Oudnederlands
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
| Portaal Nederlands |
Oudnederlands is de taal die gesproken en geschreven werd tijdens de vroege middeleeuwen (circa 500 tot 1150) in een deel van de gewesten die nu Nederland en België vormen en aan de Franse Noordzeekust (het zogenoemde Frans-Vlaanderen, nabij Duinkerke). De term wordt gebruikt ter onderscheiding van Middelnederlands en Nieuwnederlands om de verschillende fasen waarin "het Nederlands" zich ontwikkeld heeft enigszins te kunnen periodiseren.
Oudnederlands is iets beduidend anders dan "oud Nederlands", een term waarmee doorgaans alle verouderde verschijningsvormen van het Nederlands bedoeld worden, zelfs als deze vormen geruime tijd na de Tweede Wereldoorlog nog in zwang waren.
Inhoud |
[bewerken] Oudnederlands en Oudnederfrankisch
De twee begrippen Oudnederlands en Oudnederfrankisch worden vaak als synoniemen beschouwd omdat het Oudnederfrankisch de voorloper is van het Hollands en van het Brabants, en die twee dialecten vormen de grondslag voor de moderne Nederlandse standaardtaal.
Toch mag men Oudnederlands niet met Oudnederfrankisch vereenzelvigen omdat de westelijke dialecten (Hollands, West-Vlaams) Ingveoons (of Ingveoons beïnvloed) waren, zeker in de tijd van het Oudnederlands.
[bewerken] Taalgebied
Het gebied waarin het Oudnederlands werd gesproken is niet helemaal het gebied waarin het tegenwoordige Nederlands wordt gesproken. In de huidige provincies Groningen en Friesland en langs de kust van Holland werd Fries gesproken, of althans ingvaeoonse dialecten. In het oosten (Achterhoek, Overijssel, Drenthe) werd Saksisch (Oudnederduits) gesproken. In het zuiden en zuidoosten was het toenmalige taalgebied groter dan nu. Frans-Vlaanderen en een gebied tussen Limburg en de Rijn hoorden toen bij het Oudnederlandse taalgebied.
[bewerken] Afgrenzing
[bewerken] Afgrenzing t.o.v. het Middelnederlands
Ofschoon er soms grote verschillen zijn, gaan Oudnederlands en Middelnederlands vloeiend in elkaar over. De grens is daar gelegd waar een taal ontstaat die we wat beter kennen doordat er meer bronnen beschikbaar komen, maar in feite is de grens tussen Oud- en Middelnederlands nauwelijks aan te geven. Over het algemeen neemt men 1150 of 1200 aan, wat al aangeeft dat de grens moeilijk is te leggen. Te meer omdat uit de 12e eeuw nagenoeg geen doorlopende teksten zijn overgeleverd.
Het meest in het oog lopende verschil is het verschijnsel dat vocaalreductie wordt genoemd: in het Oudnederlands vinden we veelal ronde vocalen in de auslaut, die in het Middelnederlands afgezwakt worden tot een sjwa.
Voorbeelden:
| Oudnederlands | Middelnederlands |
|---|---|
| vogala | vogele |
| dago/a | daghe |
| brecan | breken |
| gescrivona | gheschreven |
De voorbeelden zijn ontleend aan het hoofdstuk van A. Quak in Van den Toorn e.a. (1997): zie literatuurverwijzingen.
[bewerken] Afgrenzing t.o.v. het Fries
Een karakteristiek verschil tussen het Oudnederlands en het Oudfries is is de Germaanse au. In het Oudnederlands was de Germaanse au een ō (lange o) geworden, in het Fries daarentegen een ā (lange a). Voorbeeld: De huidige Nederlandse plaatsnaam Akersloot werd in oude Friese oorkonden Ekerslat gespeld.
[bewerken] Afgrenzing t.o.v. het Oudhoogduits
Het belangrijkste verschil tussen het Oudnederlands en het Oudhoogduits is het feit dat de tweede klankverschuiving in het Oudhoogduits plaats heeft gehad en in het Oudnederlands niet.
[bewerken] Afgrenzing t.o.v. het Oudnederduits
Er zijn, ondanks alle overeenkomsten, een aantal verschillen tussen het Oudnederlands en het Oudnederduits (Oudsaksisch). Voorbeelden:
- De Germaanse klank hl (chl) in het begin van een woord is in het Oudnederduits bewaard gebleven maar in het Oudnederlands vereenvoudigd tot l.
- De Oudnederduitse werkwoorden hebben een eenheidsuitgang in de 1., 2. en 3. persoon meervoud terwijl het Oudnederlands er drie verschillende uitgangen heeft: (-on, -et en -unt).
- De Germaanse ō (lange o) is in het Oudnederlands een diphthong (tweeklank) geworden, echter niet in het Oudnederduits. Zo staat Onl. fluot tegenover Ond. flōd.
- Oudnederduitse naamwoorden hebben de meervouduitgang -as of -os waar het Oud-nederlands vaak -a heeft.
- Het Oudnederlands heeft vroeg "Auslautverhärtung" gehad, dat wil zeggen de overgang van stemhebbende naar stemloze medeklinkers aan het einde van een woord. Voorbeeld: Onl. fluot tegenover Ond. flōd.
[bewerken] Overlevering
Van het Oudnederlands zijn slechts enkele fragmenten en snippers bewaard gebleven. De belangrijkste hiervan zijn verzameld en afgedrukt in het Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300) door Maurits Gysseling, ook wel het Corpus Gysseling genoemd (zie literatuurverwijzingen beneden). Daarmee is de overlevering beduidend beperkter dan die van verwante talen als Oudengels en Oudhoogduits. Daar komt bij dat van de eerste periode van het Oudnederlands, de jaren 600 tot 900 er zo goed als niets is overgeleverd. Wat er aan teksten uit "de Nederlanden" uit die tijd is overgeleverd, is hoofdzakelijk in het Latijn.
Van die Oudnederlandse fragmenten is niet altijd eenduidig vast te stellen of het om een vorm van Nederlands gaat of om Oudsaksisch, Oudfries of Oudnederfrankisch - of vaak zelfs maar of het Fries, Saksisch of Frankisch is. Wat het laatste betreft: dit komt door de fragmentarische overlevering en doordat de dialecten toen veel dichter bij elkaar stonden. Wat het eerste betreft doordat het onderscheid in die tijd, in de periode dat de standaardtalen van de verschillende Germaanse talen zich nog niet ontwikkeld hadden, simpelweg geen betekenis had. De verschillende groepen waren toen dus wel te onderscheiden, maar niet te scheiden van het dialectcontinuüm van het grotere geheel van Continentale Germaanse Dialecten.
[bewerken] Het 'oudste' zinnetje...
De 'oudste' Nederlandse zin (de zin die het meest verwant is met het Nederlands) komt uit de "Lex Salica" (de 'Salische wet', zesde eeuw):
"Maltho thi afrio lito" ('[Ik] meld: [ik] bevrijd je, laat')
De formule werd uitgesproken bij het vrij verklaren van een laat, d.w.z. een horige ofwel halfvrij persoon. De Lex Salica bevat veel losse woorden (de zogenoemde Malbergse glossen), die altijd al als Oudnederlands werden beschouwd. Het werk bevat ook, maar dit is nog nooit expliciet naar voren gebracht, een bepaalde opeenvolging van glossen, die tezamen een zinnetje vormen.
Mogelijk is er nog een ouder zinnetje, van ca. 425-450 op de runeninscriptie van Bergakker
[bewerken] Een beroemd zinnetje...
Het beroemdste 'Oudnederlandse' zinnetje :
- Hebban olla vogala nestas hagunnan hinase hic
- enda thu uuat unbidan uue nu. (ca. 1100)
- (Alle vogels hebben nestjes begonnen behalve ik
- en jij, wat wachten we nu)
De bovengenoemde zin is bekendgemaakt als de 'nieuwe oudste Nederlandse zin', maar is mogelijk geen Oudnederlands maar Oudengels of Oudkents. Professor Luc de Grauwe beweert dat elk woord een Oudkentse vorm kan zijn. Zijn vertaling is dan ook anders dan deze die meestal gegeven wordt: 'Laten nu nog alle vogels nesten gebouwd hebben, behalve ik en jij, wat verwachten jullie nu?'
De gangbare theorie onder de geleerden is dat het gaat om een penneprobeersel (Latijn: probatio pennae) van een verliefde (Vlaamse) monnik in een Engels klooster. Men schreef vroeger met een penna (veer). Voordat men begon te schrijven, moest de veer worden getest. Mogelijk is dit zo'n test van een nieuwe veer. Het zinnetje is gevonden door een student in 1932 op een schutblad van een Oudengels prekenhandschrift in de universiteitsbibliotheek van Oxford. Onder die fragmenten is ook de Latijnse "vertaling" van dit zinnetje te vinden:
- Abent omnes volucres nidos inceptos nisi ego et tu
- quid expectamus nunc
Hieruit blijkt dat de vertaling van De Grauwe niet kan kloppen, aangezien expectamus 1e persoon meervoud is, en dus nooit jullie verwachten kan betekenen.
[bewerken] Andere bronnen
Behalve dit zeer beroemde zinnetje zijn er onder meer ook nog de Wachtendonckse Psalmen, een in een beperkt aantal handschriften fragmentarisch overgeleverde verzameling van psalmen, in het Latijn en/of Oudnederlands. Ze zijn gesteld in het Oudoostnederfrankisch, de voorloper van het Limburgs. De naam "Wachtendonk" verwijst naar de eigenaar die een handschrift met deze teksten in 1591 uitleent aan de humanistische geleerde Justus Lipsius, die het aan een nader onderzoek onderwierp en enkele psalmen overschreef en analyseerde. Het handschrift zelf is zoekgeraakt, maar dankzij deze Lipsius - en afschriften van zijn kopie - zijn de Wachtendonckse psalmen bewaard gebleven. De teksten dateren uit de 9e en 10e eeuw.
De Leidse Willeram, ook wel Egmondse Williram genoemd, is de langste tekst uit die periode, die duidelijk Oudnederlandse kenmerken vertoont. Het handschrift waarin deze tekst is overgeleverd, bevindt zich in de Leidse Universiteitsbibliotheek. De tekst is een vertaling/bewerking van een commentaar op het bijbelboek Hooglied, oorspronkelijk vervaardigd door een zekere Williram, een monnik uit Beieren. De tekst is uit de 11e eeuw.
Uit 1130 stamt het in het damesklooster te Munsterbilzen opgestelde zinnetje "Tesi samanunga vvas edele unde scona (et omnium virtutum pleniter plena)". Het volgt op een lijst van namen van kloosterlingen in een negende-eeuws evangeliarium.[1]
Verder zijn er enkele doopbeloften, toverbezweringen, runeninscripties en een groter aantal (plaats)namen en glossen overgeleverd. Als het oudst bekende Nederlandse woord geldt wad (in de betekenis 'doorwaadbare plaats'), het werd in de vorm vadam in het jaar 107 n.Chr. opgetekend door de geschiedschrijver Tacitus voor de plaats die heden Wadenoijen wordt genoemd. [2][3]
In het Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden wordt momenteel gewerkt aan een Oudnederlands Woordenboek. De belangrijkste bronnen voor dat woordenboek zijn: de Wachtendonckse Psalmen, de Leidse Willeram oftewel Egmondse Williram, de zogenaamde Mittelfränkische Reimbibel, de bovengenoemde kleinere fragmenten en een schat aan glossen en namen in Latijnse handschiften.
Tenslotte zijn nog enkele fragmentarische delen van eigennamen bewaard gebleven, die niet gelatiniseerd zijn. Maar deze zijn niet van belang voor het taalkundig onderzoek naar het Oudnederlands.
[bewerken] Spelling
Het Oudnederlands werd gespeld met het Latijnse alfabet. Omdat de missionarissen in de toenmalige Nederlanden afkomstig waren uit het Oudengelse en Oudhoogduitse taalgebied, kan men in Oudnederlandse teksten ook Oudengelse en Oudhoogduitse elementen aannemen.
th wordt gebruikt om de Germaanse þ-klank weer te geven. Voorbeeld: thāhton ("zij dachten"). Zie ook Þ en Medeklinker.
dh wordt gebruikt om de stemhebbende ð-klank weer te geven. Zie ook Ð.
c wordt voor de k-klank gebruikt die in het begin van een woord voor een velare klinker staat. Voorbeeld: cuning ("koning"). Voor palatale klinkers staat k. Voorbeeld: kēron ("keren"). In de Latijnse en Oudhoogduitse schrijftraditie werd de c voor palatale klinkers als [ts]? uitgesproken. In andere posities dan in het begin van een woord konden de spellingen met c en k wisselen: ic en ik ("ik").
u staat voor de klinker u en voor de medeklinker v. Voorbeeld: uusso ("vossen", genitief meervoud). In dit voorbeeld staat het geschreven teken u eerst voor de medeklinker v en dan voor de klinker u. De w-klank werd meestal als uu weergegeven. Er werd dus nog geen onderscheid gemaakt tussen de huidige grafemen u en v, en een w-grafeem was er nog niet. Zie ook V (letter) en W (letter).
g werd waarschijnlijk fricatief uitgesproken, dus ongeveer als in het huidige Nederlands. Die conclusie trekt men uit de wisseling tussen uueh ("weg", accusatief) en uuege ("weg", datief).
h staat voor een h-klank (ongeveer [h]?) en voor een ch-klank (ongeveer [χ]? of [x]?). Voorbeelden: holto ("hout", genitief meervoud), naht ("nacht").
i wordt voor de klinker i en voor de medeklinker j gebruikt. Voorbeelden: uuitton ("weten"), iār ("jaar"). Er werd dus nog geen onderscheid gemaak tussen de huidige grafemen i en j. Zie ook J (letter).
qu staat altijd voor de kw-klank. Voorbeeld: quāmon ("zij kwamen").
z komt slechts zelden voor en heeft dan de uitspraak [ts]?. Voorbeeld: quezzodos ("jij kwetste").
De lengte van een klinker werd bij het schrijven over het algemeen niet weergegeven. Voorbeeld: dag ("dag", met een korte a), thahton ("zij dachten", met een lange a). Om redenen van de duidelijkheid zijn die lange klinkers hier met een horizontaal streepje gemarkeerd: ā. In sommige texten worden de lange klinkers door verdubbeling aangeduid. Voorbeelden: Heembeke (de huidige plaatsnaam Hembeke), de voornaam Oodhelmus (allebei uit oorkonden, uit de jaren 941 resp. 797).
[bewerken] Kenmerken
Een belangrijk kenmerk van Oudnederlands is het gebruik van "ronde vocalen" in de auslaut. Voorbeelden: vogala ("vogel"), hebban ("hebben"), geuon ("geven" - in oude teksten is de v vaak als een u gespeld en de w als uu), herro ("heer"), gesterkon ("versterken"), geuuisso ("gewis, waarlijk"), fardiligon ("verdelgen").
Een ander opvallend kenmerk is het veelvuldig gebruik van naamvallen. Ook het Middelnederlands gebruikt naamvallen, maar de vormen in het Oudnederlands zijn sterker onderscheiden, zoals het zelfstandige naamwoord "dag":
enkelvoud:
- dag (nom.)
- dages (gen.)
- dage (dat.)
- dag (acc.)
meervoud:
- daga (nom.)
- dago (gen.)
- dagon (dat.)
- daga (acc.)
Vergelijkbare rijtjes zijn te maken voor bijvoeglijke naamwoorden, aanwijzende voornaamwoorden ("die" en "dat") en persoonlijke voornaamwoorden.
[bewerken] Klankontwikkeling
[bewerken] Monoftongering
De oude Germaanse tweeklanken (diphthongen) ai en au werden in het Oudnederlands lange monoftongen ē en ō. Voorbeelden: hēm, slōt.
Dezelfde ontwikkeling vond ook in het Oudnederduits plaats.
Een soortgelijke ontwikkeling vindt men ook in de Noordzeegermaanse talen Oudfries en Oudengels.
In het Oudfries werd de Germaanse ai een ē (slechts zelden een ā), maar de au werd een ā. Voorbeelden: hēm (of hām), slāt.
In het Oudengels werd de Germaanse ai een ā en de au een ēa-tweeklank. Voorbeelden: hām (Nieuwengels home), slēat.
[bewerken] h in het begin van een woord verdwijnt
In het Oudnederlands verdwijnt de h-klank in het begin van een woord in de loop van de 9e eeuw. Bijvoorbeeld staat het Oud-nederlandse ringis ("ring", genitief) tegenover Oudnederduits en Oudengels hring.
[bewerken] Reductie van de klinkers
In de Wachtendonckse Psalmen vallen in de onbeklemtoonde lettergrepen de klinkers e en i samen, net als o en u. Dit leidt tot varianten zoals dagi en dage ("dag", datief enkelvoud) en tot varianten zoals tungon en tungun ("tong" of "taal", genitief, datief, accusatief enkelvoud en nominatief, datief, accusatief meervoud). Vanaf de 11e eeuw zijn de onbeklemtoonde klinkers waarschijnlijk gereduceerd tot een sjwa ([ə]?). Deze klank wordt niet alleen e maar ook a gespeld (in de Egmondse Williram).
[bewerken] "Auslautverhärtung"
Het Oudnederlandse had al de "Auslautverhärtung" ondergaan. Dit betekent dat stemhebbende medeklinkers aan het einde van een woord stemloos worden.
Voorbeelden:
- uuort ("woord", nominatief) tegenover uuordes (genitief)
- gif ("geef!", bevelende wijs) tegenover geuon ("geven", infinitief)
- uueh ("weg", accusatief) tegenover uuege ("weg", datief)
Noten:
- De uu in het eerste voorbeeld is geen lange klinker zoals in het moderne woord uur; het is een oude spelling voor de w.
- De u in het tweede voorbeeld (geuon) is een oude spelling voor een v (zoals in geven)
- De eh in het laatste voorbeeld is geen lange e en de h is niet stom; het woord uueh werd ongeveer uitgesproken als het Nieuwnederlandse woord weg (ongeveer [wɛç]? of [vɛχ]?).
Het moderne Nederlands heeft eveneens "Auslautverhärtung" maar die blijkt niet altijd uit de spelling: woord wordt met een d gespeld maar met een t uitgesproken.
[bewerken] hs wordt s
De klankenkombinatie hs, dus ch+s, werd in het Oudnederlands een (stemloze) s. Voorbeeld: Onl. uusso ("vossen", genitief meervoud) tegenover Germaans fuhs-.
De moderne spelling fuhs- voor dit Germaanse woord duidt geen lange u aan maar een korte oe ([u]?) gevolgd door een ch als in lachen. Deze ch-klank wordt soms ook als χ weergegeven.
In het Duits en Engels is de hs en [ks]? geworden: Duits Fuchs, Engels fox.
[bewerken] h tussen klinkers verdwijnt
In het Oudnederlands verdwijnt de h-klank als hij tussen klinkers staat.
Voorbeelden:
- Onl. thion ("gedijen") tegenover Ohd. dîhan ("gedijen")
- Onl. (ge)sian ("zien") tegenover Ohd. sehan ("zien")
In het Nieuwhoogduits wordt de h tussen klinkers weliswaar geschreven maar niet uitgesproken. In het Oudhoogduits daarentegen werd de h daadwerkelijk uitgesproken.
[bewerken] Lenisering van f en v
In de loop van de Oudnederlandse taalperiode werden de stemloze spiranten [f]? en [s]? stemhebbend, dus [v]? en [z]?, als ze in het begin van een woord stonden. In de Wachtendonckse Psalmen is deze ontwikkeling nog zelden te zien. Bij de plaatsnamen in de 10e en 11e eeuw vindt men echter wisselende spellingen, wat erop wijst dat de uitspraak in die tijd aan het veranderen was.
[bewerken] Zie ook
[bewerken] Externe links
- Oudnederlands woordenboek (digitaal)
- Taalkenmerken van het Oudnederlands
- Plaatsing van het Oudnederlands in de ontwikkeling van de Europese talen
- Integrale tekst van de Wachtendonkse Psalmen in diverse formaten
| Bronnen die bij dit onderwerp horen, kan men vinden op de pagina categorie:Oudnederlands op Wikisource |
Bronnen, noten en/of referenties:
- ↑ Bibliotheek der Bollandisten, Ms 299
- ↑ Taalrecorddag - het eerste Nederlandse woord (23 augustus 2004)
- ↑ Nicoline van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, blz. 100, Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen, ISBN 9020420453
- A. Quak en J.M. van der Horst, Inleiding Oudnederlands. Leuven: Universitaire Pers Leuven, 2002 - met uitvoerige literatuuropgave
- Maurits Gysseling m.m.v. Willy Pijnenburg (ed.), Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300) reeks II (literaire handschriften), deel 1: Fragmenten. 's-Gravenhage: Martinus Nijhoff, 1980.
- M. Gysseling, "Prae-Nederlands, Oudnederlands, Vroegmiddelnederlands", in: Vierde Colloquium van hoogleraren en lectoren in de neerlandistiek aan buitenlandse universiteiten. Gent, 1970, pp. 78-89.
- M.C. van den Toorn, W.J.J. Pijnenburg, J.A. van Leuvensteijn, e.a., Geschiedenis van de Nederlandse taal. Amsterdam: Amsterdam University Press, 1997. (Hierin met name pp. 37-42 en pp. 69-74 voor de afbakening van Onl. en Mnl.)

