zou burgerschap hét leidende beginsel worden binnen de integratiediscussie. In 1994 is 'actief burgerschap van personen uit etnische minderheidsgroepen' voldoende. Ze moeten de taal spreken en actief meedoen aan de maatschappij – een neo-republikeinse opvatting. Vanaf 2004 worden er meer eisen gesteld – sindsdien wordt van allochtonen ook betrokkenheid verwacht. De verantwoordelijkheid voor inburgering komt ook meer bij de immigranten zelf te liggen. Niet langer neemt de overheid ze bij de hand, ze moeten zichzelf actief opstellen: de taal leren, meer weten van normen en waarden, zich actief op de arbeidsmarkt begeven, enzovoorts. We zien dat Nederland vanaf 2004 opschuift richting de communitaristische opvatting. Bij veel allochtonen stuit dit op verzet: ze willen hun eigen cultuur behouden en niet assimileren in de Nederlandse samenleving. Veel allochtonen stellen zich op het standpunt dat als ze zich houden aan de wet, ze burger zijn. Een meer liberale opvatting dus. Anno 2006 is de discussie over wat nou precies burgerschap is en wat van burgers verwacht mag worden, nog steeds gaande.

Onderscheiden stijlen[bewerken]

Burgerschapsstijl is een sociologisch begrip voor een leeftijdsgroep binnen de bevolking met een bepaald maatschappelijk waardenpatroon en houdingen ten aanzien van politiek en overheid.

In Nederland worden vier burgerschapsstijlen onderscheiden:[3]

Burgerschapsstijlen van plichtsgetrouwen (volgzamen), verantwoordelijken (actieven), pragmatici (niet uitgedaagden) en buitenstaanders (overvraagden) uiteengezet tegen uitdaging en toerusting.
  • plichtsgetrouwen
Volgzame burgers. Personen in de groep plichtsgetrouwen laten zich voornamelijk leiden door het plichtsgevoel dat ze hebben meegekregen tijdens hun opvoeding; het bepaalt hoe zij vinden dat zijzelf en anderen zich behoren te gedragen. Deze groep volgzame burgers is van wat oudere leeftijd, woont veelal op het platteland, stemde vroeger als vanzelfsprekend CDA, en is van nature gezagsgetrouw. Ze heeft moeite de modernisering bij te houden.
  • verantwoordelijken
Actieve burgers. Personen in de groep verantwoordelijken wijzen plicht juist af als leidraad voor hun gedrag. Los van opvattingen uit hun opvoeding maken ze zelf keuzes gebaseerd op het vertrouwen in eigen intellect. In de jaren zestig bevrijdde deze groep zich dan ook van belemmeringen omtrent traditionele maatschappelijke opvattingen over seks en drugs. Ook groeit het verantwoordelijkheidsbesef binnen deze groep omtrent milieu en armoede in de Derde Wereld. Deze actieve burgers zijn goed opgeleid, lezen dagbladen, zijn lid van een omroepvereniging en voelen zich politiek betrokken. Veel vertegenwoordigd door de protestgeneratie (geboren in de periode 1941-1955)
  • pragmatici
Pragmatische burgers. Personen in de groep pragmatici zijn merendeels gedreven en hedonistisch: levensgenieters en sensatiezoekers. Deze groep werkt om geld aan die levensstijl uit te geven, heeft minder interesse in politiek of zaken die buiten hun eigen wereld afspelen. Deze pragmatische burgers wonen - net als de verantwoordelijken - in betere buurten en zijn goed opgeleid, maar hun politieke belangstelling gaat niet verder dan de eigen voordeur.
  • buitenstaanders
Overvraagden. Deze groep bestaat voornamelijk uit lager opgeleiden ten opzichte van de bovenstaande drie groepen. In het professionele leven spelen ze veelal een bijrol. Deze groep richt zich sterk op directe behoeftebevrediging, heeft minder positieve vooruitzichten en hebben vaak sociale wrok omdat ze het gevoel hebben niet mee te komen met de rest van de samenleving. Deze groep overvraagde burgers zijn de lager opgeleiden in de grote steden, de suburbs en de vinexwijken. De eisen die de maatschappij aan hen stelt (van diploma's tot het invullen van bijvoorbeeld belastingpapieren) kunnen ze niet voldoen. Ze zitten klem tussen een kosmopolitische elite die op deze groep neerkijkt en de migranten die naar hun idee teveel aandacht krijgen.

Toepassing[bewerken]

De Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) bracht in 2005 het rapport 'Vertrouwen in de buurt' uit, waarin uit de acht sociale mileus van het Mentality-leefstijlonderzoek vier burgerschapsstijlen getypeerd worden als afhankelijk, actief, afwachtend en afzijdig.[4] De vier groepen zijn gelijkelijk vertegenwoordigd in de maatschappij - elk ongeveer een kwart van de samenleving. Het onderzoeksbureau Motivaction heeft samen met de Commissie Toekomst Overheidscommunicatie en later met de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid onderzoek verricht naar burgerschapsstijlen voor de verhoudingen in Nederland.

Burgerschapsvorming in het onderwijs[bewerken]

Nederlandse scholen voor primair en voortgezet onderwijs zijn sinds 1 februari 2006 wettelijk verplicht om actief burgerschap en sociale integratie te bevorderen (Wet op het primair onderwijs, artikel 8 lid 3). Aanleiding hiervoor zijn twee maatschappelijke ontwikkelingen die kenmerkend zijn voor de afgelopen decennia. De eerste is individualisering, waardoor de betrokkenheid op elkaar, en op de politiek in het bijzonder is afgenomen. De tweede is de omvangrijke allochtone populatie, die minder bekend is met de burgerschapstraditie.

Door burgerschap een prominente plaats in het onderwijs te geven, hoopt de overheid te bereiken dat individuen, die afkomstig zijn uit de meest uiteenlopende tradities, een gemeenschappelijk perspectief krijgen op de bijdrage die zij als burgers aan de samenleving kunnen leveren. Aandacht voor burgerschap in het onderwijs moet ertoe leiden dat jongeren het vermogen en de bereidheid ontwikkelen om deel uit te maken van een gemeenschap, en dat ze ook daadwerkelijk een actieve bijdrage aan zo’n gemeenschap gaan leveren. En door ‘sociale integratie’ op de onderwijsagenda te zetten, moeten leerlingen bekend zijn met en betrokken zijn bij uitingen van de Nederlandse cultuur, en bovendien kunnen deelnemen aan de maatschappij en haar instituties.[5]

De overheid schrijft scholen alleen voor dat er aandacht wordt besteed aan burgerschap, en niet hoe hieraan invulling moet worden gegeven. Wel zijn er een aantal ‘handreikingen’ gedaan, zoals in de Voorlichtingspublicatie, betreffende het primair en voortgezet onderwijs van het Ministerie van OC&W. De SLO heeft kernleerplannen ontwikkeld, die scholen houvast geeft bij het plannen en uitvoeren van een lesprogramma en het inbedden van burgerschapsvorming in hun schoolcurriculum. Scholen kunnen leerlingen bijvoorbeeld kennis bijbrengen over verschillende culturen, religies en etniciteiten, en hen in contact brengen met leeftijdsgenootjes die een andere achtergrond dan zijzelf hebben. Dat hoeft niet per se in een apart vak te gebeuren. Burgerschapsvorming kan in de les worden behandeld, maar dan veeleer als een vanzelfsprekend onderdeel van meerdere vakken. Verder kan burgerschapsvorming meer impliciet aan de orde komen, bijvoorbeeld in de wijze waarop de school invulling geeft aan regels of onderlinge contacten. De school als geheel moet bijvoorbeeld openstaan naar de maatschappij en de daarin aanwezige diversiteit, door leerlingen in contact te brengen met de lokale en regionale samenleving.

Het is belangrijk dat scholen zich beraden over de vraag hoe ze burgerschap een plaats in hun onderwijs geven, want vanaf het schooljaar 2006-2007 moeten zich in hun schoolgids en schoolplan aan de Onderwijsinspectie kunnen verantwoorden. Waarop worden scholen afgerekend? De visie die de school heeft op burgerschap moet worden geëxpliciteerd, er moet een planmatige aanpak te herkennen zijn, en ook resultaten moeten kunnen worden overgelegd. Tenslotte moet de school het onderwijsaanbod afstemmen op de specifieke omstandigheden in en rond de school die integratie en burgerschap kunnen bevorderen of belemmeren.

Zie ook[bewerken]

De volgende sociologen hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de discussie over burgerschap:

Referenties

Noten

  1. Al hoeft dit niet altijd het geval te zijn, zie: G.R. de Groot - M. Tratnik, Nederlands nationaliteitsrecht (Monografieën Privaatrecht 14), Alphen aan den Rijn - Deventer, 2010, pp. 1-2.
  2. T.H. Marshall, Sociology at the crossroads: and other essays, Londen, 1963, pp. 73-74.
  3. F. Spangenberg - M. Lampert, De grenzeloze generatie; en de eeuwige jeugd van hun opvoeders, Amsterdam, 2009, M. Kleijwegt - M. van Weezel, Pieter Winsemius: "Bestuurders moeten het stadhuis uit", in Vrij Nederland (21/08/2010).
  4. WRR, Vertrouwen in de buurt, Den Haag - Amsterdam, 2005, p. 152.
  5. Inspectie voor het Onderwijs, Toezicht op Burgerschap en Integratie, Rijswijk, 2006.

Externe links[bewerken]